Antieke Wijsbegeerte: van Thales tot Augustinus.
Een syllabus
door Herman De Ley (© 2009)

• 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •

HOOFDSTUK 3:

De  Sofistiek:

Deel 2: Thema's van de Sofistische Beweging

Deel 1 - Literatuur



 

Inhoud:

1. De Sofistische Beweging

2. Retoriek

3. Antilogiek

4. Psychologie

5. Taal en Wereld

6. De Nómos-Phúsis Antithese:

6.1. Nómos als Sociaal Contract
6.2. Religie
6.3. Menselijke verhoudingen:

6.3.1. Politiek
6.3.2. Eigendom
6.3.3. Afkomst en Ras
6.3.4. Sekse
6.3.5. Slavernij

6.4. Nómos of  Phúsis?

6.4.1. Verdedigers van de nómos 
6.4.2. De "Realisten"
6.4.3. Verdedigers van de phúsis.

Epiloog

Literatuur  

 


 

1. De Sofistische Beweging.


Op de vraag, "wat hebben de Sofisten gemeenschappelijk?", antwoordde Theodor Gomperz onomwonden: "niets, behalve hun beroep en de voorwaarden die aan de uitoefening ervan werden opgelegd door de algemene tijdsomstandigheden" (wat op zichzelf toch ook al niet zo onbelangrijk lijkt). Zijns inziens was het bijgevolg onzinnig om te spreken van een "sofistische geest, moraal, scepsis, enz." Hoe kan het ook anders, zo voegde hij eraan toe, aangezien ze allemaal toch afkomstig waren uit verschillende delen van de Griekse wereld? (Les Penseurs de la Grèce, I, 1904:438-439).

Indien we ons op een strikt  doctrinaal standpunt plaatsen, kunnen we daar weinig tegen inbrengen: het is immers onbetwistbaar dat omzeggens geen twee Sofisten eenzelfde doctrine verkondigden. We moeten ons echter de vraag stellen of het, bij de studie van een "intellectuele revolutie" (Guthrie) zoals de Griekse Verlichting, wel correct is zich te beperken tot de positieve, inhoudelijke theorieën die toen verkondigd werden, en voorbij te gaan aan de nieuwe vormen en toepassingen van het denken, de nieuwe intellectuele methodes die in deze periode ontwikkeld en geëxperimenteerd werden, of aan de nieuwe vraagstellingen die toen geformuleerd werden (en uiteenlopend beantwoord werden). De traditionele, doctrinale of doxografische benadering van de geschiedenis van de filosofie impliceert verkeerdelijk dat de vorm van het menselijke bewustzijn onveranderlijk gegeven is, zodat enkel aandacht zou moeten worden geschonken aan de inhoudelijke "Ideengeschichte". Wat meer in het bijzonder de Griekse Verlichting betreft, kan met F.Solmsen, Intellectual Experiments of the Greek Enlightenment (Princeton, 1975:241), gesteld worden dat zij niet naar haar volle betekenis kan gewaardeerd worden

"zolang haar verwezenlijkingen beperkt worden tot het propageren van nieuwe studies en revolutionaire theorieën en de ermee overeenstemmende kritiek op traditionele gewoonten, geloofsovertuigingen en instituties. Een correcte waardering ervan moet ook de vormen en gebruikswijzen omvatten van de rede, die eerder niet gekend waren, of als ze dan al gekend waren, niet zo vaak, zo graag en met zulk plezier in het experimenteren in het spel waren gebracht".

Welnu, indien we ons op een dergelijk, vormelijk standpunt plaatsen - zoals dat ook bij de andere belangrijke periodes van de Griekse filosofie wenselijk is -, dan komen we tot de tegenovergestelde conclusie van die van Gomperz, en lijkt het "perfect gerechtvaardigd om te spreken van een sofistische mentaliteit of een sofistische beweging" (Guthrie, 1969:48). Zulk een "sofistische geest" treffen we dan weliswaar ook aan bij auteurs die géén professionele Sofisten waren, zoals de historicus Thoukudides en de tragicus Euripides (de monografie van Solmsen is vooral aan hen beiden gewijd). In wat volgt, zullen we een aantal terreinen of thema's bespreken waarin die nieuwe "vorm" zich manifesteerde en, waar nuttig, zal kort worden ingegaan op inhoudelijke variaties.
 

2. De  Retoriek.

Als de Sofisten één aandachtspunt gemeenschappelijk hadden, dan was het ongetwijfeld de retoriek, de "kunst van de lógos". Zoals Guthrie (1969:176) schrijft:

"alle leidende Sofisten waren er intens mee bezig, in haar gerechtelijke, politieke en demonstratieve takken, zowel als actieve beoefenaars én als onderrichters, systematiseerders en auteurs van retorische handboeken".

De "uitvinding" van de retoriek werd, zoals in deel 1 al werd opgemerkt, toegeschreven aan twee Siciliërs van de 1e helft van de 5de eeuw, Korax en Teisias, beiden van Syracuse. "Uitvinding" heeft hier dan een specifieke betekenis (welsprekendheid als zodanig is natuurlijk van alle tijden), namelijk die van het onderwijsbaar-maken ervan, onder de vorm van een téchnè (het woord ging ook zoveel betekenen als "handboek"), de "kunst" om toehoorders te overtuigen. Daartoe werden de nodige regels en procedures opgesteld voor het opstellen én uitspreken van redevoeringen, met veel aandacht voor kant-en-klare typeargumenten (zgn. tópoi, vandaar onze uitdrukking "gemeenplaatsen"), die de toekomstige redenaar onder de knie moest krijgen, voor stijl- en denkfiguren, indeling en plan, enz. Van centraal belang was ook de introductie van het principe van het "waarschijnlijke" of "aannemelijke" (to eikós, to pithanón), in onderscheid of, eventueel, in contrast met "the facts". [20] De retoriek was natuurlijk bovenal op de praktijk gericht, en dat werd ook weerspiegeld in de handboeken: zij spitsten zich vooral toe op standaardvoorbeelden en kant-en-klaar argumenten die de leerling uit het hoofd moest leren (de al vermelde "tópoi", of "vindplaatsen", waaruit een spreker kon putten); men volgde daarbij gewoon de vaste indeling van speeches. Van een meer theoretische en analytische behandeling was geen sprake. Een dergelijke vernieuwende studie van welsprekendheid werd uiteindelijk pas door Aristoteles ontwikkeld (hij was in de Akademie belast met het retorica-onderwijs). In onderscheid met het "op effect" spelen van de traditionele retoriek (d.w.z. overwegend op de gevoelens van de toehoorders), zou Aristoteles zich vooral (maar niet uitsluitend) concentreren op de retorische "overtuigingsgronden" (písteis). Hijzelf definieert de retorica als "de bekwaamheid om met betrekking tot elk onderwerp datgene te vatten dat vermag te overreden" (Rhetorica, I, 1355b25).

Dat de welsprekendheidskunst een prominente plaats ging innemen in het onderwijsprogramma van alle Sofisten, was een gevolg van het feit dat zij, zoals we reeds opmerkten (zie deel 1, § 2.2), in de polis de sleutel was tot maatschappelijk succes. Zoals Platoon het door Gorgias laat formuleren, in de Gorgias, 452E, is het de rhètorikè téchnè die iemand in staat stelt

"om te overreden met het woord, zowel de rechters voor de rechtbank als de raadslieden in de Raad, de burgers in de Volksvergadering, en in elke andere bijeenkomst die een staatsaangelegenheid (politikós) is. Ja, dat kan ik verzekeren, met dit vermogen in uw bezit is de dokter uw slaaf, is de gymnastiekleraar uw slaaf. En die zakenman van u zal blijken zaken te doen voor anderen, in plaats van voor zichzelf: voor u namelijk, die bij machte zijt te spreken en de massa's te overreden".

Die superioriteit van de redenaar op de technische expert wordt door de filosoof Platoon aangeklaagd als die van de schijn op de waarheid, maar in zekere zin maakt zij het onderscheid uit tussen een "democratie" en een "technocratie". Zij wordt in de Gorgias, 456B-C, ook verder bezongen door Gorgias:

"Al menig keer is het me gebeurd dat ik samen met mijn broer en andere artsen naar een of andere zieke toeging die weigerde een drankje te nemen, of zich door de geneesheer te laten snijden of branden. En waar de dokter er niet in slaagde hem te overtuigen, overtuigde ik hem met geen andere kunst dan de redekunst. Hetzelfde geldt voor een staat (polis): laat een redekundige en een arts naar een stad gaan, welke ge maar wilt: als dan in een volksvergadering of in enig andere samenkomst met het woord moet worden uitgevochten wie van beiden tot arts dient te worden gekozen, dan beweer ik dat de dokter een pover figuur zal slaan, terwijl de man die vermag te spreken, gekozen zou worden, als hij dat wilde. Laat hij ook in een wedstrijd uitkomen tegen om het even welke vakkundige: de redekundige, meer dan welke andere ook, zal de vergadering ervan overtuigen hemzelf te kiezen! Er bestaat immers geen onderwerp waarover de redekundige voor een massa niet op overtuigender wijze zou spreken, dan om het even welke vakkundige. Zo groot dus en zodanig is het vermogen van mijn kunst". [21]

We zagen al dat de "Sicilische" richting zich, wellicht mede op grond van argumentaties als bovenstaande, toespitste op de kunst van het "goed-spreken" (euépeia), of "mooi-spreken" (kalliëpeîn) en zulks in het bijzonder met behulp van een opvallend, sterk poëtisch getint taalgebruik (met gezochte klankeffecten en stijlfiguren, zoals de antithese, isokolie - het op elkaar laten volgen van rededelen van dezelfde lengte -, 'gedachtenrijmen' en homoioteleuta, d.w.z. opeenvolging van rijmende woorden, enz.). Andere Sofisten, zoals Protagoras, Prodikos en Hippias, die geïnteresseerd waren in de opvoeding in de breedste zin, beklemtoonden veeleer het (inhoudelijk) "correcte taalgebruik" (orthoépeia), zie verder.

Het pragmatisch uitgangspunt van de sofistische retoriek vormde datgene wat de beweging al van bij het begin typeerde, namelijk het principe van de waarschijnlijkheid, of aannemelijkheid (to éndoxon). Vanuit zijn filosofische visie, daarom, met de constructie van een absolute "waarheid" (namelijk die van de Vormen of Ideeën), was Platoons grootste bezwaar ertegen, "dat ze waarschijnlijkheid hoger achtte dan waarheid" (Phaedrus, 267A): omwille van dat naar-de-mond-praten van het publiek, vergelijkt hij de retorica met... kookkunst, namelijk als tegengesteld aan de geneeskunst - in de zin namelijk dat kookkunst gericht is op het lekkere, in plaats van op de gezonde voeding (zie de Gorgias, 464B2 e.v.). En het "retorische zelfbewustzijn", zou je kunnen zeggen, ging ook effectief gepaard met een groeiende kloof tussen retoriek en realiteit, tussen taal en werkelijkheid. We kunnen ter illustratie nogmaals verwijzen naar Gorgias' traktaat, Over het niet-zijnde of de natuur. In het derde onderdeel ervan, zoals gezegd, wordt geargumenteerd dat zelfs àls het zijnde ook gekénd kan worden, het toch niet aan anderen kan worden meegedeeld. De reden daarvoor is dat de lógos, die we gebruiken om iets mee te delen, onherroepelijk verschilt van de dingen die buiten ons staan, cf. D-K 82 B 3 (= Sextus Empiricus, Adversus Mathematicos, §§ 83-85):

"De dingen die zijn, en die buiten ons bestaan, zijn zichtbaar, hoorbaar en in het algemeen waarneembaar; daarvan zijn de zichtbare te vatten door het zicht, de hoorbare door het gehoor, en niet omgekeerd. Hoe kunnen ze dan aan een ander meegedeeld worden? Immers, datgene waarmee wij ze meedelen, is de lógos, maar deze lógos is niet de reëel bestaande dingen maar lógos, die verschilt van de werkelijkheden. Dus, net zoals het zichtbare niet hoorbaar kan worden, en omgekeerd, zo ook zal wat buiten ons bestaat, geen lógos worden. Maar aangezien het geen lógos is, kan het niet aan de andere duidelijk worden gemaakt".

De radicale zijnskloof die hier wordt geargumenteerd tussen lógos en werkelijkheid, gaat regelrecht in tegen het geloof in het samenvallen van beide, zoals dat in de archaïsche visie gold (cf. natuurlijk Herakleitos).

Behalve op de leer van de waarschijnlijkheid - die, op basis van de overredingskracht (peithó), veeleer refereerde aan mening (doxa) en geloof (pistis), en niét zozeer aan kennis (epistèmè) -, stoelde de retoriek ook op de leer van het "juiste moment", of de kairós, sc. om iets te zeggen of niét te zeggen. Beide samen, waarschijnlijkheid én het "juiste ogenblik", vormen de basiselementen van een theorie van de retoriek die vergelijkbaar is met wat we vandaag kunnen lezen over de techniek van de publiciteit. Zoals Kerferd (1981a:82) schrijft:

"We kunnen retorica, dat nu een ouderwetse term is, misschien nog het best begrijpen als de kunst, in de oudheid, die het geheel omvat van de public relations en de presentatie van beelden. Het was de theorie van deze kunst die geïnaugureerd werd door de Sofisten".

Maar de retoriek was méér dan een belangrijk, respectievelijk centraal onderdeel van het sofistisch programma: zij bepaalde ook in belangrijke mate de vorm, het karakter en de richting van het sofistische denken. In zijn Levens van de Sofisten (I, 480), bestempelt Philostratos (2de eeuw nK) de "oude Sofistiek" als een "filosoferende retoriek":

"ze discussiëren immers over dezelfde punten als de filosofen. Maar datgene waarvan de filosofen zeggen dat ze het nog niet kennen -  ze zetten alles op de vragen en pakken de kleine punten aan van de problemen om vooruit te gaan -, daarover spreekt de oude Sofist als weter. Vandaar dat hun lógoi ingeleid worden met 'ik weet', 'ik ken', 'ik heb al lang onderzocht' en 'voor de mensen is niets zeker'".

Mede verklaarbaar vanuit hun competitieve, economische situatie (zie hoger, deel 1, kap. 3.3), wordt de doorsnee "sofistische persoonlijkheid" inderdaad gekenmerkt door de grote zelfzekerheid waarmee ze spreken en argumenteren en hun publiek in verwarring brengen: zelftwijfel of aarzeling zijn dodelijk in hun "branche"; zij zijn integendeel "sophistaí", "weters", en komen daar openlijk voor uit.[22] Dergelijke opstelling laat zich ook verklaren vanuit de retorische praktijk, die in de eerste plaats gericht is op het overtuigen van de toehoorders. Een noodzakelijke psychologische voorwaarde, immers, om dat te bereiken, is dat de spreker zélf "overtuigd" lijkt van zijn gelijk: twijfel aan de eigen argumenten of aan zichzelf zou contraproductief zijn.


3. De Antilogiek.

Een essentieel onderdeel in de argumentatietechniek die de Sofisten ontwikkelden met het oog op hun retorisch onderricht, en dat misschien nog het best van al hun beweging typeert, was de antilogikè (téchnè). Zoals de Latijnse omschrijving ervan aangeeft: "in utramque partem disputare", is het de kundigheid om, op een overtuigende manier, "in twee (tegengestelde) richtingen te argumenteren". In fr. 189 van Euripides' Antiope luidt dat als volgt:

"wie knap (sophós) is in het spreken, weet in elke zaak de strijd op te roepen tussen de tegengestelde lógoi".

De techniek bestond er dus in om tegenstrijdige argumentaties te ontwikkelen, of om de aanwezigheid van zulke oppositie of tegenstrijdigheid in een bepaalde argumentatie of stand van zaken aan het licht te brengen (cf. supra, deel 1, kap. 5.2). Aangezien de context waarin de redenaar doorgaans optrad - namelijk die van de rechtbank of die van de volksvergadering -, er per definitie één was van belangenconflicten, was het een vereiste dat hij de deskundigheid bezat om op een overtuigende manier met tegenstellingen om te gaan. Vandaar dat ook nog Aristoteles, in zijn Rhetorica, het belang onderstreept van het onderlegd-zijn in die techniek, zie Rhet., I, 1355a29 e.v.:

"Verder moeten we bij machte zijn om op overtuigende wijze tegengestelde (standpunten) te argumenteren, net zoals bij syllogismen: niet opdat wij beide ook (effectief) zouden doen - we mogen immers niet het slechte bepleiten -, maar opdat het ons niet zou ontgaan hoe het ermee gesteld is en ten einde zelf in staat te zijn, wanneer een ander (spreker) argumentaties op een onrechtmatige wijze gebruikt, die te weerleggen".

Aristoteles, voor wie het principe van de niét-tegenstrijdigheid van fundamenteel belang is, voegt er wel aan toe dat, terwijl het eigen is aan dialectiek én retorica om "gelijkelijk" om te gaan met tegengestelden (τἀναντία), zulks niét het geval is met "de onderliggende feiten": "wat waar is en wat beter is, zijn van nature altijd logisch dwingender en, om zo te zeggen, geloofwaardiger" (1355a36-38). Maar laten we terugkeer naar de Sofisten.

Aan Protagoras wordt als eerste de uitspraak toegeschreven, dat er "over elke zaak twee lógoi mogelijk zijn, die aan elkaar tegengesteld zijn" (D-K 80 B 6a). Tevens zou hij er ook prat op zijn gegaan, in staat te zijn om "van de zwakste lógos de sterkste te maken" (D-K 80 B 6b= Aristoteles, Rhet., II, 1402a24, die aansluitend verwijst naar de algemene ergernis omtrent deze claim). Hoewel dergelijke argumentatietechniek moet verbonden worden met de hoger vermelde leer van de waarschijnlijkheid (neem bv. het geval van de "reus" die van agressie beschuldigd wordt en dus de "waarschijnlijkheid" tégen heeft), werd ze gemakkelijk misverstaan in de zin van een oppositie tussen onwaar en waar, of onrechtvaardig versus rechtvaardig. Als zodanig wordt ze gepersifleerd in Aristophanes' De Wolken, vv. 112-118 (Strepsiades spreekt tot zijn zoon, over de Denkschool van Sokrates; zie ook de tweekamp tussen beide Lógoi, vv. 889-1104):

"Ze hebben daar, zegt men, twee logica's (lógoi):
de een is sterk, wat dat ook moge zijn,
de ander zwak. Die zwakke van de twee
praat al wat krom is recht. Dat zeggen ze.
Leer jij nu maar die kromme logica,
dan krijgt geen mens van mij nog één obool
van alle schulden die jij mij bezorgt".

Aan Protagoras wordt ook een geschrift met als titel "Antilogíai" toegeschreven.

Dat deze argumentatietechniek inderdaad een element vormde in het aankweken van een grote mate van zelfzekerheid (men was a.h.w. voorbereid op elke retorische situatie), kwam ook al tot uiting in Sokrates' kritiek erop in de Phaedo, 90 B-C (reeds voluit geciteerd, hoger dl 1, kap. 5.2): "natuurlijk zijn het vooral de lui die hun tijd hebben doorgebracht met argumenten pro en contra (lógoi antilogikoí), die, ge weet het, tenslotte gaan denken dat zij het summum van de geleerdheid hebben bereikt". Ongetwijfeld, echter, leidde ze ook tot het verbreiden van een mate van relativisme, ook op het morele vlak, want hij die de kunst verstaat, "zal naar believen éénzelfde ding aan dezelfde mensen nu eens als rechtvaardig, dan weer als onrechtvaardig doen voorkomen" (Phaedrus, 261D). En waarschijnlijk handelden Protagoras' "Antilogíai", op een dialectische manier, ook over kwesties van ethiek en politiek: in de oudheid circuleerde het gerucht dat Platoon Protagoras' geschrift zou geplagieerd hebben voor zijn Republiek (cf. D-K 80 B 5)! Een bewaard gebleven specimen van die antilogische literatuur is het anonieme Dissoí Lógoi, dat dateert van na de Peloponnesische oorlogen (zie D-K 90). Het opent met de zin: "Tegenstrijdige lógoi worden er in Hellas geformuleerd, door de filosoferenden, over het goede en het kwade".

Wie de antilogiek onder de knie had, kon er op velerlei manieren gebruik van maken:

- men kon, naar gelang van de omstandigheden, nu eens de ene, dan weer de andere "arm" van twee antagonistische lógoi kiezen. Bijvoorbeeld Antiphoon: in Oratio I wordt foltering aangeprezen als het zekerste middel om achter de waarheid te komen; in Oratio V, daarentegen, argumenteert hij dat een getuigenis afgelegd onder foltering waardeloos is (NB in het Attische recht moést de getuigenis van een slaaf onder foltering worden afgenomen);

- men kon ook beide mogelijke alternatieven tegelijkertijd ontwikkelen én weerleggen, ten einde op die manier de uitgangsstelling, die aan de alternatieven ten grondslag lag, zelf te weerleggen.

De eerste om dat laatste type van argumentatie ontwikkeld te hebben, was wellicht de "Eleaat", Zenoon, die volgens Aristoteles de uitvinder was van de dialectiek (zie Diogenes Laërtios, IX.25). Zo lezen we bij Platoon, Phaedrus, 261E:

"En weten we niet dat de Eleatische Palamedes (= Zenoon) de redekunst zo goed verstaat, dat zijn toehoorders de indruk krijgen dat dezelfde dingen gelijk en ongelijk zijn, één en veel, stilstaand en bewegend?"

In zijn bekende paradoxen weerlegt Zenoon aldus zowel het bestaan van beweging als van veelheid, door de onmogelijkheid te bewijzen van de alternatieven waaronder zij denkbaar zijn.

In de eigenlijke Sofistiek is die argumentatievorm met veel bravoure toegepast door Gorgias, in zijn reeds enkele malen vermelde geschrift Over het niet-zijnde of Over Natuur. [23]  Gorgias' argumentatie in het eerste deel, waarin hij, lijnrecht tegen de thesis van Parmenides (cf. "Het Archaïsch Natuurdenken", kap. 3.1), aantoont dat "niets is", bevat de volgende stappen:

A. Een "eigen bewijs", namelijk: "noch zijn noch niet-zijn is (mogelijk)" (vgl. met Parmenides, fr. B 2.3: "niet-zijn is niet"):

1) het niet-zijn is niet-zijn, bijgevolg is het in niet mindere mate dan het zijn; bijgevolg kan van de dingen niet eerder (ou mâllon) gezegd worden dat ze zijn, dan dat ze niet zijn;

2) als het niet-zijn is, dan is het tegendeel, het zijn, niet, want

- ofwel is niet-zijn en zijn niét hetzelfde, en dan is het zijn niét (want het niet-zijnde is);

- ofwel is niet-zijn hetzelfde als zijn, en dan geldt dus ook voor het zijnde dat het niet-is;

B. "Wanneer het is, is het ofwel ontstaan ofwel niet-ontstaan, ofwel één ofwel veel, ofwel in rust ofwel in beweging":

1) - als het niet ontstaan is, moet het volgens Melissos onbegrensd (ápeiron) zijn, maar als het onbegrensd is, is het nergens: het is noch in zichzelf noch in iets anders; maar als het nergens is, kan het, volgens Zenoon, niet zijn.

    - als het ontstaan is, kan het noch ontstaan zijn uit wat is (want dan zou het omslaan in niet-zijn), noch uit wat niet is (want dat is niets): "Indien het bijgevolg noodzakelijk is dat, wanneer iets is, het ofwel niet-ontstaan ofwel ontstaan is, maar beide onmogelijk zijn, dan is het ook onmogelijk dat iets is".

2) Het kan noch één noch véél zijn...

3) Het kan noch in rust noch in beweging zijn...

Conclusie: "als iets is, moet het noch ongeboren noch geboren, noch één noch veel, noch in rust noch in beweging zijn. Bijgevolg is het niets".

Deze argumentatietechniek: namelijk het weerleggen, het ene na het andere, van de alternatieven waaronder een bepaalde stelling waar kan zijn, paste Gorgias ook toe in zijn demonstratieredevoeringen, Lof van Helena en Verdediging van Palamedes (zie D-K 82 B 11 en B 1a).


4. Psychologie.

Wil de spreker zijn doel bereiken - zijn toehoorders overtuigen en ze tot het gewenste oordeel of besluit brengen -, dan volstaat het niet dat hij een argumentatie (lógos) weet te voeren, die in mindere of meerdere mate waarschijnlijk of bewijskrachtig is of lijkt. Hij moet ook bij machte zijn om, doorheen wat hij zegt, (a) ten aanzien van het publiek de integriteit, fatsoenlijkheid en, dus, geloofwaardigheid van zijn eigen persoon of "karakter" (êthos, ἦθος) te vestigen, en (b) de gemoedsgesteldheid  (pathos, πάθος van zijn publiek aan te voelen, of meer nog: de gevoelens en emoties ervan te "bespelen". Vandaar dat ook nog Aristoteles, in zijn retorica-handboek, aandacht vraagt voor die niet strikt rationele factoren die bij de oordeelsvorming een rol spelen; zij worden door hem daarom samen met de argumentatie tot de "intrinsieke overtuigingsmiddelen" (písteis) gerekend. Tegelijkertijd zijn er voor hem wel grenzen, of er zouden er wettelijk moeten zijn, aan het manipuleren van de gevoelens van het publiek: "het is ontoelaatbaar een jurylid naar je hand te zetten door hem op te stoken tot boosheid, afgunst of medelijden" (Rhet., I, 1354a 15 e.v., met kritiek op de eerdere auteurs van retorica-handboeken). Vooral het uitgestraalde "karakter" (sc. van de spreker) - wij zouden vandaag van "beeldvorming" en "perceptie" spreken - acht Aristoteles van groot belang: zijns inziens, "mag je zelfs haast wel zeggen dat het karakter het doorslaggevende overtuigingsmiddel is" (cf. Rhet., I, 1356a13, vert. M. Huys). Zoals hij het nog eens argumenteert in bk. II, 1377b20-32:

"omdat welsprekendheid haar doel vindt in een oordeel (krísis) - politieke toespraken worden aan een oordeel onderworpen, en ook een uitspraak van de rechtbank is een oordeel - moet (een spreker) niet alleen erop toezien dat de redenering (lógos) bewijskrachtig en overtuigend is, maar evenzeer zijn eigen persoon in een bepaald daglicht stellen en de beoordelaar in een bepaalde gemoedstoestand brengen. Het maakt inderdaad een groot verschil uit voor het overtuigingsproces (pístis)..., dat de spreker bepaalde eigenschappen aan de dag legt en dat de toehoorders de indruk hebben dat hij jegens hen op een bepaalde manier gestemd is, én als ook zijzelf op een bepaalde manier gestemd blijken te zijn... De toehoorders, inderdaad, hebben een verschillende kijk naargelang zij vriendelijk of vijandig gezind zijn, of kwaad dan wel vreedzaam ingesteld zijn..." (vert. M.Huys, licht aangepast).

Om die reden, dus, biedt Aristoteles in dat tweede boek van zijn Rhetorica, kap. 2-17,  een vrij omstandige bespreking van (zgn. tópoi, of vindplaatsen, omtrent) de verschillende páthè en karakters (èthè), zoals de redenaar die bij zijn publiek mag verwachten: bv. naargelang het om een "jong" dan wel een "oud" publiek gaat; vandaar bv. een beschrijving van de psychologie, houding en handelen van jongeren ("het karakter van jongeren is geneigd tot begeerte en ze staan klaar om wat ze begeren ook te doen...", 1389a3 e.v.). Een spreker moet bekwaam zijn z'n manier van spreken daaraan aan te passen, ten einde bij zijn toehoorders die páthè teweeg te brengen die in zijn voordeel werken. "Páthè" zijn dan al die gevoelens

"waardoor mensen een verandering doormaken en daardoor tot verschillende oordelen komen, en die gepaard gaan met pijn of genot. Voorbeelden zijn boosheid, medelijden, angst en al dergelijke, en hun tegendelen" (ibid., 1378a19-22).

De emoties, dus, die gepaard gaan met positieve of lustgevoelens zal de redenaar op zichzelf trachten te richten; degene die gepaard gaan met ergernis, angst of onlustgevoelens zal hij trachten op te roepen met betrekking tot zijn opponent. Een mooi voorbeeld van psychologische nuancering, is Aristoteles' bespreking, in het kapitteltje over "angst", over wie effectief angst voelt of kàn voelen (en die dus, indien nodig, angstig kan gemààkt worden door de spreker), Rhet. II, 1382b30-1383a12 (vert. M.Huys):

"Als angst dus gepaard gaat met de verwachting dat men iets vernietigends zal ondergaan, is het duidelijk dat iemand die ervan overtuigd is dat hem niets zal overkomen geen angst voelt: niet voor wat hij niet denkt te zullen meemaken, niet voor mensen van wie hij niet denkt iets te zullen ondervinden en niet voor een tijd waarop hij niet verwacht dat hem iets zal gebeuren. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat bang zijn wie verwachten dat hun iets zal overkomen, en wel door toedoen van die bepaalde personen, dit bepaalde kwaad, op dit bepaalde tijdstip. Wie daarentegen grote voorspoed beleeft of in die mening verkeert, denkt dat hem niets kan overkomen en wordt daardoor overmoedig, aanmatigend en brutaal — een houding waartoe mensen worden gebracht door rijkdom, lichaamskracht, relaties en macht. Maar even goed geldt dit voor wie denkt dat hij alle verschrikkingen al heeft meegemaakt en de toekomst tegemoet ziet met kille onverschilligheid, als mensen die al half dood gemarteld zijn. Voor angst is vereist dat er nog enige hoop op redding over is om voor te strijden. Een aanwijzing hiervoor is dat angst mensen ertoe brengt zich te beraden, terwijl niemand zich nog beraadt wanneer zijn toestand hopeloos is. Daarom moet een spreker, wanneer het wenselijk is dat toehoorders angst ervaren, hen in een zodanige gemoedstoestand brengen dat ze denken dat het leed voor de deur staat: anderen, beter af dan zij, hebben hetzelfde ondergaan. Ook moet hij laten zien dat mensen zoals zij te lijden hebben of hebben gehad van dingen die, van personen van wie en op tijden waarop ze dit niet hadden verwacht."

Precies deze "psychologische" macht van de lógos, namelijk om een gevoelsmatige dwang uit te oefenen bij de toehoorder(s) ervan, werd reeds door de Sofist Gorgias in zijn Lofrede op Helena gehanteerd als één van zijn argumenten om Helena vrij te pleiten van alle schuld (d.w.z. voor het feit dat ze zich liet verleiden door Paris en aldus de Trojaanse oorlog veroorzaakte), D-K 82 B 11, § 8 en § 14:

"Maar ook indien het de lógos is die haar overtuigd heeft en haar ziel heeft misleid, is het niet moeilijk haar te verdedigen en van schuld vrij te pleiten, en wel op de volgende manier. Lógos is een machtig vorst die bij middel van de kleinste en meest onzichtbare lichaampjes de meest goddelijke werken tot stand brengt. Hij heeft de macht om vrees te doen ophouden, pijn weg te nemen, vreugde teweeg te brengen en medelijden op te wekken... De macht van de lógos staat in dezelfde verhouding (lógos) tot de orde (taxis) van de ziel, als de orde van de geneeskrachtige kruiden tot de natuur van de lichamen. Want zoals sommige kruiden sommige sappen uitdrijven uit het lichaam, en andere andere, en de ene een eind kunnen stellen aan de ziekte, de andere aan het leven, op dezelfde wijze kunnen ook sommige lógoi pijn veroorzaken, andere vreugde, kunnen de ene de toehoorders vrees aanjagen, de andere kalmeren; nog andere drogeren en betoveren de ziel met een boze overredingskracht".

In dezelfde context wijst Gorgias ook op de dwang die gevoelens als zodanig, in dit geval éros, op de mens uitoefenen, ibid., § 19:

"Bijgevolg als de blik van Helena door het (zien van het) lichaam van Alexander (= Paris) wellust ervaren heeft, en aan haar ziel een erotisch verlangen en élan heeft gegeven, wat is daar verwonderlijk aan? Als éros een god is met goddelijke macht, hoe zou de zwakkere (mens) dan in staat zijn hem af te stoten en zich tegen hem te verdedigen? Maar als hij een menselijke kwaal is en product van de onwetendheid van de ziel, mag hij niet misprezen worden als een fout, maar moet hij beschouwd worden als een ongeluk; want zoals hij kwam, kwam hij met de jachtnetten van het lot, niet met de overwegingen van het verstand, en met de dwangmiddelen van éros, niet met de voorbereidselen van kunst".

Onder de druk, mogen we zeggen, van de retorische praktijk (of, nog algemener, van de democratische dialoog) ontwikkelde zich in de 5de eeuw een empirische psychologie. De kern ervan werd gevormd door de oppositie tussen het verstand en de oneindige schakering aan tegenstrijdige, irrationele gevoelens. Alleen de rede werd daarbij als "actief" beschouwd, terwijl alles wat het goed functioneren ervan verstoorde, de mens "passief" maakte (cf. de term "páthos", verwant met het werkwoord voor "lijden, ondergaan", om naar die gevoelens te verwijzen) en op die manier ook het verstand kon uitschakelen. Illustratief is de opvatting van de "man-van-de-straat", die Sokrates verwoordt in de Prot, 352B-C:

"hij neemt aan dat de kennis, al is ze dan ook dikwijls in een mens aanwezig, toch niet de leiding over hem bezit; die berust bij iets anders, denken ze: nu eens bij drift (thumós), dan bij het genot, dan weer bij de smart, soms bij de liefde, dikwijls bij de vrees. Hij vat de kennis gewoonweg op alsof zij een slaaf was, naar links en rechts meegesleurd door al de andere invloeden".

Wanneer deze psychologie de dwang erkent waaronder een mens kan staan, dan wordt die dwang, hoe sterk hij ook moge zijn, niet langer automatisch toegeschreven aan een buiten- en bovenmenselijke, "goddelijke" kracht (zoals bij Homeros). Het gaat, anders gezegd, om een soort van geseculariseerde psychologie: de goden of demonen, die vroeger geacht werden op de mens in te werken, zijn verdwenen; wat zulke macht uitoefent op de mens, moet deel uitmaken van het menselijke wezen zelf. Zoals reeds Herakleitos het formuleerde, fr. 119: "het karakter (êthos) (dàt) is 's mensen demon".

Betekenisvol is ook wat er gebeurde met de oude, religieuze notie van húbris (menselijke hoogmoed). Zij bekleedde een vooraanstaande plaats in de vroegere behandeling van morele kwesties. Zo ontwikkelt nog Herodotos (ca 485-425; auteur van de Historiën) zijn verhaal over het lot van de heersers onveranderlijk in termen van "hybris", onveranderlijk gevolgd door de straf (némesis) van de goden. Het contrast met zijn "opvolger", Thoukudides, is treffend: bij deze laatste hebben alle religieuze noties, en dus ook húbris, afgedaan: "dit laatste overblijfsel van de goddelijke krachten die eerder de loop van de gebeurtenissen richting gaven, heeft ze gevolgd naar het limbo" (Solmsen, 1975:127).

De meest indrukwekkende voorbeelden van toepassing en geëxperimenteer met deze nieuwe psychologie vinden we bij twee (Atheense) auteurs die in de brede zin tot de "sofistische beweging" gerekend mogen worden, namelijk de tragicus Euripides (ca 480-406 vK) en de al genoemde historicus Thoukudides (Thucydides, ca 460 - ca 400). Denken we bv. aan twee grote vrouwenfiguren bij Euripides:

-- Phaedra, die gegrepen wordt door het conflict tussen haar verstand en haar liefde voor Hippolutos, in Hippolytus, 375 e.v.:

"dikwijls al overdacht ik in lange nacht, wààrdoor het leven van de mensen stuk gaat. En ik geloof dat ze niet mislukken op het vlak van het verstand: de meesten hebben voldoende inzicht; neen, het moet vooral hierin gezocht: wij kennen het goede, maar voeren het niet uit, de enen uit laksheid, de anderen omdat ze een of andere lust boven het goede verkiezen... Dat alles erkende ik, en geen drogeermiddel kan me dit inzicht ontroven... Toen eros mij overviel, overwoog ik hoe ik dit het waardigst kon dragen. Ik begon ermee mijn kwaal te verzwijgen en te verbergen, want men kan zijn tong niet vertrouwen: de geest van anderen weet zij te vermanen, maar voor zichzelf brengt ze de grootste kwalen. In tweede instantie besloot ik het onverstand (ánoia) te overwinnen door bezonnenheid (sophroneîn). Tenslotte, aangezien men het daarmee niet kan halen op Kupris (= Aphrodite), besloot ik te sterven...".

-- Medeia, heen en weer geslingerd tussen haar haat voor Iasoon (die haar in de steek heeft gelaten) en haar liefde voor haar kinderen: Medea, 1057 e.v. (ze staat op het punt haar kinderen, die ook die van Iasoon zijn, te doden):

"Mijn hart (thumós), dat kunt ge niet doen! Laat hen gaan, ellendig hart, spaar de kinderen!.. Maar bij de geesten van de onderwereld, het zal niet zijn dat ik mijn kinderen overlaat aan de vijand, in schande en nood! Zij moeten sterven... Ga weg, ga weg! Ik kan jullie niet langer aanzien. Ik geef het op. Ik besef heel goed het kwaad dat ik op het punt sta te begaan, maar mijn aandrift (thumós) is sterker dan mijn verstand; zij is de schuld van de grootste kwalen voor de mensen".

Voor Thoukudides, die de geschiedenis wou schrijven van de Peloponnesische oorlogen (tussen Athene en Sparta), was de geschiedenis een louter menselijke aangelegenheid. Zij moest volledig geanalyseerd en begrepen worden vanuit de gekende, menselijke gedragingen en motiveringen, zonder tussenkomst van het bovennatuurlijke. Vandaar de centrale plaats die in zijn verhaal wordt ingenomen door de reconstructie van de (reële of vermeende) motieven van de protagonisten, met name door middel van de redevoeringen die hij hen in de mond legt. De grote aantrekkingskracht die zijn werk ook nog op de moderne lezer uitoefent, is voor een belangrijk deel te danken aan die aandacht voor en minutieuze beschrijving van de psychologische reacties van de Grieken, tijdens een of andere cruciale fase in de oorlog: bv. zijn beschrijving van de opeenvolgende emoties van Atheners en Syracusanen, die van op het land de beslissende zeeslag in de haven van Syracuse volgden, Historiën, VII, 71.2.

Hij hecht ook veel belang aan wat nu sociale psychologie wordt genoemd. Bv. de "morele verloedering" van de Grieken onder het impact van de (langdurige) oorlog; of de groeiende ontmenselijking bv. als gevolg van de verschrikkelijke pestepidemie die Athene bij het begin van de oorlog teisterde, II, 52-53: "De catastrofe was zo overweldigend dat de mensen, niet wetend wat de volgende dag hen zou brengen, volledig onverschillig werden t.a.v. de geboden van de religie en de wet". Een klassieke tekst, in dit verband, waarin hij tevens zijn aandacht toont voor de evolutie in het woordgebruik, als weerspiegeling van de politieke ontwikkelingen - ongetwijfeld onder invloed van de Sofistiek, en met name van de synonymiek van Prodikos (zie Guthrie, 1969:223) -, is Hist., III, 82-83 (in het eraan voorafgaande kap. heeft hij de burgeroorlog beschreven in Kerkura (Korfoe), in 427, waarbij leden van de oligarchische partij uitgemoord werden door de democraten):

"Met zulke wreedheid ontwikkelde zich de opstand. En het leek allemaal nog veel erger omdat hij de eerste was. Later was natuurlijk de gehele Griekse wereld in oproer gekomen, met tweespalt in alle staten, waarbij de democratische leiders de Atheners erbij trachtten te halen, de oligarchen de Spartanen... In de verschillende poleis waren deze opstanden de oorzaak van grote calamiteiten, zoals er gebeuren en altijd zullen gebeuren zolang de menselijke natuur dezelfde is, maar ze kunnen verschillen in intensiteit en van karakter veranderen, naarmate de omstandigheden veranderen. Want in tijden van vrede en voorspoed houden de poleis zowel als de individuen er hogere principes op na, omdat ze niet gedwongen worden in situaties waarin ze moeten doen wat ze niet willen doen. Maar de oorlog, die het onmogelijk maakt om gemakkelijk in de dagelijkse noden te voorzien, is een brutaal meester, en hij herleidt de gemoederen tot op het niveau van de reële omstandigheden...

Met hun daden, en om ze goed te praten, veranderde ook de gewone betekenis van de woorden. Onberedeneerde waaghalzerij gold nu als moed uit liefde voor de partij; het vooruitziend nemen van voorzorgen als dekmantel voor lafheid; gezond verstand was een voorwendsel voor onmannelijkheid, en het vermogen om een zaak langs alle kanten te bekijken betekende dat men volledig ongeschikt was voor actie; impulsief en opvliegend zijn was het lot van een echte man, en uit voorzorg complotteren was een volstrekt legitieme zelfverdediging. Wie woedend was, was altijd betrouwbaar, wie hem tegensprak, altijd verdacht. Wie succesvol complotteerde, was verstandig, maar wie het vermoedde, nog knapper; hij, echter, die op voorhand overlegde, hoe men geen van beide nodig zou hebben, verbrak de eenheid van de partij en was bevreesd voor de tegenstanders. Kortom, geprezen werd hij die iemand vóór was die iets kwaads in de zin had, zowel als degene die iemand aanmoedigde die helemaal niets van plan was. Ook werden verwantschapsbanden minder belangrijk dan partijbanden, omdat deze laatste tot een grotere bereidheid aanzetten om zonder reden gelijk wat te wagen...

Zich op iemand wreken om geleden onrecht werd hoger geschat dan te voorkomen dat men het zelf onderging. En als er dan al verzoeningsovereenkomsten gesloten werden, dan golden ze enkel voor dat ogenblik omdat elk der partners geen andere uitweg had en over geen andere middelen beschikte. Maar degene die, wanneer de kans zich voordeed, haar als eerste durfde te grijpen, terwijl hij zijn vijand weerloos zag, genoot des te meer van zijn wraak omdat ze door een breuk van vertrouwen en niet openlijk was genomen. Het was ook veiliger, dacht men, en omdat men door bedrog de overhand had gehaald, sleepte men ook nog de prijs voor slimmigheid in de wacht. Want de meeste mensen werden liever handig genoemd door kwaad te stichten, dan dom door goed te zijn: voor het laatste schamen ze zich, op het eerste gaan ze prat.

Schuld van dit alles was (het najagen van) de heerschappij, hetzij uit hebzucht hetzij uit eerzucht. Daaruit ontstond ook, zodra men zich in partijen opstelde, een fanatieke wedijver. Want de politieke leiders in de poleis hadden langs beide kanten mooie leuzen: ze hielden bovenal de politieke gelijkgerechtigdheid (isonomía) van de massa, respectievelijk een gematigde aristocratie in stand. Maar terwijl ze met woorden het algemeen belang dienden, trachtten ze de prijzen voor zichzelf in de wacht te slepen, waarbij ze op alle mogelijke manieren streden om elkaar de baas te worden, de verschrikkelijkste dingen aandurfden en hun wraaknemingen nog gruwelijker waren. Hierbij lieten ze zich niet leiden door het recht en wat voordelig was voor de Staat, maar hun enig criterium was wat op elk ogenblik aan één van beide partijen plezier deed. Door een veroordeling wegens een onwettige stemming of door handgeweld in het bezit komend van de macht, waren ze altijd klaar om aan hun haatgevoelens van dat ogenblik voldoening te geven. Rechtschapenheid kon geen van beide partijen bijgevolg nog gebruiken; maar zij die ertoe kwamen om bij middel van mooipraterij een aanstootgevende daad te stellen, vonden des te beter gehoor. Wat de burgers betreft die een tussenpositie innamen, die werden door beide kampen uitgeroeid, hetzij omdat ze niet meestreden hetzij uit afgunst dat zij het zouden overleven.

Op deze wijze kwam er, als gevolg van de revoluties, in de Griekse wereld een algemene boosaardigheid tot stand. De eenvoudige manier om de dingen te bekijken, kenmerk bovenal van de nobele natuur, werd algemeen als lachwekkend beschouwd en verdween. Men stond in twee ideologische kampen tegenover elkaar, waartussen geen vertrouwen mogelijk was...".


5. Taal en Wereld.
[24]

De retoriek lag, zoals gezegd, ook ten grondslag aan de studie van de taal, in de eerste plaats met de bedoeling de praktische doelmatigheid ervan te vergroten. Die studie presenteerde zich daarom voornamelijk in de vorm van een discussie over "woordjuistheid" (orthoépeia) en "juistheid der namen" (orthótès onomátoon). De Sofisten golden als experten in deze erg populaire thematiek, maar ook in de werkencatalogus van Demokritos vinden we een traktaat met als titel "Orthoépeia". In Platoons Cratylus, een dialoog die precies de "juistheid der namen" als gespreksonderwerp heeft, worden de Sofisten door Sokrates aanbevolen als de terzake bevoegden, 319B-C:

"De meest juiste methode, mijn vriend, om die juistheid van naam te onderzoeken, is deze: doe een beroep op de kenners, geef hun geld en betuig hun dank. En als ik zeg: 'kenners', bedoel ik daarmee de Sofisten, dezelfden aan wie onder meer uw broer Kallias zijn reputatie van geleerde te danken heeft, na hun een bom duiten te hebben betaald. Daar gij echter geen meester zijt over uw erfdeel, moet ge er bij uw broer op aandringen en hem verzoeken dat hij u over een dergelijk onderwerp de juistheid aanleert, die hijzelf bij Protagoras heeft geleerd".

Zoals de uitdrukking aangeeft, ging het bij deze discussie in de eerste plaats om de studie van individuele woorden ("namen", in het Grieks). In dat verband, echter, werden ook (voor het eerst) grammaticale categorieën geïntroduceerd. Zo wordt van Protagoras gezegd, dat hij als eerste de lógos onderverdeelde in vier soorten (volgens anderen in zeven): wens, vraag, antwoord en bevel, die hij de "wortels van de lógoi" noemde (zie D-K 80 A 1, §§ 53-54). Protagoras onderscheidde ook drie geslachten: mannelijk, vrouwelijk en "zakelijk" (letterlijk: "tuigen", A27). Bij het maken van die distincties ging het er niet enkel om het feitelijke taalgebruik te  beschrijven, maar was het er met name Protagoras ook om te doen om het gevestigde gebruik waar nodig te  corrigeren.  Zo moesten zijns inziens de grammaticale geslachten van sommige woorden in het kader van de "taaljuistheid" herzien worden: de Griekse woorden, bv., voor "wrok" (mênis) en "helm" (pèlèx) dienden volgens hem van vrouwelijk mannelijk te worden gemaakt (A 28). Gehanteerde criteria daarbij waren klaarblijkelijk zowel het "natuurlijke" geslacht als de morfologie (uitgang). Dat blijkt althans uit de parodiëring ervan bij Aristophanes, De Wolken, v. 658 e.v., = D-K 80 C 3 (Sokrates repliceert op Strepsiades' vraag om de "kromme logica" te leren, cf. supra; vertaling van M. d'Hane Scheltema):

- Je moet eerst wat anders leren nog: welke der dieren noem je mannelijk? - Zal ik niet weten, zeg! Ik ben niet gek. Een ram, een bok, een stier, een hond, een gans [PS in het Grieks staat een woord dat gebruikt werd voor haan én hen] - Kijk, wat je doet. Je noemt een vrouwtjesgans toch ook een gans, net als 't mannetje? - Hé, leg eens uit. - Gewoon, 't is gans en gans. - Poseidon, ja. Hoe noem ik haar dan wel? - Ganzin, en 't mannetje de ganzeman.

Daarop volgt nog de correctie van het Griekse woord voor "bassin" (kárdopos), dat hoewel eindigend op -os vrouwelijk was, en een discussie in dezelfde zin over eigennamen.

De Sofist Prodikos, anderzijds, was in de oudheid vooral beroemd om zijn studie van synoniemen (cf. zijn lezing "Over de juistheid der namen", vermeld in Crat, 384B= D-K 84 A 11). Het meest opvallende aspect ervan was de wijze waarop hij nuances aanbracht tussen woorden met grofweg dezelfde betekenis. Een goed (allicht wat ironisch bedoeld) voorbeeld hiervan krijgen we nogmaals in de Prot, 337A-C (=D-K 84 A 13): de discussie tussen Sokrates en Protagoras is vast gelopen, en Prodikos doet op zijn beurt een poging om ze terug vlot te krijgen (vert. van De Win, aangepast):

"Als men debatten van deze aard bijwoont, moet men  onpartijdig kunnen luisteren; onpartijdig en toch niet  gelijkelijk: want dat is niet hetzelfde; onpartijdig moet men immers beide partijen aanhoren, doch men is niet verplicht aan ieder van beiden een gelijk deel te besteden: de wijzere komt meer toe, de dommere minder. Mijnerzijds, Protagoras en Sokrates, wil ook ik persoonlijk u vragen toegeeflijk te zijn en met elkander over het besproken onderwerp te  discussiëren, niet te  twisten (erízein). Discussiëren immers doen vrienden met vrienden en in alle welwillendheid, doch twisten doen tegenstanders en vijanden. Op die wijze ook zou ons samenzijn hier, zijn hoogste graad van volmaaktheid bereiken: immers, aldus zult gij, die spreekt, bij ons, die luisteren, de hoogste  achting, ik zeg niet de hoogste  lof, erlangen: want achting leeft in de zielen der toehoorders en is oprecht, terwijl loftuiging dikwerf alleen in woorden bestaat, tegen de overtuiging in; en wij onzerzijds, die toeluisteren, wij zouden aldus bij uitstek  vreugde, en niet  genot, smaken: vreugde, toch, vindt men bij hem die iets bijleert, die, louter met zijn geest, mee deel krijgt in het verstaan; genot treft men aan bij hem die eet, of die, louter met zijn lichaam, een andere aangename gewaarwording ondervindt".

Achterliggende gedachte bij dit alles is dat elke ónoma, of "naam", in feite slechts naar één, specifiek object of fenomeen refereert, en naar geen ander, net zoals een eigennaam de naam is van die éne persoon en niet van een andere (cf. D-K 84 A 19); het is bijgevolg van belang, om misverstanden te voorkomen, de "juiste naam" te gebruiken (het maken van dergelijke distincties kon ook een belangrijk retorisch middel zijn). [25]

Fundamenteel uitgangspunt - in dit taalrealisme - is dat een "naam", om een naam te zijn, de naam moet zijn van iets, d.w.z. van iets "dat is" (Grieks: on) - cf. natuurlijk reeds Parmenides. Dat reële "iets" dat benoemd wordt door het woord (bv. voor "paard" het paard) wordt dan beschouwd als de "betekenis" van het woord in kwestie. De (nog naïeve) "taalvisie" die hieraan ten grondslag ligt, is derhalve dat er tussen de fenomenen of dingen en de "namen", dus tussen de werkelijkheid en de taal, een éénduidige relatie bestaat (of: moet bestaan), die a.h.w. de natuurlijke "juistheid der namen" vormt, die als zodanig strijdig kan zijn met de empirische of "natuurlijke" omgangstaal. We vinden dat standpunt extreem geformuleerd door Kratulos, in Platoons Cratylus, 383A-B (Hermogenes vat Kratulos' visie samen):

"Sokrates, onze vriend Kratulos hier beweert dat er voor elk ding een natuurlijk-juiste benaming bestaat. Als echter bepaalde mensen onderling afspreken om een ding zo of zo te noemen, en als ze aan het uitbrengen van zulke woorden een deel van hun stemgeluid besteden, dan is dat, volgens hem, géén "naam". Neen, er zou een natuurlijke juistheid van de namen bestaan, dezelfde voor allen, buitenlanders zowel als Grieken".

We vinden hier dus zelfs het ideaal geformuleerd van één enkele, natuurlijke en, vooral, universele taal.

Uit deze "parmenideïsche" visie, waarin taal en wereld in een onbemiddelde relatie tot elkaar staan, vloeiden een aantal paradoxale consequenties voort, die door de Sofisten konden ge- of misbruikt worden in drogredeneringen. Wanneer enkel "genoemd" kan worden dat "wat is (to on) - dus, dat telkens iemand iets "zegt", hij "iets" zegt, dat als zodanig "is" (zo niet zegt hij "niets") -, verliezen (zoals reeds door Parmenides geargumenteerd was) alle expliciet negatieve uitspraken hun betekenis: wat niet is, kan niet benoemd (of: gezegd) worden. Eén gevolg hieruit is dat het onmogelijk is te liegen - immers, een "onwaarheid"= wat niet-is, en wat "niet-is" kan niet gezegd worden. We vinden deze "sofistische" (!) redenering gedemonstreerd in de Euthydemus, 283E-284C (Ktesippos heeft Dionusodoros juist van een leugen beschuldigd):

- Mag ik u een vraagje stellen, Ktesippos? begon nu Euthudemos. Een leugen, kan dat bestaan, volgens u?

- Hemel, ja! Of anders ben ik helemaal krankzinnig!

- Door over het ding te spreken [letterlijk: "het ding te zeggen"] waarover er spraak is, of door er niet over te spreken?

- Door erover te spreken, zei hij.

- En als men daarover spreekt, spreekt men toch over geen enkel ander ding onder alles wat bestaat, dan over datgene waarover men spreekt?

- Natuurlijk niet, zei Ktesippos.

- En dat ding waarover men spreekt, is ook één ding onder alle bestaande dingen (ta onta), afgescheiden van de andere?

- Zeker.

- Wie dus daarover spreekt, spreekt over iets dat bestaat?

- Ja.

- Welnu, spreken over iets dat bestaat, de werkelijk bestaande dingen zeggen, dat is waarheid spreken. Als Dionusodoros dus zegt wat werkelijk bestaat, spreekt hij de waarheid en vertelt hij dus helemaal geen leugens over u.

- Ja, zei Ktesippos. Maar wie dat zegt (sc. dat D. waarheid spreekt) zegt niet wat werkelijk is.

Daarop zei Euthudemos: 'Maar het is toch zo dat het niet-zijnde gewoon niet is?

- Het is niet.

- En het niet-zijnde kan niet anders dan nergens zijn?

- Nergens.

- Kan het dan zijn dat iemand in verband daarmee, namelijk met het niet-zijnde iets zou doen zodat om 't even wie die dingen, die nergens zijn, zou doen bestaan?

- Dat denk ik niet, antwoordde Ktesippos.

- Wel dan... als de redenaars voor het volk spreken, doen ze dan niets?

- Toch wel, ze doen iets, zei hij.

- En als ze iets doen, bewerken ze dan ook niets?

- Ja.

- Dus is spreken een doen en een bewerken (sc. doen bestaan)?

Dat gaf hij toe.

- Dus is er niemand die het niet-zijnde zegt. Want dan zou hij daardoor alleen reeds iets doen bestaan. En gij hebt toegegeven dat niemand in staat is het niet-zijnde te doen zijn. Zodat volgens uw eigen woorden niemand leugens vertelt. Integendeel, als Dionusodoros spreekt, zegt hij de waarheid en het zijnde".

Een andere consequentie is dat het niet mogelijk is elkaar tegen te spreken (ouk éstin antilégein), aangezien men het telkens over "iets", en dus, bij (ogenschijnlijke) tegenspraak, over iets anders heeft. Ook dit standpunt vinden we als "sofisme" toegepast in de Euthydemus, 285D-286C (= D-K 80 A 19), maar Sokrates verwijst het argument o.m. terug naar "de mensen rond Protagoras" (zie Kerferd, 1981a:88 e.v.).


6. De Nómos-Phúsis (νόμος- φύσις) Antithese.

Laten we nogmaals starten met een citaat uit de Sofistische Weerleggingen van Aristoteles, 173a7-18:

"Een wijdverbreide topos bestaat erin, mensen paradoxen te doen zeggen m.b.t. wat overeenkomstig de phúsis en wat overeenkomstig de nómos is - zoals ook van Kallikles geschreven wordt (sc. door Platoon) in de Gorgias, en het welk al de Ouden (sc. de Sofisten) als geldig beschouwden: phúsis en nómos zijn immers tegengestelden, en rechtvaardigheid is goed volgens nómos, maar niet goed volgens phúsis. Dus aan degene die gesproken heeft in termen van phúsis, moet men antwoorden in termen van nómos, en tegen degene die in termen van nómos argumenteert, moet ge argumenteren in termen van phúsis: in beide gevallen zal het resultaat zijn dat ze paradoxen uiten. In de ogen van de (Sofisten) was wat met phúsis overeenkwam de waarheid, terwijl wat overeenkwam met de nómos, datgene was dat goedgekeurd werd door de meerderheid. Het is bijgevolg duidelijk dat ook zij, net zoals die van vandaag, erop uit waren om de tegenstander ofwel te weerleggen, ofwel paradoxen te doen formuleren".

De nómos-phúsis tegenstelling vormt het meest fundamentele thema van de gehele periode. "Phúsis" kan hier vertaald worden door "natuur", hoewel in de verbinding met nómos de vertaling "waarheid" of "werkelijkheid" het contrast soms precieser laat uitkomen; vaak gaat het ook over de  menselijke "natuur" (zie hoger, dl 1, kap. 5.1).

"Nómos" voor de Griek is iets dat nomízetai, (bij Parmenides: nenómistai, een perfectumvorm), d.w.z. "gelding heeft" of "geldt" (vergelijk met het woord "nómisma", dat precies "geld" ging betekenen), "wat als goed of juist aanvaard wordt" - vandaar een ingesteld gebruik, geloof of voorschrift waaraan men zich te houden heeft (het woord "nómos" is daarom altijd prescriptief, nooit louter descriptief). Als zodanig kon de "Wet" teruggaan op, haar gezag halen uit een goddelijke wetgever. Die goddelijke sanctionering gaf wetten lange tijd een onaantastbaar karakter.[26]

Ook in de tijd van de Sofisten kon nog gesproken worden van "goddelijke wetten", o.m. in verband met de "ongeschreven wetten", die voorrang moesten hebben op alle (menselijke) wetten: vergelijk het conflict tussen Antigone en Kreoon in Sophokles' Antigone. Maar met het groeiend religieus scepticisme en agnosticisme verdween ook de onaantastbare autoriteit van de nómoi. Ook de kennismaking met de gebruiken en instellingen van andere volkeren en, misschien nog bovenal, de eigen dagelijkse wetgevende praktijk van de burgers beroofden de nómos van dat onaantastbare karakter. Een komische karikatuur van de nieuwe mentaliteit terzake geeft Aristophanes ons in de slotscène van het al enkele malen vermelde stuk, De Wolken: Strepsiades' zoon verlaat er als "een ander mens" de sokratische Denkschool - vv. 1399-1400: "Hoe zoet is het vertrouwd te zijn met nieuwe denkpraktijken; op vaste normen (nomoi) die er zijn, vanuit de hoogte neer te zien!" -, en hij vaardigt onmiddellijk een nieuwe "wet" uit, namelijk dat zoons voortaan hun vader mogen slaan, v. 1421 e.v. (vert. d'Hane-Scheltema):

"Hij, die 't eerst de wetten schreef, was man, als gij en ik zijn,
die ook de mensen uit zijn tijd met woorden overtuigde.
En heb ik minder recht dan hij een nieuwe wet te stellen,
die in 't vervolg aan zoons vergunt hun vaders terug te meppen?
De slagen die men ons reeds gaf, voordat mijn wet gesteld is,
vergeet ik dan, wat mij betreft, zijn die gratis ontslagen.
Kijk ook maar eens naar hanen en andere soorten dieren
hoe die hun vaders tuchtigen. En wat verschillen zij nu
van ons, behalve dat zij niet moties en oproer kraaien?"

Nómos begon nu geopponeerd te worden aan phúsis, als wat artificieel ("door téchnè", zegt Platoon, in De Wetten, 889E1) door mensen uitgedacht of overeengekomen is, in oppositie met wat natuurlijk gegeven is, en soms als wat "onwaar" is (hoewel het algemeen geloofd of gedacht wordt) in oppositie met wat - wij zouden zeggen: feitelijk of objectief - "waar" is. Ook bij de natuurdenkers vinden we dergelijk gebruik: voor Demokritos, fr. 125, zie hoger, dl 1, kap. 5.1; bv. ook Empedokles, fr. 9: de mensen gebruiken verkeerdelijk woorden als "geboren worden" of "sterven", "maar ook ik leg me neer bij die nómos". De Sofisten, echter, en hun geestesverwanten: redenaars, historici en een tragicus als Euripides, hanteren de antithese vooral op het gebied van de ethiek en de politiek. "Nómos" heeft daarbij dan twee hoofdbetekenissen:

1) gebruik of gewoonte, gebaseerd op traditionele of conventionele opvattingen i.v.m. wat juist is;

2) formeel opgestelde wetten, die op basis van de autoriteit van de polis bepaalde gedragsnormen verplichtend maken.

Die twee betekenissen blijven nauw aan elkaar gekoppeld: het conceptueel onderscheid tussen "moraal" en "recht" was de Grieken vreemd (werd pas door Immanuel Kant geconstrueerd).

6.1. De eerste ons bekende toepassing van de antithese op het vlak van de moraal staat, zoals hoger gezien (dl 1, kap. 5.1), op naam van Archelaos, die volgens de overlevering een leermeester zou geweest zijn van Sokrates . Niet toevallig wordt in onze antieke bron diens opvatting over de conventionele oorsprong van wet en moraliteit verbonden met zijn fysische evolutieleer: beide waren historisch met elkaar verbonden. Vandaar dat Platoon zich later genoodzaakt zou zien, wanneer hij de strijd aanging tegen de "immorele" theorieën van de Sofistiek, een gehele kosmogonie op te bouwen: z.i. is het de "fysische" opvatting dat de wereld het product is "van natuur en toeval", die verantwoordelijk is voor de ontkenning van absolute morele waarden (De Wetten, 888E e.v., zie hoger, dl 1, kap. 2.3, slot).

We leven dus in een wereld waarin niet enkel "fysische" fenomenen, zoals zoet en bitter, warm en koud, geboren-worden en sterven als oneigenlijk moeten worden beschouwd of het "product van gelding" , maar ook morele waarden en normen, zoals recht en onrecht, goed en kwaad. Voor een universele morele wet is hier geen plaats meer: morele regels krijgen een gewoontekarakter en worden betrekkelijk. Zij werden ingesteld of afgesproken om te beantwoorden aan de noden van particuliere mensen op particuliere plaatsen en tijdstippen. Elke moraal is anders gezegd een  situationele moraal, gericht op (iemands) belang of nut (to sumphéron), in een welbepaalde context.

In de voorstelling dat de nómoi (in hun dubbele betekenis) "overeenkomsten zijn, gemaakt door de burgers, waarin ze schriftelijk geacteerd hebben wat mag en wat niet mag" (zo de sofist Hippias, bij Xenophoon, Memorabilia, IV.4.13), hebben we reeds de kern van de theorie van het "sociaal contract", die later, in de 17de en 18de eeuw, opnieuw zou ontwikkeld worden. De meest ondubbelzinnige formulering ervan is overgeleverd op naam van Lukophroon, een leerling van Gorgias (bij Aristoteles, Politica, 1280b8= D-K 83 A 3):

"de (politieke) gemeenschap wordt in deze optiek (sc. dat de Staat zich niet te bekommeren heeft om de morele voortreffelijkheid) een louter bondgenootschapsverdrag (summachía), dat van de andere (verdragen), waar de bondgenoten ver van elkaar wonen, enkel verschilt door de plaats, en de wet (nómos) wordt een contract (sunthèkè) en, zoals Lukophroon de Sofist het zei, een borg voor wederzijdse rechtvaardigheid; maar niét iets dat van aard is om de burgers goed en rechtvaardig te maken".

De meeste verwijzingen naar zulke "overeenkomst" zijn ingeschakeld in een beschrijving van de historische oorsprong van de wetten. De eigenlijke sociaal-contracttheorie, echter, stipuleert dat de burger de wetten moet gehoorzamen omdat hijzelf a.h.w. impliciet een overeenkomst is aangegaan, welke ook de historische oorsprong van de wetten moge zijn. In deze vorm treffen we de theorie in de 5de eeuw enkel aan op naam van Sokrates (maar let op: heel wat teksten van Sofisten zijn verloren gegaan). Althans in Platoons dialoog Crito krijgen we een dergelijke argumentatie in de mond gelegd van de (Atheense) wetten zelf, in antwoord op de vraag of Sokrates - die net ter dood werd veroordeeld - het recht heeft zich aan de voltrekking van het vonnis te onttrekken door Athene te ontvluchten, Crito, 50A e.v.:

"Maar wat dan als de wetten zouden zeggen: 'Stond ook dat in de overeenkomst die wij met u hadden afgesloten? Of waren we integendeel afgesproken dat ge u niet zoudt onttrekken aan de vonnissen die de staat zou uitspreken?... Als het waar is dat wij u ter wereld brachten en voedden, en opleidden, kunt gij er dan ten eerste iets tegen inbrengen dat gijzelf onze zoon en slaaf zijt, zoals ook uw vaderen het waren vóór u?'... 'Bedenk dan, Sokrates', zouden de wetten misschien kunnen zeggen, 'of wij de waarheid spreken wanneer wij beweren dat uw huidige poging erop gericht is ons onrecht aan te doen. Immers, niettegenstaande wij u en alle andere burgers deel lieten hebben aan alle zegeningen die wij maar konden schenken, toch geven wij u oorlof, en kondigen wij daardoor af aan ieder Athener die dat wil, dat hij, na zijn meerderjarigheid en na de toestanden in de staat en onszelf, de wetten, onderzocht te hebben, vrij de stad mag verlaten met heel zijn have en goed en zich begeven waarheen hij wil, indien wij hem niet aanstaan. En is er iemand onder u die niet houdt van ons, wetten, of van de staat en die wenst naar een kolonie te gaan of naar een vreemde staat, dan kan hij gaan waarheen hij wil en gans zijn bezit meenemen, zonder dat iemand van ons hem iets in de weg legt of het hem verbiedt. Is er echter iemand onder u, die, bij het zien van de wijze waarop wij recht spreken en verder de staat besturen, hiér blijft, dàn beweren wij dat hij metterdaad een verbintenis (homología) met ons heeft aangegaan om alles te doen wat wij bevelen...".


6.2. Ook de religie verloor haar traditionele vanzelfsprekendheid: anders gezegd, ook het bestaan van de Olympische goden ging een kwestie lijken van menselijke creatie. Zoals nogmaals Platoon (let op: afwijzend!), in zijn late Wetten, 888E e.v., die ketterse visie formuleert: dat bestaan verscheen als "het product van téchnè: niét door phúsis bestaan zij, maar door bepaalde nomoi"

In een bewaarde tragedie van Euripides, de Hecuba, vv. 798-800, wordt door het hoofdpersonage, de tot slaaf gemaakte, gewezen koningin van Troje, in haar smeekbede tot Agamemnoon, voor het geloof in de goden verwezen naar de "nómos", maar tegelijkertijd wordt de macht van die nómos én van de goden door haar bevestigd:

"wij zijn weliswaar slaven en zwak, maar de goden zijn sterk, evenals de nómos die de goden beheerst; want het is door nómos dat wij in de goden geloven en in ons leven bepalen wat recht en onrecht is".

Het feit dat de traditionele religieuze voorstellingen aldus in vraag werden gesteld, was op zich niets nieuws: reeds de natuurdenkers hadden een soort van "natuurtheologie" ontwikkeld door aan hun kosmisch "principe" (archè) de eigenschappen van de goden toe te schrijven (onsterfelijkheid, almacht...). Xenophanes van Kolophoon had tevens openlijke kritiek geleverd op het verregaande antropomorfisme van de homerische godenwereld. De bijzondere aard van de Griekse religie(s) en haar enorme diversiteit (ze was vooral gebaseerd op voortdurend veranderende mythische verhalen en op lokale cultuspraktijken, niet op een geopenbaard of dogmatisch vastgelegde doctrine) hadden vanaf Homeros  een continu proces op gang gebracht van discussie en herinterpretatie (cf. reeds onmiddellijk de Theogonia van Hesiodos); de Sofisten waren daarvan de erfgenamen. Toch geraakte de discussie tijdens de 5de eeuw in een stroomversnelling, allicht omdat ook het statuut van de nómos verzwakte door de  confrontatie met het "natuurlijke" en universele. Er ontwikkelde zich daardoor een toenemend scepticisme t.a.v. de traditionele voorstellingen en de ermee verbonden normen. Vergelijk ter illustratie nogmaals de reactie van "Sokrates" in De Wolken, v. 247. Wanneer Strepsiades zweert "bij de goden", dat hij hem het schoolgeld zal betalen, vraagt hij schamper: "Wélke goden? Want dat is een munt (nómisma) die bij ons niet in omloop is"; en wat verderop, v. 367, wordt door hem vlak af gezegd: "Er bestààt geen Zeus!". In plaats van die traditionele, Olympische goden, dienen volgens deze komische Sokrates "de wolken" vereerd te worden (in overeenstemming met de toenmalige kosmologische theorie van Diogenes van Apollonia, in navolging van Anaximenes, dat "de lucht" het goddelijke principe was). Maar we moeten er natuurlijk rekening mee houden dat het de auteur, Aristophanes, erom te doen is de "intellectuelen" in het algemeen, en Sokrates in het bijzonder, bij zijn publiek in diskrediet te brengen.

Hoe dan ook, wegens de zeer nauwe samenhang tussen polisorde en polisreligie lokte dergelijk scepticisme (of eventueel de verdachtmaking) onvermijdelijk politieke reacties uit. Zoals Guthrie schrijft (1969:227):

"Er zijn genoeg aanwijzingen dat, in het intellectuele ferment van de Perikleïsche eeuw, de greep van de religie over de menselijke geest verzwakte, en ook dat het Atheense establishment daar zenuwachtig en gevoelig op reageerde. De cultus van de goden was een integraal onderdeel van het leven van de polis en een krachtig element van cohesie".

Het is illustratief dat de latere traditie juist voor de sofistische periode een ganse lijst van zogenaamde "atheïsten" (Grieks: átheos, letterlijk: "godloos") heeft overgeleverd, zoals Diagoras, Protagoras, Prodikos, Kritias, Euripides, Sokrates, e.a. En er is allicht een verband met latere berichten over de vele asebie-processen in deze periode. Vanzelfsprekend moeten we enige omzichtigheid betrachten bij het gebruik van de notie "atheïsme" in de antieke periode. Zoals Rankin (1983:135) terecht opmerkt:

"Dit is geen 'atheïsme' in de zin van helemaal niet geloven in gelijk welke goden. Het gaat om een rationaliserend agnosticisme, een kritische opstelling met betrekking tot de natuur van het goddelijke als zodanig. Veel antiek atheïsme had een erg verschillend karakter van onze moderne notie ervan als loochening van het bestaan van een godheid. Atheïsme in de antieke betekenis was dikwijls een kwestie van het innemen van standpunten omtrent de godheid die verschilden van die van je medeburgers".

In wat volgt, beperk ik me tot een vermelding van de drie bekendste sofistische standpunten inzake goden en religie.

Protagoras had zijn reputatie van "átheos" vooral te danken aan de openingszin van een (niet overgeleverd) geschrift, "Over de goden", zie fr. D-K 80 B 4:

"Omtrent de goden is het mij onmogelijk te weten, noch dat/hoe ze zijn noch dat/hoe ze niet zijn, noch hoedanig ze zijn van gestalte (idéa); er zijn immers vele hinderpalen voor het weten: de onduidelijkheid (niet-waarneembaarheid) ervan zowel als de kortheid van het menselijke leven".

Van "atheïsme" is hier manifest geen sprake, hoogstens van agnosticisme: zeker wanneer we het Griekse voegwoord, ὡς (hoos), vertalen door "hoe", in plaats van door "dat", drukt Protagoras enkel zijn onvermogen uit om zich over de ware "natuur" van de goden uit te laten. Als (!) we bovendien Platoon mogen geloven, zou dit agnosticisme of scepticisme Protagoras niet belet hebben om de religieuze cultus als een essentiële uitdrukking te zien van de verstandelijke, menselijke natuur, in onderscheid met de dierenwereld: zie de "mythe van Protagoras", in de Protagoras, 322A:

"Nu de mens aldus [sc. door Prometheus' diefstal van de "kunstzinnige sophía samen met het vuur"] een deel gekregen had van wat een goddelijk voorrecht was, was hij vooreerst het enige levende wezen dat de goden eerde, daar hij met hen verwant was, en sloeg de handen aan het werk om altaren en godenbeelden op te richten".

Guthrie (1969:235) acht het ook waarschijnlijk dat hij het in acht nemen van de officiële cultus bepleitte in het belang van de polisorde.

Kritias, anderzijds, die weliswaar geen professioneel "Sofist" was (hij was oom van Platoon en in 404 lid van het terreurregime van de Dertig Tirannen, dat, met Spartaanse steun, de Atheense democratie bloedig maar kortstondig omverwierp), levert ons, in een fragment van een saterspel, de "Sísuphos", het oudste voorbeeld van de bekende theorie die het ontstaan van de religie herleidt tot een politieke uitvinding om het volk beter te doen gehoorzamen aan de heersende wetten, zie D-K 88 B 25:

"Er was een tijd toen de menselijke levenswijze nog ongeordend was en dierlijk, dienaar van fysieke kracht; toen er voor de goeden geen beloning was, en anderzijds geen straf voor de slechten. Vervolgens, meen ik, stelden de mensen strafwetten in, opdat het recht tiran zou zijn... en agressie eraan onderworpen. En telkens iemand een misstap begin, werd hij gestraft. Vervolgens, aangezien de wetten hen er wel van afhielden in het openbaar gewelddaden te plegen maar zij die toch in het geheim begingen, toen, me dunkt, heeft voor het eerst een wijze met een verstandige en diepzinnige geest voor de mensen de vrees voor de goden uitgedacht, opdat de slechten iets te vrezen zouden hebben, zelfs wanneer zij in het geheim handelden, spraken of dachten. Vanuit die overweging, dus, introduceerde hij het goddelijke: 'het gaat om een demon (daímoon)', zei hij, 'die geniet van een onsterfelijk leven, die met zijn geest hoort en ziet, bovenmate verstandig en daaromtrent aandachtig, in het bezit van een goddelijke natuur; die al wat gezegd wordt onder de stervelingen, hoort, en al wat gedaan wordt, zal kunnen zien. Zelfs indien ge stilzwijgend een of andere kwaad beraamt, zal dat toch niet ontgaan aan de goden, want ze kunnen het vatten'. Met deze lógoi introduceerde hij zijn lering op de aangenaamste wijze, de waarheid verhullend onder een fictieve lógos. Ten einde, met zijn verhaal, mensen de grootst mogelijk angst in te boezemen, zei hij dat de goden daar wonen vanwaar, zoals hij wist, voor de stervelingen de angsten komen en hulp voor hun ellendig bestaan, namelijk uit het gewelf daarboven, waar men de bliksems observeert, de verschrikkelijke kloppen van de donder en het besterde gelaat van de hemel, wonderbaarlijk bontwerk van de knappe architect, de Tijd (Chronos); waar de vlammende massa van de ster haar baan heeft, en waaruit de vochtige regen op de aarde neerkomt. Met zulke angsten omringde hij de mensen, en gaf hij met zijn lógos aan de demon een schone woonst in een passende streek, en met zijn wetten doofde hij de wetteloosheid uit... Op die wijze, geloof ik, heeft iemand voor het eerst de sterveling overreed te geloven (nomízein) in het bestaan van een godengeslacht".

Volgens Prodikos, tenslotte, diende de oorsprong van de godsdienst te worden gezocht in de neiging van de primitieve mens om alle verschijnselen en producten die hem van nut waren voor zijn leven, tot "goden" te maken: de zon, de maan, de rivieren, maar ook brood en wijn. Deze laatste wérden trouwens traditioneel vereenzelvigd met hun uitvinder of patroongod: Dionusos bv. met wijn, Hephaistos met vuur, godin Demeter met graan, enz. (Homeros bv. kan in zijn verzen "Hephaistos" schrijven wanneer hij eigenlijk "vuur" bedoelt), cf. D-K 84 B 5:

"(Prodikos) leidde alle religieuze praktijken, mysteriën en initiaties af uit de weldaden van de landbouw, in de mening dat de mensen daaruit de notie zelf van de goden vandaan hadden, en dat elke vorm van vroomheid daar waarborg vond".

 

6.3. Een heel belangrijk toepassingsgebied van de nómos-phúsis antithese betrof de intermenselijke en maatschappelijke verhoudingen. Zo droeg ze bij tot het ontwikkelen van een vorm van  kosmopolitisme en het idee van de  eenheid van het mensdom. Dat komt goed tot uiting in de volgende passus uit de Protagoras, 337C:

"Na Prodikos was het Hippias, de wijze (ho sophós), die het woord nam. 'Gij, mannen, die hier aanwezig zijt", begon hij, 'u allen beschouw ik als verwanten, als nabestaanden, als medeburgers en dit volgens de natuur (phúsis), niet op grond van de wet (nómos); want volgens de natuur is gelijkend met gelijkend verwant; doch de wet, die tiran (túrannos) van het mensdom, legt gewelddadig vele zaken op die in tegenstrijd met de natuur. Een schande zou het zijn, als wij, die de natuur der dingen kennen, en de geleerdsten zijn onder Hellenen,... onderling niet overeenkwamen".

 Toch moet hier genuanceerd worden: het "kosmopolitisme" beperkte zich in eerste instantie tot de  Hellenen of Grieken. Als "Wanderlehrer" waren de Sofisten in de eerste plaats de propagandisten van een  panhellenisme; de "barbaren" waren hiervan niet enkel uitgesloten, maar het was zelfs tégen hen gericht. Zo werd in het midden van de verscheurende Peloponnesische oorlogen (die zich, met tussenperiodes, uitstrekten over bijna dertig jaar) door Gorgias opgeroepen tot "eensgezindheid" (homónoia) onder de Grieken; de bestaande agressiviteit diende z.i. te worden afgewend tegen de barbarenrijken, cf. D-K 82 A 1; zie ook fr. B 5b: "de triomfen over de barbaren vragen vreugdezangen, die over de Hellenen klaagzangen". Toch werd door sommige auteurs óók het onderscheid tussen "Hellenen" en "Barbaren" in vraag gesteld, met name door Antiphoon (zie verder).

Dit soort van ideologische ontwikkeling ging ook gepaard, of: kon ook gepaard gaan, met een protest tegen allerlei vormen van  maatschappelijke ongelijkheid:

6.3.1. Politiek: de democratie, met haar ideaal van isonomía, of gelijkberechtiging, kon deel uitmaken van een algemene beweging voor grotere gelijkheid, en de noodzaak om de democratie te verdedigen stimuleerde de ontwikkeling van argumenten ten gunste ervan. Vergelijk bv. de volgende repliek van Athenagoras, democratische leider in Syracuse, gericht aan de jonge oligarchen, bij Thoukudides, Hist., VI, 38.5-39.1:

"Wilt gij niet op voet van isonomía staan met de massa? Maar hoe kan het rechtvaardig zijn dat leden van dezelfde staat niet van dezelfde rechten genieten? Men zal mij antwoorden dat democratie noch verstandig noch eerlijk is, en dat zij die de rijkdom bezitten, ook de besten zijn om te regeren. Ik echter antwoord dat, vooreerst, dèmos de naam is voor de gehele gemeenschap, oligarchie slechts voor een deel; ten tweede zijn de rijken misschien wel de beste bewakers van het eigendom, maar het best beraadslagen kunnen de verstandigen en het best luisteren en beoordelen kunnen de velen. En zij allemaal, of men ze nu apart neemt of te samen, hebben in een democratie een zelfde aandeel".

6.3.2. Eigendom: de eerste bekende auteur om een herverdeling te eisen van de rijkdom (d.w.z. het grondbezit), op een egalitaire basis, was Phaleas van Chalkedoon (waarschijnlijk einde 5de eeuw).  Volgens Aristoteles (Politica, 1266a39 e.v.) was hij de eerste om te stellen dat de "burgers" van een polis (waaronder de ambachtslui zijns inziens niét begrepen waren: zij moest staatsslaven zijn) een even groot bezit dienden te hebben; bovendien moesten ze een gelijke opvoeding krijgen.

6.3.3. Afkomst en ras:

"De zonen van edele vaders respecteren we en tegen hen kijken we op, maar degenen die afkomstig zijn uit een niet voornaam huis, respecteren we niet en we kijken niet tegen hen op. Op dit punt gedragen we ons jegens elkaar als barbaren, want van nature (phúsei) zijn wij allemaal in alles gelijk geboren, zowel barbaren als Hellenen. We kunnen dat vatten op basis van de natuurlijke noodwendigheden die alle mensen hebben. Voor iedereen zijn ze allemaal op dezelfde manier te bevredigen, en niemand van ons onderscheidt zich (van de andere) of hij nu barbaar is of Helleen. Allemaal immers ademen we de lucht in met onze mond en onze neusgaten en <we eten allemaal met onze handen>...",

aldus Antiphoon, D-K 87 B 44, B.2. Ook al is de tekst niet glashelder (het gaat om papyrusfragmenten), de boodschap lijkt toch duidelijk: er is geen "natuurlijk", en dus geen reëel onderscheid tussen hoge en lage afkomst, of tussen Grieken en barbaren. Ook een andere Sofist, Lukophroon, beschouwde adellijke afkomst als

"iets totaal leegs:... de schoonheid van de edele afkomst (eugéneia) is zonder glans, haar eerbiedwaardigheid ligt enkel in woorden (lógos), omdat de voorkeur die men eraan geeft, tot de opinie (doxa) behoort; in werkelijkheid (alètheia) verschillen laaggeborenen in niets van hooggeborenen" (D-K, 83 A 4).

Tenslotte kunnen we zulke gevoelens ook vaak horen uiten door personages bij Euripides, bv. in fr. 52 van zijn "Alexander":

"we gaan te ver als we onder stervelingen goede geboorte prijzen. Toen lang geleden het menselijke ras voor het eerst ontstond, en Aarde, onze moeder, hen voortbracht, maakte de grond hen zo dat ze er allemaal hetzelfde uitzagen. Wij hebben geen bijzondere trekken; hoog- en laaggeborenen zijn van dezelfde stam, maar door nómos heeft de tijd geboorte tot een prestigekwestie gemaakt".

6.3.4. Sekse: de positie van de vrije burgervrouw in Athene - politiek, economisch, juridisch - was erg ongunstig (in opvallend contrast met de situatie in het conservatieve Sparta).[27]  Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat er in de 5de eeuw ook discussies loskwamen omtrent de rechten en de positie van de vrouw in de Griekse samenleving. Aanwijzingen, echter, omtrent daadwerkelijke pogingen tot verbetering van die positie ontbreken.

Terwijl in Euripides' stukken, en met name in de Medea (vv. 230-266), omstandig de ongelijke positie van de vrouw wordt aangeklaagd, in vergelijking met de vrijheid waarvan de man geniet:

"van alle wezens die leven en bewustzijn bezitten, zijn wij vrouwen het ongelukkigste wezen" (vv. 230-231),

krijgen we in de komedies van (de conservatieve) Aristophanes de (karikaturale) bevestiging dat er tijdens zijn leven wel degelijk radicale, "feministische" ideeën in de lucht hingen. Hij wijdt niet minder dan drie stukken aan dit onderwerp. Het interessants, ongetwijfeld, is de Ecclesiazusae, opgevoerd ca 392: bij middel van een verkleedtruuk (de vrouwen vermommen zich als mannen en nemen deel aan de ekklèsía) wordt in Athene een "gunaikokratie" ingesteld, d.w.z. alle politieke en bestuurlijke taken worden overgenomen door vrouwen. Hun woordvoerster, Praxagora, ontwikkelt dan, als oplossing voor de moeilijkheden waarin Athene zich bevindt, een radicaal programma van "communistische" maatschappijhervorming (vv. 583-724): alle eigendom (in de eerste plaats grond en geld, maar ook de slaven, die voor de productie moeten instaan) wordt gemeenschappelijk bezit, en in ieders behoefte zal voortaan van staatswege voorzien worden. Tevens wordt het huwelijk afgeschaft: de vrouwen, maar ook de mannen, worden "gemeenschappelijk" (er volgen dan allerlei komische maatregelen om te voorkomen dat lelijke en/of oude vrouwen, respectievelijk mannen seksueel benadeeld zouden worden). De conclusie dat Platoon hier inspiratie vond voor zijn Republiek (of Politeia), dat niet vóór 375 voltooid werd, lijkt onontkoombaar. Tenzij beider bron het al vermelde geschrift, "Antilogíai", van Protagoras was. In elk geval, dat Aristophanes het allemaal uit zijn eigen duim zou hebben gezogen, lijkt onwaarschijnlijk. Zoals Kerferd (1981a:162) het formuleert:

"Hoewel we niet bij machte zijn om particuliere bijdragen (aan te duiden), kunnen we het toch als virtueel zeker beschouwen dat er, tijdens het leven van Aristophanes, revolutionaire theorieën in de lucht hingen over de rechten en de positie van de vrouwen. Zo niet zou hij niet minstens drie komedies gewijd hebben aan dat soort van kwesties, namelijk de Lysistrata, de Thesmophoriazusae en de Ecclesiazusae".

6.3.5. Slavernij: Slavenarbeid was één van de voornaamste peilers, zo al niet dé voornaamste, van de klassieke poliscivilisatie. [28] In de ogen van de doorsnee Griek was een maatschappij zonder slaven totaal ondenkbaar (cf. ook het hoger vermelde "communisme" van Praxagora, in de Ecclesiazusae). Wel werd in toenemende mate verslaving van Grieken afgekeurd, en gepleit voor het tot slaaf maken van "barbaren". Zoals Aristoteles schrijft, in Politica A, 1255a28: "(de Hellenen) willen zich zelf geen slaven noemen, maar wel de barbaren". Guthrie (1969:156) merkt hierbij op:

"Op deze manier werd in de Griekse geest, net zoals in de Amerikaanse, de kwestie van de slavernij verbonden met die van raciale inferioriteit".

Dat Griekse superioriteitsgevoel had vooral een climax bereikt na de overwinningen op de Perzen (in 490 en 480), en vond haar rationalisatie (zoals dat ook het geval zou zijn in de moderne tijd) in het "Aziatische despotisme": het feit dat de Aziaten (i.c. de Perzen) onderworpen waren aan een persoon, in plaats van aan de wet, stond voor de Grieken gelijk met slavernij. Zoals in Euripides' Iphigeneia in Aulis, v. 1400, gezegd wordt:

"Het is billijk dat Hellenen heersen over barbaren, maar niet, moeder, dat barbaren heersen over Hellenen, want zij zijn slaven, maar wij zijn vrij".[29]

Toch leidde de nómos-phúsis antithese ook tot het in vraag stellen van de institutie van de slavernij. Zo weten we althans van een auteur, Alkidamas, leerling van Gorgias, dat hij in een redevoering (ca 362), de Spartanen opriep de Messeniërs hun vrijheid te schenken, met als argument (Scholion bij Arist., Rhetorica, 1373b):

"God heeft alle mensen vrij gelaten; niemand is door de natuur slaaf gemaakt".

En dat het hier om meer ging dan een eenmalig statement, wordt ons bevestigd door Aristoteles (zelf verdediger van een "natuurlijke slavernij": zie op deze site), Pol., 1253b2, die aan het sofistisch standpunt uitvoerig aandacht schenkt:

"Volgens anderen is het slavenheer (despótès) zijn tegennatuurlijk (want het is door nómos dat de ene slaaf is, de andere vrij; door phúsis is er niet het minste verschil). Bijgevolg, zeggen ze, is (slavernij) niet rechtvaardig, want ze berust op geweld".

Voor de 5de eeuw zelf is ons geen uitspraak in deze in overgeleverd. Wel mogen we veronderstellen dat Antiphoon, die elk biologisch of natuurlijk verschil tussen Hellenen en Barbaren loochende, ook dat tussen slaven en vrijen verwierp. In elk geval, dat ook toen al de slavernij kritisch bekeken werd, blijkt uit de vele zinspelingen erop bij Euripides, bv. in Ion, v. 854:

"Eén ding slechts brengt schande over de slaven:
de naam; in al de rest is de slaaf, als hij een goed mens is,
niet slechter dan de vrijen".

W.Nestle (geciteerd bij Guthrie, 1969:160) concludeerde daarom (misschien een beetje vlug):

"voor alle tijden zal het tot de glorie van de Griekse Sofistiek strekken dat ze, vertrekkend van de conceptie van het natuurrecht, op theoretische gronden het bestaan bestreed van de slavernij, en de Sokratische school, Platoon en Aristoteles, betekenen op dit punt een uitgesproken retrograde stap".

Hierbij moet worden opgemerkt dat het inderdaad om louter theoretische stellingnames ging: pogingen om de slavernij metterdaad af te schaffen (wat moet onderscheiden worden van voorstellen om in welbepaalde crisissituaties de slaven vrij te laten: bv. het voorstel van Hupereides, in 338, na de catastrofale nederlaag, bij Chaironeia, tegen de Macedoniërs, voorstel dat trouwens verworpen werd) zijn er klaarblijkelijk nooit geweest. Dat geldt ook voor andere hervormingsplannen. Zoals Th. Gomperz reeds schreef, 1904:433: "de periode van de Griekse emancipatie heeft geen enkele ernstige poging gekend om haar theorieën in de praktijk om te zetten".


6.4. Phúsis of Nómos?

De oppositie tussen "nómos" en "phúsis" was dus wel degelijk een "gemeenplaats" in de Sofistiek en in de Griekse Verlichting in het algemeen. Daarmee is echter nog niets gezegd over de conclusie die getrokken werd uit de tegenstelling. Precies op dit punt zien we Sofisten en hun medestanders onderling verschillende posities innemen. Globaal genomen, kunnen we hierbij drie grote opties onderscheiden (cf. Guthrie, 1969:60 e.v.):

1°) de voorstanders van de nómos,
2°) de zogenaamde "realisten",
3°) de voorstanders van de phúsis.


6.4.1. Verdedigers van de Nómos.

In de 5de eeuw krijgen we de elaboratie van antropologische vooruitgangstheorieën die, zoals reeds opgemerkt, logisch aansloten bij de theorieën van de natuurdenkers over het ontstaan en de evolutie van het leven op aarde. Zij gingen de eigenlijke mythische representaties vervangen waarin de geschiedenis van de mensheid gezien werd als een degeneratie of "val" uit een aards paradijs, het zogenaamde "Gouden Tijdvak" (of "Tijdvak van Kronos"). [30] Deze vooruitgangstheorieën vinden we bij de meest diverse auteurs: Demokritos, de tragici: Aischulos, Sophokles en Euripides, de Hippokratische auteurs, Kritias (cf. supra), Protagoras...

Volgens deze beschrijvingen kenden de mensen oorspronkelijk een kommervol, dierlijk bestaan.. Zonder kleding of behuizing, leefden ze in holen, verspreid over het land, zich voedend met al wat ze konden vinden. Ze kwamen in grote getale om door koude en hitte, door ziektes, doordat ze werden aangevallen door de wilde dieren en doordat ze ook elkaar uitmoordden. Te langen leste, door hun tegenslagen geleerd, hebben ze zich gegroepeerd in gemeenschappen. Ze leerden communiceren met elkaar (taal), aan landbouw doen en andere noodzakelijke technieken en kunsten (téchnai) ontwikkelen. Bovenal leerden ze respect opbrengen voor elkanders rechten, zodat een ordevol samenleven onder de wet mogelijk werd (cf. supra, kap. 6.1, over de contracttheorie). [31]

Voor deze auteurs zijn nómos en menselijke civilisatie in het algemeen dus geen "natuurlijke" gegevens, maar een "terugkeer naar de natuur" is wel het laatste dat ze zouden willen. Aan de phúsis overgelaten, zou de mensheid huns inziens volledig ten onder gaan. Het is daarentegen aan de nómos te danken dat de mensen een "menswaardig" bestaan kunnen lijden. Dit soort van appreciatie van de tegenstelling tussen nómos en phúsis vinden we uitdrukkelijk geformuleerd bij Ps-Demosthenes, Oratio 25, 15-20:

"Geheel het leven van de mensen, of ze nu in grote of in kleine poleis wonen, wordt geregeerd door natuur en wetten. Van die twee is natuur het ordeloze, het ongelijkmatige en het variabele naar gelang van het individu, terwijl de wetten het gemeenschappelijke zijn, het geordende en hetzelfde voor iedereen. De natuur wil, telkens ze slecht is, dikwijls lage dingen, de wetten willen het rechtvaardige, het goede en het voordelige... Schakel de wetten uit, geef iedereen de toelating om te doen wat hij wil, en niet alleen de staatsordening gaat eraan, maar ook het leven zelf zal volledig gelijk zijn aan dat van de dieren".

De belangrijkste Sofist die het vooruitgangsidee - en dus ook de nómos - propageerde, was klaarblijkelijk Protagoras. In de lijst van zijn werken treffen we de titel aan "Over de oorspronkelijke staat (van de mens)". De inhoud ervan vinden we vermoedelijk (?) grotendeels gereproduceerd in Platoons Protagoras, namelijk in de zogenaamde "mythe van Protagoras", 320C-322D. Vooraleer met zijn verhaal te starten, laat Protagoras er uitdrukkelijk de keuze tussen een "mythe" vorm en een rationeel exposee (lógos); hij kiest dan voor de mythe-vorm omdat die "prettiger" zou zijn om te beluisteren. Dat zou (kunnen) betekenen dat we slechts met een literaire inkleding te doen hebben en dat met name de introductie van de (Olympische) goden niet ernstig moet genomen worden; de mythe wordt trouwens gevolgd door een rationele verklaring. Guthrie, 1969:64, is alvast die mening toegedaan:

"Dit is een duidelijke waarschuwing dat de introductie van de goden niet ernstig mag worden genomen, maar mag verwijderd worden als een opsmuk voor het verhaal. Platoon wist heel goed dat Protagoras een religieus agnosticus was".

Het verhaal, dat in een phúsis- en een nómosdeel uiteenvalt,  start met de creatie ("boetsering") van de sterfelijke wezens, dieren en mensen, door de goden, "uit een mengeling van aarde, vuur en wat zich met vuur en aarde laat vermengen". De toebedeling, echter, aan iedere soort van de "passende vermogens" droegen zij op aan de broeders Prometheus en Epimetheus. Deze laatste - wiens naam in het Grieks aangeeft dat hij pas "achteraf" nadenkt - nam dat op zich, maar hield niets over toen het de beurt van de mensen was. Daarop stal Prometheus bij de goden het vuur en de erbij horende technische sophía. Dank zij de vakmankunst konden de mensen dan toch in de hoognodige levensnoodwendigheden voorzien en gingen ze ook samenwonen, in poleis, maar ze beschikten nog niet over de eigenlijke politikè téchnè (322B-323A):

"Maar toen ze aldus samen waren, bedreven ze onrecht tegen elkander, precies omdat ze geen politieke vaardigheid bezaten, met het gevolg dat ze, tot hun ondergang, weer uit elkaar gingen. Zeus begon dan ook te vrezen dat heel ons ras zou omkomen, en hij zond Hermes om aan het mensdom 'schroom' (aidoos) en 'recht' (díkè) te brengen: deze zouden de sieraden der staten en de samenhechtende banden van vriendschap zijn. Hermes nu stelt Zeus de vraag op welke wijze hij recht en schroom aan de mensen dan wel moet uitdelen. 'Moet ik ze verdelen zoals de technische vaardigheden zijn verdeeld? Die zijn namelijk aldus verdeeld: één enkele die de geneeskunst bezit, kan volstaan voor velen die leken zijn in die kunst; en zo voor alle andere specialiteiten. Zal ik op diezelfde wijze recht en schroom in het mensdom inplanten? Of zal ik er iedereen mee bedelen?' - 'Iedereen', sprak Zeus, 'iedereen moet er deel aan hebben; er zouden immers geen staten (poleis) kunnen bestaan, als slechts weinigen hiervan hun deel hadden, zoals dat het geval is met de andere kunsten. Bovendien zult ge in mijn naam een wet instellen: wie niet in staat is deel te hebben aan recht en schroom, die zal ter dood worden gebracht als een pest voor de staat'

Zo komt het dan, Sokrates, en daarom is het dat de Atheners, en de mensen in het algemeen, slechts aan weinigen de toelating menen te moeten geven om hun advies uit te brengen wanneer uitmuntendheid (aretè) inzake timmermanskunst of enige andere vakspecialiteit ter sprake komt... Maar zodra ze overgaan tot een beraadslaging over politieke uitmuntendheid, beraadslaging die volledig door middel van rechtvaardigheid en wijsheid moet gebeuren, dan is 't natuurlijk dat ze iédere man kunnen uitstaan: omdat ze ervan overtuigd zijn dat iedereen er aanspraak op kan maken althans aan dié voortreffelijkheid deel te hebben, of dat er anders geen staten kunnen bestaan".

Uit de "logische" uitleg die Protagoras hierbij aansluitend nog verder verstrekt, is het duidelijk dat de "rechtvaardigheid" die een conditio sine qua non is voor het menselijk samenleven, gelegen is in de wetten en gebruiken (ta nómima) van de polis:

"Anders gezegd, Protagoras levert een fundamentele verdediging van de nómos in relatie tot de phúsis, door het feit dat nómos een noodzakelijke voorwaarde is voor het behoud van menselijke samenlevingen" (Kerferd, 1981a:126).

Tegelijkertijd, echter, profileert Protagoras zich hier ook als een ideoloog van de  democratie: de mythe beklemtoont dat àlle mensen deel hebben aan de nodige "politieke" vermogens om op een zinvolle manier te participeren aan politieke besluitvorming (wat mogelijk door Sokrates, maar zeker door Platoon en Aristoteles als onzinnig zou worden afgewezen).[32]

6.4.2. De "Realisten".

Als "realisten" worden hier diegenen bestempeld die, op basis van de sociale feiten en zonder een waardeoordeel uit te spreken, vaststellen dat de sterkere altijd zijn wil opdringt aan de zwakke, en dat hij daarbij "wet" en "recht" noemt wat zijn eigen belangen dient.

We hebben de indruk dat, terwijl de verdedigers van de nómos het optimisme weerspiegelen dat samenging met de opgang van de (Atheense) polis, zeg maar: tussen 460 en 430, de "realisten" vooral uitdrukking geven aan een  crisis die met de rampzalige Peloponnesische oorlog(en) in een stroomversnelling terecht kwam. Voor de Griekse auteurs die de oorzaken ervan trachtten te vatten - in de eerste plaats Thoukudides, als een "philosophic historian" (Guthrie, 1969:84), maar ook Sokrates en Platoon -, ging het hoofdzakelijk om een  moreel falen: schuld droeg het menselijk eigenbelang en egoïsme (zie de schildering ervan door Thoukudides, III, 82-83, hoger, kap. 4, met verwijzing naar de "menselijke natuur"). Het bekendste voorbeeld van zulk volledig amoreel of cynisch "realisme" is de discussie die Thoukudides weergeeft tussen Atheense gezanten en de bewoners van het eiland Melos, die zich in 416/5 verzetten tegen hun inlijving bij de Delische (d.w.z. Atheense) "Bond", Historiën, V, 89 (de Atheners zijn aan het woord):

"Wijzelf gaan geen lange speech houden met mooie woorden die toch niemand zou geloven - als zouden wij door onze overwinning op de Perzen met recht de heerschappij bezitten, of als zouden wij u aanvallen omdat we onrecht hebben geleden. Een ook u raden we aan, niet te verwachten dat ge ons zult kunnen overtuigen met te zeggen dat, hoewel ge afstamt van Spartaanse kolonisten, gij u niet met hen tegen ons geëngageerd hebt, en dat ge geen onrecht jegens ons hebt begaan. Gij weet zo goed als wij dat rechtvaardigheid... de maatstaf is in het geval van gelijkheid van dwang; maar dat de sterkeren altijd datgene doen waartoe ze de macht hebben, terwijl de zwakkeren er zich bij neerleggen". [33]

Een gelijkaardige benadering wordt in Platoons Republiek (Politeia), boek 1, in de mond gelegd van de Sofist Thrasumachos, van Chalkedoon (er is een passus overgeleverd uit een door hem opgestelde rede tot de Atheense Volksvergadering, in de laatste fase van de oorlog, zie D-K 85 B 1), cf. Rep., 338C e.v.:

"Rechtvaardigheid (dikaiosúnè) is niets anders dan het voordeel van de sterkste... Elk bewind geeft zijn wetten overeenkomstig zijn eigen voordeel: de democratie democratische, de tirannie tirannieke, en zo ook de andere. En die wetgeving verklaart dan dat dit, namelijk hun eigen voordeel, rechtvaardig is voor de onderdanen. En wie ze overtreedt, straffen ze als een wetschender en onrechtpleger. Dat bedoel ik dus, mijn brave man, wanneer ik beweer dat in alle staten de rechtvaardigheid op hetzelfde neerkomt, namelijk op het voordeel van het bestaande bewind. En dat bewind beschikt over de macht, is de sterkste".

Guthrie (1969:97) wijst erop dat we dit standpunt niet mogen vereenzelvigen met dat van Kallikles, in de Gorgias, die het "recht van de sterkste" tot een "wet van de natuur" maakt, en het daardoor rechtvaardigt (zie verder). Z.i. was het Thrasumachos' bedoeling om de bestaande hypocrisie te ontmaskeren: "(Thrasumachos) spreekt in een stemming van bittere ontgoocheling zowel als van oppositie tegen wat in zijn ogen het gemakkelijke optimisme is van Sokrates" (Guthrie, 1969:297). Dat sluit alvast aan bij een fragment dat ons is overgeleverd op naam van deze Sofist, D-K 85 B 8:

"de goden kijken niet naar de menselijke aangelegenheden, want in dat geval zouden ze het kostbaarste onder de menselijke goederen, de rechtvaardigheden, niet verwaarlozen; we zien immers dat de mensen haar niet toepassen" (exact het tegendeel dus van Protagoras, cf. supra).

Tenslotte, wordt, in het begin van het (vermoedelijk later geschreven) tweede boek van dezelfde dialoog, Rep., 358E e.v., dergelijke "realistische" kijk ook nog, als de communis opinio, in naam van de doorsneemens geformuleerd door Glaukoon en Adeimantos, Platoons oudere broers:

"Volgens de algemene bewering is, van nature uit, onrecht plegen een goed, onrecht lijden een kwaad. Doch het kwaad van het onrecht lijden is veel groter dan het goed van het onrecht plegen. Zo komt het dat, wanneer mensen elkaar onrecht aandoen en van elkaar onrecht ondergaan, en ze van beide proeven, zij die niet bekwaam zijn het laatste te vermijden en het eerste te grijpen, tot de overtuiging komen dat het voordeliger is het elkaar op een akkoord te gooien: men zal géén onrecht plegen, maar er ook geen lijden; Daarom juist is men begonnen met wetten en onderlinge contracten te maken en is men alles, wat door de wet wordt opgelegd, wettig en rechtvaardig gaan noemen. Dat is dan de oorsprong en het wezen van de rechtvaardigheid..."

Iemand, daarom, die, zoals de legendarische, Lydische koning Gyges, zich onzichtbaar zou kunnen maken en dus straffeloos onrecht zou kunnen plegen, maar dat toch niet zou doen, zou door iedereen voor "de rampzaligste idioot" worden gehouden, want

"niemand is uit vrije wil rechtvaardig, maar alleen uit dwang, omdat men de rechtvaardigheid niet als een goed op zichzelf beschouwt; want overal waar men zichzelf in staat acht onrecht te doen, daar doet men het" (360C).


6.4.3. Verdedigers van de Phúsis.

Vooreerst waren er diegenen die het feit dat mensen "van nature" naar hun eigenbelang streefden, niet enkel als feitelijk maar ook als juist en wenselijk beschouwden. De meest extreme (maar mogelijk fictieve) versie hiervan wordt door Platoon, in de Gorgias, in de mond gelegd van een zekere Kallikles, een jonge Atheense aristocraat (uit de deem Acharnai), in wiens huis Gorgias verblijft; hij wordt nergens elders vermeld als een historische figuur, maar met zijn beeld van de "jonge leeuwen" heeft hij, zoals bekend, Nietzsche geïnspireerd. [34] Eén van de twee passussen waarin hij aan bod komt, 483B e.v. (de andere 491E-492E), gaat aldus:

"Het zijn de zwakken en de massa die de wetten instellen. Ze doen dat met het oog op zichzelf en het eigen voordeel... Dat is dan ook de reden waarom het streven om anderen te overvleugelen conventioneel voor onrechtvaardig wordt versleten, en waarom ze daaraan de naam 'onrecht-plegen' geven. Maar de natuur (phúsis) zelf, denk ik, stelt de rechtvaardigheid daarvan in het licht, namelijk dat de betere de minderwaardige overvleugelt, en de meer bekwame de onbekwame. En dat zulks het geval is, toont ze op menig gebied aan, zowel in het dierenrijk als bij de mensen, van hoog tot laag, in de staten (poleis) zowel als in de families, namelijk dat het recht (to díkaion) aldus beoordeeld is, dat de sterkere heerst over de mindere en aan het langste eind trekt ... Die mensen (sc. Xerxes of zijn vader) handelen, meen ik, volgens de natuur, namelijk die van het recht, ja, bij Zeus, volgens een 'wet' van de natuur (katà nómon ge ton tês phúseoos), al is het dan ook niet volgens die wet die wij afkondigen. De besten en kloeksten onder ons gaan we kneden: we vangen hen jong,  als leeuwen; met bezweringen en toverkunsten houden we hen eronder door hen wijs te maken dat iedereen op gelijke voet moet staan en dat daarin het schone en rechtvaardige bestaat. Maar laat eens een man geboren worden met een geschikte inborst, en ge zult zien hoe, denk ik, hoe hij dat alles van zich zal afschudden en uiteenrijten...; zich oprichten zal hij, en hij, onze slaaf (doûlos), zal laten zien dat hij onze meester (despótès) is. Op dàt ogenblik straalt voor ons, in helle glans, het recht van de natuur (to tês phúseoos díkaion)".

In De Wetten (890A) wordt dat standpunt nog eens kort samengevat met de woorden: "het summum van rechtvaardigheid is wat gewonnen wordt door geweldpleging", en dàt is "het juiste leven volgens de natuur".

Een gematigde versie hiervan - Guthrie, 1969:107, spreekt van "phúsis als een verlicht eigenbelang" - treedt naar voor in de papyrusfragmenten van Antiphoons "Waarheid" (Alètheia). Ze vormen een belangrijke getuige voor de moraal van deze periode, maar wegens hun fragmentarisch karakter is het moeilijk te zeggen of zij Antiphoons eigen opvattingen weergeven (vreemd genoeg wordt deze auteur nergens vermeld bij Platoon). De bewaarde passussen wijzen op de inadequaatheid van de geldende normen en op hun strijdigheid met de eisen van de natuur, zie D-K 87 B 44A col. 1-4:

"Rechtvaardigheid (dikaiosúnè) bestaat erin de wetten en gebruiken van zijn polis niet te overtreden. De meest voordelige manier, daarom, om met het recht om te gaan, bestaat erin om in de aanwezigheid van getuigen de wetten te eerbiedigen, maar in hun afwezigheid de voorschriften van de natuur te volgen. Die van de wetten zijn immers willekeurig, die van de natuur daarentegen onontkoombaar (anankaîa): die van de wetten zijn het resultaat van een overeenkomst en niet van natuurlijke groei, die van de natuur zijn natuurlijk gegroeid, niet overeengekomen. Wie derhalve de wettelijke geboden (ta nómima) overtreedt zonder dat de contractsluiters het merkten, blijft gevrijwaard van schande en straf; terwijl elke poging om de aangeboren geboden van de natuur geweld aan te doen, schadelijk is, zelfs als ze voor alle mensen verborgen blijft. Immers, de toegebrachte schade ligt niet op het vlak van het menselijk opzicht (doxa), maar op dat van de werkelijkheid (alètheia). De motivering voor deze beschouwing (skepsis) is dat de meeste wettelijke voorschriften op voet van oorlog staan met de natuur. Er zijn met name wetten opgesteld voor de ogen, wat ze mogen zien en wat niet, voor de oren, wat ze mogen horen en wat niet, voor de tong, wat ze mag zeggen en wat niet, voor de handen, wat ze mogen doen en wat niet, voor de voeten, waar ze mogen gaan en waar niet, en voor de geest, wat hij mag verlangen en wat niet. Welnu, niets van de dingen waarvan de wetten de mensen afhouden heeft een grotere affiniteit of verwantschap met de natuur dan de zaken waartoe ze de mensen aandrijven. Leven en sterven, dan weer, behoren (beide) tot de natuur, maar het leven komt (de mensen) toe vanwege wat nuttig is, het sterven van wat niet nuttig is. Wat het nuttige betreft, dat wat onder de wetten ligt, legt de natuur aan banden, maar wat onder de natuur ligt, is vrij. Het is dus niet het geval, althans volgens de juiste redenering (lógos), dat het smartelijke de natuur meer baat bij brengt dan wat vreugde schenkt; evenmin als dat het pijnlijke nuttiger zou zijn dan het aangename. Immers, wat werkelijk baat bijbrengt, moet geen schade berokkenen, maar (integendeel) hulp bieden...". [35]

Zoals we echter reeds konden vaststellen, kon kritiek op de geldende nómos vanuit het oogpunt van de phúsis óók leiden, zoals bij deze zelfde auteur, tot "progressieve", of althans maatschappijkritische standpunten: met het afwijzen van allerlei vormen van geïnstitutionaliseerde ongelijkheid en discriminatie tussen de geslachten, de klassen, de volkeren...

 



Epiloog

Uit het voorafgaande overzicht zal duidelijk zijn geworden, welke belangrijke ideologische effecten gepaard gingen of konden gaan met de constructie van de antithese tussen "nómos" en "phúsis". Ze mag daarom wellicht als de belangrijkste intellectuele realisatie worden beschouwd van de Sofistische Beweging. Een bevestiging daarvan kunnen we vinden in de vaststelling dat het ideologische project van de grote, "filosofische" tegenstanders van de Sofistiek, namelijk Platoon en Aristoteles, er bovenal op gericht zal zijn om het maatschappelijke en het natuurlijke opnieuw met elkaar te verzoenen, namelijk door maatschappelijke normen én instituties (bv. de slavernij, de relatie man-vrouw, enz.) te "naturaliseren".

 

________________________
 

 



NOTEN:

[20] Wanneer iemand bv. beschuldigd wordt van geweldpleging, en hij kan feiten aanhalen die zijn onschuld onweerlegbaar bewijzen, heeft hij geen behoefte aan de welsprekendheidskunst. Als hij dat echter niét kan, dan moet hij het argument van de waarschijnlijkheid inroepen. Er zijn dan twee tegengestelde gevallen mogelijk:

- ofwel is hij kleiner en zwakker dan de aanklager, en kan hij vragen: "Bekijk mij: is het waarschijnlijk dat iemand als ik een sterke kerel als hij te lijf zou gaan?"

- ofwel is hijzelf een "reus", en dan kan hij aanvoeren: "Ik kan toch nooit zo dwaas zijn geweest dat ik hem zou aanvallen, waar ik de eerste ben om onder verdenking te vallen"?

Deze dubbele argumentatiemogelijkheid is overgeleverd als een voorbeeld afkomstig uit het handboek van Korax en Teisias (zie Platoon, Phaedrus 273A; Aristoteles, Rhetorica, 1402a17).

[21] In contrast met Platoon, zou Aristoteles dit gegeven op een meer neutrale wijze waarderen, namelijk in de zin dat de retorica een formele, geen inhoudelijke, kundigheid is, en dat ze dààrom "over élk onderwerp" naar overredingsgronden kan en moet zoeken, cf. Rhet., I, 1355b25 e.v.: "Laten we zeggen dat retorica het vermogen is met betrekking tot elk onderwerp in te zien wat overtuigingskracht heeft. Dit is niet de taak van enig ander leervak. Elk van de andere vakken is in staat tot onderrichten en overtuigen met betrekking tot het eigen onderwerp, bv. geneeskunde over wat ziek en gezond is... Maar van retorica nemen we aan dat ze voor zowat alles wat men haar opgeeft in staat is te beschouwen wat met betrekking daartoe overtuigingskracht heeft. Vandaar dat we zeggen dat haar karakter als leervak niet gebonden is aan een bepaalde welomschreven klasse van voorwerpen". Dat formele karakter heeft de retorica gemeen met de dialektikè téchnè, of dialectiek (discussiekunst, die gebruik maakt van vraag-en-antwoord), waarvan ze z.i. een "nevenproduct" is, cf. 1356a32: "geen van beide levert kennis over enig, omschreven onderwerp, namelijk hoe het ermee gesteld is, maar het zijn vermogens tot het leveren van verbale argumenten (lógous)" (vert. M.Huys, maar aangepast). PS Er is nu inderdaad een goede Nederlandse vertaling beschikbaar van de Rhetorica: Aristoteles. Retorica, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marc Huys (Historische Uitg., Groningen, 2004).   

[22] Cf. het wat karikaturale beeld van de gebroeders Dionusodoros en Euthudemos, in Platoons Euthydemus, hoger. Het is op dit punt, wellicht, dat Sokrates nog het duidelijkst naar voren treedt als een "anti-sofist": hij presenteert zichzelf, al dan niet ironisch, als een "niet-weter" (zie het verdere hoofdstuk over Sokrates).

[23] Een samenvatting ervan is bewaard bij Sextus Empiricus, Adv. Math., VII, 65 e.v., en Ps-Aristoteles, De Melisso Xenophane Gorgia, 979a12 e.v. In navolging van Diels-Kranz, 82 B 3, nemen de meeste moderne auteurs de versie van Sextus als uitgangspunt. H.-J.Newiger, echter, Untersuchungen zu Gorgias' Schrift Über das Nichtseiende, 1973, toont m.i. overtuigend aan de Sextus afhankelijk was van een bron die teruggaat op de Ps-Aristoteles.  

[24] Zie hierover vooral Kerferd, 1981a:68 e.v.

[25] Het Griekse "ónoma" wordt in een bredere zin gebruikt dan het Latijnse "nomen", in de betekenis van zelfstandig naamwoord. Het kan ook gaan om werkwoorden en adjectieven; eventueel kon zelfs een volledige zin als een "naam" worden beschouwd.

[26] Vgl. Hesiodos, Werken en Dagen, v.276 e.v.: Zeus heeft een "wet voor de mensen" ingesteld, opdat zij, in onderscheid met de dieren, "recht" (díkè) zouden kennen; of Herakleitos, fr. 114: "alle menselijke wetten worden gevoed door de ene goddelijke".

[27] Zie hierover mijn syllabus, Phúsis & Polis. Aristoteles’ “Praktische Filosofie”, Gent 1996³, hfst. 4, kap. 4 (ook op deze site).

[28] Zie hierover mijn syllabus, 1996³, hfst. 4, kap. 5.

[29] Reeds in de tragedie, De Perzen, van Aischulos, opgevoerd in 472, die de Griekse (Atheense) overwinning als thema heeft, wordt de Griekse zelfdunk effectvol in de mond gelegd van de Perzische hoogwaardigheidsbekleders (de koningin vraagt informatie over de Hellenen), verzen 241-242:

Koningin: "Welke herder leidt die kudde, neemt de (slaven)heerschappij erover waar?"
Koor: "Van geen mens heten zij slaven, zij zijn niemands onderdaan".

[30] Zie bv. bij Hesiodos (ca 700 vK), Werken en Dagen, vv. 106-133 (de zgn. "doos" van Pandora) en 134-248 (de degeneratie van de verschillende mensengeslachten: van het "gouden", over het "zilveren", het "bronzen" en het "heroïsche", tot de huidige "kwade tijd" van het "ijzeren" geslacht); wat later hernomen werd door Platoon, o.m. in de Politicus, 271C e.v., en De Wetten, 713 C e.v. Zie hierover Guthrie, 1957, ch. 4.

[31] De opvallende overeenkomsten in ideeën en woordenschat die tussen de verschillende beschrijvingen kunnen worden vastgesteld, suggereren volgens Guthrie, 1969:62 e.v., een gemeenschappelijke bron, wellicht Xenophanes van Kolophoon (gest. ca 470). Dat deze laatste inderdaad in de "vooruitgang" geloofde, blijkt uit diens fr. 18: "De goden hebben de mensen niet alles van bij het begin getoond; maar door te zoeken vinden de mensen mettertijd beter".

[32] Volgens de overlevering (D-K 80 A 1), heeft Protagoras ook de wetten of constitutie opgesteld voor de panhelleense stichting van Thourioi (Italië), die gelanceerd was door Perikles, in 440.

[33] De Meliërs weigerden desondanks zich "neer te leggen" en... werden "over de kling gejaagd" door de Atheners.

[34] Zie hierover o.m. Guthrie, 1969:101 e.v.; meest recent literatuuroverzicht nu bij G.B.Kerferd & H.Flashar, 1998:85-86. Voor Kallikles en Nietzsche, zie de appendix: "Socrates, Callicles, and Nietzsche", bij E.R.Dodds, Plato. Gorgias. A revised text with introd. and comm. Oxford 1959.

[35] Ik heb me laten bijstaan, voor de vertaling, door R.Bakker, 1986:94-95.

 


LITERATUUR

D-K= H.DIELS & W.KRANZ, Die Fragmente der Vorsokratiker. Griechisch und Deutsch von H. Diels. Hrsg. v. W.K. 12.Aufl. Dublin-Zürich 1966 (= 6. Aufl., Berlin 1952), Bd II, nrs 79-83.
 

BAKKER, R. (1986), De Mens - Maat van Alle Dingen. Fragmenten uit de Griekse Sofistiek, ingeleid, geannoteerd en vertaald. (Agora Editie), Kampen.

BOWRA, C.M. (1971), Periclean Athens. London.

CLASSEN, C., ed. (1976), Sophistik. Darmstadt 1976 (bibliografie: pp. 641-710).

DE LEY, H. (1996), Phusis & Polis. Aristoteles’ “Praktische Filosofie”, UGent 1996³.

DE LEY, H. (1999), Rationaliteit en Racisme: het Griekse Model. Tilburg.  Op deze site.

DETIENNE, M. & J.-P.VERNANT (1979), Les ruses de l'intelligence. La mètis des Grecs, Paris.

DODDS, E.R. (1951), The Greeks and the Irrational, Berkeley.

DOVER, K.J. (1974), Greek Popular Morality in the Time of Plato and Aristotle, Oxford.

DOVER, K.J. (1975), The freedom of the intellectual in Greek society, in: Talanta, 7(1975), pp. 24-54.

FINLEY, M.I., Démocratie antique et démocratie moderne, Paris (vertaald uit het Engels).

GOMPERZ, Th. (1904), Les Penseurs de la Grèce, t. I. Paris (vert. uit het Duits).

GRAESER, A. (1983), Die Philosophie der Antike, 2: Sophistik und Sokratik, Plato und Aristoteles, in: Wolfgang RÖD (ed.), Geschichte der Philosophie, Bd II, München.

GUTHRIE, W.K.C. (1957), In the Beginning: Some Greek Views on the Origins of Life and the Early State of Man, London.

GUTHRIE, W.K.C. (1969), A History of Greek Philosophy, vol. III: The Fifth-century Enlightenment. Cambridge (het deel over de Sofistiek werd in pb apart uitgegeven als: The World of the Sophists. Cambridge 1971).

HUNINK, V., e.a. (1996), Gorgias, Het Woord is een Machtig Heerser. Vertaald door V.Hunink, ingeleid door J.A.E. Bons, nawoord door J.Mansfeld. Groningen.

HUSSEY, E. (1972), The Presocratics. London.

IJSSELING, S. (1975), Retoriek en Filosofie. Wat gebeurt er wanneer er gesproken wordt? Bilthoven.

JANSSENS, E. (1965), Poëzie en Ethiek in pre-socratisch Griekenland, in: Dialoog, 6 (1965), pp. 1-31.

JOËL, Karl (1921), Geschichte der antiken Philosophie, 1. Band. Tübingen.

KERFERD, G.B. (1976), The Image of the Wise Man in Greece, in: Festschrift G.Verbeke, Leuven, pp. 17-28.

KERFERD, G.B. (1981a), The Sophistic Movement. Cambridge.

KERFERD, G.B. (1981b), The Sophists and their Legacy, Proceedings of the 4th Intern. Colloquium on Ancient Philosophy. Wiesbaden 1981 (Hermes Einzelschr., H.44).

KERFERD, G.B. & H.FLASHAR (1998), Die Sophistik, in: H.Flashar (ed.),Grundriss der Geschichte der Philosophie, begründet von F.Ueberweg,völlig neubearbeitete Ausgabe: Die Philosophie der Antike, Bd 2/1: Sophistik -Sokrates - Sokratik - Mathematik - Medizin, von K.Döring, H.Flashar, G.B.Kerferd, C.Oser-Grote, H.-J.Waschkies. Basel 1998, pp. 1-137 (met uitvoerige bibliografie).

LYNCH, J.P. (1972), Aristotle's School. A Study of a Greek Educational Institution, Berkeley.

MOSSÉ, C. (1962), La fin de la démocratie athénienne, Paris.

NEWIGER, H.-J. (1973), Untersuchungen zu Gorgias' Schrift Über das Nichtseiende, Berlin.

OSER-GROTE, C. (1998), Medizinische Schriftsteller, in: H.Flashar (ed.), Grundriss der Geschichte der Philosophie, begründet von F.Ueberweg, völlig neubearbeitete Ausgabe: Die Philosophie der Antike, Bd 2/1: Sophistik -Sokrates - Sokratik - Mathematik - Medizin, Basel 1998, pp. 455-485. 

RANKIN, H.D. (1983), Sophists, Socratics and Cynics. London.

SOLMSEN, F. (1975), Intellectual Experiments of the Greek Enlightenment. Princeton.

WELSKOPF, E. (1974), Sophisten, in: E.W. (ed.), Hellenische Poleis, Bd IV, Berlin, pp. 1927-1984.

Herman De Ley (© 27/5/2010) • 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •