Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Racisme als perspectief: over het ideologisch karakter van racisme

Tekst n.a.v. de inaugurale feestzitting voor ‘Racisme en Beeldvorming’,  Gent, 25/10/2000

Jan Blommaert*


Ik wil in deze uiteenzetting iets doen wat we in onze lessen wellicht te weinig doen: uitleggen waarom we een bepaald vak geven en waarom we het op een bepaalde manier geven. Al te vaak geven we vakken op een wijze die de student de indruk geeft alsof aardse dingen geen vat op ons hebben: het vak staat op het programma, dus geef ik het; ik geef het zo omdat de wetenschap dat nu eenmaal zo gebiedt. Tegelijkertijd schuilt achter elk vak en achter elke benadering een verhaaltje, en dit verhaaltje hoeft geen geheim te zijn.

Ik acht het vertellen van dit verhaal noodwendig om diverse redenen. Eén: het vak is er gekomen ondanks het verzet van een aantal collegae, die zich afvroegen waarom het in een academisch programma zoals het onze moest. Twee: het vak raakt een thematiek die moeilijk nuchter en onthecht kan besproken wordt (dingen die in het alledaags denken doorgaans met ‘wetenschappelijkheid’ worden geassocieerd). Het vak heeft duidelijk politieke dimensies, en het thema doet de emoties opflakkeren, niet enkel in de leszalen. Drie: het vak wordt aangeboden in de Afrikastudies, en er zijn mensen die zich afvragen wat het met Afrika te maken heeft. Racisme, dat gaat toch over migranten?

Deze drie punten zij duidelijk aan elkaar gerelateerd; ik ga ze dan ook niet puntsgewijze bespreken. Liever geef ik mijn eigen motivatie voor het invoeren van dit vak in ons programma, en voor de wijze waarop ik het invul. Mijn verhaal valt uiteen in twee punten: racisme als ideologie, en racisme als epistemologie.

 


1. Racisme is een ideologie

De hoofdlijn van mijn benadering is er één waarin ik probeer racisme te benaderen als een ideologie. Dat wil zeggen: ik beschouw racisme niet als een reeks individuele attitudes, ook niet als een menselijk universum op het niveau van de genen of andere primitieve niveaus van gedrag en mens-zijn, en evenmin als iets wat louter een kwestie is van politieke of maatschappelijke excessen à la extreem-rechts of het Nazidom. Racisme is een ideologie, en om dat te begrijpen moeten we weten wat een ideologie is.

Nu valt het me op hoe wij in de sociale wetenschappen – en niet enkel aan deze universiteit – hetzij hebben afgeleerd na te denken over ideologie, hetzij ideologie beschouwen als een vies woord en als een eigenschap van anderen (de Sovjets met name). Het is opvallend hoe één van de meest centrale concepten uit de sociale wetenschappen van de twintigste eeuw nagenoeg verdwenen is als analytisch instrument in een hele reeks onderzoeksdomeinen die alles met ideologie te maken hebben. Veleer hanteert men heden ten dage een begrip als ‘publieke opinie’, een begrip dat wordt ingekleurd als:

- autonoom: de publieke opinie ‘bestaat’ eenvoudigweg, de mensen ‘hebben’ het gewoonweg en lijken niet beïnvloed te zijn door externe elementen zoals politieke propaganda, onderwijs, media of reclame, evenmin als door groeps-interacties en de invloed van opinie-makers zowel op kleine als op grote schaal.

- stuurloos: de publieke opinie ‘leidt’ de samenleving, en niet omgekeerd. Onze politici definiëren zichzelf zonder uitzondering als mensen die de publieke opinie volgen – de zogeheten ‘signalen van de Burger’ – en de wil des volks uitvoeren, zoals die uit opiniepeilingen en gerelateerde onderzoeken is naar voor gekomen. Je kan de publieke opinie dus ook niet tegenwerken, zo lijkt het.

- af te scheppen van rechtstreekse uitspraken van individuen: de publieke opinie kan worden nagegaan door directe, expliciete uitspraken van mensen te bekijken en te systematiseren. Iedereen is dan ook een ideaal en potentieel representatief drager van publieke opinie.

Dit beeld van publieke opinie houdt een aantal krachtige suggesties in. Het suggereert 

(a) het bestaan van autonome, denkende en volmaakt vrije individuen, die over alles een opinie hebben en deze ook accuraat kunnen formuleren

(b) een beeld van de samenleving als de verzameling van dit soort vrije, autonome en denkende individuen

(c) doorheen dit alles, het feit dat alle individuen gelijk zijn, en dat de opinie van de ene die van de andere waard is.

Ik ga me niet begeven aan een lange kritiek van deze premissen, onder andere omdat mensen als Pierre Bourdieu dit in het verleden al met veel verve en overtuiging hebben gedaan. Ik kan enkel zeggen: ongeveer elk sociaal feit dat ik in mijn leven ooit heb onderzocht spreekt deze suggesties tegen. Dit beeld van de publieke opinie is door en door ideologisch, en het bevat precies dezelfde ingrediënten als diegene die we in de ideologie van de massaconsumptie vinden: het idee van vrije en onmanipuleerbare consumenten die de markt sturen en richting geven, en die ‘nobody’s fool’ zijn. Niemand wordt er uitgebuit, niemand wordt er bij de neus genomen, iedereen is vrij en blij en laat de grote heren een poepje ruiken.

Maar wat is dan ideologie? Ik geef enkele algemene elementen. Ten eerste, ideologie slaat op een reeks ideeën waarvan de structuur en de distributie door en door verweven is met maatschappelijke structuren. Dat wil zeggen: niet iedereen heeft dezelfde ideologie, en niet ieders ideologie is even veel waard. Bovendien hebben ideologieën een agentieve rol in de samenleving: ze houden machtsverhoudingen in stand. Ideologie is met andere woorden een maatschappelijk fenomeen, dat niet te reduceren valt tot een optelsom van individuele opvattingen en denkbeelden. Het is een politiek fenomeen, en hierop kom ik verder nog terug.

Twee: ideologie houdt steeds verband met macht. Dit geschiedt op verschillende niveaus. Ten eerste: het is een instrument van machtsuitoefening, omdat het zorgt voor opvallende vormen van eensgezindheid omtrent bepaalde elementen van het maatschappelijke bestel. Gramsci betitelde deze machtsfunctie als ‘hegemonie’. Volgens hem is er een onderscheid in macht tussen enerzijds dwang – bijvoorbeeld dwang die uitgaat van het justitiële en politionele apparaat in een staat – en anderzijds overtuiging, een zachter vorm van machtsuitoefening die erin bestaat dat mensen overtuigd raken dat bepaalde dingen goed zijn voor hen. Het samengaan van beide vormen is machtsuitoefening, en macht mag dus niet gereduceerd worden tot het beeld van politiemannen in volle wapenuitrusting. Het is door het spel van hegemonie dat heel wat publieke opinie ontstaat: als men bepaalde boodschappen maar frequent genoeg verspreidt, en ze door veel verschillende mensen laat verspreiden, dan gaan we dat uiteindelijk wel geloven. Meer nog, we gaan dit uiteindelijk als normaal beschouwen, als een eenvoudig feit, iets waar we gewoon vanuit kunnen gaan in onze analyses van de wereld. Ideologie situeert zich op het niveau van de dingen die niet meer hoeven gezegd te worden, die we met z’n allen gewoon aannemen. Dat is de reden waarom ideologie niet zomaar van teksten af te scheppen valt. Ideologie situeert zich op het vlak van onuitgesproken uitgangspunten, het zit vaak in onopvallende, feitelijke uitspraken, eerder dan in opvallende, expliciete en agressieve boodschappen. Het zit in het feit dat we allemaal lijken te denken dat arbeid een bron is van vreugde en zelfontplooiing, en dat je maar een ‘echt mens’ bent als je een job hebt, ook al betekent dit alles behalve vreugde en zelfontplooiing, en ook al betekent dit dat je je onderwerpt aan uitbuiting, rigide en vaak ontmenselijkende discipline, en aan een sociale hiërarchie die tot frustraties leidt als je job niet overeenstemt met je zogeheten kwalificaties. Het zit ook in de gekke zekerheid die we hebben omtrent "onze auto, onze vrijheid", omtrent het feit dat we allemaal meer individu worden door aan massaconsumptie deel te nemen, dat we met twee woorden spreken wanneer we een sociaal hooggeplaatst persoon aanspreken, en zo meer. In het veld van racisme zit het in het simpele feit dat we hardnekkig een onderscheid blijven hanteren tussen ‘Belgen’ en ‘migranten’ – haast niemand staat bij dit laatste begrip stil en stelt zich de vraag wat er achter schuil gaat. Inmiddels neemt men wel het beeld over van een samenleving met daarin twee gescheiden werelden: die van Belgen en die van Migranten.

Een tweede aspect van de relatie tot macht is het feit dat ideologie niet gelijk gedistribueerd wordt. Er zijn producenten, reproducenten en consumenten van ideologie, en niets is zo onjuist als de suggestie dat ‘iedereen zijn gedacht mag hebben’. Althusser wees ons al op de grote rol van ‘ideologische staatsapparaten’: de regering, het onderwijssysteem, wetenschappers, media, noem maar op. De opvattingen van de één zijn manifest niet evenwaardig aan die van een ander; sommigen hebben oneindig veel meer ‘muscle’ om opvattingen, beelden, verklaringen en dergelijke te verspreiden. Men moet dan ook in de analyse van ideologie nauwkeurig nagaan wie ze produceert en verspreidt, welke de bronnen zijn van bepaalde zaken. En er zijn doorgaans duidelijke bronnen: vaak kan men voor zaken die men als ‘mentaliteit’ bestempelt zelfs een zeer precieze naam en gezicht achterhalen – Noël Slangen, Tom Lanoye, Helmut Lotti, Bill Gates, Paula D’Hondt, Filip Dewinter, noem maar op. Ik bepleit hier een historische benadering van ideologie, één die er niet van uit gaat dat ideologieën zomaar ontstaan, uit het niets opduiken – iets wat men ons omtrent de Witte Mars wou doen geloven. Ideologieën hebben een echte geschiedenis, met echte actoren, echte instellingen, momenten waarop van alles gebeurt gevolgd door momenten waarop alles wat langzamer en stabieler lijkt te evolueren.

Drie: ideologieën hebben een duidelijke band met gedragingen. Ik zeg dit omdat men vaak een reductie maakt van ideologie tot ideeën. Het gaat wel degelijk om ideeën, maar niet uitsluitend om ideeën. Foucault heeft ons aangetoond dat denkbeelden, vormen van wetenschap, instellingen en gedragingen samenvloeien in één groot en breed vertakt proces. Ideologie zit daarom ook in de ruimtelijke schikking van de zaal – het feit dat de sprekers of degenen die de leiding hebben steeds vooraan zitten, en de anderen gewoon ‘in de zaal’ gaan zitten, zoals hier, en dat iedereen dat automatisch doet. De ideologie zit daardoor in gedragingen, houdingen, gebaren, blikken. Ik liep ooit eens met een protestantse man door Belfast. In een bepaalde buurt zweeg de man plots, en hij dook wat ineen terwijl we rond liepen. Ik vroeg hem wat er was en hij zei dat we in een ‘verkeerde’ buurt liepen. Ik wierp op dat men aan hem toch niet kon zien of hij protestant of katholiek was. Hij antwoordde: ‘ze ruiken dat’. Vergelijkbaar geval: ik heb in Antwerpen nog nooit een ‘blanke’ de weg zien vragen aan een orthodoxe jood, ook al lijkt het evident dat deze laatsten in bepaalde buurten best de weg kennen. Het omgekeerde is net zozeer een feit. Wanneer men in Antwerpen een groepje migrantenjongeren op de stoep bijeen ziet staan, ziet men spoedig heel wat ‘blanken’ de straat oversteken of een grote bocht omheen het groepje maken; dwars door het groepje heen lopen wordt weinig gedaan. Een laatste anekdote: jaren geleden kende ik aan deze universiteit een Marokkaanse student Economie. Toen hij zich in de eerste kan op het examen aanbood werd hij door de prof in het Frans aangesproken. De prof zei dat hij normaal gezien het examen in het Nederlands moest afnemen, maar voor hem een uitzondering zou maken. Hij schrok zich een hoedje toen de jongen hem in een sappig Gents Nederlands antwoordde dat dit heel vriendelijk was maar niet meteen hoefde. Enzovoort. Ideologie is net zozeer een zaak van ‘normaal’ gedrag als van ‘normale’ ideeën, en het is het samenspel van de twee dat er voor zorgt dat er heel wat contacten fout lopen tussen leden van verschillende bevolkingsgroepen.

Slotsom: als men racisme benadert als ideologie ziet men ineens veel meer. Plots gaat racisme om macht, om ongelijkheden in een samenleving. Het wordt een element via het welke men tot een diagnose moet komen, niet zozeer van de slechte attituden van individuen, maar van de maatschappij waarin ze tot dergelijke denkbeelden en gedragingen komen. Uiteindelijk leidt racisme ons zo tot een ‘groot verhaal’ – een wat in onbruik geraakt begrip, maar iets dat handelt over veel en veel meer dan waarden, gewoonten en cultuurverschillen.

 


2. Racisme is een epistemologie.

Een tweede aspect dat mijn benadering van racisme informeert is het epistemologische karakter van racisme. Racisme is een kennisleer. Het is een manier om naar de feiten te kijken, ze vorm te geven, er onderscheiden in aan te brengen tussen wat relevant is en wat niet, en uiteindelijk tot analyses van die feiten te komen. Men neemt de ideologie aan als een brilletje doorheen het welke men naar de wereld kijkt en die wereld meent te kennen en betekenis meent te kunnen geven.

Op dit punt moet ik het even hebben over de Afrikanistiek. Zoals we weten is heel veel van de hedendaagse Afrikanistiek gebaseerd op een traditie die haar wortels vindt in het ontdekkings- en kolonisatieparadigma. Simpel gezegd: het merendeel van de boeken die in onze vakgroepbibliotheek te vinden zijn, zijn geproduceerd tijdens de koloniale periode, door Europeanen die hun aanwezigheid in Afrika te danken hadden aan de structuur van dit koloniale systeem. De relatie tussen kolonialisme en Afrikanistische kennisverwerving is niet te loochenen.

Dat mag ons niet verleiden tot simplistische uitspraken in de zin van: elke koloniale Afrikanist was een racist. Verre vandaar. Eén van de uitkomsten van het punt over racisme-als-ideologie is dat onderzoeken van individuele intenties weinig ter zake doen. Het gaat om een historische ‘normaliteit’ waarin men naar godsvrucht en vermogen die dingen doet die men voor waar aanneemt en voor juist inschat. Maar de relatie blijft niet te ontkennen, en ze is epistemologisch van aard. Het koloniale systeem genereerde kennis die dit systeem mee gestalte gaf, er enerzijds de premissen van overnam en die mee uitbouwde en motiveerde. Wetenschap wordt zo een historisch gesitueerd product, en in die historische situering moet men ook de machtsverhoudingen inschrijven die kenmerkend waren voor die historische periode. Koloniale wetenschap was deel van de koloniale macht; de aldus vergaarde kennis is niet machtsvrij, en men moet zich bewust zijn van het specifiek soort macht dat eraan vast hangt: koloniale macht, gestoeld op uitgangspunten die we thans als racistisch bestempelen, en uitmondend in grootschalige uitbuiting en permanente onderontwikkeling.

Die kennis mogen we niet zomaar overnemen. De historische situering ervan moet een kritische houding genereren ten opzichte van de wetenschap over Afrika, en we mogen er in de Afrikanistiek van uit gaan dat een groot gedeelte van wat we over Afrika menen te weten gefilterd is door een racistische blik op Afrika. Afrikanistiek is tot op zekere hoogte een product van racisme, simpel samengevat. Dit is de reden waarom ik dit vak absoluut in het programma van de Afrikanistiek wou inbouwen, en waarom ik dat zo hardnekkig heb verdedigd. Racisme is een historisch perspectief op Afrika, hedendaagse Afrikanisten moeten zich daarvan bewust zijn, en de uitdaging voor deze Afrikanisten bestaat erin een nieuwe Afrikanistiek uit te bouwen vanuit een perspectief dat niet die beladenheid heeft.

Als we dit nu even overplaatsen naar de eigen actuele samenleving, dan merken we hoe er een paradigma ontstaan is rond vreemdelingen en vreemdheid, dat zeer sterk geconcentreerd is op cultuurverschillen, eigenheid en dergelijke, en dat op die manieren evenzeer epistemologisch lijkt te functioneren. Dit soort blik op de realiteit genereert een realiteit die er zo uitziet, of anders gezegd, het migrantenprobleem in dit land is deels het probleem dat zo velen geloven dat er een migrantenprobleem is. Rond deze aanname is een heel kenniscomplex ontstaan dat een realiteit opbouwt terwijl ze ze analyseert. In de mate dat dit paradigma primordialistische en homogeneïstische accenten legt – hetgeen het geval is – is het racistisch, en vertoont het een bijzonder duidelijke coherentie met de manier waarop de koloniale wetenschap aankeek tegen Afrika. De verwantschap tussen beide is vroeger reeds aangestipt door Albert Martens, en ik kan ze enkel bevestigen en verder uitdiepen.

 


Besluit

Beide invalshoeken, de ideologische en de epistemologische, wijken ongetwijfeld af van courante benaderingen van racisme in onze samenleving. Maar ik heb goeie redenen om die invalshoeken te blijven hanteren. De voornaamste reden is het wetenschappelijke feit dat ze mij toelaten betere beschrijvingen en interpretaties te leveren van feiten en voorvallen in de samenleving, en dat ze me toelaten heldere verbanden te leggen tussen attituden, daden, en maatschappelijke verhoudingen. Ze verklaren racisme met andere woorden beter.

Ik gebruik deze invalshoeken in een vak dat ik zelf omschrijf als een ‘perspectief-vak’. Het is niet mijn bedoeling in dit vak anti-Vlaams Blok campagnes te voeren. Het is evenmin mijn bedoeling om van mijn studenten militanten te maken van allerlei antiracistische bewegingen. Het is mijn bedoeling doorheen dit vak een perspectief aan te reiken aan jonge mensen, waarmee ze hun omgeving te lijf kunnen gaan, als kritische en bewuste burgers. Dat, meer dan het aanleren van feiten en het aanreiken van gegevens, is de bedoeling van mijn onderwijs. En dat is het verhaal van dit vak.

Jan Blommaert iiis voorzitter van de Vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen van de Universiteit Gent. Hij is recentelijk aangesteld als lid van het RAXEN-network. Het RAXEN-network gaat uit van de Europese Unie, het European Monitoring Centre on Racism and Xenophobia (hoofdkwartier te Wenen), en heeft als opdracht het verzorgen van deskundigheid voor een 'rapid response and evaluation' inzake racisme en xenofobie in de EU. Het netwerk groepeert een tiental onderzoekers vanuit heel Europa, geselecteerd uit een zestigtal kandidaten.

[2011] J.Blommaert@uvt.nl

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 29 oktober 2005