Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • 

Een Representatief Moslimorgaan: “het Belgische model”?

door Herman De Ley (© 2001)*


Door de redactie van het Nederlandse dagblad Trouw werd ik gevraagd enige “Belgische” kanttekeningen te willen maken bij het voorstel van mijn Nederlandse collega’s, Wasif Shadid en Sjoerd Van Koningsveld, nl. een “poldervariant” te creëren op de Belgische “Executieve van Moslims van België” (EMB) (bijdrage geplaatst in Trouw, 20 oktober j.l.). Laat ik dat doen in alle bescheidenheid: (a) beide collega’s zijn even goed geïnformeerd als ikzelve over de juridische context en de officiële en publieke stappen die geleid hebben tot de oprichting van dit islamitische “hoofd van eredienst”; (b) elke appreciatie over de waarde en betekenis van dit model, onder meer vanuit het oogpunt van de moslimbasis (in elk geval in Vlaanderen), is onvermijdelijk subjectief en dus betrekkelijk.

1. De democratische stembusgang die in België plaats vond op 13/12/1998, is terecht “uniek” genoemd. Zij stond onder directe supervisie van de overheid, maar ze heeft alvast één van de gangbare stereotypes over islam helpen doorbreken, namelijk dat “islam” en “democratie” incompatibel zouden zijn met elkaar. Tot op heden (en dat zal ook in de toekomst niet anders zijn) is de Belgische moslimgemeenschap de énige van de erkende erediensten die bereid is gevonden zichzelf via verkiezingen te organiseren (je ziet het de Rooms-Katholieke Kerk niet direct doen). Weliswaar moeten een aantal kritische kanttekeningen worden gemaakt bij de uitvoering ervan en ook bij de doeltreffendheid van het EMB. Het globaal effect, nochtans, dient onvoorwaardelijk als positief te worden beoordeeld. Het feit bv. dat België tot op heden gespaard is gebleven  van de beschamende anti-moslim excessen die Nederland sedert 11 sep­tember heeft gekend, moet mijns inziens mede toegeschreven worden aan het bestaan van dit erkend orgaan. Ook de zuidelijke Nederlanden worden vanzelfsprekend geplaagd door een fervente islamofobie, maar de verkiezingen en de aanstelling van de EMB hebben de islam toch in zekere mate “genormaliseerd”, zowel naar de overheid als naar de publieke opinie toe. Ik verwijs bv. naar het optreden in de media van de voorzitter van de EMB, de heer Nordin Maloujahmoum, kort na de aanslagen in de VS. Ook andere (minoritaire) levensbeschouwelijke gemeenschappen, zoals het Israëlitische Consistorie en de Unie van Vrijzinnige Verenigingen, onderhouden erg goede betrekkingen met deze voorzitter en zijn EMB.

2. Ten behoeve van het lezerspubliek van Trouw moet ik wijzen op de erg particuliere, constitutionele context waarbinnen de EMB tot stand kwam (precieze gegevens daaromtrent kunnen de lezers vinden in de publicaties van beide auteurs). Voor zover mij bekend, is er in de Nederlandse constitutie geen plaats voor een vergelijkbare “wettelijke erkenning” van erediensten. Voor de Belgische islam kwam die er door een wet van 1974, maar er dient benadrukt dat dergelijke “erkenning” enkel de zogenaamde “temporaliën” van een eredienst betreft (er is immers een grondwettelijke godsdienstvrijheid). Dat begrip valt grotendeels samen met wat beide auteurs “de maatschappelijk-culturele kant van de islam” noemen. Dat betekent echter dat het representatieve orgaan dat er na een kleine kwarteeuw van tribulaties eindelijk gekomen is - in Belgische terminologie: het “Islamitische Orgaan Hoofd van Eredienst” -, géén “religieus” orgaan is in de strikte zin van dat woord. Het heeft veeleer de materiële, praktische en technische aspecten van de cultus onder zijn bevoegdheid: bv. het vaststellen van de precieze begindatum van de ramadanmaand zou (net) nog wel kunnen, maar de EMB kan bv. geen fatwa’s uitspreken (bv. over de vraag of eventueel genegotieerde voorwaarden over de inrichting van een “islamitisch perceel” op een stedelijke begraafplaats religieus aanvaardbaar zijn). Tenzij per accidens is de EMB niét samengesteld uit godgeleerden  (ze heeft wel een “theologische” commissie opgericht van “imams en sociale actoren”). Ook de grote diversiteit binnen de islam verzet zich tegen een volledige doorvoering van het “katholieke” model dat ten grondslag ligt aan de Belgische wetgeving (de Belgische kardinaal is tegelijkertijd “hoofd van eredienst” én religieuze autoriteit, zij het ondergeschikt aan de paus in de Vatikaanse staat). In de toekomst kan het verschil tussen het verwachtingspatroon van de overheid en dat van de moslimgemeenschap(pen) allicht nog voor problemen zorgen.

3. Dank zij Platoon zijn wij vertrouwd met de onvermijdelijke afstand tussen een theoretisch “model” en de praktische implementering ervan. Kritieken op de wijze waarop de EMB tot stand kwam en op haar actueel functioneren moeten dus gerelativeerd worden. Ze moeten echter wel geformuleerd worden, zeker wanneer de pragmatische oplossing “à la belge” op haar beurt “model” moet staan voor de Noorderburen.

3.1. In het hele proces, zoals dat al jaren eerder in gang was gezet, heeft de Belgische staat zich niét beperkt tot wat mijn collega’s omschrijven als “de taak van de overheid... om naar vermogen de voorwaarden te scheppen waaronder de burgers de hen toekomende grondrechten, inclusief dat van de godsdienstvrijheid, kunnen genieten”. De overheid  is integendeel actief, d.w.z. richtinggevend én controlerend, tussenbeide gekomen. Dat gebeurde op een wijze die ook volgens juridische experten werd gekwalificeerd als strijdig met het grondwettelijke principe van de scheiding tussen kerk en staat.

3.2. Dat geldt voor de selectie van de gesprekspartners bij de start, jaren geleden, van de negotiaties (er werd geopteerd voor strikt “religieuze” woordvoerders; moslims die wel degelijk een belangrijke maatschappelijke inbreng hadden, maar dan veeleer op socio-cultureel, syndicaal, e.a. vlak - bv. een aantal islamleerkrachten in het openbaar onderwijs - werden systematisch geweerd;

3.3. Het geldt ook voor de gecompliceerde en getrapte procedures die moesten leiden tot de “EMB” (zie verder);

3.4. en vooral voor de strakke politieke controle op al dan niet “toelaatbare” religieuze gezindten, anders gezegd het weren van zogenaamde (al dan niet vermeende) “fundamentalisten”, volgens criteria die enkel de Belgische staatsveiligheid “vertrouwd” waren (zie verder).

Kort gezegd: het laïciteits- of secularismebegrip dat bij dit alles gehanteerd werd, verwees niet naar de “neutraliteit” zoals die t.a.v. de andere, “Europese” erediensten gebruikelijk is, maar veeleer naar de “laiklik” van de Turkse staat, d.w.z. van staatscontrole over een particuliere religieuze gemeenschap. Zoals dat mocht verwacht worden, heeft ook die Belgische staatscontrole niét geleid tot de beoogde politieke objectieven. Tegelijkertijd is zij verantwoordelijk voor de institutionele zwakte van de huidige EMB, met inbegrip van haar verlammende interne verdeeldheid.

4. Wat het probleem betreft van “de confessionele heterogeniteit en de daarmee samenhangende strijd over de legitimiteit” (S & vK): zoals gezegd is de Belgische overheid hierin op een vrij autoritaire wijze tussengekomen. (1) Laat ik bv. aanstippen dat eind 1994, in de zgn. “voorlopige” EMB een voorgesteld lid gewraakt werd door de minister van Justitie (Melchior Wathelet) omwille van zijn veronderstelde anti-democratische gezindheid. (2) Na de zgn. moslimverkiezingen, werden alle leden van de zgn. “Constituante” (bestaande uit 68 leden) die eraan dachten (!) te kandideren voor een zetel in de EMB, vooraf “gescreend” door de Staatsveiligheid: de overgrote meerderheid ervan werd afgewezen als “ongewenst”, niét vanwege een of ander strafblad, maar wegens vermeend “fundamentalisme” - wat een religieus oordeel inhoudt. Het betekende dat er uiteindelijk slechts 16 aanvaardbare “kandidaten” overbleven voor een zitje in een orgaan dat geacht werd 17 leden te tellen... Van een democratische “verkiezing” van de EMB in de schoot van de Constituante kan in die omstandigheden bezwaarlijk gesproken worden.

5. Beide Nederlandse collega’s spreken de hoop uit dat aldus “alle religieuze minderheidsgroepen binnen de islam in Nederland een gelijke kans (krijgen) op deelname en daarmee op het uiten van hun mening”. Hoe heeft België het gedaan? De overheid heeft ervoor geopteerd de rechten van minderheden te waarborgen door vooraf een verdeelsleutel te doen opstellen, zowel wat de samenstelling betreft van de Constituante, als die van de EMB. Daartoe werd echter gewerkt, niet met religieuze denominaties, maar met (ex-)nationaliteit of etnische afkomst. Op basis van de laatst beschikbare cijfergegevens van het Nationaal Instituut voor Statistiek werd het (theoretisch) kiezerscorps ingedeeld in vier etnische groepen: (1) “Marokkanen” (m.i.v. mensen die de Belgische nationaliteit hadden verworven), gerekend op 182.416 personen; (2) “Turken” (idem), gerekend op 102.217; (3) de “Anderen” (Algerijnen, Tunesiërs, Egyptenaren, enz.), gerekend op 36.932; (4) “Belgen” (d.w.z. nieuw-moslims): hierover zijn er geen cijfers beschikbaar, maar de groep werd even groot geschat (en dus zeker overschat) als de derde groep. Ten einde een absoluut overwicht in de organen van de “Marokkanen” te voorkomen, werden hen vooraf (bv.) in de toekomstige EMB slechts 7 zitjes (op 17) toegewezen; aan de “Turken”, om gelijkaardige redenen, slechts 4; aan de “Anderen” 3 en aan de “Belgen” evenzo 3. De betreffende verdeelsleutels werden ook nog eens uitgesmeerd over de verschillende provincies van het land (wat bv. voor de Turkse gemeenschap van Oost- en West-Vlaanderen een onbegrijpelijk en onrechtvaardig laag quotum opleverde, in vergelijking met de andere provincies).
 

6. Afsluitend.

6.1. Het EMB is, zoals gezegd, het resultaat van democratische verkiezingen. Toch moet ook hierbij een kanttekening worden geplaatst. Hoger werd al gewezen op de autoritaire (eigenlijk ongrondwettelijke) tussenkomst van de Staat(sveiligheid). Er is echter ook het bijzonder ingewikkelde, getrapte systeem van aanstelling: de democratische stembusgang van 13/12/1998 kon slechts 51 leden van de Constituante aanduiden; deze laatste is vervolgens in 2 fazen aangevuld met 17 “gecoöpteerden”, waaronder 10 van de oude, “Voorlopige EMB” (die niét democratisch was aan­eduid, maar een aantal jaren goed had samengewerkt met de overheid). Voor de uiteindelijke, door de Belgische staat officieel “erkende” EMB komt dat alles erop neer dat slechts een... 5-tal van de 16 leden hun legitimiteit daadwerkelijk te danken hebben aan de verkiezingen van 1998.

6.2. In de gegeven omstandigheden dienen de legitimiteit en de representativiteit van de Belgische EMB dus gerelativeerd te worden. Die tekortkomingen, echter, die de werking van het orgaan al twee jaar bemoeilijken, zijn mijns inziens bovenal te wijten aan de bemoeienissen van de Belgische staat. Zo goed als alle onderdelen van het Islamdossier wachten nog op een concrete regeling, en dat zal zo nog wel een tijdje duren. Een mooi voorbeeld is dat van de “erkenning” van moskeeën en gebedsruimtes. Terwijl er sprake is van ruim 380 moskeeën op Belgisch grondgebied, werd in eerste instantie nu al ruim een jaar geleden slechts voor ongeveer 130 een dossier ingediend. Dit aantal verminderde nadien nog tot 75, en enkele weken geleden werd dat aantal omwille van technische tekortkomingen nog eens met een 20-tal verminderd tot 55. Dat bij dit alles ook “politieke” overwegingen meespelen vanwege de overheid lijkt evident, maar is misschien ook wel onvermijdelijk. Ook de complexiteit van de Belgische instellingen werkt uiteraard remmend: denken we bv. aan het onderwijs, dat een zogenaamde gemeenschapsmaterie is (er is een “Vlaamse” minister van Onder­ijs en een Franstalige), terwijl de EMB een federale of nationale instelling is. In de recente verbetering van het statuut van de Vlaamse islamleerkrachten (zij kunnen nu eindelijk, na 25 jaar wachten, een statutaire aanstelling verkrijgen; er komen ook “inspecteurs” die moeten waken over de kwaliteit, enz.) heeft de EMB slechts  moeizaam een rol kunnen spelen.

________________________

*Volledige versie; een ingekorte versie verscheen in Trouw, 30 oktober 2001

Web master Update: 14 februari 2008  • CIE-INDEX •