Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Het nieuwe ontwerp van decreet over gelijke onderwijskansen:

dekt de vlag de lading? 

Marc Laquière *


Bij wijze van intro


Twee jaar lang werkten het kabinet Vanderpoorten en het departement onderwijs aan een ontwerp van decreet over het gelijke onderwijskansenbeleid. Verschillende werkgroepen binnen de VLOR bestudeerden de verschillende versies van ontwerpen die het kabinet hen aanreikte. De Algemene Raad van de VLOR bracht twee adviezen uit.

De regering boog zich reeds tweemaal over het ontwerp van decreet en gaf zijn fiat voor de verdere procedure. Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel was het wachten op het advies van de Raad van State. Reeds op 13 februari werden de schooldirecties door het departement onderwijs op de hoogte gebracht dat, als ze vóór 1 april de leerlinggegevens aan het departement bezorgen, ze voor het einde van het schooljaar hun dienstbrief krijgen met aanvullende lestijden voor de volgende drie schooljaren.

Het is dus meer dan ernst met het nieuwe decreet. Toch hangen er nog zware donderwolken boven het decreet.

Het vrij katholiek onderwijs en de christelijke onderwijzersvakbond (COV) tekenden na de onderhandelingen met het kabinet over het ontwerp van decreet een zgn. ‘protocol van niet-akkoord’. De  inschrijvingsplicht zoals geformuleerd in het ontwerp van decreet ligt hen zwaar op de maag. Er wordt gezwaaid met de ‘vrijheid van onderwijs’ en dus met het fameuze artikel 24 van de grondwet.

Mevrouw B. Pletinck, secretaris-generaal van het katholiek basisonderwijs meent dat het inschrijvingsrecht in het  voorontwerp van decreet, vragen om moeilijkheden is en het ontstaan van concentratiescholen zal bevorderen.

Het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) is van oordeel dat de inschrijving via artikel 31§2 van het decreet voor het basisonderwijs voldoende grond heeft en dat daaraan niets gewijzigd noch toegevoegd dient te worden. Dit artikel stelt dat 

‘Een schoolbestuur van het gesubsidieerd vrij onderwijs kan om andere redenen (dan het niet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden) een inschrijving van een leerling weigeren met schriftelijke motivatie aan de betrokken ouders binnen de vier kalenderdagen. Een inschrijving kan in geen geval geweigerd worden op grond van criteria die onbetamelijk zijn en waardoor de menselijke waardigheid in gedrang komt’.

Het artikel op zich biedt volgens het VSKO voldoende waarborgen voor alle betrokken partijen. Pletinck stelt verder: ‘Een absoluut inschrijvingsrecht zet de school en de ouders tegen elkaar op en dit zal leiden tot verdere juridisering’. Zij vergeet er wel bij te vertellen dat heel wat directies in het verleden geen schriftelijke motivatie opstelden omdat zij erop rekenden dat ouders toch geen klacht indienen.

Het thema van het gelijke onderwijskansenbeleid wordt in het vrij katholiek onderwijs vaak gelinkt aan de discussies over de ‘objectieve verschillen in de financiering van de netten’. In een recent persbericht stelt het VSKO dat de ‘financiële discriminatie’ er toe leidt dat een aantal leerlingen zich niet inschrijven of na een tijd weer vertrekken:

‘De katholieke scholen zijn genoodzaakt een grotere bijdrage te vragen aan de ouders om hun kind te geven waar het recht op heeft. De kansarme leerlingen zijn hiervan het slachtoffer!

In het officieel onderwijs hoor je andere geluiden. Volgens hen is het duidelijk dat het vrij katholiek onderwijs - met de grondwet achter de hand – zoals in het verleden wil kunnen inschrijven wie het wil en ondertussen meer, veel meer middelen wil met zo weinig mogelijk controle van de overheid. ‘Pluralisme’, ‘de middelen voor onderwijs ‘ en ‘gelijke onderwijskansen’ zijn hot items in de media.

Alle ouders en alle leerlingen in het onderwijs zijn betrokken partij in dit zeer complexe dossier. In dit artikel krijgt de lezer niet alleen feitelijke gegevens maar ook duiding.
 



Het huidige non-discriminatiebeleid in het onderwijs

Het non-discriminatiebeleid in het onderwijs, dat de bedoeling had om de ‘Non-discriminatieverklaring’ (VLOR, 1993) in de praktijk te brengen, is een failliet beleid geweest. Dat geven zelfs fervente voorstanders toe en tal van wetenschappelijke onderzoeken hebben dit bevestigd.

Het non-discriminatiebeleid was immers de facto gericht op de spreiding van migrantenkinderen in het Vlaamse onderwijs: het criterium hierbij was de herkomst van het kind. Dit criterium kan je niet anders dan een vorm van pure discriminatie noemen. De onderwijsnetten spraken onder mekaar het aantal toe te laten migrantenleerlingen per school af. Migrantenkinderen werden uitgedrukt in percentages. De grootste bekommernis was meestal niet de leerachterstand van deze kinderen maar hun herkomst en de panische angst voor de ‘witte vlucht’. Het non-discriminatiebeleid heeft daarom geleid tot een polarisatie tussen scholen en ‘migrantenouders’, tussen leerkrachten en ‘migrantenleerlingen’,tussen ‘migrantenouders’ en autochtone ouders.

Kortom het non-discriminatiebeleid heeft niet geleid tot het verminderen van concentratiescholen en zeker niet tot het verminderen van de leerachterstanden van deze kinderen. De schoolse achterstand  bij migrantenleerlingen blijft catastrofaal! Er is een torenhoge oververtegenwoordiging van deze kinderen in het beroepsonderwijs (waarmee we niet willen zeggen dat deze onderwijsvorm minderwaardig zou zijn dan de andere), het deeltijds onderwijs en in het buitengewoon onderwijs. Minder dan 1% van de Marokkaanse en Turkse studenten stromen door naar het hoger onderwijs of naar de universiteit. Het gaat hier om tienduizenden nieuwe Vlamingen die het moeilijk hebben op school. Het gaat om leerlingen die een belangrijk deel vormen van onze samenleving en die  - of we het willen of niet - de toekomst van Vlaanderen mee zullen bepalen.

 



Het nieuwe voorontwerp van decreet

De Vlaamse regering heeft op 8 februari voor een tweede maal het ‘Voorontwerp van decreet over gelijke onderwijskansen-I’ principieel goedgekeurd. Het werd tijdens het schrijven van dit artikel voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Het vertrekt vervolgens naar het Vlaams parlement om - mits goedkeuring van het Vlaams parlement - vanaf volgend schooljaar van kracht te worden. De Vlor en de SERV formuleerden hun advies. De overheid onderhandelde met de onderwijsnetten en de onderwijsvakbonden. Het Gemeenschapsonderwijs, het officieel gesubsidieerd onderwijs en de liberale onderwijsvakbond (VSOA) sloten een ‘protocol van akkoord’ af. De koepel van kleine onderwijsverstrekkers (OKO), de socialistische onderwijsvakbond ACOD en de christelijke onderwijscentrale (COC) sloten een ‘protocol van gedeeltelijk akkoord’ af. Voor het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs (VSKO) en het christelijk onderwijzersverbond (COV)  werd het een ‘protocol van niet-akkoord’.

De vrijblijvende non-discriminatieverklaring werd door alle onderwijsnetten en ook door het vrij katholiek onderwijs – zij het met tegenzin – in 1993 ondertekend. Het is merkwaardig om vast te stellen dat, nu  we te maken hebben met een decreet dat veel minder vrijblijvend is, het vrij katholiek onderwijs een ‘protocol van niet-akkoord’ ondertekent.




Serieuze stap vooruit

Op het eerste gezicht is dit voorontwerp een serieuze stap vooruit in de realisatie van een echt non-discriminatiebeleid en gelijke onderwijskansenbeleid, zeker in vergelijking met het zgn. non-discriminatiebeleid dat sedert 1993 wordt gevoerd.

Het ontwerp van decreet is een gedegen werkstuk.  De doelstellingen van het voorontwerp zijn nobel: vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie, bevorderen van sociale cohesie en het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen.

Het voorontwerp van decreet is van toepassing zowel op het gewoon als buitengewoon basis- en secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en de centra voor leerlingbegeleiding (CLB’s). Het bestaat uit twee grote delen: het toelatingsbeleid en het geïntegreerd ondersteuningsaanbod.  Twee nieuwe instellingen worden voorgesteld: de lokale overlegplatforms (LOP’s) en de Commissie inzake leerlingenrechten. Tot slot volgen nog twee tijdelijke projecten: het tijdelijk project buitengewoon onderwijs en het tijdelijk project kunstinitiatie. Het ontwerp sluit af met een heel resem bepalingen om bestaande decreet- en wetgeving aan te passen aan het nieuwe decreet.

Positief in het voorontwerp van decreet is dat de huidige ondersteunende maatregelen (met name het onderwijsvoorrangsbeleid of OVB, het zorgverbredingbeleid of ZVB en maatregelen voor scholen met bijzondere noden) in één geïntegreerd ondersteuningsaanbod werden ondergebracht. De scholen krijgen voor drie jaar i.p.v. één jaar de zekerheid van een extra omkadering. Dat stelt hen in staat om de aanwending van de extra middelen beter te plannen.

‘Zorgverbreding’ en ‘onderwijsvoorrang’ verdwijnen als afzonderlijke projecten, maar niet als inhouden. Het ondersteuningsaanbod valt uiteen in een luik voor het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs en een luik voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs. In het eerste luik wil de overheid ‘kansarme’ leerlingen laten doorstromen naar studierichtingen waar ze tot op heden moeilijk in terechtkwamen. In het tweede luik beoogt men vooral de opvang en begeleiding van leerlingen in problematische situaties en het bevorderen van een gekwalificeerde uitstroom.

Onderwijsvoorrang en zorgverbreding maken de extra omkadering voor scholen vandaag afhankelijk van een aanwendingsplan waarin ze duidelijk maken hoe ze de middelen zullen aanwenden. Schoolteams komen daardoor jaarlijks onder druk te staan om dit document uit te schrijven. Een goedgekeurd aanwendingsplan is met het nieuwe ontwerp van decreet geen voorwaarde meer voor de toekenning van middelen.  Als een school 10% doelgroepleerlingen heeft, komt ze voor een periode van drie jaar in aanmerking voor de aanvullende lestijden. De overheid verplicht scholen wel om planmatig te werken en te evalueren. Bij het begin van de drie jaar onderschrijven de scholen een aantal reglementair vastgelegde concrete doelstellingen. Op het einde van de drie schooljaren controleert de inspectie in welke mate de doelstellingen werden bereikt.

Heel wat scholen die OVB/ZVB-lestijden krijgen, maken zich terecht ongerust dat ze met de nieuwe normen veel lestijden zullen verliezen. Voor die scholen werden er evenwel voor de duur van één schooljaar overgangsmaatregelen voorzien. Vanaf 1 september 2003 zou elke basisschool – aldus de minister op een persconferentie van 8.2.’02- moeten kunnen beschikken over een pakket middelen en uren om extra zorg aan alle kinderen te geven. Ook worden voor het buitengewoon nieuwe maatregelen uitgewerkt. Vanderpoorten gaat ervan uit dat een deel van de leerlingen van type 1 en type 8 kan worden opgevangen in het gewoon onderwijs. Daarvoor zullen evenwel middelen van het buitengewoon onderwijs worden overgedragen naar het gewoon onderwijs. 

Het voorontwerp brengt op meerdere punten vereenvoudiging in de regelgeving. De mogelijkheid om in de aanvullende lestijden personeelsleden te benoemen is een goede zaak en zal ongetwijfeld motiverende werken voor de betrokken leerkrachten.

Het ontwerp is op verschillende plaatsen wetenschappelijk (voor het ondersteuningsbeleid worden bv. wetenschappelijk vastgestelde gelijke kansenindicatoren gehanteerd) en juridisch veel beter onderbouwd. Er worden ook controleorganismen opgericht en klachtenprocedures opgesteld die misbruiken moeten verhinderen.

Men heeft ook ingezien dat investeren in concentratiescholen noodzakelijk blijft. Het gelijke onderwijskansenbeleid voorziet dan ook lestijden voor alle doelgroepleerlingen in concentratiescholen. De gewichtenregeling is niet langer degressief voor de leerlingen in scholen die meer dan 50% doelgroepleerlingen tellen.

Een correcte beoordeling van het gelijke onderwijskansenbeleid kan evenwel niet los gezien worden van een aantal besluiten van de Vlaamse regering die nog in de maak zijn.

Weinig nieuws over het in multi-etnisch perspectief plaatsen van het onderwijs

Het ontwerp van decreet handelt over een ‘toelatingsbeleid’ en een ‘ondersteuningbeleid’.

Over  het in ‘multi-etnisch perspectief’ plaatsen van het onderwijs vernemen we bitter weinig in het ontwerp van decreet. Het onderwijsprincipe ‘Onderwijs in multi-etnisch perspectief’ doet recht aan alle leerlingen ongeacht hun etnisch-culturele origine. Een school plaatst haar onderwijs in ‘multi-etnisch perspectief’ als zij in alle elementen van het schoolbeleid en van het schoolleven en in heel haar werking rekening houdt met de diversiteit van haar populatie.

Dit begrip onderscheiden wij van het pedagogisch begrip ‘Intercultureel onderwijs’ dat een bijdrage levert aan de interactie en goede interetnische relaties tussen leerlingen met verschillende etnisch-culturele achtergronden. Intercultureel onderwijs bereidt leerlingen voor om adequaat te functioneren in een multi-etnische samenleving.  

In de Vlor werd in de werkgroep ‘Ondersteuningsbeleid’ een aanzet gegeven om na te gaan welke de ‘engagementen’ (bv. begeleiding, nascholing, lesmateriaal, lerarenopleiding ... ) van de verschillende onderwijsparticipanten zouden kunnen zijn. Het ontwerp van decreet verduidelijkt niet welke middelen de overheid voor het in multi-etnisch perspectief plaatsen van het onderwijs zal vrijmaken.

Een gelijke kansenbeleid dat hiervoor onvoldoende aandacht heeft, zich  tevreden stelt met vrijblijvende engagementen en hiervoor geen extra middelen voorziet hypothekeert zijn slaagkansen vanaf de start.

De SERV merkt in haar advies terecht op dat een gelijke onderwijskansenbeleid naast een waaier aan maatregelen impliceert die nauwelijks aan bod komen in het ontwerp van decreet zoals : ‘de garantie op een startkwalificatie voor elke schoolverlater, de valorisering van het beroepssecundair en technisch secundair onderwijs …’. De SERV is ook van oordeel dat bij elke regelgeving inzake onderwijs vooraf een gelijke kansentoets zou ingebouwd worden.

 



'Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur' (OETC)

'Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur' (OETC) valt weg als keuzemogelijkheid voor scholen. OETC dat onder goede voorwaarden wordt onderwezen is nochtans een belangrijk instrument voor de identiteitsvorming en de emancipatie van leerlingen uit etnische groepen. Het vereist evenwel beleidsmaatregelen die de organisatie van OETC mogelijk maken (o.a. een adequaat aanstellingsbeleid vanuit de Vlaamse Gemeenschap, curricula, leerplannen, inspectie en begeleiding, de nodige didactische voorwaarden opdat samenwerking tussen het schoolteam en de Eigen Taal en Cultuurleerkrachten optimaal kan verlopen). En wringt daar het schoentje niet? Wil men in dergelijke zaken wel investeren?

 

Principieel recht op inschrijving

In het voorontwerp van decreet vertrekt men vanuit het principieel recht van de ouders op inschrijving in de school van zijn/haar keuze: ‘elke leerling die voldoet aan de bij of krachtens decreet algemene toelatingsvoorwaarden (leeftijd en bekwaamheid nvdr), heeft een recht op inschrijving in de school van zijn ouders keuze’. De inrichtende macht die een leerling weigert of doorverwijst moet dit binnen een termijn van twee werkdagen bij aangetekend schrijven aan de ouders én de voorzitter van het lokaal overlegplatform mededelen.

Dat klinkt zeer mooi, ware het niet dat het ontwerp van decreet naast redelijke, voor iedere leerling geldende en aanvaardbare beperkingen, ook een beperking oplegt die minder koosjer is voor de leerlingen die thuis een andere taal spreken dan het Nederlands.

 

De verschillende beperkingen op het basisprincipe

Een eerste beperking op dit principe is dat ouders niet zomaar een vestigingsplaats kunnen kiezen. Het ontwerp stelt dat de inrichtende macht een andere vestigingsplaats kan aanduiden voor de leerlingen wanneer ‘de veiligheid van de leerlingen in het gedrang zou worden gebracht omwille van materiële omstandigheden in de vestigingsplaats’ of ‘om het aantal leerlingen voor de thuistaal niet het Nederlands is en het totaal aantal leerlingen in de vestigingsplaats op tenminste 20% te brengen of te houden’.

Leerlingen kunnen pas worden ingeschreven wanneer de ouders uitdrukkelijk instemmen met het pedagogisch project en het schoolreglement van de school. 

In een democratische samenleving lijkt het niet meer dan evident dat de ouders en jongeren ook betrokken worden bij het tot stand komen van het pedagogisch project en het schoolreglement. In veel scholen  zijn die instrumenten echter zonder enige inspraak van ouders en leerlingen tot stand gekomen. 

Een inrichtende macht kan om twee redenen beslissen om een leerling te weigeren: als een bijkomende inschrijving de veiligheid van de leerlingen in het gedrang brengt en wanneer een leerling het vorige schooljaar door de inrichtende macht disciplinair werd uitgesloten.

Vragen die hierbij kunnen gesteld worden zijn: welke opvang is voorzien voor geweigerde leerlingen? Wat met de leerplicht? 

Een inrichtende macht kan  in twee gevallen beslissen om een leerling door te verwijzen (art. III,5,§1,1° en 2°):  een leerling met een ‘zware handicap’ die de ‘draagkracht’ van de school overschrijdt, en ‘elke bijkomende leerling waarvan de thuistaal … niet, respectievelijk wél het Nederlands is … om de vooropgestelde verhouding tussen leerlingengroepen te waarborgen …’  Een juridische spitsvondigheid die verdoezelt dat het hier in wezen gaat over de mogelijkheid om migrantenleerlingen door te verwijzen.

Het voorontwerp geeft geen definitie van het begrip ‘zware handicap’.  Het laat die definitie over aan de lokale interpretatie (zie verder). Dergelijke begrippen dienen decretaal of via ministerieel besluit vastgelegd te worden. Het gevaar is niet denkbeeldig dat scholen misbruik maken van het begrip ‘draagkracht’. Wat met de rechten van de ouders en wat met de realisatie van de principes van het inclusief onderwijs? 

De vraag kan gesteld worden of het criterium ‘zware handicap’ bewust of onbewust gehanteerd wordt om ook het criterium ‘thuistaal’ als een acceptabel criterium naar voor te schuiven.





De bescherming van de multiculturele school 

Om een bijkomende leerling waarvan de ‘thuistaal niet het Nederlands’ is te kunnen doorverwijzen of weigeren moet een school aan een aantal formele voorwaarden voldoen die betrekking hebben op de zgn. ‘multiculturaliteit’ van een school.

Ze moet kunnen aantonen dat ze intensief met taalvaardigheidsonderwijs bezig is en dat ze ouders van anderstalige leerlingen actief bij de school betrekt. De school moet minstens 20% anderstalige leerlingen hebben en dat aantal moet 10% hoger liggen dan het gemiddelde in de andere scholen van het werkingsgebied.

De definitie van wat een multiculturele school is, wordt in de memorie van toelichting erg vaag omschreven. Een multiculturele school is een ’taalheterogene school die alle leerlingen voorbereidt op een open, multiculturele maatschappij en die een perfect kader creëert voor integratie en emancipatie’.

Betekent  het ‘beschermen van de multiculturele scholen’ – waarmee men al te graag in sommige onderwijskringen schermt – niet eerder het beschermen van de belangen van sommige scholen en niet die van de leerlingen? Een ‘multiculturele school’ beperkt zich in de praktijk vaak tot het hanteren van een drempel voor doelgroepleerlingen (meestal Marokkaanse en/of Turkse leerlingen). Men beperkt zich tot het creëren van kunstmatige eilanden, reservaten waar men de aanwezigheid van kinderen van een andere etnisch-culturele origine probeert te beheersen. Een dergelijke kortzichtige beheersingsstrategie is in het licht van de demografische en maatschappelijke evoluties niet alleen achterhaald, maar daarenboven fundamenteel onrechtvaardig.

Een school is  pas multicultureel als zij in alle elementen van het schoolbeleid en van het schoolleven en in heel haar werking rekening houdt met de diversiteit van haar populatie.

 



Bedekt spreidingsbeleid?

Doorverwijzingen op basis van het criterium ‘thuistaal’ betekenen een – weliswaar bedekte – verderzetting  van het spreidingsbeleid.

 

Met een spreidingsbeleid blijft men de oorzaak van achterstand  eenzijdig bij de etnisch-culturele groepen leggen. De school en het onderwijs blijven buiten schot.  

Een spreidingsbeleid stelt of suggereert immers dat de kwaliteit daalt vanaf een bepaalde concentratie anderstalige kinderen of kinderen uit de etnische groepen. Op die manier legt men de verantwoordelijkheid voor een daling van de kwaliteit van het onderwijs eenzijdig bij de ‘etnische groepen’. Deze leerlingen  worden als probleemleerlingen gepercipieerd. Scholen proberen dan om zo weinig mogelijk van deze leerlingen aan te nemen.  Op die manier genereert het  huidige spreidingsbeleid  (1993) discriminatie en racisme.

Hoe zal men art. III,5,§1,2° over de doorverwijzing in verband met de thuistaal  verzoenen met het art. 2, § 3 van het Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie? Dit wetsontwerp werd door de Senaat aangenomen op 21.12.2001 en verbiedt elke vorm van directe en indirecte discriminatie (o.a. met betrekking tot ‘het leveren van goederen en diensten aan het publiek’ en met  ‘de toegang tot en de deelname aan, alsook elke andere uitoefening van een economische, sociale, culturele of politieke activiteit toegankelijk voor het publiek’)

 

De indicator thuistaal

In het ontwerp van het gelijke kansenbeleid wordt nergens  een duidelijke omschrijving van het criterium ‘thuistaal’ gegeven. Er wordt evenmin aangegeven hoe dit criterium zal gecontroleerd worden.  In de memorie van toelichting wordt gesteld dat bij gebrek aan ‘bewijskrachtige stukken’, het gebruik van de thuistaal tijdens een intakegesprek zal nagegaan worden. Het is de vraag wie deze toets zal afnemen. Daarenboven kan een taaltoets hoogstens de taalachterstand bepalen en op basis daarvan de nodige remediëring voorschrijven (van taalbad tot extra ondersteuning). De resultaten van een taaltoets kunnen criteria voor een school zijn om aanspraak te maken op extra faciliteiten. Op voorwaarde dat er waarborgen zijn dat deze taaltoetsen voor alle leerlingen onder gelijke, objectieve omstandigheden worden afgenomen. Het is  evenwel misplaatst om de criteria ‘thuistaal’ of ‘taalachterstand’ te hanteren om door te verwijzen en te weigeren.

Het is ook een typisch schoolse manier van denken dat de meeste problemen opgelost zijn als de leerlingen Nederlands spreken. Men vergeet dat er ook andere factoren zijn die achterstand genereren.  Daarenboven kunnen leerlingen die slecht presteren in Nederlands soms keien zijn in vakken zoals bv. wis- en natuurkunde. De kans is groot dat ook dit criterium zoals in het verleden het criterium ‘doelgroepleerling’ de deur wagenwijd openzet voor misbruiken en willekeur.   

In de memorie van toelichting stelt men vast dat het ‘ontbreken van een Nederlands sprekende meerderheid’ in de concentratiescholen en de ‘anderstaligheid’ thuis  nadelige gevolgen heeft voor de kinderen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het niet van belang is welke taal er wordt gesproken in het gezin, maar wel dat het kind op een talige manier wordt opgevoed. Heel wat deskundigen menen zelfs dat meertaligheid geen negatieve effecten heeft, integendeel meertalige kinderen zijn veelal sneller dan andere in staat tot taalbeschouwing, wat het taalleren in het algemeen ten goede komt. Kinderen dienen aangezet te worden om hun eigen taal te gebruiken. Het is overigens een algemene trend dat ouders in vergelijking met vroeger veel taliger omgaan met hun kinderen. 

Als de school voortdurend blijft hameren op het Nederlands, belast men de ouders - vooral degenen voor wie het Nederlands niet hun moedertaal is - met een bijkomend probleem. Men bereikt bovendien het tegendeel van wat men wenst en men krijgt ‘taalarme’ kinderen (een fenomeen dat zich eertijds in Brussel heeft voorgedaan toen Vlaamse ouders met hun kinderen Frans begonnen te spreken terwijl ze het zelf niet goed beheersten!). Ouders moeten het vertrouwen krijgen, zij moeten het gevoel krijgen dat ze goed bezig zijn. Dat kan niet zolang scholen negatief reageren op het spreken van de eigen taal.

Vlamingen zouden meer dan wie ook moeten weten dat men het gebruik van een welbepaalde taal niet kan forceren. Is het ‘Vlaams’ niet blijven overleven, niettegenstaande alle pogingen in het verleden om het in het onderwijs en als officiële taal te vervangen door het Frans. Wordt de onderdrukte op zijn beurt onderdrukker? Wordt deze houding niet ingegeven door paternalisme en superioriteitsgevoelens?  De manier waarop men het Nederlands wil opdringen aan etnisch-culturele groepen heeft veel weg van culturele onderdrukking. Is het niet beter de mensen, in functie van hun eigen noden en mogelijkheden, zelf te laten bepalen welke talen ze wanneer spreken?  

Uit onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt NT2 (K.U. Leuven) blijkt dat heel wat OVB-basisscholen er momenteel in slagen de taalachterstand van hun allochtone leerlingen in te dijken en die - in vergelijking met hun autochtone leerlingen - aanzienlijk te verkleinen. Tot die groep van succesvolle scholen behoren óók concentratiescholen (Van den Branden, 2000).

Leerlingen uit de migratie worden al te vaak gezien als leerlingen die onvoldoende het Nederlands beheersen. Er is te weinig aandacht en respect voor hun meertaligheid. Heeft dit te maken met een revanche voor het feit dat men in het verleden als Vlaming zelf al te lang zijn eigen taal niet heeft mogen spreken?

 




Kansarmoede-indicatoren

Voor het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs wordt de kansarmoede gemeten op basis van socio-economische indicatoren.

De gelijke kansenindicatoren zijn:
 

  1. het gezin leeft (uitsluitend) van een vervangingsinkomen;
  2. de leerling is thuisloos;
  3. de ouders behoren tot de trekkende bevolking (zigeuners, schippers, ...);
  4. de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs;
  5. de thuistaal is niet het Nederlands.

Een leerling die alleen voldoet aan de indicator ‘thuistaal is niet het Nederlands’ komt niet in aanmerking voor het bereiken van de 10% norm (zie verder). De vroegere ZVB-indicator ‘de leerling behoort tot een éénoudergezin’ valt weg. Er is wetenschappelijk geen rechtstreeks verband gevonden tussen éénoudergezin en kansarmoede.

In het luik voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs gelden volgende indicatoren:
 

  1. de leerling heeft een schoolse achterstand van ten minste twee jaar
  2. de leerling is neveninstromer met een B- of C-attest in het BSO of TSO
  3. de leerling volgde vorig schooljaar onthaalonderwijs

Aan elke indicator wordt een bepaald gewicht toegekend. Op basis van deze gewichten generen de leerlingen een aantal punten, op basis waarvan een extra omkadering wordt berekend. 

Belangrijk is dat de ondersteunende maatregelen voor de Nederlandstalige basisscholen in de rand- en taalgrensgemeenten en voor de scholen met anderstalige nieuwkomers afzonderlijk behouden blijven. Deze scholen kunnen een keuze maken. Ofwel maken ze gebruik van de ondersteuning die voortvloeit uit het ‘tijdelijk project Vlaamse rand (8.7.1998)’ of dat van het nieuwe geïntegreerde ondersteuningaanbod.





Registratie van etnische gegevens

Registratie van etnische gegevens is een instrument om een onderwijsbeleid te kunnen initiëren, controleren, evalueren en inzichtelijk te maken. Gegevens over etniciteit worden sinds september 1991 in alle Vlaamse onderwijsvoorrangsscholen (OVB-scholen) opgevraagd. Aan de ouders wordt medegedeeld dat de school een bijkomende inspanning wenst te doen en dat zij daarvoor bijkomende informatie nodig heeft. Scholen krijgen bijkomende middelen op basis van deze gegevens. De bevraging verliep niet altijd even zorgvuldig met als gevolg dat de resultaten van die bevraging niet altijd een correcte weerspiegeling zijn van de realiteit.

Over de doelstellingen van de bevraging moet immers duidelijk gecommuniceerd worden met de ouders. In de modelbrief aan de ouders wordt het opvragen van de leerlinggegevens als volgt gemotiveerd:

‘Het gelijke kansenbeleid heeft de bedoeling om de school te ondersteunen in de opvang van leerlingen die omwille van sociale, economische of culturele achtergrondkenmerken mogelijk risico lopen op een schoolachterstand. Via aanvullende lestijden krijgt de school ondersteuning om een zorgbrede werking te ontwikkelen. In die context is het voor de school belangrijk om te weten of uw kind al dan niet behoort tot de doelgroep van dit beleid. Onze school kan immers aanvullende ondersteuning krijgen als er 10% leerlingen ingeschreven zijn die beantwoorden aan minstens één van de indicatoren van het gelijke onderwijskansenbeleid’. 

Het wordt des te pijnlijker als men in de richtlijnen voor de directies wel leest:

‘Naast de indicatoren die in aanmerking komen om aanvullende lestijden voor gelijke onderwijskansen te krijgen, is er één indicator die van cruciaal belang is voor de werking van het lokale overlegplatform, namelijk de indicator “thuistaal is niet het Nederlands”. 

Er wordt in de brief aan de ouders met geen woord gerept over het feit dat de indicator ‘de thuistaal is niet het Nederlands’ niet allen voor het ondersteuningsbeleid wordt gebruikt maar ook voor het toelatingsbeleid. Op basis van deze indicator is de overheid  niet alleen van plan een ondersteuningsbeleid uit te stippelen  (wat acceptabel en lovenswaardig is), maar geeft ze de mogelijkheid aan scholen om leerlingen die onder die indicator vallen door te verwijzen of te weigeren.

Het is begrijpelijk dat migrantenouders sceptisch staan tegenover bevragingen waarvan niet alle doelstellingen geëxpliciteerd worden.  Op het ogenblik van het schrijven van dit artikel werd dit gesignaleerd aan de minister van onderwijs.

Ouders hebben recht op volledige en correcte informatie. Migrantenouders hebben negatieve ervaringen met het hanteren van het begrip ‘doelgroepleerling’ om leerlingen te weigeren. Er wordt immers vertrokken vanuit het belang van de school. Scholen bepalen hun draagkracht en stellen zich veilig. ‘Elitarisme’ en ‘vermijden van leerlingen uit  etnisch-culturele minderheidsgroepen’, behoren vaak tot de verborgen agenda.

 



Het Lokaal overlegplatform (LOP)

Voor de toepassing van het decreet worden gefaseerd lokale overlegplatforms opgericht. Dit gebeurt afzonderlijk voor het basisonderwijs en het secundair onderwijs. Het werkingsgebied van die overlegplatforms stemt grosso modo overeen met het grondgebied van een gemeente. Deze platforms vervangen het huidige non-discriminatieoverleg dat reeds in 28 gemeenten bestaat.  

Het LOP heeft vooral sturende en coördinerende bevoegdheden en maakt afspraken tussen al de partners van het overleg. Het LOP bemiddelt bij doorverwijzingen. 

Het ontwerp van decreet stelt dat een school een beroep kan doen op een LOP om een andere school voor de ‘doorverwezen’ leerling te zoeken.  Terwijl het overlegplatform tussen ouders en scholen bemiddelt, wordt de leerling voorlopig ingeschreven in de school van aanmelding.

Iedere aanmelding van de ouders zou officieel moeten geregistreerd worden met aangifte van een bewijsstuk van aanmelding. Dezelfde procedure moet gevolgd worden voor de wachtlijsten. De officiële documenten met gegevens over de leerlingenpopulatie moeten voor alle ouders ter inzage liggen. Naar Nederlands model zou de ‘schoolgids’ verplicht kunnen ingevoerd worden waarin ouders relevante informatie kunnen vinden over de scholen die hen interesseren.  

Het kan niet ontkend worden dat de mogelijkheid tot doorverwijzen of weigeren  op basis van de indicator ‘thuistaal is niet het Nederlands’ voor gevolg heeft dat het recht op vrije keuze van school  van de ouders genegeerd wordt en het ‘gelijkheidsbeginsel’ geschonden wordt. Er is immers geen garantie dat de doorverwezen leerling een school zal vinden die kwalitatief goed onderwijs biedt. De school die uiteindelijk deze leerling wil opnemen kan nobele bedoelingen hebben. Het is niet denkbeeldig dat die ‘gastvrijheid’ wordt ingegeven door minder eerbare motieven zoals bv. een leerlingentekort.

In de lokale overlegplatforms zetelen de directies en de inrichtende machten van alle scholen, de centra voor leerlingenbegeleiding, vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties, de erkende ouderverenigingen, de leerlingenraden (voor het secundair onderwijs), de erkende allochtone en kansarme autochtone gemeenschappen, de integratiecentra en de onthaalbureaus. De scholen worden verplicht deel te nemen aan het overleg.

Het is evident dat er veel zal moeten geïnvesteerd worden in de begeleiding en ondersteuning van alle deelnemers aan dit overleg.

De migrantenverenigingen krijgen een  stem in dit overleg. Wanneer er geen migrantenverenigingen actief zijn in een bepaalde gemeente, kunnen de migrantengemeenschappen een mandaat geven aan de vertegenwoordigers van de integratiesector. De tijd van bevoogding en onnodig paternalisme moet voorbij zijn.  

Aan het lokaal overleg wordt de mogelijkheid geboden om een werkingsgebied onder te verdelen in kleinere delen en daarvan het gemiddelde te nemen bij de berekening van het aantal leerlingen waarvan de thuistaal niet het Nederlands is.  

Zullen de scholen verplicht worden gegevens door te geven aan het LOP over de samenstelling van hun leerlingenpopulatie? Zo ja, zal er dan een waterdichte controle mogelijk zijn? (Vb: sommige scholen geven een groter aantal doelgroepleerlingen op dan aanwezig in de school om geen extra aantal doelgroepleerlingen te moeten aanvaarden. Feiten die bekend zijn bij de  onderwijsinspectie).

De overheid zal dit beleid niet allen moeten ondersteunen maar ook volgen wil men resultaten boeken. Het gemeentelijk non-discriminatieoverleg – de voorloper van het LOP – heeft op de meeste plaatsen in Vlaanderen tot op heden zeer weinig resultaten geboekt.





Witte scholen worden ongemoeid gelaten

Nergens staan in het voorontwerp dwingende maatregelen vermeld om de ‘witte’ scholen (reservaten voor de ‘witte’ leerlingen) open te breken. ‘Witte’ scholen moeten in een samenleving die zich multi-etnisch en multicultureel noemt, plaatsmaken voor moderne, dynamische en kwalitatief hoogstaande scholen die voor iedereen die aan de voorwaarden voldoet, toegankelijk zijn. Al te lang hebben deze scholen met overheidsgeld (dus ook met het geld van etnische minderheidgroepen) ongestoord een elitair ‘wit’ beleid kunnen voeren.

In plaats van witte en zgn. multiculturele scholen de mogelijkheid te geven leerlingen door te verwijzen of te weigeren zouden deze scholen eerder een actieplan en een vooruitgangsrapport moeten opstellen waarin zij aangeven welke interventies en ‘positieve acties’ zij ondernemen om leerlingen uit minderheidsgroepen niet alleen op te nemen maar ook kansen en uitkomsten te bieden.  

De bepaling dat een school o.a. minstens 20% anderstalige leerlingen moet tellen  (zie eerder) vooraleer ze kan doorverwijzen, kan een serieuze hefboom zijn om meer kansarme (migranten)leerlingen in witte scholen ingeschreven te krijgen. De houding tot op heden van heel wat witte scholen laat evenwel voorspellen dat er veel meer dwingende, ondersteunende en sensibiliserende maatregelen zullen nodig zijn om deze doelstelling te bereiken. 

Zo moet de inspectie moet de bevoegdheid hebben om naar aanleiding van de doorlichtingen ook de vorderingen op dit vlak te controleren. Zonodig moet ze voorstellen kunnen doen om te sanctioneren. ‘Aansporingen’ voor witte scholen om iets te ondernemen in de lokale overlegfora zijn totaal onvoldoende. 
 




Rechtsbescherming via de Commissie inzake leerlingenrechten

Het voorontwerp voorziet  in de oprichting van een autonome en netoverschrijdende ‘Commissie inzake leerlingenrechten’, die toeziet op het verloop van weigeringen en doorverwijzingen.

Dit gebeurde tot heden door de Beoordelings- en bemiddelingscommissie (Beobemi) van de VLOR. Deze commissie vertrok bij de behandeling van klachten al te vaak vanuit het belang van de school (wat zij definiëren als ‘ het algemeen belang ‘), ook als daarbij rechten van ouders en leerlingen worden geschonden. De klachtenbehandeling - zoals die gehanteerd wordt door de Beobemi - komt niet tegemoet aan de criteria die men kan stellen aan een adequate klachtenbehandeling en is – aldus het Kinderrechtencommissariaat - in strijd met art. 12 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur. In deze commissie zetelen in de eerste plaats vertegenwoordigers van de verschillende onderwijsnetten. De commissie is rechter en betrokken partij. Deze commissie genoot niet langer het vertrouwen van de doelgroepen en heel wat hulpverleners. De overheid heeft besloten ze eind dit schooljaar op non-actief te zetten.

De oprichting van de Commissie inzake leerlingenrechten is een vooruitgang. De leden kunnen onafhankelijk optreden, de hoorplicht wordt gegarandeerd en de zittingen zijn openbaar. Haar bevoegdheid beperkt zich evenwel tot advisering en beslissing over het ‘recht op inschrijving’ in de gevallen die op lokaal vlak door bemiddeling niet kunnen worden opgelost.  

De commissie is een orgaan van actief bestuur. Dat betekent dat de beslissingen van de commissie zelfstandige bestuurshandelingen zijn maar geen gerechtelijke uitspraken kunnen doen. De proceduremogelijkheden bij de gewone rechtbanken blijven bestaan. De Commissie beslist ‘in laatste aanleg’. Beroep bij de Vlaamse regering is derhalve uitgesloten. Uiteraard blijft de mogelijkheid bestaan dat de klager zich tot de Raad van State wendt.

Indien de Commissie inzake leerlingenrechten een weigering voldoende gemotiveerd acht, moet het lokaal overleg naar een school zoeken voor de betrokken leerling. Het lokaal overleg heeft hier geen dwingende bevoegdheid.  De kans groot is dat er - zoals in het verleden - met leerlingen van school tot school zal moeten ‘geleurd’ worden.

 



Klachtenbehandeling en klachtenprocedures

In het ontwerp van decreet zijn een aantal nieuwe garanties voor de ouders ingebouwd. Er zijn klachtenprocedures voorzien bij weigeringen/doorverwijzingen en sancties bij het niet naleven van de decretale bepalingen.

Toch blijft het ontwerp van decreet hier vaag. Misschien zullen we meer vernemen in de uitvoeringsbesluiten.

Tot op heden leidde de vrijblijvendheid bij de uitvoering van de non-discriminatieverklaring tot heel wat misbruiken. Duidelijke, objectief meetbare en niet-interpreteerbare criteria en eenduidige procedures zijn daarom absoluut noodzakelijk om misbruiken en juridisering te voorkomen.

De bevoegdheden van begeleiders en inspectie bij het opvolgen van dit beleid moeten zeer duidelijk geregeld worden. De inspectie kan als ‘neutrale’ observator immers kritische vragen stellen en een cruciale rol spelen. De inspectie kent de wettelijke regelingen en is bevoegd om gegevens op te vragen en te controleren. Zo stelden inspectieleden vragen aan scholen over (bewust) slecht opgestelde aanwendingsplannen. Het is een publiek geheim dat sommige scholen een dergelijke praktijk hanteerden om op die manier de school niet in het onderwijsbeleid voor migranten te moeten laten instappen en om hun school als ‘witte school’ verder te profileren.

De huidige klachtenbehandeling en klachtenprocedures in het onderwijs werken onvoldoende adequaat. Dat weet iedere klager en hulpverlener.  Een algemene, netoverschrijdende en onafhankelijke ombudsdienst en geschillencommissie voor het gehele onderwijs biedt hier een uitkomst. Uiteraard met speciale aandacht voor leerlingen uit de etnische en kansarme groepen.

 
 

De nodige mensen en middelen

De ‘draagkracht’ van de school is een centraal begrip in het ontwerp van decreet. Scholen met veel leerlingen die extra zorgen nodig hebben, hebben recht op voldoende middelen. Al te vaak misbruiken sommige directies en leerkrachten het begrip ‘draagkracht’ en ontvluchten aldus hun verantwoordelijkheid.

De overheid voorziet voor de volgende drie schooljaren in een extra begeleiding om de scholen en de CLB’s te ondersteunen. Dat is mooi, maar om innovaties zoals het gelijke onderwijskansenbeleid met succes te kunnen doorvoeren zal een specifieke begeleiding een permanent en structureel gegeven moeten worden.

De overheid en de schoolbesturen moeten de nodige initiatieven nemen om gratis kwaliteitsvolle navorming te organiseren voor alle leerkrachten die met de gelijke onderwijskansenthematiek te maken hebben. Komen in onze multi-etnische samenleving niet alle leerkrachten in Vlaanderen in aanmerking? 

De middelen waarover Vanderpoorten beschikt voor haar gelijke onderwijskansenbeleid, zijn in een vergelijking  met de middelen die men in het buitenland voor gelijkaardige beleidsprioriteiten toekent, ontoereikend. Dit heeft voor gevolg dat er zal gewerkt worden met een gesloten enveloppefinanciëring. De middelen worden toegekend aan scholen voor een periode van drie schooljaren voor zover ze op 1 februari van het voorafgaand schooljaar 10% regelmatige doelgroepleerlingen tellen. Bij gebrek aan middelen wordt er gewerkt met een ‘batige rangschikking’ van scholen die aanmerking komen voor dit beleid. Op die manier zullen een aantal scholen onvermijdelijk uit de boot vallen en zullen kinderen die daar recht op hebben verstoken blijven van een gelijke onderwijskansenbeleid.

In 1999 maakte het budget voor het onderwijs in relatie tot de algemene begroting 41,8 % uit van de Vlaamse begroting. Nochtans daalt dit aandeel. In de jaren ‘80 bedroeg het aandeel voor onderwijs nog 48 %. Dat betekent evenwel dat slechts 4,9 % van het bruto regionaal product (BRP) aan onderwijs besteed wordt. Vlaanderen zit hiermee onder het Oeso-gemiddelde van 5,1 %. Landen als Zweden (6,8 %), Denemarken (6,5%) of Finland (6,3%) hebben meer veil voor onderwijs. Sedert geruime tijd gaan stemmen op om het onderwijsbudget op termijn te verhogen tot 7 % van het BRP en dit budget welvaartsvast te maken. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat een groei van het onderwijsbudget absoluut noodzakelijk is wil men een kwalitatief hoogstaand onderwijs realiseren.

Kwaliteitsonderwijs betekent maximaal investeren in onderwijs (organieke middelen, mensen, ondersteuning, opleiding en vorming). We denken bv. aan goede leermethodes, individuele leerlingenbegeleiding, leerkrachten trainen in het omgaan met leerlingen en hun ouders, teambuilding, leerlingen weerbaar en kritisch maken en hen leren op een creatieve manier omgaan met conflicten. Elke school heeft het recht op de nodige middelen om kwalitatief hoogstaand onderwijs te kunnen bieden. Investeren in onderwijs moet de boodschap voor de volgende jaren worden. Koen Jaspaert, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, heeft vroeger voldoende aangetoond dat een goed onderwijsbeleid álle leerlingen ten goede komt.





Sensibilisering

Ook zal er moeten geïnvesteerd worden opdat alle ouders hun rechten en plichten leren kennen, inzicht krijgen in het gelijke onderwijskansendecreet (en de decreten die zullen volgen). De ‘Gids voor ouders met kinderen in het basisonderwijs’ van het departement onderwijs (met vertalingen naar het Engels, Turks en Arabisch) was een goede aanzet. Deze gids is spijtig genoeg nog  onvoldoende bij de ouders gekend. De publicatie van dergelijke gidsen moet ondersteund worden door breed opgezette sensibiliseringscampagnes.

Lovenswaardig is dat de overheid aankondigde dat er in de volgende maanden zeer intensief zal gecommuniceerd worden met de scholen en de doelgroepen. Dat zal gebeuren via de kanalen van het departement, Klasse en Schooldirect. Eind augustus en in september zullen twee mediacampagnes worden gevoerd gericht naar de doelgroepen.

Er is meer nodig dan informatie en voorlichting. Ouders en leerlingen zullen de nodige vorming moeten kunnen krijgen zodat ze met kennis van zaken en met succes kunnen deelnemen aan de LOP’s.




Een andere bril

Het is de hoogste tijd dat de gelijke onderwijskansenthematiek door een andere dan de Vlaamse bril bekeken wordt.

Tot op heden heeft men de oorzaak van de problemen in het onderwijs eenzijdig bij de etnisch-culturele minderheden gelegd. De kern van de zaak is dat het zogenaamde probleem van de kinderen van etnisch-culturele minderheden en kansarme kinderen een probleem zijn van de school en het onderwijs. Het is een uitdaging voor de scholen en het onderwijs om eindelijk het tij te keren en ervoor te zorgen dat alle kinderen gelijke rechten, kansen en uitkomsten krijgen. Dat betekent dat de school en het onderwijs er moeten in slagen de initiële taalachterstand weg te werken, de nodige taalvaardigheid aan te brengen, een veilig pedagogisch klimaat moet kunnen creëren zodat een zo groot mogelijk aantal leerlingen met succes middelbare studies kunnen beëindigen, gelijke kansen krijgen op de arbeidsmarkt en in staat zijn hogere studies te volgen.

Wij waarderen het dat de minister van onderwijs de discussies over de toekomst van het onderwijs voor etnisch-culturele minderheden en kansarme groepen niet langer in geheime cenakels voert.

Wij hopen dat ze haar initiële intenties om discriminatie en racisme niet te tolereren waarmaakt en niet bezwijkt onder de druk van sommige onderwijskringen die de klok het liefst zouden doen stilstaan. 

 

_________________________




Bronnen : o.a.

-  Voorontwerp van en memorie van toelichting bij decreet betreffende gelijke onderwijskansen-I (versie na de onderhandelingen,  1.2.2002)

-  Advies over het voorontwerp van decreet betreffende een gelijke kansenbeleid in het onderwijs (Vlor, 18.12.2001)

-  Advies over een geïntegreerd ondersteuningsaanbod voor scholen (Vlor, 17.4.2001)

-  Advies over het voorontwerp van decreet betreffende een gelijke kansenbeleid in het onderwijs (SERV, 20.2.2001)

-  Schooldirect, e-platform voor schooldirecties

-  Persberichten en tijdschriften van de verschillende onderwijsnetten en onderwijsvakbonden

-  De Vlaamse kranten, weekbladen en tijdschriften

* Verscheen in Evocatief-ouders voor ouders, 11de jrg, nr 3 (2002), p. 9-16

Contact: mlaquiere@skynet.be

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS •

Web master Update: 18 december 2005