Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Vlaanderen, België en Europa als ‘immigratiesamelevingen’:

Enkele consequenties.

door

Patrick Loobuyck

(Aspirant FWO, moraalfilosofie Universiteit Gent)*





1. Migratierealiteit

Over de migratierealiteit worden we dikwijls met tegenstrijdige berichten geconfronteerd. Aan de ene kant zijn er mensen die klagen dat we overspoeld worden door migranten, terwijl er hier geen plaats meer zou zijn voor nieuwkomers. Berucht is de slagzin die Pim Fortuyn wel eens in de mond nam: ‘Nederland is vol’. Mensen die dit standpunt delen pleiten ervoor om dringend de grenzen te sluiten en een veel restrictiever immigratiebeleid te voeren.

Aan de andere kant zijn nogal wat mensen van mening dat de Europese lidstaten te weinig mensen toelaten. Deze mensen vinden het huidige beleid eenzijdig restrictief: het asiel- en immigratiebeleid zou enkel in het teken staan van ‘Fort Europa’; en in de strijd tegen de illegale migratie en de ‘oneigenlijke asielzoekers’ gaat men voorbij aan de reële migratiemotieven die migranten zouden hebben. De mensen die dit standpunt delen pleiten voor een soepeler immigratiebeleid dat beter is aangepast aan de huidige demografische en sociaal-economische realiteit die in een enorme migratiedruk resulteert.

De eerste visie is voornamelijk te horen in conservatieve, populistische kringen, terwijl de tweede bon ton is in progressief linkse middens.

De waarheid ligt echter ergens in het midden: er komen mensen binnen, maar dat neemt geen uitzonderlijke proporties aan. De veelgehoorde term ‘migratiestop’ is in dat opzicht misleidend. Het betekent dat België sinds 1974 geen werkkrachten meer rekruteert in het  buitenland, maar de immigratie is hierdoor niet stilgevallen. België telt zo’n 60.000 nieuwkomers per jaar. Het gemiddelde migratiesaldo (immigratie minus emigratie) ligt voor België tussen de 15.000 en de 20.000.

Er zijn een zestal legale mogelijkheden om naar België te migreren. De eerste is door het vrij verkeer van EU-burgers. De helft van de nieuwkomers die zich jaarlijks in België vestigen zijn onderdaan van een andere EU-lidstaat. Het aantal EU-burgers in de immigratiecijfers is hoog in vergelijking met andere landen, omdat de Europese instellingen die zich in de Europese hoofdstad Brussel bevinden veel mensen uit andere lidstaten tewerkstellen. Een tweede mogelijkheid om naar België te komen is met een visum. Deze verblijfsvergunning is steeds tijdelijk, meestal drie maand en de betrokken personen mogen hier niet worden tewerkgesteld. Een andere mogelijkheid om naar België te komen is als student. Het studentenstatuut is tijdelijk en na het behalen van het diploma of op het eind van de studiebeurs wordt men geacht het land te verlaten. Veel studenten blijven evenwel toch, hetzij via huwelijk, via de arbeidsmarkt, hetzij illegaal.

Een vierde toegangspoort is de asielprocedure. België telt relatief veel asielzoekers in vergelijking met andere Europese landen. Sinds de jaren negentig gaat het in sterk stijgende lijn, met een eerste piek van 26.241 in 1993. In 1999 telden we 35.777 en in 2000: 42.691 asielzoekers. Een aantal maatregelen hebben dat cijfer opnieuw doen dalen: 2001: 24.549; 2002: 18.805. De asielprocedure en asielzoekers zijn veelbesproken, meestal komen ze negatief in de media. Toch biedt de asielprocedure maar aan een zeer beperkte hoeveelheid mensen kans op een definitief verblijf, want gemiddeld wordt slechts 10% van de aanvragen erkend.

Europa telt relatief veel asielzoekers. Teveel volgens de publieke en politieke opinie, maar weinig gelet op de huidige realiteit. Gezien de mondiale situatie is het zelfs vreemd dat mensen niet meer migreren naar Europa. Het grootste deel van de onvrijwillige migratie doet zich bovendien voor in de regio’s zelf, m.n. in Afrika en Azië.

Ten vijfde is er de volgmigratie. Waar het oorspronkelijk vooral om gezinshereniging ging, gaat het nu vooral over gezinsvorming via huwelijk. Via volgmigratie komen jaarlijks gemiddeld 5000 Marokkanen en 2000 Turken naar België. Steeds meer komt men tot het besef dat dit een belangrijk instroomkanaal is. Er gaan stemmen op in het buitenland (Nederland en Denemarken), maar ook in België, om de toegang te beperken door bijvoorbeeld de minimumleeftijd voor partners in een ‘importhuwelijk’ te verhogen van 18 naar 21 jaar of ouder, of te eisen dat de ontvangende bruid(egom) over voldoende middelen beschikt, onder meer om de inburgeringscursus van de nieuwkomer te betalen.

Tot slot is er nog een beperkte vorm van arbeidsmigratie. De Vlaamse administratie reikt jaarlijks zo’n 6.000 arbeidskaarten uit, waarvan slechts de helft eerste aanvragen zijn. Het gaat voornamelijk over hooggeschoolden. Sommige landen hebben ook nog een regeling voor seizoensarbeid. België heeft die niet hoewel er wel vraag naar lijkt te bestaan, bijvoorbeeld in de tuinbouwsector.

Naast de legale immigratie kent België en Europa heel wat illegale migratie. Volgens schattingen van Europol komen elk jaar 500.000 mensen Europa op illegale wijze binnen. Bepaalde landen hebben al verschillende regularisatiecampagnes achter de rug. Sinds de jaren zeventig zijn in Europa meer dan 1,8 miljoen mensen geregulariseerd. Tijdens de voorbije regularisatiecampagne in België werden ruim 36.000 dossiers ingediend, voor een totaal van ongeveer 55.000 personen. Ongeveer 80% van die aanvragen is erkend. Er bestaat discussie welk percentage dat is van de totale bevolking zonder papieren: sommigen beweren dat het over meer dan driekwart gaat, anderen houden het liever op de helft.





2. Immigratie zal niet verminderen

De migratierealiteit leert dat we niet enkel in een multiculturele samenleving leven, maar ook in een immigratiesamenleving. De term ‘immigratiesamenleving’ impliceert een erkenning van blijvende – zowel gewenste, als ongewenste – immigratie. De idee van de ‘migratiestop’ en het afsluiten van de grenzen is een mythe, zowel nu als in de toekomst. Het nadenken over de immigratiesamenleving plaatst het debat over de multiculturele samenleving in een bredere context, want het laatste is slechts één van de gevolgen van het eerste.

Het is belangrijk dat niet enkel over de multiculturele samenleving wordt gesproken maar dat ook het verhaal van de immigratiesamenleving wordt verteld. Het ziet er immers allesbehalve naar uit dat de migratie zal verminderen in de toekomst. Vanuit een demografisch perspectief kan bijkomende migratie zelfs wenselijk zijn. (Loobuyck, 2001, 2001a) We geven hier de belangrijkste elementen die erop wijzen dat ook de 21ste eeuw een age of migration zal zijn.

We kenden de voorbije tientallen jaren een drastische democratisering van de communicatie- en transportmiddelen waardoor de wereld mentaal kleiner is geworden. De idee van de Global village krijgt steeds meer gestalte en maakt enkele drempels voor migratie kleiner. Daarnaast is er een toenemende globalisering van de arbeidsmarkt zowel van hoog- als van laaggeschoolden. (Stalker, 2000)

Ook het aantal mensen dat gedwongen migreert blijft stijgen. Belangrijke pushfactoren zijn: gewapende conflicten, ecologische evoluties, armoede en overbevolking. Het ziet er niet naar uit dat in de nabije toekomst minder mensen de Noord-Zuidkloof zullen willen overbruggen via (legale of illegale) migratie. Experts zijn het er bovendien over eens dat een verhoging van de welvaart en ontwikkeling in de derdewereldlanden de vlucht- en emigratiedruk in eerste instantie alleen maar zal verhogen. Ontwikkeling zou slechts op middellange termijn resulteren in minder migratie. Dit fenomeen dat de migratie initieel stijgt, maar op langere termijn zakt, duidt men aan met de term migration hump. (Wets, 1999; 1999a)

Ook de uitbereiding van de EU zal bijkomende migratie teweegbrengen. Over welke hoeveelheid het zal gaan is nog onduidelijk. De inwoners van de toetredende landen zullen echter niet onmiddellijk van het vrij personenverkeer tussen de lidstaten kunnen genieten. Er worden overgangsmaatregelen van een paar jaar voorzien.

En tenslotte is er nog de netwerkmigratie: legale en illegale volgmigratie. We zien in alle immigratielanden dat de aanwezigheid van migrantengemeenschappen een zeer belangrijke pullfactor voor migratie is. Migratie genereert migratie.
 




3. Consequenties van een immigratiesamenleving

Het erkennen van de immigratiesamenleving betekent dat de bevolking – zowel autochtonen als allochtonen – adequaat moet worden voorbereid op de komst van nieuwkomers en op diversiteit. Organisaties en maatschappelijke instituties (ouderenzorg, gezondheidszorg, arbeidsmarkt, onderwijs, etc.) moeten blijvend interculturaliseren.

Uit ervaring weten we ondertussen dat migratie geen gemakkelijk gegeven is, noch voor de migranten(gemeenschappen), noch voor de gastlanden. Het beleid moet zich dan ook niet enkel richten tot de migranten, maar ook tot de autochtone Belg voor wie de multiculturele immigratiesamenleving ook een nieuw gegeven is. Zowel naar nieuwkomers als naar autochtonen moeten inspanningen worden gedaan opdat ze zich zo goed mogelijk in deze nieuwe sociale realiteit zouden kunnen voegen.

De realiteit van een immigratiesamenleving zorgt ervoor dat een ‘eerste generatie migranten’ van alle tijden zal zijn. Een onthaalbeleid moet daarom een structureel onderdeel zijn van het beleid. Vandaar het belang van het ‘inburgeringsdecreet’ dat op 19 februari 2003 in het Vlaams parlement werd goedgekeurd.

Maar uit een eerste generatie volgen onvermijdelijk een tweede en derde generatie. Mensen die naar hier komen en hier blijven moeten dan ook niet als ‘gasten’ worden beschouwd, maar als medeburgers. We leven in dezelfde sociale ruimte en we zijn compagnons de route in het opbouwen van de samenleving. Dit veronderstelt een nieuw discours in termen van ‘multicultureel burgerschap’ met gelijke rechten en plichten, een discours in termen van emancipatie en evenwaardige participatie in plaats van integratie en aanpassing. (Loobuyck, 2002) Gelet op de realiteit is het wenselijk dat burgerschap te organiseren op basis van verblijf en niet op basis van nationaliteit of herkomst: la reconnaissance d’une citoyenneté de résidence. Het beoogde burgerschap duidt op een wederzijdse relatie tussen individuen en de overheid. Mensen moeten de kansen die ze krijgen grijpen, maar de overheid moet ook instaan dat mensen maximaal hun kansen kunnen grijpen. Mensen moeten voldoende toegerust zijn om ook daadwerkelijk iets met hun kansen te kunnen doen. Structurele achterstellingsmechanismen moeten uitgeschakeld worden en bepaalde groepen mensen moeten toegang hebben tot bijkomende coaching vooraleer men echt van gelijke kansen kan spreken.

Erkennen dat zowel legale als illegale migratie een blijvende realiteit zijn, betekent niet dat we een fatalistische laissez-faire houding moeten aannemen ten aanzien van migratie. Het erkennen van onze samenleving als immigratiesamenleving impliceert dat het beleid op verschillende niveaus het migratiemanagement naar zich toe trekt. Een samenleving heeft het recht te bepalen wie er al dan niet toegelaten kan worden: het komt erop aan rechtvaardige regels en procedures uit te vaardigen die op een menselijke manier moeten worden toegepast. Zo kan de asielprocedure een rechtvaardige procedure zijn, maar wordt die soms op een onmenselijke manier toegepast, voor zover mensen jaren lang moeten wachten op een (meestal negatieve) beslissing. Ook bij de detentie van onschuldige vreemdelingen (inclusief kinderen) kunnen vraagtekens worden gesteld. De dood van Sémira Adamu (september 1998) is ongetwijfeld de meest pijnlijke illustratie van hoe een rechtvaardige uitwijzingsprocedure onmenselijk kan worden toegepast.

Dat er mensen zonder de juiste verblijfsvergunningen op het grondgebied verblijven is ook een onvermijdelijk gevolg van de realiteit van een immigratiesamenleving. Er kunnen pogingen worden ondernomen om dat aantal zo klein mogelijk te maken, maar het fenomeen met democratisch legitieme middelen volledig uitbannen is onrealistisch. Dit impliceert meteen dat, wil men humanitaire drama’s vermijden, bepaalde mensen ook in de toekomst de kans tot regularisatie moeten krijgen. Dit hoeft niet met een grootschalige regularisatiecampagne, het is waarschijnlijk beter een verfijnd systeem van permanente regularisatiemogelijkheid uit te werken.





4. De natiestaat onder druk

4.1. Burgerschap en/of nationale identiteit: wat bindt ons?

De staat heeft een ‘binnen’ en een ‘buiten’ en daartussen liggen quasi-gesloten grenzen en enkele toelatingsmodaliteiten. Mensen die worden toegelaten krijgen (al dan niet gradueel) de burgerschapsrechten en -plichten toegekend die voor iedereen in dat land gelden. De natiestaat bakent op die manier een gemeenschap af waarin vrijheid wordt gecombineerd met vormen van solidariteit en loyaliteit. De realiteit zet de klassieke idee van de natiestaat echter onder druk. De spanning die dit met zich meebrengt laat zich voelen op verschillende beleidsdomeinen: het toelatingsbeleid, de sociale zekerheid en het toekennen van de nationaliteit en het burgerschap, met daarbij ook de discussie over het migrantenstemrecht. (Entzinger, 2002)

Veelal wordt verondersteld dat solidariteit een vorm van geslotenheid en culturele homogeniteit impliceert. Voelen we ons niet het meest geroepen om solidair te zijn met die mensen die dicht bij ons wonen en goed op ons gelijken? De discussie over de spanning tussen etnische, linguïstische en culturele diversiteit enerzijds en sociaal-economische en politieke solidariteit anderzijds moet nog ten gronde worden gevoerd. Ook in het licht van het federale België is deze discussie bijzonder relevant.[1]

De vraag dringt zich op of een gemeenschappelijke identiteit noodzakelijk is en of die gemeenschappelijke identiteit noodzakelijk een ‘nationale’ identiteit moet zijn. Bob Van den Broeck (2002: 42ff.) suggereert in een essay dat een samenleving waarvan de leden slechts door een gemeenschappelijke en niet door een nationale identiteit zijn verbonden, blijvend gekenmerkt wordt door een onvoldoende graad van sociale cohesie die nochtans noodzakelijk is voor het behoud van onze verzorgingsstaat. Sommigen steigeren echter al bij het lezen van de term nationale identiteit. Is dat geen gevaarlijke constructie die bovendien uitblinkt in vaagheid, is het geen containerbegrip waar alles en niets in past?

We kunnen er echter niet naast dat er zoiets als een nationale identiteit bestaat. Een natie heeft een eigen gedeelde geschiedenis, een eigen cultureel erfgoed en nogal wat mensen voelen zich op de één of andere manier ‘Belg’ al was het maar tijdens internationale sportmanifestaties. Het feit dat een natie een identiteit heeft, betekent echter niet dat alle leden van die natie die identiteit op dezelfde manier delen en/of onderschrijven. Zo zijn er Vlaams-nationalisten die lak hebben aan de Belgische identiteit en mensen die via immigratie binnenkomen kunnen pas na verloop van tijd zich die identiteit (al dan niet gedeeltelijk) eigen maken. Sommigen vinden dat de nieuwkomers zich zo snel mogelijk die Belgische identiteit moeten eigen maken, met als kroon op het werk de nationaliteitsverwerving, anderen vinden die Belgische identiteit minder belangrijk en insisteren eerder op gelijke kansen op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en op gebied van huisvesting. Voor de eersten is de culturele aan- of inpassing de hefboom voor integratie, terwijl voor de laatsten het functioneren en evenwaardig participeren in de samenleving moet leiden tot een volwaardige emancipatie.

Anders dan Van den Broeck ben ik van mening dat een gedeelde nationale identiteit geen noodzakelijke voorwaarde is voor een succesvolle inburgering. Burgerschap en nationale verbondenheid gaan niet noodzakelijk samen. Het wegvallen van een gemeenschappelijke nationale identiteit maakt er het samenleven in eerste instantie niet gemakkelijker op, maar dat betekent niet dat samenleven zonder een gedeelde nationale identiteit onmogelijk zou zijn.

Ondanks cultuurverschillen en verschillende nationale identificaties kan toch een gedeeld burgerschap ontstaan. (Raz, 1994: 187-8; Entzinger, 2003) Vooreerst vereist het samenleven van culturen onderlinge tolerantie. Deze attitude moeten alle culturen – zowel meerderheid als minderheden – zich eigen maken. Onderwijs en vorming hebben in deze een sleutelrol. Deze gemeenschappelijk ‘cultuur van wederzijds respect’ is een noodzakelijke voorwaarde voor en maakt de essentie uit van het multicultureel samenleven.

Een tweede belangrijk element van gemeenschappelijkheid is dat mensen in dezelfde sociale, politieke, juridische en economische ruimte leven. Wat mensen delen ontstaat door het gedeeld participeren zelf, niet noodzakelijk door een gedeeld nationaal gevoel. Er kan een gevoel van lotsverbondenheid ontstaan omdat mensen in dezelfde straat wonen, met elkaar op de werkvloer aan de slag moeten, kinderen in dezelfde school hebben of dezelfde instituties delen. Elk vanuit zijn/haar eigen religieuze of culturele achtergrond kan zich op een gelijke manier burger van een samenleving voelen en zich willen inzetten voor een gemeenschappelijk doel: de verbetering van de samenleving waarin verschillende culturen kunnen aarden. (cf. Barry, 2001: 80, 88[2])

Ik beweer niet dat deze vorm van gemeenschappelijke cultuur als ‘gemeenschappelijk burgerschap’ al overal is ingeburgerd. Zowel bij minderheden als bij de meerderheid is op dit punt nog wel werk aan de winkel. Toch gaat het de goede richting uit en kunnen we steeds meer signalen opvangen dat zowel autochtonen als allochtonen het serieus menen met de verdere uitbouw van onze pluralistische samenleving en hiervoor hun (gedeelde) verantwoordelijkheid willen nemen. Dat zelfs allochtonen van tweede of derde generatie voor het land van herkomst blijven supporteren tijdens een voetbalmatch is hierbij van ondergeschikt belang, zolang het supporteren zich maar houdt aan de regels van de rechtsstaat – maar dat geldt natuurlijk ook voor de autochtone voetbalsupporter. Hetzelfde geldt voor de sympathie die veel allochtonen hebben voor het Palestijnse volk en hiervoor ook in België op straat komen.

Interessant in dit verband is het pleidooi voor het leren omgaan met ‘transnationaal burgerschap’. (Faist, 2000) De immigratierealiteit kan immers niet voorkomen dat immigranten meervoudige bindingen en loyaliteiten hebben en dat hoeft ook niet noodzakelijk negatief te worden geduid. (Snel & Engbersen, 2002: 36 ff.) Dat migranten sociale, culturele, politieke en/of economische banden behouden met het land van herkomst sluit niet per se uit dat ze ook hun verantwoordelijkheid willen opnemen voor de samenleving waarin ze dagdagelijks leven.

Eigenlijk komt het idee van gemeenschappelijk burgerschap erop neer dat mensen zich engageren voor een gedeeld maatschappelijk project. Mensen moeten zich aangesproken en opgenomen weten door een samenleving, en dat veronderstelt niet noodzakelijk een gemeenschappelijke nationale identiteit. (Mason, 1999: 278-9) We kunnen misschien zelfs het omgekeerde suggereren: wie onderlinge solidariteit wil promoten in een multiculturele samenleving doet er goed aan de verschillende nationale identiteiten en bindingen te erkennen in plaats van te onderdrukken. Mensen van verschillende nationale groepen zullen zich enkel door de gastsamenleving aangesproken en opgenomen weten als ze die samenleving kunnen beschouwen als een context waarbinnen ze hun nationale identiteit kunnen beleven in plaats van moeten wegsnijden.

Voor zover we toch nog in termen van nationale identiteit blijven spreken, zullen we moeten erkennen dat de immigratie en haar gevolgen (bijvoorbeeld de aanwezigheid van de islam) ondertussen ook een onderdeel van die identiteit is geworden. Culturen en identiteiten zijn bovendien dynamische realiteiten die kunnen evolueren en zich vermengen en dat is met onze nationale identiteit niet anders. Zowel de Belgische cultuur als de cultuur van de nieuwkomers zijn voortdurend in evolutie en beide beïnvloeden elkaar wederzijds. Culturen gedijen niet onder een glazen stolp… (cf. Hooghe, 2003)

Bovendien kunnen we opmerken dat het verwerven van een nieuwe identiteit meestal geen constant-sum game is, waarbij hetgeen men overneemt van de nieuwe cultuur in de plaats komt van iets dat men verliest van de oude cultuur. Meestal wordt de nieuwe identiteit geënt op de oude. Het is dan misschien ook beter te spreken over een ‘toegevoegde identiteit’[3] in plaats van over het verlies of behoud van identiteit.

 

4.2. Wat kan/moet worden afgedwongen?

In het integratiedebat horen we dikwijls dat migranten zich moeten aanpassen of dat er hogere eisen moeten worden gesteld aan de voorwaarden om de nationaliteit te verwerven. Wat men onder dat ‘aanpassen’ verstaat is moeilijk te definiëren, want steeds haast men zich om erbij te zeggen dat het niet gaat over de kennis van de Vlaamse keuken of over de Vlaamse gewoonte om veel in het zwart te regelen. De kennis van de politieke instellingen kan ook niet worden geëist want zelfs de meeste Vlamingen kunnen nauwelijks een Vlaams van een Federaal minister onderscheiden. Hetzelfde euvel geldt voor de kennis van de vaderlandse geschiedenis.

Wie toch blijft doorvragen krijgt dan iets te horen als: ‘ze moeten de taal leren en onze universele waarden onderschrijven’. Het ontbreekt echter nog steeds niet aan vaagheid want welke zijn die universele (westerse?) waarden. Uiteindelijk moet men dan toegeven dat het gaat over onze moderne rechten en plichten zoals die in de grondwet zijn vastgelegd en over het instemmen met de resultaten van het democratische politieke proces.

Een magere oogst dus, maar toch, het lijkt de enige oogst die rechtmatig binnen te halen valt. Vanuit de liberale politieke filosofie kan enkel een ‘smalle’ invulling van burgerschap juridisch worden afgedwongen (respecteren van de grondwet, mensenrechten, de democratische rechtsstaat). Je kunt mensen verplichten de wetten na te leven, je kunt nieuwkomers verlichten onthaallessen te volgen, maar hoe zou je hen kunnen verplichten zich met België of Vlaanderen te vereenzelvigen, hoe kan je verplichten dat ze zich werkelijk ook betrokken voelen bij wat hier maatschappelijk gebeurt? Een ‘dikkere’ gemeenschappelijke vorm van burgerschap kan enkel worden bevorderd. De overheid moet voldoende incentives geven opdat mensen niet in het smalle idee van burgerschap zouden blijven steken, maar een dikker concept van gedeeld burgerschap in de praktijk zouden kunnen brengen: stimuleren van middenveld, stimuleren van taalverwerving, stemrecht voor iedereen die hier langere tijd verblijft, aandacht  voor het samenleven in verschil in onderwijs en vorming, etc.. Het uiteindelijke doel is dat mensen – ondanks hun verschillen en eigenheid – zich hier samen verantwoordelijk weten voor de samenleving waarin ze leven. Of mensen zich op de eerste plaats als Belgische moslim, dan wel als Antwerpenaar van Marokkaanse afkomst of Vlaams-nationalist definiëren is van ondergeschikt belang als men zich vanuit de eigen identiteit maar geëngageerd weet voor het concreet en vreedzaam samenleven in de buurt, de stad, het land, Europa.

In dat verband is het goed om weten dat de meeste allochtonen zich perfect kunnen vinden in de grondwettelijke bepalingen. Verschillende woordvoerders eisen precies dat de wetten tegen discriminatie en voor gelijke kansen beter in de praktijk zouden worden gebracht. Uit onderzoek blijkt bovendien dat allochtonen de Islam ook steeds meer op een ‘westerse’ manier interpreteren en beleven.[4]

Ook wat betreft de taal is er een grote bereidheid om die snel en adequaat te verwerven. De cursussen Nederlands die georganiseerd worden kunnen vooralsnog niet aan de vraag voldoen. Verschillende migranten(organisaties) hebben zich dan ook uitgesproken voor de verplichting van onthaalcursussen omdat ze op die manier een stok achter de deur hebben om ervoor te zorgen dat de overheid in voldoende aanbod zou voorzien. Voor de verplichting valt ook iets te zeggen vanuit de ‘toerustingsgedachte’ (die ook aan de basis ligt van de leerplicht), d.w.z. dat de overheid haar inwoners van een minimum aan kansen moet voorzien opdat ze optimaal een eigen levensplan zouden kunnen uitbouwen. Het verwerven van de taal is een belangrijk middel voor emancipatie en maatschappelijke participatie. Het doel van onthaalcursussen is dus niet disciplinering en assimilatie, maar emancipatie en kwalificatie.
 




5. De democratische rechtstaat als context voor de multiculturele samenleving

Liberale politieke filosofen[5] insisteren op de neutraliteit van de staat ten aanzien van de verschillende opvattingen van het goede leven. (cf. Rawls, 1993; Barry, 2001) De overheid moet enkel het kader scheppen dat garandeert dat mensen voldoende en gelijke mogelijkheden krijgen om hun opvatting van het goede leven gestalte te geven. Een liberaal democratische samenleving is dus per definitie pluralistisch want ze maakt het mogelijk dat er verschillende opvattingen van het goede leven naast elkaar kunnen bestaan in één en dezelfde sociaal-politieke ruimte.

De liberale rechtstaat is historisch juist gegroeid als de bescherming van en de mogelijkheidsvoorwaarde voor pluralisme. Het recht op een eigen mening, identiteit, godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging, het zijn precies deze grondrechten die de rechtsstaat wil beschermen. De multiculturele samenleving ontwikkelt zich dus steeds binnen de grenzen van onze liberale, democratische rechtsstaat. Dit betekent meteen ook dat niet alles kan. Denkrichtingen die de principes van de rechtstaat vijandig gezind zijn, groepen en individuen die daadwerkelijk intolerant zijn en cultuurelementen die bepaalde fundamentele vrijheden en rechten van de burgers met voeten treden, kunnen niet worden getolereerd.

De liberale democratische rechtsstaat is prioritair ten aanzien van de multiculturele samenleving omdat deze laatste slechts mogelijk is binnen het kader van een liberale rechtstaat. Dit betekent dat de rechtstaten, die zijn gebouwd op de idee van tolerantie en de bescherming van essentiële individuele grondrechten, de verschillende levensbeschouwingen en culturen enkel en alleen maar hun gang kunnen laten gaan binnen de krijtlijnen van de rechtsstaat zelf. Vanuit dit uitgangspunt is gedwongen culturele assimilatie, noch vrijblijvend cultuurrelativisme een optie. Assimilatie kan dus (enkel) worden vereist als het gaat om assimilatie aan de principes van rechtstaat.

Tot slot hierbij nog een opmerking. Velen trappen in de val om de (multiculturele) samenleving exclusief vanuit de culturele invalshoek te benaderen. Al teveel worden de sociaal-economische noden in de multiculturele samenleving ondergesneeuwd door vaak steriele discussies over cultuur, religie en inpassing. We mogen echter niet vergeten dat het grootste probleem van de multiculturele samenleving voor het ogenblik niet ligt in het intercultureel conflict (the clash of civilizations), maar in het probleem van discriminatie, sociale uitsluiting en achterstelling in het onderwijs, tewerkstelling en de huisvestingsmarkt. Een multicultureel beleid moet zich dus niet alleen en op de eerste plaats concentreren op de erkenning van culturele identiteiten, maar moet alles inzetten opdat er geen etnische onderklasse zou ontstaan.





6. Neutraliteit waar het moet, pluralisme waar het kan

De morele neutraliteit die de overheid aan de dag legt ten aanzien van de verschillende levensbeschouwingen hoeft zich niet noodzakelijk te vertalen in passiviteit. In plaats van een hands off benadering, kan de overheid een inspanning doen om het pluralisme actief mogelijk te maken: het kan levensbeschouwingen subsidiëren en waar het kan pluralisme bevorderen in de publieke sfeer (op school, in de media, in de dienstverlening).

De neutraliteit van de overheid impliceert niet noodzakelijk het radicale secularisme zoals in Frankrijk waar, in naam van la laïcité, elk religieus symbool uit de publieke ruimte wordt geweerd. Zolang het uiten van de religieuze of culturele identiteit niet negatief interfereert met de werking en het doel van een sociale praktijk, moet die sociale praktijk die identiteiten toelaten in plaats van te weren. Of omgekeerd: waar strikte neutraliteit niet vereist is (bijvoorbeeld in het gerecht of bij politiediensten) moet niet die neutraliteit de regel zijn, maar pluralisme. Zo is er geen reden om moeilijk te doen over een sluier op school, over zendtijd voor joden en moslims op de openbare omroep, etc.. Deze actief pluralistische houding sluit ook niet uit dat de overheid tijdelijk een beroep doet op groepsspecifieke maatregelen om een faire vertegenwoordiging van minderheden in de publieke ruimte (inclusief de werkvloer) te garanderen.





Conclusie

In het licht van de realiteit van de immigratiesamenleving moeten we niet langer discussiëren over de vragen ‘kunnen we migratie stoppen?’ of ‘moeten nieuwkomers zich al dan niet aanpassen?’ Wat aan de orde moet zijn, zijn vragen als ‘hoe kunnen we migratie het best beheren gelet op de realiteit die zich aandient’, ‘hoe kunnen nieuwkomers voldoende worden toegerust om in onze samenleving te functioneren?, ‘en waar moet de acceptatie van het verschil beginnen en eindigen?’. (Entzinger, 2002)

Een immigratiesamenleving houdt rekening met de blijvende komst van nieuwkomers en met het ontstaan van tweede, derde en vierde generaties waardoor de dichotomie allochtoon-autochtoon steeds minder bruikbaar wordt. De dichotomie moet wijken voor een notie van gemeenschappelijk multicultureel burgerschap. Een immigratiesamenleving houdt rekening met globalisering, het bestaan van transnationale netwerken en met de dynamiek en de weerstand van verschillende culturen. In een immigratiesamenleving komt de klassieke idee van de natiestaat op verschillende wijzen onder druk te staan. Heel wat discussies daaromtrent staan echter nog maar in de kinderschoenen.

Immigratie is geen evident fenomeen. De immigratiesamenleving is dan ook een uitdaging en een verantwoordelijkheid zowel voor zij die naar hier komen als zij die ontvangen. Erkennen dat we in een immigratiesamenleving leven is alvast een eerste stap in het onderkennen van de problematiek.

_________________________




NOTEN:

[1] Een aanzet wordt gegeven door Philippe Van Parijs (2003).

[2] Barry (2001: 80) gebruikt voor die gemeenschappelijke identiteit die los staat van cultuur, herkomst, religie, etc. civic nationality. Omdat de term opnieuw de idee van de natie en culturele identificatie oproept, gebruik ik liever de term ‘gemeenschappelijk burgerschap’.

[3] Over ‘additive identities’ en ‘additive assimilation’ zie resp. ZOLBERG, A.R. (1997), Modes of incorporation: toward a comparative framework, in BADER, V. (ed.), Citizenship and exclusion, Macmillan, Londen: 139-154, 151 en BAUBÖCK, R. (1998), The crossing and blurring boundaries in international migration. Challenges for social and political theory, in Ibid. & RUNDELL, J. (eds.), Blurred boundaries: migration, ethnicity, citizenship¸ Ashgate, Aldershot: 17-52, 43.

[4] Zie o.a. SWYNGEDOUW, M., e.a. (red.) (1999), Minderheden in Brussel. Sociopolitieke houdingen en gedragingen, Vubpress, Brussel; PHALET, K. e.a. (2000), Islam in de multiculturele samenleving. Opvattingen van jongeren in Rotterdam, Ercomer, Utrecht; VERTOVEC, S. (2001), Moslimjongeren in Europa. Vermenging van invloeden en betekenissen, in DOUWES, D. (ed.), Naar een Europese Islam?, Mets en Schilt, Amsterdam: 95-116; WEIDACHER, A. (2000), In Deutschland zu Hause. Politische Orientierungen griechischer, italienischer, türkischer und deutscher junger Erwachsener in Vergleich, Leske & Budrich, Opladen.

[5] De liberale politieke filosofie is breder dan het politieke programma waar de VLD of de VVD voor staan. Veel liberale politieke filosofen zijn bijvoorbeeld eerder sociaal-democratisch ingesteld. We gebruiken het woord ‘liberaal’ in deze tekst niet in de economische en politieke betekenis, maar in de politiek-filosofische betekenis.

 



Literatuur

BARRY, B. (2001), Culture and equality. An egalitarian critique of multiculturalism, Polity Press, Cambridge.

ENTZINGER, H. (2002), Voorbij de multiculturele samenleving, Van Gorcum, Assen.

ENTZINGER, H. (2003), Nationale identiteit en burgerschap, in Civis Mundi 42, 1: 22-26.

FAIST, T. (2000), Transnationalization in international migration: implications for the study of citizenship and culture, in Ethnic and Racial Studies, 23: 189-222.

HOOGHE, M. (2003), De multiculturele stolp, in Van integratie naar interactie. Jaarboek 2002, Vlaams Minderheden Centrum, Brussel: 8-12.

LOOBUYCK, P. (2001), Vreemdelingen over de (werk)vloer. Het debat over arbeidsmigratie en de migratiestop in kaart, Academia Press, Gent

LOOBUYCK, P. (2001a), Migratie: pleidooi voor een creatief debat, in:  Streven, 68, 7, 623-633.

LOOBUYCK, P. (2002), Multicultureel burgerschap: voorbij integratie, assimilatie, segregatie en marginalisering, in Ons Erfdeel, 45, 3, 399-411. Zie op deze site: http://www.flwi.UGent.be/cie/CIE/loobuyck2.htm

MASON, A. (1999), Political community, liberal nationalism and the ethics of assimilation, in Ethics 109: 261-86.

RAWLS, J. (1993), Political Liberalism, Columbia University Press, New York.

RAZ, J. (1994), Multiculturalism. A liberal perspective, in RAZ, J., Ethics in the public domain, Clarendon press, Oxford: 170-191.

SNEL, E. & ENGBERSEN, G. (2002), Op weg naar transnationaal burgerschap. De schuivende panelen van internationale migratie, in Transnationaal Nederland, het 23ste jaarboek voor het democratisch socialisme, Wiardi Beckmanstichting, De Arbeiderspers, Amsterdam: 23-48.

STALKER, P. (2000), Workers without frontiers. The impact of globalization on international migration, ILO, Genève.

VAN DEN BROECK, B. (2002), Het failliet van de integratie? Het multiculturalisme debat in Vlaanderen, in FOBLETS, M.-C. en VAN DEN BROECK, B., Het failliet van de integratie? Het multiculturalismedebat in Vlaanderen, Acco, Leuven: 15-67.

VAN PARIJS, Ph. (2003), Natievorming tegen solidariteit? Bestaat er een spanning tussen natievorming en de ontwikkeling van een nationale identiteit aan de ene kant, en solidariteit aan de andere?, in Samenleving en Politiek, 10, 6.

WETS, J. (1999), Waarom onderweg? Een analyse van de oorzaken van grootschalige migratie- en vluchtelingenstromen, Proefschrift KUL.

WETS, J. (1999a), De dynamiek achter internationale migraties. Een export van problemen, in TALHAOUI, F. & WETS, J. (red.), Asiel, de deur op een kier, Noord-Zuid-Cahier, 24, 2, 11-21.

 



*CONTACT: patrick.loobuyck@ugent.be

Verschenen in: Streven, 70 (2003) 8: 715-727

[25/05/2011] Patrick Loobuyck doceert aan de Universiteit Antwerpen en Universiteit Gent. 

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 10 december 2005