Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ALLOCHTONE BURGERS IN NOOD:

Is hulpverlening aan allochtonen iets aparts?

De noodzaak van (professionele) interculturele communicatie

door Marie Scheirlinck* (2de, uitgebreide versie)

Woord Vooraf
1. Hulpverlening aan allochtonen: iets aparts?
2. Cultuur en interculturele communicatie
3. Besluit
Bibliografie en aanbevolen literatuur

Woord vooraf

Het algemeen welzijnswerk en de hulpverlening omvat vele sectoren, o.m. ambulante en residentiële hulpverlening aan mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, bijzondere jeugdzorg en jeugdbijstand, pleegzorg en adoptie, opvang voor vrouwen en mannen in vluchthuizen, thuislozenzorg, bejaardenzorg, thuiszorg, morele dienstverlening aan zieken, gevangenen, slachtofferhulp en daderbegeleiding, jeugdwerk, enz.

In alle deze sectoren van het algemeen welzijnswerk en de (para-medische) hulpverlening  worden hulpverleners steeds vaker aangesproken door allochtone cliënten. (Hetzelfde geldt trouwens in het onderwijs, de kinderopvang, de buitenschoolse opvang, enz.)

Het is uiteraard een positieve evolutie dat deze mensen in nood gemakkelijker hun weg vinden naar de reguliere hulpverlening en er daadwerkelijk ook een beroep op doen.

Toch moeten we vaststellen dat – alle goede intenties ten spijt – de hulpverlening aan allochtonen niet altijd van een leien dakje, soms zelfs bijzonder problematisch, verloopt.

We moeten ons afvragen hoe dat komt.

Is hulpverlening aan allochtonen dan zo ‘anders’, ‘apart’, ‘verschillend’ van hulpverlening aan autochtonen?  

Deze korte (en daardoor slechts inleidende en dus onvolledige) bijdrage  beoogt  een aantal aspecten te belichten die kunnen bijdragen tot een meer efficiënte hulpverlening aan allochtonen. Interculturele communicatie vormt daarbij een belangrijk onderdeel.  

In de bibliografie vindt de lezer die zich verder wil verdiepen in deze problematiek een beknopte lijst met aanbevolen literatuur.      

Marie Scheirlinck, november 2003.

 


1. Hulpverlening aan allochtonen: iets aparts?

We vroegen ons daarnet af: “Is hulpverlening aan allochtonen dan zo ‘anders’, ‘apart’, ‘verschillend’ van hulpverlening aan autochtonen?”   

Op het eerste zicht moeten we die vraag ontkennend beantwoorden.

Immers, het gaat om cliënten met een vraag om hulp/bijstand/ondersteuning voor de problematische situatie waarin zij zich bevinden:

  • Ouders met een kind met een handicap zoeken een school/instelling omdat zij de zorg voor hun kind niet meer alleen aankunnen. Zij hebben nood aan deskundige en professionele hulp;

  • Een problematische gezinssituatie maakt het nodig dat een kind tijdelijk uit huis wordt geplaatst (in een pleeggezin, een instelling...);

  • Een bejaarde kan niet meer worden opgevangen door de familie en dient te worden opgenomen in een bejaardenvoorziening;

  • Een jongere heeft een ‘als misdaad omschreven feit gepleegd’ en wordt geplaatst door de jeugdrechter;

  • Een gezin heeft budgetbegeleiding nodig om uit de financiële problemen te geraken...

Professionele hulpverleners beschikken over een grote deskundigheid, zowel op het vlak van theoretische kennis als op het vlak van houdingen en attitudes. Zij zijn immers opgeleid om met een brede diversiteit aan doelgroepen (cliënten) om te gaan én om hulp en ondersteuning te bieden bij zeer uiteenlopende hulpvragen en problematieken.

Via een heel pakket theoretische vakken worden studenten-hulpverleners gevormd en opgeleid om allerlei sociale, maatschappelijke, psychologische, sociologische, relationele, communicatieve, fysische en psychische problematieken... te begrijpen en er adekwaat mee om te gaan.

Evenzeer worden zij opgeleid tot het zich eigen maken van attitudes zoals communicatieve en luistervaardigheden, openheid, inlevingsvermogen, empathie, begrip en respect voor de sociaal-maatschappelijke en culturele achtergrond van hun cliënten en voor de problematische situatie waarin zij zich bevinden.

In wat tot nu toe gezegd werd is er geen enkel verschil tussen hulpverlening aan allochtonen en die aan autochtonen.

Allochtone en autochtone cliënten zijn m.a.w. ‘gelijk’ en daarom ‘divers’: de problematische situatie waarin zij zich bevinden wordt in de meeste gevallen mede veroorzaakt én beïnvloed door de (sub)culturele, socio-economische, maatschappelijke situatie waarin zij zich bevinden.  

Anders gezegd: ieder cliënt is ‘anders’, iedere problematische situatie is dat evenzeer.

Deskundige hulpverleners stemmen de hulpverlening dan ook af op de specificiteit en de behoeften/noden van hun cliënten.

Waarom verloopt de hulpverlening aan allochtone cliënten dan zo moeizaam, vaak zelfs bijzonder problematisch? 

Op het gevaar af te veralgemenen volgen hieronder een aantal knelpunten (zie ook § 2).

1° Hulpverlening die té sterk geculturaliseerd is gaat voorbij aan de individuele (hulpvraag van de) cliënt.

Binnen de hulpverlening kunnen zich problemen, misverstanden, conflicten,... voordoen tussen hulpverlener en cliënt; deze situeren zich vaak op het vlak van ethische kwesties (botsende waarden en normen);

Wanneer hulpverleners te maken hebben met allochtone cliënten worden die problemen, misverstanden, conflicten automatisch, en zo goed als volledig, toegeschreven aan de culturele verschillen. 

M.a.w. de zgn. cultuurverschillen worden overbenadrukt en geproblematiseerd. Daarmee wordt geenszins beweerd dat cultuurverschillen helemaal geen rol kunnen spelen maar men doet er goed aan na te gaan wanneer cultuurverschillen wél, en wanneer ze niét relevant zijn. Een correct inzicht in het (complexe) begrip ‘cultuur’ en in een aantal aspecten van interculturele communicatie is daarom noodzakelijk. 

2° Cultuurverschillen kunnen een rol spelen.

Allochtone cliënten kunnen een aantal specifieke problematieken vertonen. Deze kunnen te maken hebben met hun culturele achtergrond (godsdienst, waarden en normen, communicatie, omgansgvormen,...)  hun ‘voorgeschiedenis’ (o.m. de migratie van henzelf of van hun ouders), hun socio-economische situatie, enz.

Hulpverleners dienen dus wel degelijk kennis van/ inzicht in deze specifieke problematiek te verwerven. In sommige situaties zullen hulpverleners in hun begeleiding dus wel degelijk rekening moeten houden met de cultuurspecifieke eigenheid van hun cliënten

Hoewel die kennis dus noodzakelijk is, houdt ze ook een aantal risico’s in (o.m. veralgemeningen en stereotypen zoals ‘migranten hebben...’, ‘moslims willen...’, ‘Turken zijn...’) .  

3° Opleidingen voor hulpverleners

De huidige hulpverlening (en de opleidingen ertoe) zijn volledig op westerse leest geschoeid en te weinig een afspiegeling van de multiculturele samenleving. In het curriculum van opleidingen en bijscholingen voor hulpverleners (maar ook in die voor leerkrachten, paramedici, artsen, enz.,) zijn vakken als ‘Interculturele communicatie’, ‘Omgaan met diversiteit’, ‘Culturele antropologie’ e.d. slechts kleine neven- of keuzevakken. Naast die karige aandacht is de kwaliteit en de inhoud van deze vakken vaak bedroevend: sterk geculturaliseerde en daardoor generaliserende visie op zgn. allochtonen; beschrijvingen van de ‘oorspronkelijke’, ‘traditionele’ cultuur van deze groepen, waardoor ‘folkore’ nooit ver weg is; onvoldoende rekening houdend met de huidige maatschappelijke omstandigheden waarin deze (minderheids)groepen leven; gebruik van stereotype-bestendigende theorieën (dichotome indelingen van cultuurgroepen), verkeerd gebruik van casuïstiek (m.n. culturalistische casuïstiek waarin alleen het verschil in culturele achtergrond tussen hulpverlener en cliënt verantwoordelijk gesteld wordt voor de ontstane miscommunicatie), onjuist gebruik van het begrip cultuur, enz.

In sommige opleidingen staan deze vakken zelfs helemaal niet op het programma.    

4° Nood aan allochtone hulpverleners

Er is een grote nood aan allochtone hulpverleners. Allochtonen zijn niet alleen sterk ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs in het algemeen, zij zijn dat evenzeer in de opleidingen tot hulpverlener. In amper één op de vijf instellingen voor mensen met een handicap, bijvoorbeeld, werkt één (!) allochtone opvoeder/begeleider. Nochtans blijkt uit onderzoek dat 90% van de instellingen allochtone opvoeders/begeleiders zouden aanwerven indien ze zich aanboden.     

Instellingen die wel allochtone hulpverleners in dienst hebben moeten er echter over  waken dat de allochtone werknemers niet énkel allochtone cliënten toegewezen krijgen en dat zij evenmin worden beschouwd als een soort ‘expert’ die alle vragen en problemen m.b.t. de allochtone cliënt maar moet zien op te lossen. Ondanks de bereidheid allochtone hulpverleners in dienst te nemen (wat in schril contrast staat met de arbeidsmarkt in het algemeen!) is Intercultureel management, ook in hulpverleningsinstellingen, geen overbodige luxe.

5° Hulpverlening en integratie: iets aparts!

Heel wat hulpverleners zijn verbonden aan een zgn. integratiedienst. Zij werken er dus samen met/naast integratie-ambtenaren. De taak van deze laatsten bestaat erin mensen te helpen bij hun integratie in de samenleving (wat dat ook moge betekenen). De taak van een hulpverlener is echter van een totaal andere orde. Anders gezegd: een hulpverlener hoeft zich niet bezig te houden met de ‘integratie’ van zijn/haar cliënt, maar enkel en alleen met zijn/haar ‘hulpvraag’.

Nalaten een tolk in te schakelen ‘omdat ze anders de taal nooit leren’, weigeren een hulpbehoevende moslimvrouw haar hoofddoek te helpen aandoen ‘omdat dat haar emancipatie en integratie in de weg staat’, moslimjongeren verbieden om bij het verbreken van de ramadan iets te eten ‘omdat ze, zoals de andere jongeren, maar moeten wachten tot etenstijd’ ...

Welke persoonlijke mening - m.b.t. integratie - de hulpverlener er ook op nahoudt, in zijn functie als professionele hulpverlener mag dit nooit een rol spelen. 

2. Cultuur en Interculturele communicatie

Interculturele communicatie kan globaal omschreven worden als communicatie tussen personen met verschillende culturele achtergronden. 

In het dagelijkse taalgebruik zowel als in de wetenschappelijke literatuur wordt er bij interculturele communicatie vaak verwezen naar communicatie tussen bv. leden van de Belgische, de Turkse, de Spaanse, de Amerikaanse, de Franse... cultuur. Cultuur wordt op die manier beschouwd als een afgebakend geheel op basis van nationale, regionale of politieke grenzen.  

Het begrip cultuur  is echter veel ruimer, en heeft betrekking op de totaliteit van het leven van alle leden van een samenleving.

Als gevolg van de complexiteit van het begrip cultuur is het in vele gevallen daarom allerminst eenvoudig om aan te geven wanneer er sprake is van verschillende culturele achtergronden.    

 

2.1. Cultuur 

Cultuur wordt door velen in de eerste plaats vereenzelvigd met de ‘kunstuitingen’ van een gemeenschap: architectuur, literatuur, plastische kunsten, muziek, dans, theater, enz.

1° Het begrip cultuur is echter veel ruimer, en heeft betrekking op de totaliteit van het leven van alle leden van een samenleving, m.a.w. cultuur verwijst naar één of meerdere aspecten van de materiële of immateriële producten van de mens.

2° Het kan daarbij onder andere gaan om: religie, kunst, architectuur, taal, literatuur en economische productiewijze, of om meer abstracte aspecten van de sociale ordening van de samenleving, zoals de normen en waarden die de intermenselijke verhoudingen regelen.

3° Meer concreet gaat het om het gebruik dat de mens maakt van de omgeving, voorwerpen produceert, verbaal en non‑verbaal communiceert, gevoelens uit, tijd en ruimte indeelt en de wereld waarneemt en er zingeving aan toekent.

4° Op die manier vormt cultuur een geheel van betekenissen of kennis die een mens nodig heeft om in een gegeven situatie te kunnen functioneren: kennis van onder andere de taal, gewoonten, gebruiken, praktijken, rituelen, waarden en normen. Het gaat hier zowel om de kennis van hoe men zich moet gedragen als om het waarom van dat gedrag.

5° Sommigen benoemen cultuur ook wel eens als ‘mentale programmering’, nl. het aanreiken van een soort ‘programma’, waarin duidelijk wordt waar het in het menselijk bestaan op aankomt, welke zaken dienen nagestreefd te worden en welke wegen men moet kiezen om van de gegeven situatie de beste te maken’.

6° Cultuur, in de betekenis van levenswijze,  wordt vaak gebruikt in intergroepsontmoetingen, ter aanduiding van gedragsuitingen die als kenmerkend worden beschouwd voor een bepaald volk of een specifieke bevolkingsgroep. Zo spreekt men niet alleen van dé Turkse, dé Amerikaanse, dé Belgische, dé Nederlandse, ... cultuur, maar ook van eigenschappen die typisch zijn voor Turken, Amerikanen, Belgen, Nederlanders, enz. Ook binnen één bepaalde bevolkingsgroep spreken we van eigenschappen die specifiek zijn voor een deel van die groep (bv. specifieke kenmerken van Limburgers, Antwerpenaren,...)

7° Binnen éénzelfde samenleving/groep/cultuur treffen we bovendien verschillende subculturen aan, die niet noodzakelijk gebonden zijn aan geografische, nationale, regionale of politieke grenzen.

In verband met de omstandigheden die tot het ontstaan van een subcultuur leiden kunnen verschillende factoren meespelen, zoals: leeftijd, sekse, beroep, opleiding,  religie,... De praktijk laat zien dat zulke factoren een bijdrage leveren aan het ontstaan van: gemeenschappelijke normen, waarden en regels, vergelijkbare visies met betrekking tot de wenselijkheid, toelaatbaarheid en het verplichtende karakter van sociaal gedrag. Mensen die tot dezelfde subcultuur behoren zouden bovendien frequenter en gemakkelijker communiceren én in toenemende mate een gelijkenis in hun manier van waarnemen en betekenistoekenning ontwikkelen. Subculturen hangen bovendien vaak samen met sociale overeenkomsten en concrete levensomstandigheden (sociale klassen, plattelanders en stedelingen, mannen en vrouwen, e.d.) Het spreekt vanzelf dat ieder mens tot verschillende subculturen kan behoren waarmee hij/zij zich in meerdere of mindere mate identificeert.

8° De cultuur van een groep wordt niet van buitenaf opgelegd of geïmporteerd, maar wordt onder invloed van specifieke geografische, sociale, economische, politieke, historische... omstandigheden door de leden van die groep ge(re)produceerd en geconstrueerd en van de ene op de andere generatie doorgegeven. Cultuur wordt dus aangeleerd (socialisatie en enculturatie). Elke generatie, en vooral elk individu,  neemt weliswaar (onbewust) heel wat zaken over, maar zal  zelf ook dingen wijzigen, verwerpen, toevoegen of weglaten. Het spreekt vanzelf dat ook heel wat zaken overgenomen worden uit ‘andere’ culturen (bv. voeding, mode, muziek, begrippen, taal...).

9° Cultuur is immers nooit statisch. Zij is voortdurend onderhevig aan (kleine of grote) veranderingen en is daardoor steeds dynamisch.                  

10° Mensen zijn géén passieve wezens  die uitsluitend handelen op basis van hun groepscultuur. Zij zijn integendeel ook de actieve makers van hun cultuur. Een groepscultuur verschaft immers geen volledig uitgewerkte richtlijnen voor allerlei specifieke situaties waarin mensen terecht kunnen komen. Cultuur levert slechts een breed stramien van mogelijkheden waaruit het individu keuzes kan maken. Welke keuze iemand maakt hangt van vele factoren af, zoals de context van de interactie, de eigen situatie, bedoelingen, verwachtingen...

Dat wil niet zeggen dat de keuzes die iemand maakt niet cultuurgebonden kunnen zijn. Wel is het in het algemeen zo dat, in interactie met anderen, de mens zichzelf op de voorgrond plaatst en vanuit het eigen belang handelt. Dat brengt met zich mee dat de gemaakte keuzes niet alleen in strijd kunnen zijn met de geldende normen,  waarden en gebruiken, maar ook in vergelijkbare situaties tegenstrijdig kunnen zijn. M.a.w. de mens past niet alleen toe wat hij geleerd en geproduceerd heeft, maar interpreteert, kiest, verandert de betekenissen naargelang de situatie waarin hij zich bevindt.      

11° De verhouding tussen mens en cultuur kan gezien worden als een dialectisch proces waarin de mens een werkelijkheid creëert die een geheel eigen leven gaat leiden en op haar beurt de mens maakt tot wat hij is

2.2. Interculturele communicatie

Hoewel ‘interculturele communicatie’ in de allereerste plaats communicatie is, (en dus onderhevig aan alle basisregels van het communicatieproces) moeten we vaststellen dat de communicatie tussen mensen met een verschillende culturele achtergrond vaak als een aparte, en vaak problematische vorm van communicatie wordt beschouwd. De opvatting dat (echte of vermeende) cultuurverschillen aan de basis liggen van de miscommunicatie is daarbij een algemeen gehoorde opvatting.  

Interculturele Communicatie dient echter uit te gaan van een dynamisch cultuurconcept, waarbij de persoonlijke ervaringen van het individu een centrale rol spelen in deze culturele dynamiek. Interculturele communicatie wordt op die manier ruimer gedefinieerd, nl. als communicatie tussen personen met een verschillend (sub)cultureel systeem. Het kan daarbij gaan om verschillen in:

1) de communicatiecodes (verbale en nonverbale taal) of, m.a.w. materiële cultuuraspecten en/of verschillen in:

2) normen, waarden en opvattingen of, m.a.w. immateriële cultuuraspecten.       

Een verschil in (sub)cultureel systeem kan zich voordoen in heel wat verschillende situaties: tussen mensen met een verschillende taal, nationaliteit, achtergrond of herkomst, ideologie en religie, politieke overtuiging, enz., maar ook tussen mannen en vrouwen, ouderen en jongeren, arbeiders en intellectuelen, hulpverleners en cliënten, enz.

Anders gezegd: iedere ontmoeting tussen (groepen) mensen kan interculturele aspecten bevatten. 

Verschillen in (sub)culturele systemen worden vaak als oorzaak gezien voor problemen in de (interculturele) communicatie.

De invloed van  perceptie,  beeldvorming, stereoytpen, vooroordelen en etnocentrisme op het verloop van het (intercultureel) communicatieproces is hierbij een even belangrijke factor als de  feitelijke culturele afstand die tussen de communicatiepartners bestaat.

De grens tussen stereotypen en vooroordelen t.o.v. ‘de ander’ en  discriminatie en racisme is flinterdun.

Anders gezegd: de interculturele aard van communicatie en het al dan niet efficiënt verlopen ervan wordt in grote mate bepaald door de wederzijdse identiteitstoeschrijving (wie ben ik en hoe zie ik de ander?) van de communicatiepartners.

 

2.2.1 Theoretische benaderingen van interculturele communicatie

De opvatting dat cultuurverschil een wezenlijk knelpunt kan vormen voor de effectiviteit van de communicatie is altijd gemeengoed geweest, ook in verschillende theorieën en publicaties omtrent interculturele communicatie. 

Heel wat auteurs proberen culturen te ordenen en classificeren. Zij pogen daarmee een lijst op te stellen van belangrijke gebieden waarop culturen kunnen verschillen én die aanleiding kunnen geven tot problemen in interculturele ontmoetingen.

Enkele vbn.: 

Verbale en non-verbale codes
Eten en drinken
Geven en ontvangen van cadeaus
Gasten ontvangen
Manieren van begroeten
Betekenis en gebruik van tijd
Sociale relaties (familie, individu/groep)
Relatie tot natuur en bovennatuurlijke   
Drijfveren
Gezichtsverlies en gezichtsbehoud
Prestatiedrang
Normen, waarden, ideologieën

Hoewel zulke lijsten waardevol kunnen zijn bij crosscultureel onderzoek en bij het verkrijgen van een globaal inzicht in punten waarop culturen van elkaar kunnen verschillen, blijven dergelijke lijsten arbitrair en onvolledig.

Nog ‘gevaarlijker’ zijn de zgn. dichotome  indelingen van culturen. Dergelijke dichotome classificaties worden nog steeds in heel wat publicaties en cursussen gebruikt. De meest bekende en gebruikte zijn die van o.m. Eppink (1981) en  Pinto (1990), waarbij culturen tegenover mekaar geplaatst worden als:

- individualistisch tegenover collectivistisch,
- modern tegenover traditioneel,
- grofmazig tegenover fijnmazig,
- westers tegenover niet-westers,
- schuld- tegenover schaamteculturen, ...

Via die classificaties worden aan culturen - en dus aan de leden ervan - een aantal algemene kenmerken toegeschreven. Enkele voorbeelden van de verschillen tussen fijnmazige (F) en grofmazige (G) culturen, volgens Pinto:

F-culturen

G-culturen

Groepsafhankelijkheid

Individualiteit

Extern geweten

Intern geweten

Externe remmingen

Interne remmingen

Zichtbare rijkom

Innerlijke rijkdom

Emotioneel

Rationeel

Wat men niet ziet is er niet

Feiten zijn feiten

Kortetermijnplanning

Langetermijnplanning

Dergelijke dichotome indelingen van culturen zijn niet alleen arbitrair en statisch, ze bevatten bovendien sterk karikaturale en generaliserende aanduidingen van bepaalde (deel)waarden van de betreffende culturen. Er is, terecht, heel wat kritiek te uiten op dergelijke indelingen van culturen. Zij vormen immers de grootste valkuilen voor een efficiënte interculturele communicatie.

Hofstede (1994) heeft, met zijn theorie van de "culturele variabiliteit", gepoogd een alternatief te bieden tegenover de eerder genoemde dichotome classificaties. Uit zijn onderzoek in 53 landen blijkt dat nationale culturen variëren langs vier dimensies:

1) de mate van collectivisme (individu centraal of groep)
2) de machtsafstand (accepteren van machtsongelijkheid tussen mensen)
3) de mate van onzekerheidsvermijding (aanwezigheid van veel/weinig formele regels en gedragscodes)
4) de seksegerichtheid (sterke of zwakke sociale rolverschillen tussen mannen en vrouwen)

Hoewel Hofstede met de resultaten van zijn onderzoek heeft afgerekend met de dichotome indeling van wereldculturen, wordt zijn theorie zeer dikwijls op een onjuiste manier toegepast. Heel vaak immers verwijst men enkel naar de twee uitersten van elke dimensie (bv. hoge of lage acceptatie van machtsongelijkheid), waardoor men weer volledig voorbij gaat aan enige nuancering. Hofstede merkt op dat "uitspraken over culturen geen uitspraken over individuen zijn" en dat "het gemiddelde individu niet bestaat".

Verder pleit hij ervoor om voor elke dimensie vier of vijf categorieën te hanteren. Jammer genoeg vervalt hij uiteindelijk evenzeer in de opvatting dat:

“individualistische en collectivistische samenlevingen gekenmerkt worden door schuld, respectievelijk schaamte. Mensen die zich in individualistische samenlevingen niet aan de regels houden  voelen zich schuldig en laten zich leiden door een persoonlijk geweten dat functioneert als innerlijke gids. Mensen uit een collectivistische samenleving voelen zich echter alleen beschaamd wanneer hun overtreding aan anderen bekend wordt: de schaamte berust dus op het bekend worden van de overtreding, en niet op de overtreding zelf.”  (cf. de opvatting in de koloniale tijd dat ‘inboorlingen niet over een geweten beschikken’...)

 

2.2.2 Kritieken

Shadid (1998) formuleert dan ook terecht zware kritiek op dergelijke ongenuanceerde en generaliserende opvattingen en uitspraken over (leden van) een culturele groep. Zij doen niet alleen "de culturele realiteit geweld aan",  maar hebben bovendien "negatieve beeldvorming tot gevolg" en "werken verwarrend in interculturele ontmoetingen".   

Shadid vraagt zich verder af "wat de bruikbaarheid is van dergelijke theoriëen’ voor de praktijk van de interculturele communicatie in het algemeen, en van de interculturele communicatie in een immigratiesituatie in het bijzonder. Er is immers een groot verschil  tussen de zgn. eerste-, tweede- en derdegeneratiemigranten. De culturele veranderingen die immigranten ondergaan in het ‘nieuwe land’ zijn uiteraard veel intensiever en gedifferentieerder dan die van hun cultuurgenoten in het land van herkomst. Enerzijds is de culturele dynamiek bij deze mensen dus veel sterker aanwezig: zij worden a.h.w. ‘gedwongen’ te veranderen, zich aan te passen en dus vertrouwde zaken los te laten. Anderzijds kunnen zij de neiging hebben (voorlopig althans) vast te houden aan de culturele normen en praktijken uit het land van herkomst. Doch in beide gevallen wordt hen met ‘classificaties’ onrecht aangedaan.

Shadid mag zonder twijfel beschouwd worden als een vooraanstaand auteur op het vlak van interculturele communicatie. Hieronder nog een aantal van zijn kritieken:

A. Karikaturaal en eenzijdig

Het indelen, en daardoor tegenover elkaar plaatsen, van culturen op basis van bovengenoemde criteria is bijzonder karikaturaal en eenzijdig. Zij verheffen nl. één bepaald aspect of één bepaalde deelwaarde van een cultureel systeem tot een centraal ordenend principe. Daardoor verliezen zij andere factoren (die evengoed de communicatie kunnen beïnvloeden) uit het oog,  bv.: de context waarbinnen de communicatie plaatsvindt, de machtsverhouding tussen de communicatiepartners, hun persoonlijke communicatieve vaardigheden, hun wederzijdse verwachtingen, enz.

B. Negeren van een dynamisch cultuurconcept

Culturen worden door dergelijke indelingen als onveranderlijke, statische systemen beschouwd. Er wordt geen rekening gehouden met de dynamiek (veranderingen onder invloed van interne en externe factoren) waaraan elk cultureel systeem onderhevig is. De praktijk laat zien dat wanneer een cultuur eenmaal ingedeeld is in een van de twee categorieën, die cultuur door vele auteurs tot in de lengte der dagen onwrikbaar tot dat type gerekend blijft worden.  

C. Negeren van de keuzemogelijkheden van elk individu

Leden behorend tot een bepaald cultureel systeem worden automatisch vereenzelvigd met ‘hun’ cultuur. Men gaat er m.a.w. van uit dat alle leden van eenzelfde categorie van culturen eenzelfde visie hebben op bv. sociale verhoudingen, dat zij dezelfde waarden, normen, ideologie aanhangen, enz. Dit zou dus bv.  willen zeggen dat alle inwoners van een bepaald land, of alle mensen afkomstig uit een bepaald land, of alle Westerlingen, of alle Afrikanen, enz., éénzelfde manier van denken, voelen en handelen zouden hebben, ongeacht hun sociale klasse, opleidingsniveau, sekse, religieuze of politieke opvatting, enz.

D. Veralgemenen en stereotyperen

Het mag duidelijk zijn dat dergelijke indelingen aanleiding geven tot veralgemeningen en stereotypen: dé Nederlanders zijn..., dé Turken zijn..., dé Afrikanen zijn..., enz. Niet zelden leidt dat tot de opvatting dat:

  • “ons gedrag  een natuurlijke, logische reactie is op de situatie” terwijl “hun gedrag wordt bepaald door hun cultuur”,

  • “ons gedrag rationeel is” terwijl “hun gedrag irrationeel is, gebaseerd op traditie”.

E. Het relatieve belang van kennis

Een laatste misvatting, tenslotte, betreft de rol van kennis over ander culturen. Vaak ging/gaat men ervan uit dat als mensen maar voldoende ‘weten’ (kennis hebben over...), interculturele contacten en communicatie dan vanzelf correct en vlot zullen verlopen. Kennis is inderdaad vaak nuttig, soms noodzakelijk, doch onvoldoende voor een efficiënte interculturele communicatie, voornamelijk binnen een hulpverleningscontext.

Nut/noodzaak van kennis

Het is inderdaad handig en nuttig  om ‘weet te hebben’ van bepaalde normen, waarden, omgangsregels, gebruiken, beweegredenen, non-verbale codes, enz., in contacten met personen uit een andere cultuur. Je kan echter, als hulpverlener, niet alles weten! Minstens even belangrijk is de bereidheid kennis op te doen tijdens het contact met cliënten.

Risico’s  van kennis

In het beschikken over kennis schuilt het risico dat hulpverleners ‘denken dat ze weten hoe het zit’ en op die manier grove generalisaties maken: ‘Turken vinden dat...’, ‘Marokkanen doen altijd...’, ‘Somaliërs hebben de gewoonte om...’.

Mensen, ook diegenen met een andere culturele achtergrond, zijn niet over dezelfde kam te scheren. Kennis kan dus schijnzekerheden met zich meebrengen. In alle categorieën cliënten zijn immers subgroepen te onderscheiden. En voor geen enkele doelgroep bestaat er zoiets als een ‘receptenboek’.

3. Besluit

Mensen van allochtone afkomst zullen in de toekomst steeds meer een beroep doen op het algemeen welzijnswerk en de hulpverlening.

Hulpverlening aan allochtone cliënten is niet ‘anders’ dan hulpverlening aan autochtone cliënten. De problematische situatie waarin deze mensen zich, al dan niet tijdelijk, bevinden wordt vaak mede beïnvloed door sociaal-economische factoren. Soms spelen culturele factoren een rol, soms is er sprake van (generatie)kansarmoede, soms is er een toevallige samenloop van omstandigheden waardoor mensen in de problemen geraken.   

Professionele hulpverlening dient rekening te houden met de diversiteit en de individualiteit van elke cliënt en van zijn/haar nood aan bijstand en ondersteuning.

In de hulpverlening aan allochtonen wordt de hulpvraag dikwijls tè sterk ‘geculturaliseerd’. Cultuurverschillen kunnen weliswaar een rol spelen, zowel in de hulpvraag als in het gewenste hulpaanbod, doch hulpverleners doen er goed aan culturele, morele, religieuze, maatschappelijke, economische... aspecten van elkaar te onderscheiden. Door uitsluitend te focussen op de (zgn. onoverkomelijke) cultuurverschillen, wordt de hulpverlener afgeleid van de eigenlijke hulpvraag. Ook allochtone cliënten kunnen zich verschuilen achter ‘hun cultuur’, net zoals autochtone cliënten niet altijd een correct zicht hebben op de oorzaken van de problematische situatie waarin zij zich bevinden.

Hulpverleners dienen dringend (bij)geschoold te worden om allochtone cliënten te helpen. Zowel de opleidingen als de hulpverlening zijn volledig op westerse leest geschoeid en te weinig een afspiegeling van de multiculturele samenleving. Opleidingen moeten meer inspanningen leveren zodat de grote nood aan allochtone hulpverleners wordt ingevuld.

Hulpverleners dienen zich ook niet ‘bezig te houden’ met de zgn. integratie van hun cliënten. Het inschakelen van tolken en/of interculturele bemiddelaars kan eventuele taal- of andere problemen helpen oplossen.

Een correct en genuanceerd inzicht in het begrip ‘cultuur’ is een eerste voorwaarde om professionele hulp te bieden aan allochtonen. Het voorkomt generalisaties, veralgemeningen en stereotypen zoals ‘Turkse gezinnen lossen de problemen liever zelf op...’, ‘moslimvrouwen zijn onderdrukt...’, ‘in de Afrikaanse cultuur staat bijgeloof  (medische) hulp in de weg’, enz.

Er dient steeds uitgegaan te worden van een dynamisch cultuurconcept, waarbij de persoonlijke ervaringen en keuzes van het individu een centrale rol spelen in deze culturele dynamiek.

‘Interculturele communicatie’ is in de eerste plaats ‘communicatie’, en dus onderhevig aan alle basisregels van het communicatieproces. Theoretische benaderingen van interculturele communicatie focussen vooral op ‘cultuurverschillen’. Door culturen te ordenen en te classificeren zijn dergelijke opsommingen niet alleen arbitrair, onvolledig en statisch, zij bevatten bovendien sterk karikaturale, generaliserende en dus stereotype aanduidingen van bepaalde deelwaarden van de betreffende culturen. Zij negeren daarmee de dynamiek van elk (sub)cultureel systeem en gaan voorbij aan de individuele keuzemogelijkheden van elk individu. Dat wil geenszins zeggen dat een degelijke (theoretische) kennis overbodig is. Net zo goed als een hulpverlener die bv. met mensen met autisme werkt, hierover grondige theoretische kennis dient te bezitten, is het noodzakelijk dat hulpverleners inzicht hebben in bepaalde cultuurspecifieke aspecten. Een professionele en dus ‘goede’ hulpverlener combineert zijn/haar kennis met een attitude van openheid en respect voor (de hulpvraag van) elke cliënt. Goede intenties alleen zijn onvoldoende: opleidingen voor hulpverleners dienen dringend werk te maken van scholing in professionele interculturele communicatie.   

 

_______________________

Bibliografie en aanbevolen literatuur

Shadid, W.A.R. (1998), Grondslagen van interculturele communicatie. Studieveld en werkterrein. Houten/Diegem.

Shadid, W.A.R. & Van Koningsveld, P.S., eds. (1999), Beeldvorming en Interculturele Communicatie. Sociaal-wetenschappelijke en sociolinguïstische studies. Tilburg University Press.

Struys, A. & Brinkman, F. (1996) Botsende waarden. Ethische en etnische kwesties in de hulpverlening, NIZW, Utrecht.

Van Bommel, A. (1993), Islam en Ethiek in de Gezondheidszorg. Oase.

Van Bommel, A. e.a. (2003), Wankele waarden. Levenskwesties van moslims belicht voor professionals , Forum, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, Utrecht.

Zevenbergen, H. (1996), Veel culturen, één zorg. Begeleiding van mensen met een verstandelijke handicap uit een andere cultuur, H. Nelissen/Baarn.

Contact: <marie.scheirlinck@gmail.com>

• CIE-INDEX • 

Web master Update: 6 juni 2005