CIE-INDEX

 Zeg nooit: "'t is maar water"

Water in Koran en Islam*

 

INHOUD

Inleiding 
1. Zoet water 
2. Weldaden 
3. Reinheid 
4. Zoet water op aarde en in het paradijs 
5. Zeewater 
6. Koraniek taalgebruik 
7. Doelstellingen 
8. Watergebruik 
Epiloog 

Kalligrafie van Abdelatif HABIB: "Et de l'eau, nous avons donn la vie" - Coran. Acrylique sur toile, 93x72.

 

Inleiding.

De Isralische militaire bezetting en kolonisatie van de Palestijnse westelijke Jordaanoever heeft niet enkel politieke en religieus-ideologische drijfveren. Ze kadert ook - zo kunnen we lezen (1) - in een "waterpolitiek": de controle over vitale watervoorraden, in dit gebied, moet de als maar stijgende behoefte aan drinkwater van Israli's en kolonisten voor de toekomst veilig stellen, desnoods ten koste van de Palestijnen. Het zal dan wel niet "toevallig" zijn dat de "Muur van de Schande", die het Palestijnse volk moet "inkerkeren", zovele Palestijnse boeren afsnijdt van hun plaatselijke waterbron.

Water is natuurlijk altijd al van bijzondere betekenis geweest, in de mediterrane wereld en het Midden-Oosten. Als classicus, denken we onvermijdelijk aan de "eerste Griekse filosoof", Thales van Milete (rond 600 v.o.t.), met zijn stelling dat water "de oorsprong" van de wereld was(2). Thales, echter, kon daarvoor teruggrijpen naar oudere, mythologische voorstellingen, niet enkel bij de dichter Homeros (het "mariene" godenpaar: Okeanos, de "zoete", en Thetus, de "zoute", als de "oorsprong van alles"), maar veel eerder, bij de Sumerirs, godin Nammu; bij de Babylonirs: godin Tiamat (de "draak der - zilte - waters") en god Enki (voor het aardse, zoete water); de Egyptische godin Nun...

In de Koran, in een monothestische context, vinden we die primordialiteit van water herbevestigd in een vers als 21:30 (L):

"Wij hebben uit water al het levende gemaakt".

Maar ook in het beeld van 11:7:

"Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, terwijl Zijn troon boven het water was".

Water, in al zijn vormen, neemt dan ook een voorname plaats in in de Koran:

  • het woord "water" (Ar.: m') komt meer dan zestigmaal voor;

  • het woord "rivier(en)" (Ar.: nahr, anhr) meer dan vijftigmaal;

  • het woord "zee(n)" (Ar.: bahr) meer dan veertigmaal;

en daarnaast heeft de Koran het ook over: fonteinen, bronnen, regen, hagel, wolken, winden... Vanzelfsprekend is het de Koran niet te doen om deze fysische en meteorologische fenomenen als zodanig. Als "leidraad voor de mensen", heeft de Koran zijn eigen manier om met die fenomenen om te gaan en streeft hij zijn eigen doeleinden na. De conclusie ervan is dat "water" niet enkel nodig en essentieel is, maar dat het een diepere betekenis heeft, een "teken", namelijk voor Gods almacht en voorzienigheid. De koranieke bespreking heeft dan ook ver reikende gevolgen gehad voor het leven van de individuele moslims n voor de islamitische samenleving en civilisatie. Bovendien komen uit de wijze waarop de Koran het thema aanbrengt en behandelt, een aantal typische argumentatiepatronen naar voren, geformuleerd in een karakteristieke taal en stijl.

In de bespreking van het water als n van de kostbaarste grondstoffen, op aarde, maakt de Koran een onderscheid tussen twee soorten van water, namelijk zoet water en zeewater.


1. Zoet Water

Zoet water krijgt in de Koran overvloedige verwijzingen, maar dat gebeurt op een bijzondere manier. Het algemene principe is vanzelfsprekend:

"God is de schepper van alle dingen en Hij is de voogd van alles", 39:62, en

"(Hij heeft) alles geschapen en nauwkeurig geordend", 25:2;

maar de Koran houdt het niet bij de - ten aanzien van toehoorders en lezers eerder afstandelijke - bevestiging dat God (ook) het water "geschapen heeft". De mensen worden daarentegen zo sterk mogelijk betrokken, namelijk via wat ze zelf waarnemen en ervaren van de processen die water, en zijn weldaden, als resultaat hebben; en ze worden opgeroepen goed te kijken, erbij stil te staan en na te denken, bv. 30:48-50 (L):

"God is het die de winden uitzendt die dan in de hemel wolken opdrijven. En Hij spreidt ze uit hoe Hij het wil en Hij verdeelt ze in stukken. Dan zie je de regen ertussenuit komen. En wanneer Hij van zijn dienaren ermee treft wie Hij wil, dan verblijden ze zich... Kijkt dan naar de sporen van Gods barmhartigheid, hoe Hij de aarde laat herleven nadat zij dood was".

De Koran heeft het inderdaad vaak over de wind en de (regen)wolken die God doet opkomen:

"Hij is het die jullie in vrees en begeerte de bliksem laat zien en die de zware wolken laat ontstaan", 13:12;

"... in het water dat God uit de hemel laat neerdalen om daarmee de aarde te doen herleven nadat zij dood was,... in het besturen van de winden en in de wolken die voortgedreven worden tussen hemel en aarde, zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn", 2:164;

"Hij is het die de winden als verkondigers van goed nieuws voor Zijn barmhartigheid uitzendt. En Wij laten uit de hemel rein water neerdalen om daarmee een dode streek tot leven te brengen en om daarmee veel van wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken te geven", 25:48-49, e.a.

Dergelijke passussen nemen dus vaak de vorm aan van "Hij is het...", "Wij laten...". Zij helpen de toehoorder of lezer ervan te doordringen dat de oorsprong van het zoet water bij God ligt, en niet bij de mens. Dat wordt nog geaccentueerd door de zinsnede, "uit de hemel": de waterbron is dus onttrokken aan het aardse niveau, waar de mens nog wel eens de indruk zou kunnen hebben dat hij de zaak onder controle heeft; het is daarentegen God die het vanuit een hogere bron naar omlaag stuurt. Dat gegeven kan bv. gebruikt worden om de ongelovigen "op hun plaats" te zetten, zo in 56:68-70 (hier, zoals meestal elders, de vertaling van F.Leemhuis):

"Hoe zien jullie het water dan dat jullie drinken? Hebben jullie het uit de wolken neer laten komen of hebben Wij het neer laten dalen? Als Wij wilden hadden Wij het pekelig gemaakt; waarom betuigen jullie dan geen dank?"

Dat vele moslims, vandaag, het wat moeilijk hebben met de algemeen verspreide praktijk van wetenschappelijke weersvoorspellingen, laat zich van hieruit beter begrijpen.

De zinsnede, "uit de hemel", helpt ook de aandacht vestigen op de schijnbare paradox dat de hemel, daar boven, water bevat, en dat het daar op zijn plaats wordt gehouden door Gods macht, tot Hij, wanneer Hij dat wil, het naar omlaag laat vallen: nergens in de Koran lees je dat het (regen)water zlf 'neervalt'!

Terwijl water zo essentieel is, worden de mensen er in de Koran aan herinnerd dat niet zij beschikken over de voorraden ervan, cf. 15:21-22:

"Er bestaat niets of er zijn bij Ons voorraden van en Wij laten het slechts in vastgestelde mate neerdalen. En Wij zenden de winden terwijl ze zwaarbeladen zijn en Wij laten uit de hemel water neerdalen en Wij geven jullie daarvan te drinken. En jullie hadden daarvan geen voorraden kunnen aanleggen".

God "drijft" dus de wolken naar een bepaalde streek en Hij laat regen, of hagel, neervallen ten gerieve van wie Hij wil, of Hij onthoudt haar van wie Hij wil; zie ook bv. het erg plastische 24:43-44:

"Heb jij niet gezien dat God de wolken voortstuwt, ze dan samenvoegt en dan tot een stapel maakt? Dan zie je de regen er tussenuit komen. En Hij laat uit de hemel bergen neerdalen waarin hagel is en Hij treft daarmee wie Hij wil en wendt het af van wie Hij wil. Bijna ontneemt de flits van de bliksem ervan hem het gezichtsvermogen. God keert de nacht en de dag om. Daarin is een les voor hen die inzicht hebben".


2. Weldaden

Zowel de watervoorraden, dus, als de toegang ertoe zijn uitsluitend in handen van God; de mens wordt enkel gevraagd te observeren, er lessen uit te trekken, maar ook: zich te verheugen in de weldaden van deze leven brengende substantie.

Tot de weldaden ervan die vaak worden aangestipt, behoort in de eerste plaats het drinken ervan:

"en Wij geven jullie daarvan te drinken", 15:22;

"En Wij hebben... jullie fris water te drinken gegeven", 77:27;

"En Wij laten uit de hemel rein water neerdalen om... daarmee veel van wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken te geven", 25:48-49 (zie ook hoger).

Let op de volgorde, in het laatste citaat: de dieren komen "vr" de mensen. Zij zelf, immers, zijn voor de mensen een bron van voedsel n drinken (melk). Ook de "pluralis maiestatis", "Wij", is sterk geprononceerd.

God zendt het water neer "met mate" (43:11), en doet de aarde aldus "heropleven". Zij brengt dan alles voort wat tot profijt strekt van mens en dier. De Koran houdt er duidelijk van, die voortbrengselen op te sommen, met veel zin voor detail, ook in hun groei en bloei, ten einde de mensen er te doen bij stilstaan, bv. 6:99 (Leemhuis' vertaling licht aangepast):

"En Hij is het die vanuit de hemel water laat neerdalen. Wij brengen daarmee het in de knop komen voort van planten van allerlei soort - Wij hebben daardoor frissen groene planten voortgebracht waaruit Wij opeengepakte zaadkorrels voortbrengen en uit de palmen, uit de bloeikolf ervan, laaghangende dadeltrossen - en ook tuinen met wijnstokken, olijf- en granaatappelbomen die deels wel en deels niet op elkaar lijken. Kijk naar de vruchten ervan, wanneer zij vrucht dragen, en naar het rijp worden ervan. Daarin zijn zeker tekenen voor mensen die geloven".

Op die manier, dus, uit een bodem die voorheen "dor" of "dood" was, brengt God dank zij het water "alle soorten vruchten" voort (7:57); fruit van "verschillende kleuren" (35:27), en "sommige overtreffen andere in opbrengst" (13:4). Het (regen)water heeft daarmee ook een - in een mediterrane, woestijn- of steppecontext - opvallend effect, van de ene dag op de andere, op het uitzicht, op de schoonheid van de aarde, die van verdord, plotsklaps in volle, groene bloei komt te staan:

  "Zie je dan niet dat God uit de hemel water laat neerdalen zodat de aarde groen wordt?", 22:63;

"... En je ziet dat de aarde verdord is, maar wanneer Wij er dan water op laten neerdalen, schudt ze zich, zwelt op en we doen haar ontspruiten van allerlei schoons", 22:5 (vertaling op basis van Kramers).

De Koran vestigt op die manier de aandacht op fenomenen waarmee de mens vertrouwd is, maar die hij te zeer als vanzelfsprekend beschouwt; en doet hem er dus over nadenken, zie bv. ook 80:24-32:

"De mens moet maar eens zijn voedsel bekijken. Dat Wij het water in gutsen uitgieten, dan de aarde in voren openbreken en dan erin laten ontspruiten: graan, wijnstokken en voedergewassen, olijfbomen en palmen, in dichtbegroeide boomgaarden, vruchten en foerage, als vruchtgebruik voor jullie en jullie vee".

Eventueel, echter, kan de tijdelijkheid van de heropleving van de aarde door de regen gebruikt worden als een beeld voor de betrekkelijkheid van het menselijke bestaan, cf. 57:20:

"Weet dat het tegenwoordige leven slechts spel en tijdverdrijf, pracht en onderling gepraal en streven naar meer bezittingen en kinderen is. Het is bijvoorbeeld als met de regen; de plantengroei die ervan komt bevalt de ongelovigen. Dan verdort het en jij ziet het geel worden en dan wordt het tot gruis... Het tegenwoordige leven is slechts begoocheling".


3. Reinheid (tahra)

Het reinigend effect van water is een andere, wezenlijke functie ervan voor moslims. Ten behoeve van de cultus - in de eerste plaats het vijfmaal daagse plichtgebed - alsook voor het manipuleren en lezen van de Koran, moet de gelovige als het ware constant in de weer zijn met het reinigen van zijn of haar lichaam, kleding en gebedsplaats(3).

Dat geldt in de eerste plaats voor de zogenaamde kleine wassing, of ablutie, in het Arabisch: wud', een woord dat ook verwijst naar blinken, glanzen, vooral in het gelaat. Het vijfmaal daags wassen en opfrissen van het gelaat ten behoeve van het gebed (de gelovige staat hierin "van aangezicht tot aangezicht" met God) creerde een wijze van (samen)leven die typisch is voor moslims. Wat de religieuze betekenis ervan betreft, de Profeet heeft gezegd dat het zich reinigen met de ablutie "de helft van het geloof" (shatr al-imn) is, en dat wie dat goed doet, bij zijn gebeden, op de Oordeelsdag  zal verschijnen met licht op zijn gelaat, polsen en enkels.

Daarnaast is er de volledige of grote wassing, Arabisch: ghusl, die nodig is na seks, menstruatie, e.d. In de Koran wordt zulke wasbeurt beschreven als een middel niet enkel voor fysieke reiniging, maar ook voor psychische en spirituele loutering en opmontering, cf. 8:11:

"Toen Hij jullie als een bescherming van Hem door slaap bevangen liet worden en water uit de hemel over jullie liet neerdalen om jullie ermee rein te maken en de gruwel van de satan van jullie te verwijderen en om jullie harten standvastig en de voeten stevig te maken".

Moslims worden ook opgedragen "jullie kleding te reinigen" (74:4), en de Koran beklemtoont, 9:108: "En God bemint hen die zich reinigen". De Profeet heeft daarom gezegd: "Zuiverheid (tahra) maakt deel uit van het geloof".  Dat reinheidsvoorschrift wordt in de Koran gepresenteerd als een gunst van God waarvoor we dankbaar moeten zijn, cf. 5:6:

"Jullie die geloven! Wanneer jullie je voor de salaat opstellen, wast dan jullie gezichten en jullie handen tot aan de ellebogen en wrijft over jullie hoofden en [wast] jullie voeten tot de enkels. En als jullie onrein zijn, reinigt jullie dan. En als jullie ziek zijn of op reis of als iemand van het toilet komt of met vrouwen omgang heeft gehad en jullie vinden geen water, zoekt dan goede kale grond en wrijft jullie gezichten en handen ermee. God wenst jullie niet iets hinderlijks op te leggen, maar Hij wenst jullie slechts rein te maken en Zijn genade aan jullie volledig te bewijzen. Misschien zullen jullie dank betuigen".

Vooral voor samenkomsten zoals het vrijdagmiddaggebed zou de Profeet erop aangedrongen hebben dat men zich zou wassen, "zelfs indien een glas water 1 dinar zou kosten".

Reinheid of zuiverheid is dus een voorwaarde om je geloof te vervolledigen, Gods genade te vervolmaken en glans te brengen in deze wereld en in het hiernamaals.


4. Zoet water op aarde en in het paradijs.

De klemtoon in de Koran valt ongetwijfeld op het "hemelwater", ten gerieve van het drinken, het bevloeien en de reinheid. Toch is er, daarbij aansluitend, ook aandacht voor het water op en in de aarde, bv. 13:17:

"En Hij laat uit de hemel water neerdalen zodat de beddingen naar hun omvang volstromen en de stroom er dan schuim bovenop heeft... Wat het schuim betreft, dat gaat waardeloos verloren. Maar wat voor de mens nut heeft, dat blijft in de aarde".

En 39:21:

"Zie jij dan niet dat God water uit de hemel laat neerdalen en dan naar bronnen in de aarde laat gaan?"

God slaat dus een watervoorraad op in de aarde. Hij zorgt er daarbij voor dat dat "grondwater" niet te diep zinkt, 67:30:

"Zeg: Hoe zien jullie het, als jullie water diep zou wegzakken, wie zou jullie dan bronwater brengen?"

De belangrijkste toevoer van zoet water op aarde zijn vanzelfsprekend de stromen en rivieren. Er wordt dan ook meer dan vijftigmaal naar verwezen, in de Koran. Dat gebeurt regelmatig in juxtapositie met de "stevige", onbeweeglijke bergen, bv. 27:61:

"Of wie heeft de aarde tot een vaste grond gemaakt, er rivieren doorheen gemaakt, stevige bergen voor haar gemaakt en tussen beide zeen een versperring gemaakt? Is er naast God nog een god?"

De grote weldaden van rivierwater - voor het lessen van de dorst, voor irrigatie, afkoeling en schoonheid - worden in de Koran nog eens bijzonder onderlijnd door de vele verwijzingen naar en beschrijvingen van al-janna, "de Tuin", of het Paradijs (firdaws): een essentieel element van de hemelse tuinen zijn de "rivieren die eronder stromen" (bv. 2:25; 3:15; 3:136, 195 en 198; 4:13, 57, 122; 5:13, 85 en 119, enz., enz.). Het "stromen" ervan, dat altijd vermeld wordt, roept beelden op van klaterend en verfrissend watergeluid. Daarnaast zijn er ook de stromende, dorstlessende bronnen en fonteinen - dat alles niet enkel van water, trouwens, 47:15:

"De tuin die de godvrezenden is toegezegd ziet er zo uit: Er zijn rivieren van water dat niet brak is, rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert, rivieren van wijn die aangenaam is voor de drinkers en rivieren van gezuiverde honing".

De bewoners van de tuinen

"zullen drinken uit een beker..., uit een bron waaruit Gods dienaren drinken en die zij rijkelijk uit de aarde laten ontspringen", 76:5-6.


5. Zeewater

Het Arabische woord voor zee, bahr, kan ook gebruikt worden voor een permanente, zoete watermassa. Wanneer daarom in de Koran de zoete en de zoute watermassa's met elkaar vergeleken worden, wordt, in de dualis, gesproken van "al-bahrayn": de vertaling, "de twee zeen", is daarom wat misleidend.

God heeft beide aan de mensen gegeven voor het vele nut dat ze eruit halen, cf. 35:12:

"De beide zeen zijn niet gelijk; de ene is zoet, fris en geschikt om te drinken en de andere zout en pekelig. En uit beide krijgen jullie vers vlees te eten en jullie halen er sieraden uit op om je mee te tooien. En jullie zien de schepen haar doorklieven [en dat is] opdat jullie streven naar een gunst van Hem; misschien zullen jullie dank betuigen".

Die voordelen worden regelmatig vermeld en daarbij wordt het belang beklemtoond van het verschil n van nodige scheiding tussen de twee waters, die door God werd aangebracht, cf. 25:53:

"En Hij is het die de beide zeen vrij heeft laten stromen, de een zoet en fris en de ander zout en pekelig, en Hij heeft tussen beide een versperring gemaakt en een volstrekte ontoegankelijkheid".

Vaak beklemtoond, in de Koran, wat de eigenlijke zee(n) betreft, is het nut van het water voor de mensen als transportmiddel, bv. 17:70:

"Wij hebben de kinderen van Adam geerd en Wij hebben hen vervoer over land en ter zee gegeven".

In het algemeen worden moslims in de Koran aangespoord te reizen, om aldus de weldaden van God, maar eventueel ook zijn straffen, te leren kennen, cf. 10:22:

"Hij is het die jullie op het vasteland en op zee laat reizen", en

"Zeg: Reist op de aarde rond en kijkt hoe het einde was van hen die er vroeger waren; de meesten van hen waren veelgodendienaars", 30:42.

Van de zakt, of armenbelasting, is een deel dan ook voorbehouden voor reizigers.

Bijzonder opmerkelijk - voor wat men soms afdoet als een "woestijnreligie" - is de grote aandacht, in de Koran, voor de maritieme scheepvaart. Ook zij, met alles wat ze verondersteld, wordt uitdrukkelijk als een uiting van Gods almacht en welwillendheid beschouwd, en dus als een "teken" voor Zijn bestaan:

"Zie je niet dat God voor jullie dienstbaar gemaakt heeft wat er op de aarde is en ook de schepen zodat zij op Zijn bevel op zee varen...?, 22:65;

"In de schepping van de hemelen en de aarde, in het verschil van dag en nacht, in de schepen die op zee varen met wat nuttig is voor de mensen..., zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn", 2:164;

"Jullie Heer is het die voor jullie de schepen op zee voortstuwt opdat jullie streven naar een gunst van Hem", 17:66;

Zie ook 14:32; 16:14; 23:22; 30:46; 31:31; 35:12; 36:41; 40:80; 42:32-34; 43:12; 45:12; 55:24; enz.

"Zee" wordt ook gebruikt als een metafoor om er de uitgestrektheid van Gods macht mee uit te drukken. De zee bevat immers een spreekwoordelijke, "onuitputtelijke" hoeveelheid water, cf. 18:109:

  "Zeg: als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raakten, ook al brachten wij nog een keer zoveel" (zie ook 18:10 en 31:27).

Van die zee, met alles wat ze bevat, heeft God kennis, 6:59:

"Hij weet wat er op het vasteland en wat er in de zee is".

Zee, echter, kan ook bron van onheil zijn voor de mens; ook daaruit kunnen we enkel ontsnappen door Gods genade, cf. 17:67:

"En wanneer jullie op zee tegenspoed treft dan zijn zij hen die zij aanroepen kwijt,  behalve Hem. Maar wanneer Hij jullie dan gered heeft en aan land gebracht heeft, wenden jullie je af; de mens is ondankbaar" (zie ook 10:22).

God heeft dus de zee geschapen, Hij heeft ze bruikbaar gemaakt voor de menselijke behoeftes n Hij redt de mens uit de gevaren ervan. Vanuit moslimoogpunt wordt hiermee de goddelijke tawhd (enigheid) aangetoond.


6. Koraniek taalgebruik.

De taal van de Koran in verband met water is levendig en vol beweging. Anders gezegd, terwijl water vitaal is voor het leven, is ook de taal die ervoor gebruikt wordt, vol vitaliteit: - de winden "stuwen" de wolken "voort"; God zendt het water "naar omlaag"; de aarde "schudt zich", "zwelt op", "herleeft"...; het water "gutst" in de rivieren; de bronnen "barsten open"... De geschetste beweging is snel (met in het Arabisch de conjunctie van snelheid: "fa", en van verrassing: "idh"), cf. 30-48 (zie hoger), of 41:39 (aangepast uit Kramers):

"jullie zien dat de aarde roerloos is, maar wanneer Wij er dan water op neerlaten, schudt zij zich en zwelt op".

Ook de taal over de zee is heel levendig, bv. 10:22:

"Hij is het die jullie op het vasteland en op zee laat reizen totdat er, wanneer zij op de schepen zijn die hen met een goede wind meevoeren en zij zich erover verheugen, tot hen een stormwind komt en de golven van overal komen en zij denken dat zij omkomen...".

De intensiteit en rijkdom van de taal in verband met water wordt nog vergroot door het gebruik van de zgn. iltift, dwz een plotse grammaticale verschuiving om een bepaald effect te ressorteren: bv. van enkelvoud, "Hij", naar meervoud, "Wij" (of omgekeerd), terwijl dezelfde persoon bedoeld is: zie bv. 6:99 (hoger); of van 2de naar 3de persoon: zie het laatste citaat, hierboven.

Om de mensen beter te doordringen van het  kapitale belang van het water voor het overleven van henzelf en hun kinderen, en dus van Gods genade, worden ze soms ook geconfronteerd met de mogelijkheid van het tegendeel, bv. 23:18:

"En Wij hebben met mate water uit de hemel neer laten dalen en in de aarde laten rusten - Wij zijn ook in het staat het weg te nemen".

Zie ook hoger, 56:70, over de mogelijkheid dat zoet water wel eens zout zou kunnen worden. Hoewel water bijna altijd met positieve termen beschreven wordt: "zuiverend", "zegevol", "fris", "reddend", enz., wordt de mens soms geconfronteerd met de vernietigende kracht ervan, cf. 54:11 (over de zondvloed):

"Toen openden Wij de poorten van de hemel met neergutsend water en Wij lieten de aarde in bronnen uitbarsten...".

De toehoorders/lezers worden hierbij niet enkel vaak opgeroepen hun verstand te gebruiken ("hierin zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn", enz.), maar ook hun zintuigen en gevoelens worden er constant bij betrokken.


7. Doelstellingen.

Achter de wijze waarop "water" in vele sura's ter sprake komt, kunnen we drie hoofdbedoelingen onderscheiden:

1) het bewijzen van Gods bestaan, enigheid en almacht: cf. het water is een "teken";  "Hij is het..."; ook regelmatig gebruik van vragen, bv. 56:68 (zie hoger), of 27:60:

"Of wie heeft de hemelen en de aarde geschapen en voor jullie water uit de hemelen laten neerdalen? Wij hebben er toch kostelijke boomgaarden mee laten groeien! Jullie zouden de bomen er niet van kunnen laten groeien. Is er naast God nog een god? Welnee, zij zijn mensen die in de verkeerde richting gaan".

Belangrijk, om duidelijk te maken dat God aan de oorsprong ligt van al het goede van water), is het gebruik van een set van werkwoorden in de Arabische causatieve vorm (vorm IV van de stam): "laten" of "doen neerdalen", "doen herleven", "voortbrengen", "reinigen", "doen drinken"... Deze en andere formuleringen helpen duidelijk maken dat water er nooit zo maar is; het valt niet uit zichzelf; evenmin herleeft de aarde uit zichzelf, of schieten de planten, maar het is God die al die dingen doet bi 'l-m', "met het water": dat voorzetsel "bi" keert regelmatig terug, net zoals  "min", "(van)uit" water, als het erom gaat de belangrijke rol ervan in Gods scheppingsact aan te geven (bv. "God heeft ieder dier uit water geschapen", 24:45).

2) Het onderstrepen van Gods zorg voor de mens: zie de passussen hierboven, waar regelmatig de zinsnede "voor jullie" gehanteerd wordt; eventueel ex absurdo, d.w.z. vanuit het onder ogen nemen van de negatieve gevolgen van het tegendeel.

3) De vitaliseringskracht van het goddelijke water speelt ook een belangrijke rol in de argumentatie ten gunste van het geloof in de heropstanding, op het Eindgericht. In de Koran vinden we de neerslag van de skepsis en de spot van de ongelovige Mekkanen, precies wat dit punt betreft, zie bv. 56:47-48:

"Zij zeiden: ' Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten worden, zullen wij dan opgewekt worden? En onze vaderen dan, die er eertijds waren?"...

En van de steeds terugkerende replieken op die twijfel bestaat precies in de verwijzing naar het vitaliserend effect van water op een uitgedroogde, "dode" grond, bv. 35:9:

"En God is het die de winden uitzendt die dan wolken opdrijven. Dan drijven Wij ze naar een dode streek en laten de aarde ermee herleven nadat zij dood was. Zo is het ook met de herrijzenis"; en:

"En tot Zijn tekenen behoort dat jullie zien dat de aarde roerloos is, maar wanneer Wij er dan water op laten neerdalen beweegt ze zich en zwelt op. Hij die haar laat herleven, laat ook de doden herleven; Hij is almachtig", 41:39.

De bewijskracht ervan wordt versterkt door het gebruik van hetzlfde werkwoord, in de Koran, namelijk kharaja (causatieve vorm IV) voor: (a) mensen doen geboren worden uit de moederschoot ( "En God heeft jullie terwijl jullie niets wisten uit de buiken van jullie moeders voortgebracht", 16:78); (b) het uit de aarde doen groeien van planten (32:27: "Hebben zij dan niet gezien dat Wij het water naar de kale aarde drijven en er dan landbouwgewassen mee voortbrengen waarvan hun vee en zijzelf eten?"); n (c) het uit de aarde "voortbrengen" van mensen bij de herrijzenis, cf. 7:57:

"En Wij brengen daarmee (dwz met water) allerlei vruchten voort. Zo brengen Wij ook de doden te voorschijn".

Iets gelijkaardigs geldt voor het werkwoord hayiya (vorm IV): het wordt gebruikt voor het vitaliserend vermogen van water, voor het doen herleven van de aarde, n voor de herrijzenis: zie 41:39, hierboven, en 30:19:

"Hij brengt het levende uit het dode voort en Hij brengt het dode uit het levende voort en Hij doet de aarde herleven nadat zij dood was. En zo zullen jullie te voorschijn gebracht worden".

Het geloof in Gods bestaan, in zijn eenheid en enigheid, zijn almacht en zorg en de herrijzenis zijn fundamenteel voor de islam. Door water te gebruiken als een argument ervoor, krijgt dat water een diepere betekenis. En dat verklaart dan weer waarom water zo dikwijls ter sprake komt in de Koran.


8. Watergebruik.

De Koran schenkt ook aandacht aan de vraag hoe mensen dienen om te gaan met water. Aangezien het om een geschenk van God aan de mens gaat, is het evident dat deze vitale grondstof moet gedeeld worden, dwz dat het niet mag gemonopoliseerd worden, of onthouden worden aan de arme of de zwakke, cf. 54:28:

"En deel hun mee dat het water tussen hen verdeeld moet worden. Elke portie om te drinken op zijn beurt".

De Profeet heeft gezegd: "de mensen zijn mede-eigenaars in drie zaken: water, vuur en weiland". Ook, dat God met ontstemming neerkijkt op drie soorten mensen; n ervan is de man die over een wateroverschot beschikt in de buurt van een weg en het gebruik ervan ontzegt aan een voorbijganger. Nog altijd tot de Sunna behoort het volgende verhaal uit de mond van de Profeet:

"Een man was aan het wandelen en kreeg dorst. Hij ging naar een bron en dronk  ervan. Nadien zag hij een hond die door dorst gekweld aan de grond aan het snuffelen was. Hij sprak tot zich: 'Deze hond lijdt aan datgene waaraan ik heb geleden'. Daarom vulde hij een schoen met water en hield het de hond voor om te drinken. Vervolgens dankte hij God, en deze laatste vergaf hem zijn zonden. De gezellen van de Profeet vroegen daarop: 'Worden we ook beloond voor (vriendelijkheid jegens) dieren?' Hij antwoordde: 'Er is een beloning voor (vriendelijkheid jegens) elk levend wezen'".(4)

Nog een gezegde van de Profeet: "Wie water achterhoudt om het gebruik van weiland te ontzeggen, hem zal God op de Verrijzenisdag zijn genade ontzeggen".

Op basis daarvan hebben moslimjuristen de vitale behoefte van de mens aan water erkend; ook de verplichting water te geven aan mensen en dieren. Zo heeft de man die dorst heeft maar niet mag drinken van iemand die water bezit, de toelating om ermee te vechten, althans zonder wapens.

Behalve een verbod op monopolisering, is er ook een verbod op verspilling ervan: cf. het water wordt door God "met mate" neergezonden (o.m. 23:18), en 7:31:

"Eet en drinkt, maar weest niet verkwistend; Hij bemint de verkwisters niet".

Verkwisting in het algemeen, trouwens, wordt veroordeeld, cf. 17:27: "de verspillers zijn broeders van de satans". Wat meer in het bijzonder water betreft, heeft de Profeet gezegd: "overdrijven in het gebruik van water is verboden, zelfs indien iemand de middelen van een volledige rivier tot zijn beschikking zou hebben".

Tenslotte, is er ook een verbod op het vervuilen van water: cf. God zendt "fris" en "rein" water, zodat mensen en dieren het kunnen drinken, en de mensen zich kunnen reinigen, enz. In het islamitisch recht, daarom, is het verboden te urineren in een waterloop.

Deze verbodsbepalingen moeten gezien worden in het licht van Gods voorzienigheid. Pollutie bv. verstoort de maatvolheid  of het evenwicht in de door God geschapen natuur. Het zich onthouden, bijgevolg, van het monopoliseren van het water, van verspilling en vervuiling ervan is niet enkel een kwestie van wijsheid, van civilisatie of burgerzin, maar het is ook een daad van devotie.


Epiloog.

De lering van Koran en Sunna in verband met het water heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot een typisch islamitische way of life - op het vlak van het dagelijkse hygine, de rituelen, enz. -, maar ook tot de islamitische civilisatie in het algemeen: zoals in de kunst, de architectuur, het stedelijke landschap, e.d.

Het is geen wonder dat, vr de moderne materile civilisatie, publieke hamm-s of badhuizen tot een vast gegeven werden in de moslimsteden. En het sprak voor zich dat in elke moskee een wasgelegenheid, voor de kleine wassing, voorzien werd. Vermeldenswaard is ook de aanleg van publieke fonteinen met drinkbaar water. De faade ervan werd dikwijls kunstzinnig versierd, o.m. met kalligrafische teksten uit de Koran, verwijzend naar het drinken in het Paradijs. Het blijvende onderhoud ervan werd vaak gegarandeerd door religieuze stichtingen (waqf-s). Ook in de Ottomaanse architectuur werd grote zorg besteed aan de bouw van dergelijke eşmeler (zie bv. het fonteingebouwtje bij de ingang van het Topkapi-paleis). Tenslotte werden ook drinkplaatsen voor dieren voorzien.

Een ander terrein waarop de islamitische watercultuur tot haar volle recht kwam, was, niet verwonderlijk, de tuinarchitectuur. De aanleg van vele tuinen was genspireerd door dromen van het Paradijs, zoals beschreven in de Koran. De waterpartijen - bekkens, fonteinen, kanaaltjes, enz. - moesten niet enkel voor koelte en lafenis zorgen, maar hadden ook een duidelijk esthetische functie. Een bekend, bewaard voorbeeld ervan is het Alhambra, met zijn "leeuwenfontein", en met de water- en fonteinpartijen in de tuin van het Generalife.

Tenslotte, werd hoger al gewezen op de positieve psychische effecten die verbonden werden met het zich wassen (8:11, zie hoger). Hierbij aansluitend, mag misschien gewezen worden op de therapeutische effecten die, volgens sommige Arabische artsen, uitgingen van stromend water op geesteszieken. Een prachtig bewaard voorbeeld hiervan is het Arghn bmristn, een middeleeuws kliniekje voor geesteszieken, dat verloren ligt in het labyrinth van smalle straatjes in het oude stadsdeel van het Syrische Aleppo. De ruime binnenkoer, omringd door een colonnade en met twee, tegenovergestelde iwn-s, bevat een groot, verfrissend waterbekken. Opmerkelijker, echter, is dat de belangrijkste "ziekenvleugel" octagonaal gebouwd is zodat twaalf cellen zich rondom een centraal waterbekken met fontein bevinden. Zoals ook regelmatig gespeelde muziek (er zijn rekeningen teruggevonden met onder meer het loon van de muzikanten), werd het geluid van het klaterende water geacht een kalmerende en genezende werking te hebben op de psychiatrische patinten.(5)

________________________

NOTEN:

* Op basis van: Muhammad Abdel Haleem, Understanding the Qur'an. Themes and Style. Tauris, London & New York 1999, pp. 29-41. Zie nu het Nederlandstalige boek van Francesca de Chtel, "Het Water van de Profeten. Water in de geschiedenis van het Midden-Oosten". Uitg. Contact, 2005, met o.m. hfst. 2: "Een geschenk van god: De rol van water in religie: islam, jodendom en christendom".

(1) Zie daarover: Deconinck S. (2003), "Water als conflictpotentieel in het Midden-Oosten", in: VN Forum, 3, pp. 14-20; ook Deconinck S., 'Israeli water policy in a regional context of conflict: prospects for sustainable development for Israelis and Palestinians?', December 2002, op: http://waternet.UGent.be/waterpolicy.htm, en andere publicaties op de website van het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling (UGent): http://cdonet.UGent.be/ Zie ook Sandrine Mansour, "Histoire d'eau", op de website van al-oufok

(2) Zie over Thales uitvoerig in de syllabus, H.De Ley, De Ionirs. Het Archasche Natuurdenken: van Thales tot Herakleitos, UGent 1999.

(3) Zie hierover uitvoeriger de E-syllabus op deze site, Wortels van de Islam, 6.1. 

(4) Voor de diervriendelijkheid van de islam, zie de mooie tekst van Linda Bogaert, "Dierenrechten in de Islam", op deze site

(5) Zie Franoise Cloarec, Bmristns, lieux de folie et de sagesse. La folie et ses traitements dans les hpitaux mdivaux au Moyen-Orient, L'Harmattan 1998; ook haar artikel (met grote kleurenfoto), "Le refuge des mes malades", in: Qantara, N 27, printemps 1998.

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008