CIE-INDEX

Islamoloog Dewael

door Eric Hulsens (2004)

POM nr. 75 – 30.01.2004 
 

"Het debat (...) gaat natuurlijk niet over de hoofddoek zelf.”

(Guy Verhofstadt, www.vld.be)
 


 

Wat een raar artikel was dat toch, dat stuk over de hoofddoek (De Morgen, 10.01.04), waarmee Patrick Dewael Chirac wou nadoen. Logisch was het niet – want zelfs als je vindt dat schoolgebouwen en leerkrachten geen tekens van een levensbeschouwelijke strekking mogen dragen, dan geldt dat toch nog niet voor leerlingen? Liberaal was het ook niet, want vrijheid werd er niet in verdedigd, maar als een probleem gezien: godsdienstvrijheid was een argument van de tegenpartij waartegen Dewael zich kantte. En staatsinmenging in zoiets persoonlijks als kleding? Is dat liberaal?

Ook raar is dat Dewael almaar boeken uit Frankrijk citeerde. Is Frankrijk een Belgische provincie? Of ziet hij België als een departement van Frankrijk? Kent hij geen Belgische publicaties over de situatie in België? Zijn Engelse, Duitse… publicaties irrelevant? Waarom die selectieve import?

Nog raarder was de bron die hij citeerde om de betekenis van de hoofddoek uit te leggen: Chahdortt Djavann, een schrijfster die opgegroeid is in Iran en nu een gloeiende hekel heeft aan de islam en niks moet hebben van godsdienst: “Als god bestaat, is dat zijn zaak.” Een ex.

Het getuigenis van levensbeschouwelijke exen lijkt goed op dat van relationele exen: vaak interessant en kleurrijk, maar meestal vertekend door het beperkte perspectief van één persoon en de vaak grote invloed van frustratie. Om iemand te leren kennen is het nog altijd nodig met de persoon zelf te praten, en niet voort te gaan op getuigenissen van een ex. Voor levensbeschouwelijke exen is het probleem hetzelfde.

Waarom citeert Dewael een Franse ex-moslima, en uitsluitend een EX-moslima, om uit te leggen wat de hoofddoek betekent? Geen Belgische moslima’s voorhanden? Geen artikels en boeken waarin ze aan het woord komen? Kom nu!

Maar laten we Dewaels hoofdbron eens van dichterbij bekijken, het dunne boekje (47 p.) Bas les voiles! (Gallimard, 2003).  Het is ondertussen ook via een recensie nog eens extra onder de aandacht gebracht door een enthousiaste Dirk Verhofstadt in het e-zine Liberales (http://www.liberales.be, nr. 53), en ook De Standaard (29.01.04) had het er al even over. De Nederlandse vertaling is op komst. We zullen er dus nog over horen, over dat pamflet. Wat staat erin?

 


"Dit essay (…) is indrukwekkend.” (Dirk Verhofstadt, www.liberales.be )
 



Djavann is getraumatiseerd door haar jeugd in Iran. “Ik heb het islamitisch totalitarisme in al zijn aspecten meegemaakt en de religieuze barbaarsheden in al hun aspecten.” Zij noemt het regime in Iran een islamitisch fascisme en vergelijkt daarbinnen de hoofddoek, “een draagbare gevangenis”, met een “gele ster van de vrouwelijkheid”. Het zegt veel over hoe zij zich gevoeld heeft, maar het is niet meteen een adequate vergelijking: vrouwen waren en zijn in Iran toch geen uit te roeien minderheid? Executies van overspelige vrouwen zijn schokkend en onaanvaardbaar, maar ze zijn toch geen genocide?

Maar de associatie van islam met het vernietigen van de vrouwelijke soort speelt wel in Djavanns hoofd. Zij verwijst naar het ombrengen van vrouwelijke pasgeborenen zoals dat op sommige plaatsen in de wereld voorkomt. De suggestie is dat voor dé islam de vrouw niets waard is. Daarbij vermeldt ze niet dat de Koran (16:58-59) zich juist uitspreekt tégen de zede van het ombrengen van vrouwelijke baby’s die in het Arabië van de zevende eeuw bestond.  Dat is nogal raar voor een schrijfster van wie wordt meegedeeld dat ze antropologie gestudeerd heeft.

Maar het is wel typerend voor de aanpak van Djavann. Ze probeert niet te begrijpen hoe situaties en problemen in elkaar zitten, maar wil vooral de islam in diskrediet brengen. Op seksueel gebied is dé islam (zij generaliseert voortdurend) totaal ontspoord. Bij de mannen ziet zij alleen maar “psychische vervreemding”, en bij vrouwen is het moeten dragen van een hoofddoek een “verkrachting”.  Een symbool van zedigheid koppelen aan een seksueel delict  – het is op zijn minst origineel.

In die lijn presteert Djavann nog meer. Het is haar natuurlijk niet ontgaan dat er ook meisjes en vrouwen zijn die met fierheid en assertiviteit een hoofddoek dragen. Deze “voilées nouveau style” moeten het extra ontgelden, meer nog dan de hoofddoekdraagsters van het traditionele type. Velen van hen getuigen van “een dubbele perversiteit”, want het dragen van een hoofddoek is op zich al pervers, maar daar ook nog trots op zijn verdubbelt de afwijking: “femme objet et fière de l’être”!

En dan komt weer de koppeling van zedigheid aan seksuele grensoverschrijding:

“Alle vormen van directe of indirecte druk die als bedoeling hebben minderjarige meisjes de hoofddoek op te leggen verlenen hen daardoor een statuut van seksueel object dat te vergelijken is met dat van de prostitutie. Ze moeten bij wet verboden worden. (…) Het is niet in naam van de laïcité dat je het dragen van een hoofddoek moet verbieden aan minderjarigen, op school en elders, het is in naam van de rechten van de mens en in naam van de bescherming van minderjarigen.”

Het gaat bij Djavann helemaal niet over een zakelijk probleem als de neutraliteit van staat en overheid tegenover de godsdienst, en hoe die praktisch moet worden ingevuld, met name op een school. Djavann stelt zich op het nogal extreme standpunt dat het dragen van een hoofddoek overal, op school én buiten de school, voor minderjarigen verboden moet worden.

 


"…om in Frankrijk het maatschappelijk project van de islamisten op te leggen.” 

(Chahdortt Djavann, Le Journal du Dimanche, 18.01.04)
 



De overtrokken interpretatie van het dragen van de hoofddoek bij Djavann als “psychische verminking” en “verkrachting” is gekoppeld aan het negeren van de sociale werkelijkheid in Frankrijk. Zij ontkent dat een hoofddoek in Frankrijk iets anders is dan een hoofddoek in Iran of in Afghanistan, wat haar brengt tot irrelevante opmerkingen als deze aan het adres van de “voilées nouveau style”: “Misschien zou een verblijf in een land als Afghanistan heel goed zijn voor diegenen die beweren dat ze ‘bevrijd zijn door de hoofddoek’?”

Bij haar strijd tegen de islam die haar getraumatiseerd heeft, maakt Djavann ook verder geen onderscheid meer. Als vrouwen betogen tegen de hoofddoekplannen van Chirac en daarbij tricolore hoofddoeken dragen, is dat geen uiting van integratie – wij zijn françaises en geloven in liberté en égalité en we eisen die ook op – maar is dat omdat ze “in Frankrijk het maatschappelijk project van de islamisten willen opleggen” (Djavann in Lettre aux nouvelles voilées, Le Journal du Dimanche, 18.01.04).

Dat is een fantasma. Het is blijkbaar een angstvoorstelling die Djavann heeft overgehouden aan haar Iraanse jeugd. De schrik voor een islamistische staat in Frankrijk staat in schril contrast tot de werkelijkheid die Djavann op haar nuchterste momenten beschrijft:

“Je moet voor ogen houden, om redelijk te blijven, dat de debatten over de hoofddoek op school een feit van een absolute minderheid zijn. In de grote meerderheid van de scholen en de klassen, stelt het probleem van de hoofddoek zich niet. Je moet ook voor ogen houden dat de grote meerderheid van de immigranten of van de mensen met een nationaliteit van een islamitisch land zeggen religieus onverschillig te zijn.”

Waarom dan al die heisa? Er is dus eigenlijk niks aan de hand? Toch wel: “Het is precies omdat er geen krachtige taal gesproken is de voorbije tien of twintig jaar dat een islamistische en anti-laïcistische gedachtenstroming zich heeft kunnen ontwikkelen en vorm kunnen aannemen.” Het gevaar is vandaag het “islamistisch proselitisme”, het werven voor islamistisch gedachtegoed. Maar zoals Djavann zelf aangeeft: kwantitatief stelt dat niets voor. Je kan daaruit concluderen dat het aan politie en staatsveiligheid is om erover te waken dat de grenzen van de democratie gerespecteerd worden, maar dat we hier niet te maken hebben met een probleem van onderwijswetgeving.

 


"Net als Ayaan Hirsi Ali verdient Chahdortt Djavann al onze steun in haar strijd tegen het religieus obscurantisme en het cultuurrelativisme dat zoveel vrouwen in de onvrijheid houdt.”

(Dirk Verhofstadt, www.liberales.be )
 


 

Wat moet je met een antropologe die alle vormen van islam, alle islamitische landen en alle islamitische culturen op een hoop gooit om er zo makkelijker vitriool over te kunnen uitgieten? Die 'islamitisch' en 'islamistisch' door elkaar gebruikt, die de zedigheid van de hoofddoek verkrachting noemt, die het verschil niet ziet tussen Iran en Frankrijk, en voor wie alle hoofddoeken hetzelfde zijn? In haar strijd tegen het “obscurantisme” bouwt  Djavann er een nieuw.

En uitgerekend deze doordravende en drammerige dame is voor Patrick Dewael dé bron om de betekenis van de hoofddoek te vatten. Wie kan dàt nog au sérieux nemen?

 

___________________

eric.hulsens@telenet.be 

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008