CIE-INDEX

Internationale oproep tot een moratorium op lijfstraffen, steniging en doodstraf in de islamitische wereld

door Tariq RAMADAN*

dinsdag 5 april 2005
 

Inleiding.

Regelmatig worden moslimsamenlevingen en moslims in de wereld geconfronteerd met de vraag over de toepassing van straffen uit het islamitisch strafrecht. Of men naar het begrip sharîca verwijst of in meer restrictieve zin naar de notie van de hudûd,[1] de termen van het huidige debat worden bepaald door een kernprobleem in de discussie onder de ulamâc en/of onder moslims: wat betekent het trouw te zijn aan de islamitische boodschap in het huidige tijdperk? Afgezien van hetgeen van eenieder wordt geëist, in zijn of haar privé-leven, wat wordt er verwacht van een maatschappij die zich als "islamitisch" zou definiëren?

Het is bekend dat er verschillende denkrichtingen bestaan in de islamitische wereld en dat de meningsverschillen talrijk, diep en recurrent zijn. Sommigen, een minderheid, eist de directe en letterlijke toepassing van de hudûd, want volgens hen is deze toepassing een noodzakelijke voorwaarde opdat een maatschappij waar "moslims" de meerderheid vormen, waarlijk als "islamitisch" zou worden beschouwd. Anderen gaan uit van het objectieve feit dat de hudûd zich wel degelijk in de bronnen (de Koran en de Sunna[2]) bevinden, maar ze zijn van mening dat de toepassing van de hudûd afhangt van de toestand van de maatschappij: ze moet rechtvaardig en, voor sommigen, "ideaal" zijn, en dus dat de prioriteit moet zijn het bevorderen van de maatschappelijke rechtvaardigheid, de strijd tegen armoede en analfabetisme, enzovoort. Ten slotte zijn er, ook zij een minderheid, die de teksten die over de hudûd handelen, als volstrekt achterhaald beschouwen; zij zijn van oordeel dat er in de hedendaagse moslimmaatschappijen geen plaats meer mag zijn voor deze principes.

Zoals men ziet, lopen de meningen uiteen en zijn de standpunten vaak onwrikbaar zonder dat we kunnen zeggen dat de respectievelijke argumenten over dit precieze onderwerp echt expliciet of geëxpliciteerd zijn. Op het ogenblik dat wij deze regels schrijven, is het debat ten gronde binnen de moslimmaatschappijen zo goed als afwezig, en blijven de standpunten erg vaag of zelfs mistig. Tegelijkertijd, evenwel, ondergààn mannen en vrouwen deze straffen, ten aanzien van dewelke er geen overeenstemming bestaat onder de moslims.

Voor moslims is de islam een boodschap van gelijkheid en rechtvaardigheid. Uit trouw aan deze boodschap kunnen wij er onmogelijk het zwijgen toe doen over dergelijke onrechtvaardige toepassing van onze religieuze referentiepunten. Om die reden moet er ook een open en vrij debat komen, waarin men zich niet tevreden stelt met algemene, onhandige of soms gekunstelde antwoorden. Dat stilzwijgen en het zich in intellectuele bochten wringen zijn de duidelijke boodschap van rechtvaardigheid van de islam onwaardig.

In naam van de schriftuurlijke moslimbronnen, in naam van de islamitische leer en in naam van het hedendaagse moslimgeweten: er dienen zaken gezegd, beslissingen genomen te worden.


Wat gezegd wordt door de meerderheid van de  ulamâc.
 

Alle ulamâc (geleerden) in de islamitische wereld, vroeger en nu en uit alle denkrichtingen, erkennen dat er schriftuurlijke teksten bestaan waarin sprake is van lijfstraffen (Koran en Sunna), van steniging van overspelige mannen en vrouwen (Sunna) en van de doodstraf (Koran en Sunna). Het gaat hier om de objectieve inhoud van teksten die door de ulamâc nooit in twijfel is getrokken.

De meningsverschillen tussen de ulamâc en de verschillende denkrichtingen (literalistische, hervormingsgezinde, rationalistische, enz.) gaan voornamelijk over de interpretatie van een aantal van deze teksten en/of over de voorwaarden voor het opleggen van straffen uit het islamitisch strafrecht (de aard van de begane overtredingen, getuigenissen, maatschappelijke en politieke context, enz.) of, ten slotte, meer globaal en fundamenteel over hun graad van toepasselijkheid voor de huidige tijd.

De meerderheid van de ulamâc, doorheen de geschiedenis tot op de dag van vandaag, is van mening dat deze straffen wel degelijk islamitisch zijn, maar dat vrijwel onmogelijk voldaan kan worden aan de "vereiste voorwaarden" voor hun toepassing (met name waar het steniging betreft): zij zijn dus "bijna nooit uitvoerbaar". De hudûd zouden vooral "een ontradende functie" hebben, met de bedoeling de gelovigen beter de ernst te doen beseffen van de handelingen die dergelijke straffen met zich meebrengen.

Al wie de boeken leest van de ulamâc, luistert naar hun lezingen en preken, rondreist in de islamitische wereld of omgang heeft met moslimgemeenschappen in het Westen, zal zeker, en onveranderlijk, de volgende uitspraak horen vanwege de religieuze autoriteiten: "...bijna nooit uitvoerbaar". De formule maakt het voor de meerderheid van de ulamâc en van de moslims mogelijk, te ontsnappen aan de kern van het vraagstuk zonder de schijn te wekken ontrouw te zijn aan de islamitische schriftuurlijke bronnen. De andere houding bestaat erin de kwestie te ontwijken en/of het stilzwijgen te bewaren.


Wat zich afspeelt in het veld.

We hadden graag gezien dat de formule, "bijna nooit", een garantie ware geweest ter bescherming van mannen en vrouwen tegen een repressieve en onrechtvaardige behandeling; we hadden gewenst dat de gestipuleerde voorwaarden begrepen waren, door de regeringen en wetgevers die zich op de islam beroepen, als een uitnodiging tot het bevorderen van de gelijkheid voor de wet en de rechtvaardigheid tussen de mensen. Dat is echter helemaal niet het geval.

Achter een islamitisch discours, inderdaad, dat de feiten minimaliseert en de scherpe kanten afrondt, in de schaduw van het ‘bijna nooit’, worden mannen en vrouwen gestraft, geslagen, gestenigd en geëxecuteerd in naam van de toepassing van de hudûd en zonder dat het geweten van de moslims overal ter wereld zich daar boven mate over opwindt. We doen alsof we het niet wisten, alsof het ging om een klein verraad aan de islamitische lering. Nochtans, als toppunt van onrechtvaardigheid, worden die straffen alleen opgelegd aan vrouwen en aan armen, die tweemaal het slachtoffer zijn, en nooit aan rijken, machthebbers of onderdrukkers. Bovendien hebben honderden gevangenen niet de beschikking over een verdediging die naam waardig: doodstraffen worden uitgesproken en uitgevoerd jegens vrouwen, mannen, zelfs minderjarigen (politieke tegenstanders, drughandelaars, misdadigers, enz.), zonder dat de beschuldigden ook maar enig contact hebben gehad met een advocaat. Na de onduidelijkheid aanvaard te hebben in onze relatie tot de schriftuurlijke bronnen, plegen wij vaandelvlucht tegenover het verraad aan de boodschap van rechtvaardigheid van de islam.

De internationale gemeenschap heeft eveneens een belangrijke en manifeste verantwoordelijkheid voor de wijze waarop het vraagstuk van de hudûd in de moslimwereld wordt aangepakt. De aanklachten zijn selectief en gebeuren met berekening en bescherming van geostrategische en economische belangen. Een arm Afrikaans of Aziatisch land dat de hudûd of de sharîca poogt toe te passen, zal te maken krijgen met internationale campagnes zoals we die recentelijk hebben gezien. Dat is niet het geval voor de rijke landen, de oliemonarchieën en/of landen die als "geallieerden" worden beschouwd. Zij worden op een timide wijze terecht gewezen, of helemaal niet, ondanks het constant en gekend toepassen van deze straffen t.a.v. de armste en kwetsbaarste delen van de samenleving. De hevigheid van de aanklachten is omgekeerd evenredig aan de belangen die op het spel staan. Het betreft een onrechtvaardigheid te meer.


De passie van het volk, de vrees van de ulamâc.

Wie rondreist in de islamitische wereld en in enigerlei mate omgang heeft met moslims, kan niet om de volgende vaststelling heen: overal geeft de bevolking blijk van een gehechtheid aan de islam en aan de lessen ervan. Deze realiteit, die op zich boeiend is, kan soms verontrustend of zelfs ronduit gevaarlijk blijken: namelijk wanneer die gehechtheid een omzeggens gepassioneerde vorm aanneemt, zonder veel kennis of begrip van de teksten, met weinig of geen kritische afstand wat de verschillende interpretaties betreft van de geleerden, de noodzakelijke contextualisering, de aard van de vereiste voorwaarden, of de bescherming van de rechten van individuen en de bevordering van de rechtvaardigheid.

Omtrent de kwestie van de hudûd, zien we soms bevliegingen waarbij de bevolking de onmiddellijke en letterlijke toepassing verwacht of eist, omdat zulks het voortaan "islamitische" karakter van de maatschappij zou waarborgen. Niet zelden, inderdaad, hoort men moslims en moslima’s uit het volk (al dan niet geschoold, en meestal straatarm) oproepen tot een formalistische en strikte toepassing van het strafrecht (in hun geest, de sharîca), waarvan zij zelf vaak het eerste slachtoffer zullen zijn. Wie dit verschijnsel bestudeert, begrijpt dat er over het algemeen twee soorten redeneringen ten grondslag liggen aan deze eisen:

  1. De letterlijke en onmiddellijke toepassing van de hudûd maakt de verwijzing naar de islam wettelijk en maatschappelijk zichtbaar. Door haar gestrengheid geeft de wetgeving een gevoel van trouw aan de Koranieke oproep die een streng respect eist van de tekst. We hebben in Afrikaanse, Arabische, Aziatische en zelfs in Westerse landen kunnen zien dat in de beleving van de bevolking precies de hardheid en onverbiddelijkheid van de toepassing er een islamitische dimensie aan verlenen.
     

  2. De kritieken en veroordelingen vanuit het Westen voeden op hun beurt dat gevoel van de bevolking van getrouwheid aan de islamitische leer, volgens een antithetische, simpele en simplistische redenering: het heftige verzet van het Westen is een voldoende bewijs van het authentiek islamitische karakter van de letterlijke toepassing van de hudûd. Sommigen overtuigen zich daarvan door te bevestigen dat het Westen al lang zijn morele waarden is kwijtgeraakt en dermate permissief is geworden dat de strengheid van het islamitische strafrecht, dat immorele gedragingen bestraft, door antithese het enige ware alternatief is "voor de westerse decadentie".

Deze formalistische en wit-zwart redeneringen zijn fundamenteel gevaarlijk, want zij kennen om de verkeerde redenen een islamitische kwaliteit toe aan een wetstelsel: niet in zoverre het de rechtvaardigheid bevordert, beschermt en toepast, maar omdat het bepaalde gedragingen op een harde en zichtbare wijze bestraft, in contrast en in tegenstelling met de westerse wetten, die gepercipieerd worden als moreel permissief en zonder verwijzing naar de godsdienst.[3] Vandaag zien we dat moslimgemeenschappen of volkeren soms genoegen nemen met dergelijke soorten van legitimatie om een regering of partij te steunen, die oproept tot een toepassing van de sharîca, die begrepen wordt als een letterlijke en onmiddellijke toepassing van de lijfstraffen, de steniging en de doodstraf.

We kunnen een soort van volkse passie waarnemen. Het belangrijkste kenmerk daarvan is de wil om te reageren op verscheidene types van frustraties en vernederingen door een identiteit aan te nemen die zichzelf als islamitisch (en anti-westers) percipieert, maar die niet gebaseerd is op het begrip van de objectieven van de islamitische leer (al-maqâsid) of van de verschillende interpretaties en de voorwaarden voor de toepassing van de hudûd.

Geconfronteerd met deze passie, blijven vele ulamâc voorzichtig, uit schrik hun geloofwaardigheid bij de massa's te verliezen. Men stelt een soort psychologische druk vast die door het volkse sentiment wordt uitgeoefend op de juridische arbeid van de ulamâc, die normaal gesproken onafhankelijk zouden moeten zijn, ten einde de bevolking te kunnen onderwijzen en alternatieven te kunnen voorstellen. Nu, echter, doet zich het tegenovergestelde voor: de meerderheid van de ulamâc vreest de confrontatie aan te gaan met de soms simplistische, weinig onderbouwde, gepassioneerde en zwart-wit eisen van het volk, uit schrik dat ze hun status zouden verliezen en beschouwd zouden worden als te inschikkelijk, onvoldoende strikt, teveel verwesterd en onvoldoende islamitisch.

De ulamâc zouden garant moeten staan voor een diepzinnige lectuur van de teksten, voor trouw aan de objectieven ‘rechtvaardigheid’ en ‘gelijkheid’ en voor een kritische analyse van de voorwaarden en de sociale context. Zij laten zich echter meeslepen tot het accepteren hetzij van het formalisme (onmiddellijke, niet-gecontextualiseerde toepassing) hetzij van de wit-zwart redenering (minder Westen is meer islam) ofwel tot het zich verbergen achter formuleringen die henzelf beschermen, zonder oplossingen aan te dragen voor de onrechtvaardigheden die vrouwen en armen dagelijks ondergaan (‘het is bijna nooit toepasbaar’ ).
 

Een onmogelijke status quo: onze verantwoordelijkheid!

De islamitische wereld maakt een heel diepe crisis door, waarvan de oorzaken en kenmerken veelvoudig en soms tegenstrijdig zijn. De politieke systemen van de Arabische wereld zijn meestal vergrendeld, de referentie aan de islam is het vaakst geïnstrumentaliseerd en de publieke opinie is ofwel gemuilkorfd ofwel blind gepassioneerd (zelfs zodanig dat zij de meest repressieve en minst rechtvaardige uitvoering van de "islamitische sharîca" en de hudûd aanhangt, of zelfs eist).

Wat het eigenlijke domein betreft van de religieuze kwestie, kunnen we een gezagscrisis waarnemen. Ze wordt vergezeld door een afwezigheid van intern debat onder de ulamâc en de verschillende wets- (en denk-)scholen evenals binnen de moslimsamenlevingen en -gemeenschappen. Het resultaat daarvan is een diversiteit van meningen, die op zich geaccepteerd is binnen de islam, maar die op dit moment tot een veralgemeende wanorde leidt, waarin de meest uiteenlopende en tegenstrijdige juridische uitspraken naast elkaar bestaan, en waarvan eenieder het "islamitisch karakter" claimt, met uitsluiting van alle andere. Geconfronteerd met deze juridische chaos, worden de gewone moslims uiteindelijk eerder gemotiveerd door een "indruk van trouw" dan door meningen die gebaseerd zijn op kennis en begrip van de islamitische principes en regels (ahkâm).

We moeten de werkelijkheid onder ogen zien. Er doet zich een viervoudige crisis voor: gesloten en repressieve politieke systemen, een religieuze autoriteit die versplinterd is en tegenstrijdige eisen formuleert, en een bevolking die geen toegang heeft tot het onderwijs en die meegesleept wordt door een trouw aan de leerstellingen van de islam, die eerder gepassioneerd dan bedachtzaam is. Zij legitimeert echter niet dat wij ons hullen in een ongemakkelijk, medeplichtig en schuldig stilzwijgen wanneer mannen en vrouwen gekastijd, gestenigd of terechtgesteld worden in naam van een formalistische en geïnstrumentaliseerde toepassing van de schriftuurlijke bronnen van de islam.

Het gaat hier om een verantwoordelijkheid van de moslims over de hele wereld. Aan hen om de uitdaging aan te gaan van getrouwheid aan de islamitische boodschap in het huidige tijdperk; aan hen om er de tekortkomingen en het verraad van aan de kaak stellen, waar zij ook plaatsvinden en vanwege welke moslimautoriteit of -persoon ook. Een profetische traditie bericht: “Help je broeder, of hij onrecht begaat of er het slachtoffer van is.” Eén van de Metgezellen vroeg: “Gezant van God, ik begrijp hoe ik iemand kan helpen die slachtoffer is van onrecht, maar hoe kan ik hem helpen als hij het is die onrecht pleegt?” De Profeet (V) antwoordde: “Belet hem onrecht te plegen, zo zal je hem helpen.” [4]

Het is dus de verantwoordelijkheid van elke câlim (geleerde), van elk geweten, van elke vrouw en elke man, waar hij of zij zich ook bevinde. Westerse moslims verschuilen zich soms achter het argument dat de toepassing van de sharîca of de hudûd hen niet aangaat, want "in een situatie van minderheid" zijn ze er niet toe verplicht[5]. Zij handhaven dus over de kwestie een gegeneerd en dikwijls groot stilzwijgen. Ofwel spreken zij een veroordeling van op afstand uit zonder te trachten de zaken en de mentaliteiten te doen ontwikkelen. Toch zijn het deze moslima's en moslims, die leven in gebieden waar politieke vrijheid heerst, en die toegang hebben tot onderwijs en kennis, die  - juist in naam van de islamitische lering - een grotere verantwoordelijkheid dragen om te pogen de situatie te verbeteren, een diepgaand debat te openen en het onrecht dat in hun naam wordt gepleegd, te veroordelen en te doen ophouden.
 

Een Oproep, Enkele Vragen

Rekening houdend met al deze overwegingen, lanceren wij vandaag een "Internationale Oproep tot een Onmiddellijk Moratorium in zake Lijfstraffen, Steniging en Doodstraf" in alle landen met een moslimmeerderheid.

In overweging nemend dat de adviezen van de geleerden noch expliciet noch unaniem zijn (ja, zelfs zonder duidelijke meerderheid) wat het begrip van de teksten betreft en de toepassing van de hudûd, en dat bovendien de politieke systemen en de toestand van de samenlevingen met een moslimmeerderheid geen rechtvaardige en gelijke behandeling garanderen van de individuen voor de wet, ligt het in onze morele en religieuze verantwoordelijkheid om te vragen dat men een onmiddellijk einde stelt aan de toepassing van de hudûd, die men valselijk gelijk stelt aan de "islamitische sharîca".

Deze oproep gaat gepaard met een reeks fundamentele vragen die gericht zijn aan het geheel van religieuze, islamitische autoriteiten in de wereld en zulks ongeacht hun traditie (soennitisch of sjicitisch), hun rechtsschool (hanafitisch, malikitisch, ja’faritisch, enz.) of hun denkstroming (literalistisch, salafitisch, reformistisch, enz.):

1. Welk zijn de teksten (en wat is hun respectievelijke graad van erkende authenticiteit) die refereren naar lijfstraffen, steniging en doodstraf in het corpus van schriftuurlijke islamitische bronnen die toegespitst zijn op wat de specialisten de hudûd noemen? Wat zijn de marges van mogelijke interpretaties en op welke domeinen hebben er zich meningsverschillen (al-ikhtilâf) voorgedaan in de geschiedenis van het islamitische recht en tot aan de tegenwoordige tijd?

2. Welke voorwaarden (shurût) werden gestipuleerd voor iedere straf, door de bronnen zelf, de consensus van geleerden (al-ijmâ) of door geïsoleerde geleerden in de loop van de geschiedenis van het islamitische recht en de jurisprudentie (fiqh)? Welke meningsverschillen waren er wat de vaststelling betreft van deze voorwaarden en welke type van "verzachtende omstandigheden" werden soms uitgewerkt door deze of gene religieuze autoriteit in de loop van de geschiedenis of in de verschillende rechtsscholen?

3. De sociaal-politieke context (al-wâqic) is door ulamâc altijd beschouwd als één van de voorwaarden voor het toepassen van de hudûd, maar het belang hiervan is van dien aard dat deze kwestie een specifieke behandeling vereist (alsook de deelname aan de debatten door intellectuelen, vooral diegenen die gespecialiseerd zijn in de menswetenschappen). In welke context kan men vandaag denken de hudûd toe te passen? Wat zouden de vereiste voorwaarden zijn op het gebied van politieke systeem en toepassing van de algemene wetgeving: vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet, volkseducatie, toestand van de armoede en de sociale uitsluiting, enz.? Wat zijn, op dit gebied, de onderscheidingspunten tussen de rechtsscholen en de ulamâc en waarop berusten deze meningsverschillen?

De studie van deze kwesties moet van dien aard zijn dat de termen van het debat verduidelijkt worden wat de interpretatiemarges betreft die de teksten bieden, samen met een doorslaggevend in rekening brengen van de toestand van de huidige maatschappijen en van hun ontwikkeling. Deze intracommunautaire reflectie vereist daarom een tweevoudig begrip, van de teksten en de contexten, vanuit een bezorgdheid om de trouw aan de doelstellingen van de boodschap van de Islam. In wezen dient deze reflectie ons in de gelegenheid te stellen om antwoord te geven op de vraag wat toepasbaar is (en volgens welke modaliteiten) en wat het niet meer is (rekening houdend met de onmogelijkheid om de vereiste voorwaarden te verenigen en met de ontwikkeling van de maatschappijen die zich onvermijdelijk steeds verder verwijderen van het vereiste ideaal).

Deze onderneming vergt, van binnenuit, nauwkeurigheid, tijd en het op poten zetten van dialoogruimtes en zowel nationale als internationale debatten onder de ulamâc, de moslimintellectuelen en binnen de islamitische gemeenschappen, want het gaat niet enkel om onze verhouding tot de teksten, maar ook tot de contexten. In de tussentijd kan er geen sprake van zijn straffen toe te passen die juridisch giswerk en onrecht onvermijdelijk bekrachtigen, zoals dat tegenwoordig al het geval is.[6] Een moratorium dringt zich dus op ten einde een fundamenteel debat toe te laten dat in alle sereniteit verloopt, zonder ooit te fungeren als dekmantel voor het instrumentaliseren van de islam.

Er moet een onmiddellijk einde komen aan alle onrechtvaardigheden die begaan en gelegaliseerd worden in naam van de islam.
 

Tussen de letter en de doelstellingen: trouw

Er zijn er die in deze oproep een aansporing zien, en zullen zien, tot het niet respecteren van de schriftuurlijke bronnen van de islam. Een moratorium vragen zou ingaan tegen de expliciete teksten van Koran en Soenna. In werkelijkheid, echter, is het net omgekeerd: alle teksten die refereren naar het rechtsdomein moeten gelezen worden in functie van de doeleinden die hen rechtvaardigen (al-maqâsid). Zo vinden we onder de essentiële en hogere doeleinden uitdrukkelijk de bescherming gestipuleerd van de integriteit van de persoon (an-nafs) en het bevorderen van de rechtvaardigheid (al-cadl). Welnu, een letterlijke, niet-gecontextualiseerde toepassing van de hudûd, zonder respect voor de strikte en veelvuldige, opgelegde voorwaarden, en die zich zou presenteren als een formele getrouwheid aan de leerstellingen van de islam, kan in de feiten een verraad zijn, want zij kan naar gelang van de context een uitgesproken onrechtvaardigheid te weeg brengen.

Kalief cUmar ibn al-Khattab heeft wel degelijk een moratorium ingesteld, toen hij besloot, tijdens een jaar van hongersnood, de toepassing van de straf ten aanzien van dieven op te schorten. De betreffende Koranische tekst is nochtans één van de meest expliciete teksten, maar de toestand van de samenleving maakte de letterlijke toepassing ervan onrechtvaardig: men zou arme mensen hebben gestraft, wier potentiële diefstal als enige bedoeling zou hebben gehad te overleven in een situatie van absolute armoede. In naam dus van de absolute doelstelling van rechtvaardigheid, vereist door de globale boodschap van de islam, heeft cUmar ibn Al-Khattab besloten de toepassing van een tekst op te schorten: de trouw aan de letterlijkheid van de tekst zou ontrouw en verraad hebben betekend aan de hogere waarde van de islam, namelijk de rechtvaardigheid. In naam van de islam en met het juiste begrip van de teksten heeft hij de toepassing van een van de teksten opgeschort. Het moratorium vindt hier een historisch precedent van het hoogste belang.

De reflectie en de noodzakelijke hervormingen in de maatschappijen met een moslimmeerderheid kunnen slechts van binnenuit komen. Het is aan de moslima's en moslims om hun verantwoordelijkheden op te nemen en deze beweging op gang te brengen die een opening biedt voor debat en intracommunautaire dialoog, terwijl geweigerd wordt dat onrechtvaardigheden blijven gewettigd en toegepast worden in naam van de islam, d.w.z. in hun naam. Een endogene dynamiek is absoluut nodig.

Dat wil niet zeggen dat de vragen die gesteld worden door niet-moslimintellectuelen of -burgers mogen terzijde geschoven worden, wel integendeel. Alle partijen moeten leren zich te decentreren en te luisteren naar de Andere: diens referentiepunten, logica en verwachtingen. Voor moslims zijn alle vragen welkom: vanwege hun medegelovigen zowel als van vrouwen en mannen die hun overtuigingen niet delen. Vervolgens komt het hen toe, met die vragen een nieuwe dynamiek te geven aan hun denken. Op die manier zullen ze het best in staat zijn om, van binnenuit, trouw te blijven aan de eis van de rechtvaardigheid van de islam en tegelijk rekening te houden met de eisen van het huidige tijdperk.
 

Conclusie

Deze oproep tot een onmiddellijk moratorium inzake lijfstraffen, steniging en doodstraf is om meer dan één reden veeleisend. Het is ons te doen om de bewustwording van eenieder opdat hij of zij zich betrokken zou voelen bij de instrumentalisering van de islam en de vernederende behandeling waaraan vrouwen en mannen onderworpen worden, in bepaalde samenlevingen met een moslimmeerderheid, te midden van een medeplichtig stilzwijgen en een veralgemeende wanorde wat de juridische adviezen ter zake betreft. Deze bewustwording impliceert verder:

- Een mobilisatie van de gewone moslims over de hele wereld opdat ze hun regeringen zouden oproepen tot een onmiddellijk moratorium over te gaan wat de toepassing betreft van de hudûd en een breed, intracommunautair debat (kritisch, redelijk en beredeneerd) te openen onder ulamâc, intellectuelen, leiders en bevolkingsgroepen.

- Het aanspreken van de ulamâc opdat zij het eindelijk zouden aandurven het onrecht en de instrumentalisering van de islam in het domein van de hudûd aan de kaak te stellen, en zij, in naam van de islamitische teksten zelf en de getrouwheid eraan, zouden oproepen tot een onmiddellijk moratorium naar het voorbeeld van cUmar ibn al-Khattab.

- Het onderwijs bevorderen van de moslimbevolking opdat zij de bedrieglijke schijn zou kunnen te boven komen van het formalisme en de uiterlijkheden. De toepassing van repressieve maatregelen en straffen maakt een maatschappij niet trouwer aan de islamitische leerstellingen: het is veeleer haar capaciteit om de sociale rechtvaardigheid te bevorderen alsook de bescherming van de integriteit van ieder individu, vrouw of man, arm of rijk, die haar authentieke getrouwheid bepaalt. De norm in de islam wordt geleverd door de rechten die men beschermt en niét door de straffen die men oplegt (die kunnen niet anders zijn dan de aan strikte voorwaarden onderworpen uitzondering).

- Deze hervormingsbeweging van binnenuit, door de moslims en in naam van de boodschap zelf en van de referentieteksten van de islam, mag er niet aan voorbijgaan haar oor te luisteren te leggen bij de omringende wereld en de vraagtekens die de islam oproept in de geest van de niet-moslims. Niet om zich te plooien naar de antwoorden van "de andere" of van "het Westen", maar ten einde, in de spiegel ervan, beter en op een meer constructieve wijze trouw te blijven aan zichzelf.

Wij roepen iedereen op die zich achter de inhoud kan scharen van deze oproep, zich bij ons te voegen en zijn of haar stem te laten horen opdat er een onmiddellijk eind zou komen aan de toepassing van de hudûd in de moslimwereld en er een debat ten gronde zou komen over de kwestie. Het is in naam van de islam, van zijn teksten en zijn boodschap van rechtvaardigheid dat we niet langer kunnen aanvaarden dat mannen en vrouwen straffen en de dood moeten ondergaan in een gegeneerd, medeplichtig en finaal lafhartig stilzwijgen.

Het is dringend noodzakelijk dat de moslima's en moslims van de hele wereld de formalistische legitimaties afwijzen van de leerstellingen van hun religie en dat ze zich verzoenen met de diepzinnigheid van een boodschap die uitnodigt tot spiritualiteit en die onderwijs, rechtvaardigheid en respect voor het pluralisme opeist. Maatschappijen hervormen zich niet door repressieve maatregelen en straffen, maar door het engagement van eenieder voor het vestigen van de rechtsstaat, de civiele samenleving, het respect voor de volkswil en een rechtvaardige wetgeving die de gelijkheid voor de wet garandeert van vrouwen en mannen, armen en rijken. Het is dringend noodzakelijk een democratiseringsbeweging op gang te brengen die de bevolking de stap doet zetten, van de obsessie voor wat de wet bestraft, naar de eis van wat ze zou moeten beschermen: hun geweten, hun integriteit, hun vrijheid en hun rechten.
 

Genève, 18 maart 2005

Tariq Ramadan.

NOTEN:

[1] Begrip dat letterlijk "de limieten" betekent. In het jargon van de moslimjuristen (fuqahâ’) verwijst de term naar alle straffen die onder de toepassing vallen van het islamitisch strafrecht. "Sharîca", letterlijk "de weg naar de bron" en een pad naar gelovigheid, is een corpus van islamitische jurisprudentie; de volle definitie ervan gaat deze bijdrage te boven. In de geest van velen, zowel moslims als niet-moslims, is de sharîca herleid tot de legalistische formules van een codex van strafrecht.

[2] Profetische Tradities: teksten die berichten over wat de Profeet van de islam (BSL) heeft gezegd, gedaan of goedgekeurd tijdens zijn leven.

[3] In de moslimlanden zelf worden wetten die men beschouwt als "ontleend aan het Westen", dikwijls geïnterpreteerd als instrumenten die door dictatoriale regeringen gebruikt worden om te misleiden en, in feite, hun autocratisch karakter te legitimeren; ook, geniepiger, om de culturele en morele verwestersing van de samenleving te bevorderen.

[4] Hadîth gerapporteerd door al-Bukhâri en Muslim.
 

[5] Het is een zwak en gevaarlijk argument want het keurt impliciet de toepassing goed van de hudûd in de actuele context van de samenleving "en terre d'islam".

[6] In alle omstandigheden moeten onze twijfels ten goede komen aan de beschuldigde volgens een universele rechtsregel (die constitutief was, vanaf de oorsprong en op basis van de schriftuurlijke bronnen, voor de islamitische juridische traditie).

Eigen vertaling van de Franse tekst (HDL). Voor die oorspronkelijke Franse tekst: klik hier!

Een selectie van (negatieve) reacties op deze oproep van de zijde van een aantal moslimpersonaliteiten is te vinden op: http://www.islamonline.org/English/News/2005-03/30/article07.shtml

Voor de officiële verklaring van de Al-Azhar Legal Research Commission (lajna Al-buhûth Al-fiqhiyya) aangaande T.Ramadans oproep, gepubliceerd op 30/3/2005, en Ramadans antwoord erop, 28/4/2005, klik hier!

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 6 juni 2011