SYLLABUSMATERIAAL H.DE LEY

De Ley-Index • CIE-Index

OEFENING IN COMPARATIEVE FILOSOFIE:

Grieks en Arabisch Atomisme: de rede tussen de waarheid van het zijn en de waarheid van de schepping (1).

door Herman De Ley*

Deel 1: De Grieken Deel 2: De ArabierenLiteratuur

 

A. DE GRIEKEN

1. Laat ik deze bespreking ter intro starten met drie fragmentjes. Ze behoren toe aan de oudste filosofische auteur die wij én door zijn grote kwaliteiten én door het wat ruimere aantal bewaarde fragmenten, inderdaad àls filosoof kunnen waarderen: Herakleitos van Efeze (vandaag, in Turkije: de stad Selçuk, bij Kuşadası). Hij was actief in de beginjaren van de 5de eeuw v.o.t. (ter situering: niet lang na zijn dood werden zowel Demokritos de Atomist als Sokrates geboren).

fr. 30: "deze kosmos (mooie ordening), dezelfde voor iedereen, werd noch door één der goden noch door één der mensen gemaakt, maar altijd was hij, is hij en zal hij zijn: vuur altijd-levend, ontvlammend in maten en uitdovend in maten";

fr. 112: "verstandig-zijn is de grootste voortreffelijkheid, en wijsheid (sophía) is te zeggen en doen wat waar/werkelijk is, in overeenstemming met natuur (phusis), gehoor gevend".

fr. 123: "natuur (phusis) houdt ervan zich te verbergen".

Het drietal brengt enkele belangrijke basispremissen tot uitdrukking van de oud-Griekse mens- en wereldvisie in het algemeen. In deze lezing wil ik ze wat nader toelichten en toepassen op het demokritische atomisme, om ze vervolgens te contrasteren met de latere Arabisch-islamitische metafysica, zoals ontworpen door Abû ‘l-Hudhayl (ca 752-841), grondlegger van de rationalistische theologie van de zgn. Mu’tazila-school.

Ook in dat geval wordt gesproken van "atomisme". Bovendien was Abû ‘l-Hudhayls rationalisme slechts mogelijk dank zij de toenemende absorptie door de jonge moslimcivilisatie van het helleense filosofische gedachtegoed. Desondanks drukt het theologische atomisme een werkelijkheidsvisie uit die grondig verschilt van de oud-Griekse, in de mate dat het een rationalisering betreft van monotheïstische, meer in het bijzonder koranieke intuïties. Het is bovendien interessant vast te stellen dat ook het oud-Griekse, filosofische atomisme enkele jaren later werd heropgenomen, maar dan door een moslim filosoof: de grote Abû Bakr Muhammad ibn Zakariyyâ’ ar-Râzî (ca 865-925). Tegen de heersende, neo-platonische stroming in van de toenmalige, Arabische falsafa, combineerde ar-Râzî het demokritische atomisme met platoonse, epicureïsche en gnostische componenten en kwam aldus tot een eigen- en vrijzinnig, radicaal rationalistisch systeem waarin het creationisme van de openbaringsgodsdienst desondanks behouden bleef.


 

2. De oud-Griekse visie, we mogen zelfs zeggen: de antieke civilisatie in het algemeen, was gekarakteriseerd door een verhouding van verregaande harmonie tussen mens en natuur.

Laat me dat verduidelijken door contrast met de moderniteit. In deze laatste (en ik citeer nu uit een boek van Wilhelm Luther, 1970) heeft "de mens zich als veroorzaker of bewerker, als plannend of beheersend subject (...) losgemaakt van de natuurlijke gegevenheden, en verheft hij zich als handelend of scheppend persoon boven de wereld". De natuur is door de moderne mens in verregaande mate geprofaniseerd en geïnstrumentaliseerd - met alle zowel positieve als negatieve gevolgen vandien.

Daarmee vergeleken stellen we vast dat er aan het actieve ingrijpen van de antieke mens in de natuur nog sterke, "religieuze" limieten waren. Met "religieus" doel ik hier op wat traditioneel wordt samengevat onder de noemer van "paganisme", met z’n vergoddelijking van de natuurverschijnselen. Om het wat simpel te formuleren: elke boom, elke bron, elke stroom, elke rots of heuvel, in de oudheid, had z’n eigen "genius loci", zijn beschermgeest. Een goede illustratie voor de menselijke scrupules ten aanzien van die sacraliteit van de natuurlijke orde vinden we in een historische anekdote die verteld wordt door "de vader van de geschiedschrijving", Herodotos, in zijn Historiën, I.174:

Onder de dreiging van de oprukkende Perzen (midden 6de eeuw) waren de burgers van Knidos gestart met het graven van een kanaal door de istmus van hun schiereiland. Tijdens de werken liep een groot aantal onder hen zware verwondingen op. Daarover verontrust raadpleegden de Knidiërs het orakel van Delphi. "Apolloon" gaf hen, bij monde van de Puthia, ten antwoord dat ze de landengte noch mochten afsluiten met een muur noch mochten doorgraven met een kanaal, "want had Zeus gewild dat Knidos een eiland was, hij zou er een geplaatst hebben". Daarop staakten de Knidiërs hun werkzaamheden en... ze lieten zich overrompelen door den Pers.

3. Ook in de Griekse filosofie - hoeft het gezegd? - werkte dit “paganisme” in sterke mate door. Zo resulteerde het in een kosmische "theologie", die ons voor het eerst uitdrukkelijk betuigd is in de fragmenten van Xenophanes van Kolophoon (2de helft 6de en 1e helft 5de eeuw). Bv. frr. 23 & 24:

“Eén god, onder goden (!) en mensen de grootste, noch in gestalte, noch in geest gelijk aan de mensen”.

“Hij ziet als geheel, denkt als geheel, hoort als geheel”.

Van een vorm van “creationisme”, althans in de zin van een “creatio ex nihilo”, is nergens sprake. Ook  Platoons “Demiurg”, in de vermoedelijk metaforisch bedoelde scheppingsmythe van de Timaeus, doet niets méér dan voorgegeven, rationele structuren of vormen opleggen aan een voorgegeven “ruimte” (later: “materie”).

In de bij de aanvang geciteerde fragmentjes van Herakleitos vinden we bondig de filosofische interpretatie uitgedrukt van het mythologische paganisme wat de visie op de natuurlijke werkelijkheid betreft: de wereld, in haar rationele structuur of orde (“ontvlammend in maten, en uitdovend in maten”) is een ongeschapen en onvergankelijke (“altijd-levende”) “kosmos”, d.w.z. een eeuwige, “mooie orde”. Die rationele (en dus: kenbare) zijnsorde - de “ware werkelijkheid” (alètheia) of ware “natuur” van al het bestaande - ligt niét aan de oppervlakte der dingen, maar is “verborgen”; ze moet dus “ontborgen” worden - en dat wordt gedaan door de filosoof.

Die filosofische onthulling [in feite een constructie] van de “ware werkelijkheid” kreeg met Parmenides (tijdgenoot van Herakleitos maar werkzaam in Z-Italië: Elea) ook de opdracht, “de verschijnselen te redden” (sooizein ta phainómena).(1)  Waarom “redden”? Parmenides had als “wet” voor de komende generaties vastgelegd dat “wat is, is”. Wat “is” (in de zin van: de “ware werkelijkheid”) viel volgens Parmenides samen met wat kan “gedacht worden”; en omgekeerd: alleen wat kon “gedacht worden”, kon “zijn”. Hiermee werd de onvoorwaardelijke rationaliteit én intelligibiliteit geproclameerd van “wat is” - dus van de (ware) werkelijkheid of kosmische orde. Verandering, echter, in al haar vormen - ontstaan en vergaan, beweging, veranderingen in kwaliteit, kwantiteit, enz. - kón niet gedacht worden: immers, zij “is niét” (ze “wordt”, zou je kunnen zeggen). Enkel wat onveranderlijk “is” - dus zijn identiteit behoudt - kón gedacht en gekend worden. De grote natuurdenkers na Parmenides: Empedokles, Anaxagoras en Demokritos zagen zich daarom voor de opdracht geplaatst alsnog de “fenomenen” - en dat zijn allemaal vormen van verandering en beweging - te “redden”: d.w.z. een “ware werkelijkheid”  - met een moeilijk woord: een ontologie - te construeren, die enerzijds recht deed aan de “wet van Parmenides” maar die anderzijds, via combinaties van een veelheid van elementen, ook recht deed aan de empirische fenomenen.
 


4.
Laat ik mij beperken tot de laatste, Demokritos (van Abdera, in Thrakië). Hoewel al zijn teksten verloren zijn gegaan, zijn wij omtrent zijn opvattingen ge
ïnformeerd dank zij onder meer Aristoteles’ kritieken op zijn theorieën.

De ware werkelijkheid - object van “ware” of “legitieme” kennis -, aldus Demokritos, zijn “atomen en leegte”. Alle soorten daarentegen van zintuiglijke perceptie - nl. zien, horen, ruiken, smaken en betasten -, worden door hem als “illegitieme”, “bastaard” of “duistere kennis” bestempeld; ze betreffen fenomenen - zoals kleuren, warmte-koude, geluiden, smaken, enz. - die “niét waarlijk, maar slechts door gelding (nómooi)” het geval zijn. Badwater, bv. “geldt” als “warm”, maar “is” het niet. Zoals Demokritos bv. in fr. 9 (en fr. 125) zegt:

“Door gelding (nómooi) is er zoet, door gelding is er bitter, door gelding is er warm, door gelding is er koud, door gelding is (er) kleur, in werkelijkheid zijn er (slechts) atomen en leegte”.

We mogen dat niet begrijpen in de zin dat kleuren, smaken, enz. louter inbeelding of fictie zouden zijn, integendeel. Overeenkomstig wat de Engelse filosoof, John Locke, veel later “secundaire kwaliteiten” noemde, worden alle empirische kwaliteiten door Demokritos teruggevoerd op specifieke combinaties van “atomen en leegte”. Elk atoom - dat op zich, door z’n kleinte, aan onze zintuiglijke perceptie ontsnapt en enkel voor de (fijnstoffelijke) “geest” ken- of zichtbaar is - beantwoordt aan “de wet van Parmenides”: het “is” (en dat komt overeen met: “is vol”, of “massief”, en dus niet verder deelbaar, maar “átomos”); daartegenover is de leegte wat “niet is”. Maar die leegte is wel noodzakelijk: het is pas dank zij het (oneindige) luchtledige dat een oneindig aantal atomen met elkaar in botsing komen en met elkaar allerlei willekeurige combinaties aangaan, zoals: sterren en planeten, de aarde, mensen, dieren, planten, kleuren, enz. Laat ik even terugkeren naar de atomen.

Vanuit ontologisch opzicht zijn atomen alle elkaars gelijke; ze “zijn” allemaal in gelijke mate. Ze hebben noch kleur, noch geur, noch temperatuur, noch gradaties van dichtheid. Ze hebben nochtans wel één “kwaliteit” (maar wordt gewoonlijk niet als “kwaliteit” gecategoriseerd), nl. een “vorm” (waaronder begrepen: een geometrische vorm, zoals rond of sferisch, hoekig, vierkantig, zelfs met haken, enz., plus een grootte). Elk (onzichtbaar) atoom wordt dus gedefinieerd door zijn “vorm”.  Het Griekse woordje voor zulke vorm is... “eîdos”, of “idéa” - wat dezelfde woordjes zijn als degene die Platoon gebruikte voor zijn zgn. “ideeënleer”. Ook Demokritos, bijgevolg, had een “ideeënleer”. Alleen: bij hem zijn die “ideeën” of “vormen” geen onlichamelijke of geestelijke, maar integendeel lichamelijke of fysische entiteiten, die dank zij hun combinaties onze verschillende gewaarwordingen veroorzaken en dus fysisch verklaren: bv. een zoete smaak (die dus “an sich” niet bestaat) wordt teweeggebracht door “ronde” atomen; een prikkelende smaak door “hoekige” atomen, enz. Tot zover enkele principes van dit atomisme.

De vraag is dan: wààrom is het belangrijk - in dit geval volgens Demokritos -, dat wij wéten wélke rationele (en dus denkbare) zijnsorde er verscholen gaat achter de chaotische, voortdurend veranderende (en dus ondenk- en onkenbare) empirische fenomenen? Gaat het hier louter om “eruditie”? Een louter “weten om het weten”, zoals Aristoteles het zou formuleren? Het antwoord hierop is alvast: Néén.
 


[PS Onderstaande uiteenzetting vindt de lezer(es) nu ook uitvoerig(er) terug in de syllabus "Antieke Wijsbegeerte: Van Thales tot Augustinus", "Een Aanloop", kap. 2.2., op deze site. HdL, 6/5/07]


5.
Voor een d
ieper gaand antwoord op de vraag moeten we ons wenden tot de Griekse visie op de mens en op zijn/onze relatie tot de werkelijkheid in het algemeen. De fundamentele uitgangspunten daarvan waren, merkwaardig genoeg, gedeeltelijk reeds in de Griekse taal gegeven.

Laten we, ter verhelderend contrast, vertrekken van de voor ons, vanuit de westers-christelijke traditie, evidente visie op de menselijke psyche: namelijk als een drie­ëen­heid van rede, emoties en wil. Weliswaar met ‘n evolutie in eerst theologische en vervolgens filosofische perspectieven (vanaf Augustinus, over Thomas, en vervolgens Descartes tot bij Kant), geldt de derde, volitieve zielsfunctie als een vanzelfsprekend, onmisbaar en doorslaggevend referentiepunt bij beschrijving én morele evaluatie van menselijke handelingen (vgl. bv. in onze rechtspraak: de grote betekenis van de intentie of “voorbedachtheid”).

[Een recent voorbeeld van deze "natuurlijke evidentie", vond ik in het NRC Handelsblad, van 15 nov 2001. Het betrof een bijdrage over een "plotselinge" extra aanwas van het aantal leden van plaatselijke partijafdelingen. Dat was o.m. het geval voor de plaatselijke PvdA-afdeling in Amsterdam-Zuidoost. Door de landelijke PvdA-voorzitter werd een speciale commissie aangesteld die moest onderzoeken "wie de nieuwe leden (waren) en waarom zij lid (waren) geworden". Als motivering werd door een advocaat en prominent PvdA-lid gegeven: "Wij twijfelen aan het persoonlijk wilsmoment van hun lidmaatschap". ]

Welnu, dat vanzelfsprekende wilsbegrip werd en wordt vaak ook “in-gelezen” in Griekse literaire en filosofische teksten. Uit een meer aandachtige studie echter van het tekstmateriaal blijkt dat het wilsconcept in werkelijkheid onbekend was aan de oude Grieken. Noch in het niet-filosofische noch in het filosofische oud-Grieks is er een woord te vinden dat volledig correspondeert met onze “wil” (“volonté”, “will”, “Wille” ..., alle afgeleid van het Latijnse "voluntas").

Een literatuurstudie toont aan dat vanaf het oudste tekstmateriaal: de heldengedichten van Homeros, eigenlijk een tweevoudige basispsychologie domineert ter beschrijving van menselijk handelen. Anders gezegd, het menselijke gedrag wordt verklaard vanuit de interactie tussen twee basisvermogens of krachten: de rationele of verstandelijke, enerzijds, en de irrationele van emoties en passies, anderzijds (de laatste konden eventueel, zoals bij Platoon, onverdeeld worden in twee subvermogens).  In de Griekse taal manifesteert dit gegeven zich in het feit dat wat wij, met één term, als “willen” bestempelen, daar opgesplitst wordt tussen twéé werkwoordgroepen (die wij gemakshalve vaak beide met “willen” vertalen):

(1°) de eerste (ethéloo) wordt in de literatuur aangewend voor de veeleer passieve en spontane ontvankelijkheid t.a.v., overgave aan externe invloeden, prikkels of stimuli; betekenis: “geneigd, bereid, gedisponeerd zijn te”, “zich laten overhalen te”, enz. (bv. van goden, nadat hen offers zijn gebracht); als zodanig verwijst deze woordgroep naar veeleer het emotieve, of de gevoelsfunctie;

(2°) daartegenover is er de woordgroep rond boùlomai, e.d.: ze verwijst in de eerste plaats naar het plannen en overleggen dat voorafgaat aan bewust handelen (de woordgroep is etymologisch verwant aan woorden die verwijzen naar “raad, beraad, overleg, beraadslaging”, enz.); boùlomai kan, qua betekenis, dus omschreven worden met: “ik verkies op grond van verstandelijk overleg”.

Anders gezegd: in zoverre “willen” gezien werd (en benoemd werd) vanuit het perspectief van een actief vermogen, leidend naar minder of meer bewust, doelgericht handelen, werd het beschouwd als, respectievelijk herleid tot een functie van het verstand, van de rede, en dus als ondergeschikt aan de kennis.  Morele waardeoordelen bijgevolg werden in de eerste plaats betrokken op de intellectuele prestaties die geïmpliceerd leken in iemands gedragingen (vgl. bv. het Oedipus-drama: kennis en onwetendheid spelen daarin een centrale rol: de vadermoord, de sfinks, het incest...). Ook het Grieks woord voor “zondigen”, nl. hamartánein (hamartía, fout, zonde) betekent letterlijk “zijn doel missen, ernaast zitten” - zoals men dat van een boogschutter zou zeggen, die de roos "mist".

Dat alles zette - hoe kon het anders? - een intellectualistische stempel op het Griekse ethisch-filosofische denken. In tegenstelling tot Kants moraalfilosofie bv., die uitdrukkelijk gebaseerd is op de autonomie en vrijheid van de menselijke wil, was er in de Griekse ethika helemaal geen plaats voor een zelfstandige wil (of dat soort van "vrijheid"). De bekendste belichaming, natuurlijk, van die intellectualistische ethiek zou Sokrates zijn, met zijn grondstelling: “deugd is kennis” (dwz het volstààt het goede te kénnen om het ook te “kiezen” en dus te doen); of negatief geformuleerd: “niemand handelt vrijwillig fout” (maar het Griekse woord voor “vrijwillig” betekent eigenlijk “met kennis-van-zaken”, dwz met kennis van het goede of nuttige).

Immoreel gedrag is dus in laatste instantie te herleiden tot een vergissing (cf. hamartía), of tot onwetendheid - behalve, natuurlijk, wanneer men niét “gewild” heeft (in de actieve betekenis), maar zich heeft laten meeslepen door zijn passies, enz. (en dan gaat het om “ethéloo”). Die opvatting, die het objectief gegeven-zijn impliceert van het (ware) goede, vinden we uitdrukkelijk geformuleerd bij een auteur als Platoon. Vandaar dat hij in zijn dialoog, de Gorgias (467C-468E) het gebruik van het werkwoord boúlomai wil beperkt zien tot intenties die inderdaad gebaseerd zijn op de perceptie van het échte, objectieve goede, d.w.z. op rationele kennis.

Zeggen dat slechts van “willen” mag gesproken worden, indien de intentie inderdaad gericht is op “het goede” (of: het goede “in het vizier heeft”), veronderstelt dus dat het goede inderdaad objectief (dus buiten ons) gegeven is. En hier komen we dan met een omweg terug bij de rationele kosmische of zijnsorde (“rationeel” wil zeggen dat zij congruent is aan de menselijke ratio): die rationele zijnsorde en het objectieve goede vallen samen (zoals Aristoteles het formuleert in Boek Alpha van de Metaphysica, 982b7: "het hoogste goed in de natuur in haar geheel"). Moreel "goed” is dan in principe elke gedachte of handeling die conform is aan, overeenstemt met de orde van het universum. Ik herhaal één van de drie frr. van Herakleitos, nr. 112:

“verstandig-zijn is de grootste deugd, en wijsheid is zeggen en doen wat waar is, in overeenstemming met de natuur, gehoor gevend”.  

En hier krijgen we dus het antwoord op de eerder gestelde vraag, nl. “waarom” het zo belangrijk was, de ware werkelijkheid, de ware natuur, de zijnsorde, enz., die “achter” de fenomenen verborgen ligt, te onthullen en dus te kennen en te doen kennen. Ook het menselijke goede immers valt daarmee samen. Zoals ook de Stoïcijnen het later zouden formuleren: het goede-leven, de eudaimonie en de deugdzaamheid, die allemaal kenmerkend zijn voor de Wijze, resulteren noodzakelijkerwijze uit “het leven in overeenstemming met de natuur” (homologouménoos tèi phúsei zên).

Samengevat: om goed te leven, moet de mens leven in overeenstemming met de objectief gegeven, rationele zijnsorde of natuur; enige voorwaarde daartoe is: die zijnsorde te kennen. Vandaar werd de ontologie de basisdiscipline in de Griekse filosofische traditie. Vandaar ook neigt het Griekse denken, vanuit onze post-christelijke visie, in mindere of meerdere mate steeds naar een vorm van "determinisme". Herakleitos formuleerde het in fr. 80 als: "alles gebeurt door strijd en noodzaak"; de atomisten stelden het nog uitdrukkelijker:

“niets ontstaat zo maar, maar alles ontstaat uit reden en door noodzaak” (Leukippos, fr. 2).


NOTEN:

(1) Voor een veel uitvoeriger bespreking van het denken van Parmenides, zie nu de tekst "Het Archaïsche Natuurdenken", § 3, op deze site. In die subdirectory vind je trouwens ook hoofdstukken over andere Griekse filosofen, zie de lijst op: http://www.flwi.ugent.be/cie/1ba/index.htm

Literatuur/verwijzingen: zie deel 2.

* Lezing gehouden voor het Studium Generale van de Universiteit Maastricht, op donderdag, 15 november 2001, in de reeks "Comparatieve Filosofie". Met dank aan aan de vrienden Jacques Reiners (hoofd bureau) en Marcel Leduc (Maaseik). Website van het SG/UM: http://go.to/studiumgenerale

De Ley-Index • CIE-Index

UPDATE: 27 mei 2010