SYLLABUSMATERIAAL H.DE LEY

De Ley-Index • CIE-Index

VAN AL-ANDALUS TOT KATHOLIEK SPANJE (3)

(© Herman De Ley)*

hoofdstuk 1 - hoofdstuk 2 - hoofdstuk 3 - literatuurlijst

Hoofdstuk 3:

Moslims in Katholiek Spanje

 



1. De Mudéjares.

Behalve als dominante religie, zoals gezegd, bezit de West-Europese islam ook als minderheidsgodsdienst een pre-moderne geschiedenis. Vanaf de 9de eeuw werden moslimkrijgsgevangenen, in plaats van gedood, op grote schaal tot slaaf gemaakt en eventueel verkocht  door christelijke heersers. Dat fenomeen van moslimslaven kreeg vanaf de 11de eeuw vooral maatschappelijk belang op het Iberische schiereiland, in Italië, Zuid-Frankrijk, Sicilië en de Balearen.[1] De vaak gedwongen "kerstening" van deze mensen leidde onvermijdelijk tot het fenomeen van een Europese "crypto-islam".[2]

Een positieve uitzondering daarop - althans in de periode van de 11de tot de 16de eeuw - vormden een aantal christelijke koninkrijkjes op het Iberische schiereiland. In het kader, inderdaad, van de zogenaamde Reconquista veroverden christelijke vorsten, al dan niet permanent, soms uitgestrekte moslimse gebieden.[3] Ondanks protesten van de Kerk en ongetwijfeld onder inspiratie van de islamitische dhimma, werd aan de lokale moslimbevolking vaak een vorm van godsdienstvrijheid en bescherming aangeboden (met ook behoud van hun eigendomsrecht, bv.), ten einde hen ertoe te overhalen te "blijven". De motieven van de vorsten om overwonnen moslims (vaak stedelijke groepen van ambachtslui, maar ook landbouwers, vertrouwd met superieure irrigatietechnieken) aldus tegemoet te komen, waren ongetwijfeld overwegend van "economische" en financiële aard, m.a.w. gebaseerd op eigenbelang (cf. het populaire gezegde "a más moro, más oro").

Die omvangrijke populaties van zgn. mudéjares[4] - bv. in Castilië (na de verovering van Toledo, in 1085), in Aragón (capitulatie van Huesca, in 1096), in Navarre (val van Tudela, in 1119) - betaalden een gelijkaardige "belasting" als hun christelijke tegenhangers in al-Andalus; tevens waren ze aan vergelijkbare restricties onderworpen (het was hen bv. verboden christenen te bekeren tot de islam; in Aragón en Castilië wachtten christelijke bekeerlingen tot de islam de doodstraf).[5] Hun positie was weliswaar niet altijd rooskleurig (net zoals, nogmaals, die van hun christelijke tegenhangers), maar toch slaagden zij erin een eigen vorm van cultuur - in moderne terminologie: een "frontier culture" - te ontwikkelen.[6] In het koninkrijk Valencia - waar met de (definitieve) val van de stad, in 1238, de meest omvangrijke groep moslims in één keer de christelijke overheersing aanvaard had - behielden de mudéjares zelfs hun Arabische taal tot op het einde (d.w.z. tot ca 1525).

Zo ontwikkelde zich bv. een hoogstaande mudéjares-architectuur en -sierkunst,[7] een mudéjares-literatuur (in het Romaans), e.d. De 250 jaar vanaf het midden van de 13de tot het einde van de 15de eeuw vormden daarbij de mudéjar-periode par excellence.[8] De essentie van het zgn. "mudejarisme", zoals Harvey beklemtoont,[9] bestond erin dat moslims zich onderwierpen en dat ze een niet-moslimheerschappij aanvaardden - ondanks het feit dat dit door moslimwetgeleerden in de dâr al-islâm werd afgekeurd en de mudéjares in tal van fatwa’s werden aangemaand alsnog de "hijra" te maken, d.w.z. te emigreren uit het land van de ongelovigen (de zgn. dâr al-harb, of "het huis van de oorlog") naar de eigen dâr al-islâm. [10]

 

 

2. De  Moriscos

2.1. Aan die vrij unieke, christelijke "convivencia" - d.w.z. aan "la España de la tres culturas", zoals dit fenomeen vaak genoemd wordt: christelijk, joods en moslim[11] - kwam er een einde met de "verovering" van het laatste moslimbolwerk op het schiereiland, het koninkrijk Granada, in januari 1492.[12] De veldtocht tegen Granada (nochtans een "vazal" van Castilië)[13] was al tien jaar eerder ingezet als een nieuwe "kruistocht" tegen de islam; er mag daarom gesproken worden "van een uitputtingsoorlog met een even methodisch als moorddadig karakter".[14] Ze diende vanzelfsprekend het politieke belang van de nieuwe, zgn. "dubbelmonarchie", Ferdinand V van Aragón (1482-1516) en Isabella van Castilië (1474-1504): nl. het hechter aaneensmeden van de vele koninkrijkjes middels de confrontatie met een gemeenschappelijke vijand.[15] Maar toegewijd als zij zich had aan de "servicio de Dios", had die monarchie ook uitgesproken religieuze motieven met de oorlog tegen de moslims van Granada. De Osmaanse verovering van Constantinopel, in 1453, en andere verontrustende signalen van een zegevierende islam in het Oosten[16] hadden in christelijk Europa weerom de roep doen weerklinken voor een "kruistocht" tegen de volgelingen van de "Antichrist". Beide "katholieke vorsten" voelden zich daarom speciaal uitverkoren, als kampioenen van de Mediterrane christenheid, om in eerste instantie het eigen rijk eindelijk in zijn geheel onder de éne, ware religie te brengen - in afwachting dat ook Afrika en Azië aan de greep van de islam konden ontrukt worden. [17]

De eerste slachtoffers, weliswaar, van de religieuze euforie die volgde op de "verovering" van Granada,[18] waren niet de moslims, maar de joden: zij werden, zoals bekend, nog hetzelfde jaar uit geheel Spanje verdreven (het koninklijk Edict van 31 maart 1492 gaf hen 4 maanden de tijd om - letterlijk - "hun biezen te pakken").[19] Die anti-joodse maatregel, onmiddellijk na het wegvallen van de laatste moslimmacht op het schiereiland, mag in eerste instantie verwonderlijk lijken, omdat Ferdinand en Isabella zich omringd hadden met o.m. joodse en converso-raadgevers. Alleszins in dat repressieve opzicht, nl. van het katholieke antisemitisme, zou men kunnen spreken van een "herstel" van de pre-moslimse situatie.

Volgens Christiane Stallaert moet de uitwijzing van de joodse bevolking vooral gekaderd worden in het 15de-eeuwse

"integratiebeleid met betrekking tot de converso-minderheid. De aanwezigheid van joden belemmerde de integratie van de nieuw-christenen en het maatschappijtype van convivencia werd dan ook definitief ingeruild voor een christelijk exclusivisme". [20]

In het kielzog, inderdaad, van de bijzonder gewelddadige, anti-joodse pogroms in tal van steden van Castilië en Aragón, in de zomer van 1391, hadden vele joden - d.w.z. wellicht meer dan de helft (op een totaal van oorspronkelijk ca 200.000) - zich in de eerste helft van de 15de eeuw bekeerd tot het christendom. Onder de naam van conversos of Marranos, vormden zij een goed herkenbare en tegelijk maatschappelijk vaak erg suksesvolle minderheid van zgn. "nieuw-christenen" (nuevos cristianos). Vanwege de zgn. "oud-christenen" werden zij - al dan niet terecht[21] - verdacht van crypto-judaïsme, en in het midden van de eeuw kwamen ze net zo goed als de echte joden bloot te staan aan toenemende discriminaties en gewelddaden, vooral dan in de zuidelijke steden van Spanje.[22] Ook de oprichting van de beruchte Spaanse Inquisitie (el Santo Oficio) moet binnen die context worden gesitueerd van etnisch-religieuze, antisemitische verdachtmaking en intolerantie.[23] Haar eerste optreden, in 1481 in het andalusische Sevilla, deed onder de lokale conversos onmiddellijk een algemene paniek uitbreken, waarbij duizenden de stad ontvluchtten.[24] Ook het al vermelde uitdrijvingsedict van 31 maart 1492 vermeldt uitdrukkelijk de "nauwe communicatie tussen christenen en joden" als de voornaamste oorzaak voor "slechte christenen [conversos] die judaïseren en afvallig worden".[25]

Het jaar 1492, vanzelfsprekend, was ook - en voor Europeanen is het dat quasi uitsluitend[26] - het jaar waarin Christoffel Columbus, in opdracht van hetzelfde Spaanse koningspaar, vertrok op zijn eerste reis naar "las Indias" - om in werkelijkheid de zgn. "Nieuwe Wereld" te ontdekken. Tussen die drie gebeurtenissen: de val van moslim-Granada, de uitdrijving van alle resterende joden én de expeditie van Columbus, bestaan er wel degelijk allerlei verbanden. Zo was het op dezelfde dag, nl. 2 augustus 1492, toen de joden massaal vanuit Cádiz inscheepten op weg naar een nieuwe diaspora,[27] dat uit een kleinere haven even verder noordelijk, nl. Palos (bij Huelva), Columbus’ drie (kleine) schepen vertrokken.[28] Bovenal, kunnen alle drie de gebeurtenissen gesitueerd worden binnen het messianistische gedachtengoed van het koningspaar. Op die context wordt door Columbus zelf, in zijn dagboek, regelmatig gealludeerd.[29] Net trouwens zoals hijzelf,[30] stond met name ook Isabella[31] onder sterke invloed van de zgn. Spirituele franciscanen en hun profetische traditie: de verovering van de islam, de bevrijding van Jerusalem en de bekering van de joden werden daarin als het voorspel aangekondigd voor het Millennium en de tweede komst van Christus. Én de verovering, daarom, van Granada (gevolgd door een reeks van minder succesvolle "kruistochten" o.m. tegen het Noord-Afrikaanse Oran, in 1493), én het uitdrijvingsedict van de joden[32] én de missie van Columbus moeten geplaatst worden binnen het messianistische zelfbeeld van het koningspaar, nl. als degenen die vanwege God geroepen waren om Jerusalem te veroveren, Afrika en Azië te bevrijden van de islam en het universele christendom te realiseren, als een preludium voor het Millennium.[33]

2.2. T.a.v. de (voortaan Spaanse) moslims, daartegenover, werd na de val van Granada nog enkele jaren een "zacht" integratiebeleid gevoerd. Mede onder impuls, echter, van de machtige kardinaal Cisneros werd nog vóór het einde van de eeuw overgestapt naar de organisatie van zgn. massadopen: d.w.z. zowel de mudéjares, in de verschillende christelijke koninkrijkjes, als de moslims van het ex-koninkrijk Granada - en zulks ondanks het plechtige Capitulatieverdrag dat gesloten was met de laatste Nasride[34] - werden tussen 1499 en 1526 onder verschillende graden van dwang "bekeerd" tot het christendom.[35] Aan die "nieuw-christenen" van zgn. Moorse origine (in overgrote meerderheid waren zij ongetwijfeld van autochtone afkomst) ging men de naam geven van Moriscos.[36] Zij behoorden zo goed als allemaal tot de lagere sociale klassen (als ambachtslui in de steden, maar vooral ook als lijfeigenen op het platteland) en werden vrijwel onmiddellijk het slachtoffer van verregaande discriminaties (de bekeerde mudéjares moesten hun taksen blijven betalen, bv.), zo al niet van harde repressie en vervolging: eens bekeerd, immers, mochten ze Spanje niet meer verlaten, werden ze verdacht van ketterij of afvalligheid (crypto-islam) én als zodanig vervolgd door de Inquisitie. Islamitische of Arabische boeken werden vernietigd,[37] en er werd opgetreden tegen gebruiken die men verbonden dacht met de islam - zoals voedingsgewoonten en... het zich regelmatig baden en wassen. [38]

Zodra alle ex-moslims geacht waren gekerstend te zijn en de Inquisitie met haar werkzaamheden gestart was, vormde nominale of schijnbekering nog de enige uitweg voor Spaanse moslims. Generatie na generatie werden zij aldus uit lijfsbehoud verplicht centrale islamitische geloofsregels nog hoogstens in een erg gereduceerde vorm en clandestien te belijden (bv. het publiek gebed; de verplichting tot rituele reinheid; de ramadan, e.a.) en religieuze verboden (zoals het drinken van wijn, het eten van varkenvlees, het aanvaarden van rente, e.a.) regelmatig publiekelijk te overtreden. Zij kwamen daardoor in een situatie terecht die vrij uniek is in de geschiedenis van de (soennitische) islam. Weliswaar is de praktijk van taqiyya (lettl.: het "op-zijn-hoede-zijn") - d.w.z. het zich, onder dwang, uitwendig conformeren aan het heersende (on)geloof - binnen de islam niet onbekend, maar als doctrine was zij vooral door de shicitische minderheid ontwikkeld.[39] Zoals het geformuleerd wordt door Harvey:[40]

"It was the misfortune of the Moriscos to be the first large population of orthodox Mâlikî Sunni Muslims to find themselves in a situation in which their continued existence in their homeland depended on their willingness to conceal their true beliefs, not just with respect to one isolated incident, but regularly and throughout their lives".

Deze taqiyya vanwege de Morisken - die dit keer wél op begrip konden rekenen vanwege de islamitische rechtsgeleerden[41] - had contradictorische effecten: enerzijds werden ze in staat gesteld althans tijdelijk als (crypto-)moslims te overleven in een mono-religieuze, katholieke Staat; maar anderzijds, door de uitwendige tekenen en levensstijl te adopteren van de christenen, stelden zij zich bloot aan erosie van hun religieuze en culturele identiteit. Op het culturele vlak dient in dat verband nog de creatie vermeld te worden van een omvangrijke islamitische literatuur - bestemd voor crypto-moslims, en dus geheim - in de volks-Romaanse of Spaanse taal (zij het met sterke Arabische invloed), maar mede ter wille van de geheimhouding geschreven in het Arabische schrift, en vaak (wellicht opzettelijk) nogal duister geformuleerd: dit is de zgn. literatura aljamiada, of kortweg aljamía.[42] Harvey geeft hierbij als commentaar:[43]

"It is curious to think that at the same time that Lope de Vega and Cervantes were creating the great masterpieces of Spanish literature, Morisco authors were struggling with Spanish to mould it into a medium fit for the transmission of Islamic culture".

De Spaanse, repressieve politiek - die, zoals gezegd, ideologisch-doctrinaal gedragen werd door het principe van de "limpieza di sangre", d.w.z. de "zuiverheid van bloed", als een ethnisch-culturele notie[44] - lokte uiteraard verzet uit bij de slachtoffers ervan. Zo brak op het einde van 1568 een massale revolte uit in de andalusische Alpujarras;[45] ze breidde zich heel snel uit doorheen het gehele koninkrijk Granada en werd pas in 1571 volledig en bloedig onderdrukt (er stond een prijs van 20 dukaten op iedere dode Morisk).[46] Hierna volgden de repressieve maatregelen elkaar nog sneller op, tot uiteindelijk, in 1609, de politieke beslissing viel om alle overgebleven Morisken uit Spanje te deporteren - om redenen, zo luidde het, van nationale veiligheid (cf. de groepssolidariteit onder de Morisken en hun vermeend samenheulen met vreemde mogendheden: Marokko, het Osmaanse rijk, Frankrijk...). Die massale deportatie van een althans in naam dan toch gekerstende bevolking uit een katholieke koninkrijk[47] trof vermoedelijk rond de 330.000 mensen (op een totale bevolking van 8 of 9 miljoen, d.w.z. 3% van de bevolking).[48] Ze werd, allicht om praktische redenen, doorgevoerd in verschillende fazen, tussen 1609 en 1614. Sommige gemeenschappen werden direct, via de havens in het zuiden, getransporteerd naar Noord-Afrika;[49] anderen trokken naar Frankrijk (waar ze als minder orthodoxe christenen konden leven), of via Italië naar het Osmaanse rijk, of Egypte. Als ontheemden - die er verdacht erg Europees en christelijk uit zagen - ondervonden ze overal in de moslimwereld grote aanpassingsmoeilijkheden, zo al niet vijandigheid.[50] Vooral in Noord-Afrika gingen zij een substantiële minderheid vormen en, althans in Tunesië, genieten van een mate van lokaal zelfbestuur. [51]

Volgens een aantal hedendaagse Spaanse historici, had de maatregel van 1609 zonder meer de bedoeling "om de Morisken op het grondgebied totaal uit te roeien";[52] vaak trouwens kregen ze maar drie dagen de tijd om te vertrekken en waren daarna volledig vogelvrij, d.w.z. mochten straffeloos beroofd en gedood worden.[53] Er zijn nochtans tal van aanwijzingen dat, zoals reeds een eeuw vroeger met de jodendeportatie het geval was, ook vele Morisken zich aan de deportatie of de dood hebben weten te onttrekken,[54] of nadien het land opnieuw zijn binnengekomen. Zij zouden dan zijn opgegaan in de laagste klassen, en vooral in de zigeunerbevolking, met haar traditionele gastvrijheid t.a.v. alle marginalen.[55] Niet toevallig, allicht, heeft de Spaanse zigeunerbevolking precies in die periode een plotse en dramatisch aangroei gekend.[56] Met de massale deportatie van de Morisken werd dus géén einde gesteld aan het bestaan van een West-Europese crypto-islam (cf. ook de verdere verslaving van moslimkrijgsgevangenen). Op grond van Arabische bronnen kan, met name voor Spanje en andere Mediterrane landen, de aanwezigheid van crypto-moslims worden aangetoond tot in de 19de eeuw.[57] Hedendaagse familiegetuigenissen, anderzijds, vanwege andalusische "bekeerlingen", of neo-moslims, bevestigen iets dergelijks ook voor deze 20ste eeuw.

 



3. Epiloog

Vandaag wordt "Europa" heropgebouwd en post-Franco Spanje heeft, samen met de democratie en het pluralisme, ook haar islamitische erfenis herontdekt. Met de Comisión Islamica de España (erkend in 1992, d.w.z. 500 jaar na de val van Granada) is Spanje vandaag één van de weinige West-Europese land waar een (betrekkelijk) representatief lichaam van moslims bij wet erkend en geïnstitutionaliseerd is; voor vele West-Europese moslims geldt Spanje daarom als een voorbeeld. [58]

In de autonome regio Andalusië in het bijzonder is er sprake van een "revival" van de islam, via een opvallende stijging van het aantal bekeringen; ook een aantal ambtsdragers (zoals burgemeesters) bekennen zich tot de islam. Deze neo-moslims ervaren hun bekering als de "herontdekking" van een verloren, oorspronkelijke identiteit, als een "terugkeer" naar hun "wortels".[59] In alle belangrijke steden is een islamitische stichting actief (Jama’a Islamica de al-Andalus), en in Cordoba bestaat sedert enkele jaren een kleine, maar sterk gemotiveerde "Universidad Islámica Internacional Averroes de Al-Andalus". Rector ervan was tot aan zijn onverwacht overlijden Prof. Ali Kettani, uit Rabat, maar het professorencorps is quasi volledig "autochtoon" Spaans.

In het kader van het hedendaagse, andalusische nationalisme speelt ook de kwestie van de 17de-eeuwse, achtergebleven of teruggekeerde Moriscos een belangrijke ideologisch-politieke rol.[60] Niet verwonderlijk, zijn de andalusische nationalisten geneigd om de Morisco-sporen in de huidige andalusische samenleving eerder te over- dan te onderschatten.[61]

_______________________



NOTEN

[1] Bij de finale verovering van Minorca, bv., in 1287, werd de gehele bevolking ervan door de Aragonezen verkocht als slaven - met uitzondering van de heel rijken, die tegen een hoge losprijs konden emigreren naar Noord-Afrika; zie Fletcher, o.c., p. 136.

[2] Zie Van Koningsveld, l.c., maar vooral zijn “inaugurele oratie”, Islamitische slaven en gevangenen in West-Europa tijdens de late Middeleeuwen (Leiden 1994).

[3] “Zogenaamde” Reconquista, omdat de notie van een “hérovering” - sc. van het “oorspronkelijke”, christelijke Spanje op de vreemde bezetter - een puur ideologisch begrip was, gecreëerd door een bewustzijn dat pas ontstond in de loop van de militaire machtsstrijd (zie ook de creatie door Rome van de kruistochtideologie). Zie Christine Stallaert, Etnisch Nationalisme in Spanje. De historisch-antropologische grens tussen Christenen en Moren (1996), pp. 23-24: “In de acht eeuwen durende Reconquista groeide het collectief bewustzijn van het christelijke Spanje. Centraal in dit bewustzijn stond de godsdienstige identiteit... De hedendaagse Spaanse geschiedschrijving wijst de traditioneel-nationalistische interpretatie van de Reconquista af: het ging niet om een strijd tussen ‘Spanjaarden’ en de Moorse vreemde bezetter of om een kruistocht voor het geloof, wél om een interne machtsstrijd tussen twee religieus-etnische groepen, zodat de Renconquista eerder moet begrepen worden als een burgeroorlog”.

[4] Spaanse verbastering van het Arabische al-mudajjanûn, d.w.z. “degenen die gebleven zijn”, sc. in plaats van te emigreren naar de dâr al-islâm; ook: de ahl al-dajn, “de mensen van de dajngenoemd (het werkwoord dajan wordt ook gebruikt voor het temmen/getemd-zijn van dieren).

[5] Een belangrijk, zo niet essentieel, verschil met de dhimmî-s in de andalusische moslimstaat, was wel dat deze laatsten een statuut genoten dat religieus-politiek gewaarborgd was, nl. in het kader van de islamitische Wet; zij stonden bijgevolg onder “de bescherming van God en Muhammad”. De dajn, daarentegen, die de mudéjares beschermde, was louter te danken aan een particuliere “diplomatieke” bepaling in het eventuele verdrag afgesloten bij een militaire overgave, of in lokale charters. Naarmate de krachtsverhoudingen zich verder wijzigden in het voordeel van de christenen, verslechterde de situatie van de mudéjares steeds sneller. Voor een kritische bespreking van deze zgn. Convivencia, of vreedzame coëxistentie, tussen christelijke heersers en een onderworpen moslimbevolking, zie ook Fletcher, o.c., pp. 131-156.

[6] Voor de christelijke Mozaraben (het woord is afgeleid van het Arabische mustacrab, d.w.z. “gearabiseerd”) in al-Andalus was dat in mindere mate het geval, precies als gevolg van de veel grotere aantrekkingskracht van de Arabisch-islamitische cultuur; tegelijkertijd was er in Moslim-Spanje een toenemende christelijke “brain-drain”, als gevolg van de sterke propaganda vanuit het Noorden: “Ainsi pris en étau, les Mozarabes étaient condamnés soit à passer à l’Islam, soit à émigrer vers les royaumes chrétiens...”, D.Urvoy, Pensers d’al-Andalus (1990), p. 30. Zie ook M.de Epalza, Mozarabs: an Emblematic Christian Minority in Islamic al-Andalus, in: Jayyusi (1994), vol. 1, pp. 149-170; Margarita López Gómez, o.c.

[7] Prachtige voorbeelden daarvan zijn vandaag bv. nog te bewonderen in Sevilla: zo in het zgn. Casa de Pilatos (16de eeuw), en vooral het Real Alcázar: meer in het bijzonder in het zgn. Palacio del Rey Don Pedro, dat tussen 1364 en 1366 gebouwd werd op last van koning Pedro de Wrede door moslimkunstenaars en -ambachtslui (Sevilia - Isbîlia - was in 1248 verloren gegaan aan de Castiliaanse koningen).

[8] Zie het artikel, “Mudejar”, van de hand van P.Chalmeta, in de EoI, pp. 286-289; alsook L.P.Harvey, The Mudejars, in: Jayyusi (1994), I, pp. 176-187, cf. p. 176: “It was in the mid-13th century, with the enormous successes achieved by the armies of the Christian conquest, that ‘Mudejarism’ became firmly embedded in the social fabric of late medieval Spain”.

[9] Harvey, l.c.

[10] Zo lezen we in een fatwa: “Met ongelovigen te leven, wanneer ze geen dhimmî zijn en (als zodanig) een inferieure status hebben, is niet toegestaan, zelfs niet voor één uur per dag, omwille van al de onreinheid en vuiligheid die ermee gepaard gaat, en omwille van de zowel religieuze als wereldlijke corruptie die de hele tijd aanhoudt”. Gecit. bij Harvey, o.c., p. 179. Wat de mogelijke verklaring betreft voor de “halsstarrigheid” van de mudéjares, stelt Harvey de (suggestieve) vraag: “Was it love of the country in which they were born that motivated them to do so?”.

[11] Behalve christenen en moslims, waren ook de joodse gemeenschappen er actief bij betrokken, cf. Toledo, als internationaal vertaalcentrum.

[12] “Wat men de ‘verovering van Granada’ pleegt te noemen is een al even aanvechtbare term als de ‘ontdekking van Amerika’ in ditzelfde jaar”, E.M.Janssen Perio, Een Nieuwe Wereld. Europese ontdekkingsreizen en renaissance rond 1500 (1994), p. 99.

[13] En betaalde als zodanig jaarlijks een tribuut, gewoonlijk in goud.

[14] Jansen Perio, l.c.

[15] Het initiatief leverde het vorstenpaar ook tal van financiële voordelen op, zoals extra-subsidies vanwege de kerk, en van de paus het recht op de inkomsten van de verkoop van bijzondere aflaten (met de opbrengst daarvan zou in 1492 de expeditie van Columbus gefinancierd worden). Zie Kagan, o.c, p. 57.

[16] Bv. de verovering van het Zuid-Italiaanse Otranto, in 1480. Janssen Perio, l.c., merkt hierbij op: “de luxe van enig begrip voor de islam konden christenen en geleerden zich pas in de 18de en 19de eeuw permitteren”.

[17] Over het “messianisme” van dit koningspaar, zie verder.

[18] Het vorstenpaar kreeg van de paus de eretitel van “Katholieke Koningen” (los Reyes Católicos) precies als dank voor de inname van Granada; anderen bestempelden Ferdinand dan weer als de nieuwe Karel de Grote, enz. Zie Kagan, o.c., p. 58.

[19] Het aantal niet-bekeerde joden tegen het einde van de 15de eeuw wordt geschat tussen de 80.000 en 100.000. Sommige joden verkozen wellicht in Spanje te blijven als crypto-joden. De Nederlandse vertaling van het belangrijkste deel van de tekst van het Edict is te lezen bij Janssen Perio (1994), pp. 117-118 (met verwijzingen).

[20] Stallaert, o.c., p. 36. Zie natuurlijk reeds de anti-joodse politiek van de Visigothische heersers (cf. supra).

[21] De ophefmakende studie van B.Netanyahu, The Origins of the Inquisition in Fifteenth Century Spain (1995), heeft precies als hoofdstelling dat, ondanks de massa documenten/bekentenissen van de Inquisitie, de overgrote meerderheid van de Marranos wel degelijk overtuigde christenen waren (dat was trouwens ook de opinie van de eigentijdse, joodse rabbijnen, hoofdzakelijk in Noord-Afrika, die geconsulteerd werden over het probleem hoe, als jood, om te gaan met zulke conversos). Zie ook de kritische bespreking van Netanyahu’s boek door H.Kamen, in The New York Review of Books, XLIII.2 (February 1, 1996), pp. 4-6. Kamen stipt als verwonderlijk aan dat N. doorheen het gehele boek judaïsme en christendom als de belangrijkste componenten presenteert van de Spaanse religieuse cultuur: “Few readers would suspect that Islam was the largest faith in the peninsula, not Judaism”. Van de hand van Netanyahu verscheen ondertussen ook de bundel, Toward the Inquisition. Essays on Converso and Jewish History in Late Medieval Spain (1997).

[22] Enigszins vergelijkbaar met de situatie van zgn. genaturaliseerde allochtonen, vandaag, in onze samenleving, werden joden en Marranos door de oude katholieken over één kam geschoren. Zie Kagan, o.c., p. 58. Zoals gezegd, was dat ook al onder de Visigothen het geval, zie hoger.

[23] Het nieuwe aan de Spaanse Inquisitie, in vergelijking met de middeleeuwse (opgericht door paus Gregorius IX, in 1233), was dat zij onder koninklijke, en niet onder bisschoppelijke, jurisdictie stond. De toenmalige paus (Sixtus IV) gaf daartoe in november 1478 zijn toelating. Volgens Netanyahu was de groeiende intolerantie in werkelijkheid sociaal-economisch geïnspireerd, maar zocht men de concurrentie van de nieuw-christenen uit te schakelen door ze te beschuldigen van crypto-judaïsme (bv. in Toledo, in de jaren 1440).  In het identiteitsconflict dat eruit volgde, moet z.i. de eigenlijke geboorte van het racisme (en meer in het bijzonder van het anti-semitisme) worden gezocht: cf. de leer van de zgn. “limpieza de sangre” (alleen oud-christelijk bloed was “zuiver”), die in tal van steden in statuten werd gegoten om mensen met “onzuiver bloed” (d.w.z. van joodse oorsprong) te weren uit stadsraden, universiteiten, religieuze ordes, enz. (zie ook verder). De wrede repressie waaronder de Marranos te lijden hadden - cf. de zgn. auto’s de fe, i.e. publieke “vieringen” van het Tribunaal, tijdens dewelke de afvalligen opnieuw “verzoend” werden met het ware “geloof” (dank zij straffen, gaande van zweepslagen en publieke vernedering, voor berouwvolle zondaars, tot dood op de brandstapel) -, bracht mee dat vele vervolgden zich in wanhoop inderdààd weer tot hun oude geloof wendden: “It was not the judaizing of the Marranos that produced the Inquisition, but the Inquisition that produced the judaizing of the Marranos” (Kamen, o.c., p. 6, in zijn weergave van Netanyahu’s boek).

[24] Maar dat belette niet dat er tegen 1486 in Sevilla al 600 “ketters” aan hun eind waren gekomen op de brandstapel (PS de bevoegdheid van de Inquisitie betrof énkel katholieken; noch moslims noch joden waren eraan onderworpen). Ondertussen had de koning in 1483 “Broeder” Tomás de Torquemada aangesteld als eerste Groot-Inquisiteur. Onder de leiding van Torquemada werden in Sevilla 1.664 mensen levend verbrand en werden 32.456 tot “berouw” gebracht; over het totaal aantal slachtoffers van de Spaanse Inquisitie lopen de cijfers erg uiteen, gaande van 341.021 tot 800.000. Zie Manuel Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), p. 81.

[25] Geciteerd bij Kagan, o.c., p. 59. De repressieve maatregelen hadden zich in de decennia daarvoor opgevolgd: met een edict van 1480, bv., waren de joden reeds gedwongen geweest zich binnen een termijn van twee jaar in een volledig omheinde wijk (de judería) te vestigen, volledig afgesloten van de christelijke bevolking, die aldus moest gevrijwaard blijven van “besmetting”.

[26] Zie María Rosa Menocal, Al-Andalus and 1492: The Ways of Remembering, in: Jayussi (1994), I, pp. 483-504.

[27] Joodse rabbijnen bestempelden de expulsie als een nieuwe "exodus", vergelijkbaar met het vertrek van de joden uit Egypte. Het aantal Sephardische joden dat vertrok wordt door Kagan, o.c., p. 60, geschat op minimum 40 tot 50.000; ze vertrokken vooral naar bestemmingen in Portugal (waaruit ze opnieuw zouden verdreven worden in 1496), Noord-Afrika, Italië, Polen en het Osmaanse rijk: in dat laatste werden ze door sultan Beyazit II gastvrij ontvangen en gevestigd in steden als Istanbul en Saloniki (nog op het einde van de 19de eeuw was de helft van de bevolking van deze belangrijke stad joods; tijdens de Nazi-bezetting, W.O.II, werden 42.830 joden uit Saloniki naar Birkenau weggevoerd), maar een groot aantal vestigde zich ook in de Arabische wereld: Damascus, Caïro, Baghdâd...(nauwelijks of geen dus in... Palestina). Zie hierover: Avigdor Levy, The Sephardim in the Ottoman Empire (Princeton 1992). In Janssen Perio (1994), pp. 114-115, wordt een kaart van Europa afgedrukt die de verdrijvingen van de joden tussen 1000 en 1500 aangeeft.

[28] Het hoofdstuk, bij Janssen Perio (1994), over “de verdrijving van de joden uit Spanje”, pp. 112-118, evenals dat over de val van Granada worden niet toevallig in het Columbusdeel (Deel II: De vijftien jaren van Columbus) behandeld.

[29] Columbus start zijn dagboek (dat gericht is aan het koningspaar) met een verwijzing naar de recente overwinning op “de Moren die heersten in Europa”, heeft het ook over de expulsie van alle joden “uit al uw koninkrijken en gebieden” en koppelt beide aan zijn eigen opdracht om “las Indias” te verkennen, ten einde uit te maken “hoe hun bekering tot het Heilige Geloof zou kunnen ondernomen worden” (gecit. bij Kagan, o.c., p. 60). Terloops mag hier vermeld worden dat de eerste om in alle scherpte de mishandeling en uitroeiing aan te klagen van de Indianen in de “Nieuwe Wereld”, nl. Bartolomé de Las Casas (1475-1566; cf. o.m. zijn controversieel boek, “Kort relaas van de verwoesting van de West-Indische landen”, van 1552), van afkomst een... converso was (hij trad in de jaren ‘20 van de 16de eeuw toe tot de orde van de Dominikanen).

[30] Cf. zijn Boek van Profetie, geschreven in 1498, waarin hij uitrekent dat het Millennium nabij is. Tegelijkertijd belijdt hij ook voor zichzelf messianistische ambities (“God maakte mij de boodschapper van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarover hij sprak in de Apokalyps van H.Johannes, na erover te hebben gesproken door de mond van Isaiah; en hij toonde mij de plek waar ik ze kon vinden”, nogmaals geciteerd bij Kagan, l.c.).

[31] Cf. haar invloedrijke biechtvader, de Franciscaner kardinaal Cisneros. Voor bibliografische verwijzingen, zie Kagan, o.c.

[32] Zoals gezegd, kregen de joden vier maanden de tijd om zich klaar te maken voor het vertrek (ze konden hun eigendommen ondertussen verkopen en mochten ook eigendom meenemen, zij het met uitzondering van goud en zilver en enkele andere zaken verboden bij wet). Er zijn aanwijzingen dat Isabella erop rekende dat het uitdrijvingsedict alsnog een massale bekering van de overgebleven joden zou uitlokken (in werkelijkheid was het omgekeerde het geval: de joodse gemeenschap, die tot dan toe scherp verdeeld was, werd erdoor verenigd). Zie Kagan, o.c., p. 60.

[33] Kagan, o.c., p. 61.

[34] De 67 artikels van het verdrag “garandeerden” o.m. de godsdienstvrijheid voor de moslims en verzekerden dat er geen bekeringsbeleid zou worden gevoerd, cf. Stallaert, l.c.; voor een lang uittreksel ervan (in Engelse vertaling), zie Ahmad Thomson, Blood on the Cross. Islam in Spain in the light of Christian persecution through the ages, London 1989, pp. 249-251; voor korte selectie in Nederlandse vertaling, zie Janssen Perio (1994), pp. 105-106. Cf. artikel 32: "Evenzo is vastgesteld en overeengekomen dat tegen geen enkele Moor of Moorse geweld mag worden gebruikt om hem of haar christen of christin te laten worden".

[35] De opstanden waartoe dat beleid aanleiding gaf, vooral in Granada, werden met harde hand onderdrukt. De moslims kregen de keuze tussen “o todos moros o todos cristianos”, d.w.z. tussen collectieve bekering of ballingschap. Wie wou emigreren naar Afrika diende daar weliswaar een hoge som geld voor te betalen; bekeerlingen mochten hoe dan ook niet vertrekken. Op die manier kon men er in 1501 officieel van uitgaan dat het koninkrijk Granada christelijk was geworden.

[36] Zie het artikel “Moriscos”, van G.A.Wiegers, in de EoI, vol. VII, fasc. 117-118 (1991), pp. 241-244; maar vooral L.P.Harvey, The political, social and cultural history of the Moriscos, in: Jayyusi, I (1994), pp. 201-234 (pp. 201-203 over de dubbelzinnigheid van de benaming: “morisco” betekent op zich weinig meer dan “moors”; Janssen Perio,o.c., p. 471 n. 19, geeft als letterlijke vertaling van Moriscos: "Moortjes"). Zoals bekend, komt de benaming “Moor” van de naam “Mauri”, d.w.z. de Berberbewoners van de Romeinse provincie Mauretanië. Het gebruik ervan heeft niet enkel raciale connotaties, nl. van zwarte huidskleur (in werkelijkheid zijn vele Berbers blond en blauwogig), maar beklemtoont ook de Berberse component in de Andaluscultuur. Zie Glick (1979), pp. 14-15.

[37] Tijdens de bekeringskampagne onder de “Moren” van Granada, in 1500, zou kardinaal Gimenez op het marktplein van Vivarrambla meer dan 1 miljoen boeken verbrand hebben, waaronder unieke werken uit de andalusische cultuur (Thomson, o.c., p. 255).

[38] Het uitroeien van alle sporen van islam ging bv. gepaard met de systematische vernieling van publieke badhuizen. De gevolgen voor de volksgezondheid laten zich raden. Cf. L.Catherine, Vuile Arabieren (1993), p. 7: "De heren inquisiteurs herkenden moslims trouwens aan hun lichaamsgeur: wie tekenen van geregeld wassen van lichaam en kleding vertoonde, was een moslim. Zo bepaalde het de groot-inquisiteur in zijn handboek. Wie kwalijk rook was een waar kind van onze moeder de Heilige Kerk". Ook verschillen in voedingspatroon wekten wantrouwen: “Verbruik van wijn en varkensvlees werd de maatstaf om een goed, overtuigd christen te onderscheiden van de nieuwe ‘schijn’christenen. Christen-zijn werd in de Spaanse zestiende-eeuwse maatschappij haast herleid tot een dieetkwestie”, Stallaert, o.c., p. 49. Tenslotte, werkte ook het waanbeeld van de grotere vruchtbaarheid van de Morisken (cf. vandaag, i.v.m. Marokkanen en Turken, in ons land) bij de zgn. oud-christenen de angst in de hand dat hun meerderheidspositie en machtsmonopolie bedreigd werden (vandaar radicale voorstellen om bv. alle Morisken-mannen tussen de achttien en veertig jaar te... castreren). Zie Stallaert, o.c., p. 48 en n. 186 (p. 193).

[39] Cf. reeds de Qor’ân, 16.106 (veroordeling van apostasie): “Wie ongelovig wordt aan Allah na geloofd te hebben, - tenzij wie gedwongen is, terwijl zijn hart rustig verzekerd is in het geloof -, maar wie zijn borst verruimt met ongeloof, op hen is toorn vanwege Allah en voor hen is een ontzaglijke bestraffing” (vert.  Kramers).

[40] O.c., p. 212.

[41] Belangrijk is hier de fatwa daaromtrent uitgesproken door een mufti in Oran, tussen 1503 en 1504 - de tekst werd nadien ook vertaald in het Spaans, maar in Arabisch schrift -, die een tolerant patroon verschafte voor de klandestiene Morisco-variant van islam. Zie Harvey, o.c., pp. 209-210. Er is bijgevolg een opvallend verschil tussen de houding vanwege moslimgeleerden t.a.v. de Moriscos en die van joodse rabbijnen t.a.v. de Marranos. Het lijden van deze laatsten lokte vanwege hun eertijdse geloofsgenoten, in plaats van sympathie, integendeel heel wat leedvermaak uit (ze kregen “hun verdiende loon”). Zie Netanyahu, bij Kamen, o.c., p. 4.

[42] Het oorspronkelijke Arabische woord, cajamî, betekent “niet-Arabisch, vreemd”. Zie Harvey, o.c., pp. 212-220, die opmerkt, ibid., p. 213: “To the best of my knowledge there is no evidence that any Christian Spaniard, however well-informed, was ever aware of its existence”.

[43] O.c., p. 218.

[44] Zoals gezegd (zie hoger), na de oprichting van het Tribunaal van de Inquisitie, werden ook de zgn. limpieza- of zuiverheidsstatuten ingevoerd: “De invoering van een zuiverheidsstatuut betekende dat men, om toegang te krijgen tot een sociale instelling of ambt, moest kunnen aantonen dat men van zuivere oud-christelijke origine was, dat men dus geen Moors, joods of ‘ketters’ bloed in de aderen had of dat men nooit te maken had gehad met de Inquisitie”, Stallaert, o.c., p. 38. De vorming, in deze eeuwen, van de Spaanse natie-staat gebeurde dus a.h.w. op basis van een “biologisch katholicisme” (Stallaert).  De verschuiving van dit Spaanse racisme in 15de en 16de eeuw, nl. van joden naar “Moren”, vertoont parallellen met de verschuiving van het moderne racisme, nl. van het antisemitisme (anti-judaïsme), in de jaren ‘30 van de 20ste eeuw, naar het hedendaagse anti-moslimisme.

[45] Min of meer gelijktijdig was ook in de noordelijke Spaanse gebieden (Vlaanderen en Nederland) een grootschalige opstand uitgebroken.

[46] Naar schatting ca 60.000 Morisco’s zouden in deze jaren de dood hebben gevonden, voor een “kostprijs” voor de overheid van 3 miljoen dukaten; cf. Thomson, o.c., p. 293.

[47] Stallaert, o.c., p. XVIII, noemt de maatregel “een uniek geval in de geschiedenis van het christendom, aangezien het de uitwijzing betreft van een groep christenen uit christelijk grondgebied”.

[48] Zie Harvey, o.c., pp. 230-231; Stallaert, o.c., p. 49, houdt het bij “zo’n 275.000". Tegelijkertijd werden de christelijke landheren schadeloos gesteld voor hun economisch verlies wegens het gedwongen vertrek van hun werkvolk...

[49] Dat kon echter gepaard gaan met repressieve maatregelen: zo kwam er bij de inscheping van de Moriscos in Sevilla een koninklijke order die hen verbood naar een moslimland te vertrekken met kinderen onder de zeven jaar. Een duizendtal kinderen moesten aldus achtergelaten worden. Een belangrijk eigentijds ooggetuigeverslag over de omstandigheden van de Moriscos, hebben we te danken Ahmad Ibn Qâsim al-Hajarî (gest. na 1640). Zijn boek is nu uitgegeven, met inleiding en geannoteerde vertaling, door P.S. van Koningsveld, Q. al-Samarrai & G.A.Wiegers (in de reeks Fuentes Arábico-Hispanas, 21, Madrid 1997).

[50] Zo spraken de Morisken die in 1610 Tunesië en Marokko bereikten, blijkbaar geen Arabisch meer, maar Spaans, cf. G.S.Colin, art. al-Andalus, in: EoI, p. 502. Vooral in de westelijke Maghreb werden de ballingen vaak het slachtoffer van geweld en doodslag.

[51] “Their traces... still survive in many spheres and many North Africans proudly proclaim their Andalusian origin which is in many cases apparent from their patronyms” [bv. Castillo, Blanco, Negro, enz.], J.D.Latham, in EoI, I (1960), p. 496 (Appendix: the ‘Andalus’ in North Africa”).  Harvey, o.c., p. 212, wijst nog op de moskeeën in Spaanse barokstijl die sommigen oprichtten in hun Tunesische verblijfplaats (Testour). Verwijzen we bv. ook naar de huidige Arabo-andalusische muziek van de Maghreb-landen: Marokko, Algerije, Tunesië en Libië. Een van de belangrijkste stijlen van deze muziek vindt volgens de orale traditie zijn oorsprong in Granada - Gharnata in het Arabisch - en wordt de Tarab Gharnati, “stijl van Granada”, genoemd, Deze stijl is dominant in de Algerijnse Arabo-andalusische muziek. In Marokko wordt de Tarab Gharnati beoefend in de oostelijke stad Oujda en de oude keizerstad en huidige hoofdstad Rabat.

[52] Cf. Stallaert, o.c., p. 58.

[53] Manuel Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), p. 49, aarzelt daarom niet om met citaten van uitdrijvingsverordeningen in de hand te spreken van een "esquema de un genocidio".

[54] Soms, zoals in de kuststreek van de diocees van Tortosa (Aragón), gebeurde dat met de steun en medewerking van de kerkelijke autoriteiten van hun streek, zie Harvey, o.c., p. 231.

[55] De zigeuners hebben Spanje in twee "bewegingen" bereikt: (a) de zgn. gitanos via Afrika (cf. de etymologie die ze met Egypte in verband brengt) en Andalusië, vermoedelijk al sedert vele eeuwen, en (b) de zgn. cingaros via het Noorden (Balkan, Hongarije, Duitsland, Frankrijk), wellicht pas in de 15de eeuw. Hun oorspronkelijke “thuisland” zou het noorden van India geweest zijn, dat ze tussen de 8ste en 10de eeuw zouden verlaten hebben - maar dat zijn speculaties. Zie Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), p. 23 e.v.  Ook de zigeuners kwamen op het einde van de 15de en in de 16de eeuw bloot te staan aan toenemende repressie (de eerste anti-zigeunerwet kwam er in 1499). Die nam weliswaar nooit dezelfde extreme vorm aan als die tegen (crypto-)joden en moren. Zo stemde de Spaanse Raad van State in juli 1611 dat ook de zigeuners dienden verdreven te worden, maar mede door de dubbelzinnige houding o.m. vanwege de Spaanse adel bleek dat niet uitvoerbaar. Nog in 1749 werd door de bisschop van Oviedo een regelrechte liquidatiecampagne opgezet, met levenslange dwangarbeid voor alle zigeuners. In 1783, echter, kwam er een radicale ommekeer in het beleid (zigeuners werden verplicht hun kinderen naar school te sturen, ten einde ze te integreren).

[56] Zo Barrios, Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco (1989), pp. 90-91. Zoals de titel van dit polemische boek(je) al aangeeft, voert de auteur niet enkel een uitgebreide en gedocumenteerde argumentatie om de opname van een massaal aantal Morisken in de zigeunerbevolking (gitanos) aan te tonen  (hoewel, zoals gezegd, regelmatig vervolgd, was de situatie van de zigeuners in vergelijking met die van crypto-joden en crypto-moslims veel gunstiger; zo zijn er bijna geen gevallen bekend van vervolging door de Inquisitie), maar tevens om de creatie, precies in deze periode, van een totaal nieuwe Spaanse muziekstijl, nl. de flamenco, als een uniek product van die versmelting van Gitanos en Moriscos te presenteren.

[57] Ook het zgn. Morisco-vraagstuk kwam opnieuw in de actualiteit in 19de-eeuws Spanje, maar dat had veel zo niet alles te maken met de militair-koloniale conflicten tussen Spanje en Marokko.

[58] Zo Shadid & Van Koningsveld (1995), p. 51.  De Comisión zoekt echter geen samenwerking met de (vele) verenigingen die niet toegetreden zijn. Voor een meer kritische kijk op de positie van de moslimminderheid in de hedendaagse Spaanse Staat , zie Montserrat Abumalhan, The Muslim Presence in Spain: Policy and Society (1996), pp. 80-92; vooral Jordi Moreras, "Musulmanes en España", in: Musulmanes en Barcelona, 1999 (op deze site). Met de val van de Spaanse socialistische regering, na de laatste verkiezingen, en het aan de macht komen van de conservatieven is de situatie hoe dan ook fel verslechterd. Ook de katholieke kerk blijft zich sterk verzetten tegen elke opening naar de moslims (typerend bv. is de weigering om de Mezquita, of Grote Moskee, van Cordoba - onder Karel V werd er barokkerk middenin geplant -, als moslimmonument open te stellen voor gebedsstonden van moslims).

[59] De vraag, of de betrokkenen wel of niet afstammen van moslimse voorouders (sommigen verwijzen in hun persoonlijk verhaal ook naar restanten van crypto-islam bij hun ouders of grootouders), is hierbij irrelevant. Cf. P.S.van Koningsveld (1994), p. 32: "De afgedwongen kerstening van deze groepen is een van de belangrijkste factoren die het hedendaagse succes kunnen verklaren van de revival-bewegingen in het Westen waarbinnen de islam wordt 'herontdekt' als een oorspronkelijke identiteit die verloren was geraakt. Dit geldt niet alleen voor de zgn. 'Renaissance' van de islam onder mensen van Spaanse origine, vooral in Andalucía, maar ook voor de 'Black Muslims' in de V.S. van Amerika. Daarbij is minder relevant of de bedoelde groepen zelf nu wel of niet direct of indirect afstammen van islamitische voorouders. Van belang is vooral het feit dat zij in de islam een inspiratiebron konden vinden voor hetgeen zij zien als het herwinnen van een verdrukte cultuur en identiteit, juist omdat het wegdrukken van de islam in het Westen een historisch feit was".

[60] Zie Stallaert, o.c., pp. 58 en 59, die zich daarbij ook de vraag stelt “waarom de hedendaagse Spaanse geschiedschrijvers zoveel belang hechten aan het naspeuren van resten van Moors of joods bloed in de etnische samenstelling van de huidige Spanjaard... Met hun zoektocht of vraagstelling vertolken (zij) de typisch casticistische denkwijze die de Spaanse etniciteitsgeschiedenis beheerst, nl. het zoeken naar biologische overblijfselen van een religieus-etnisch onderscheid”.

[61] Manuel Barrios, auteur van het enkele malen geciteerde boekje over "Gitanos, Moriscos y Cante Flamenco", behoort mogelijk tot deze "neo-Morisco" beweging.

* Oorspronkelijk gepubliceerd in H.De Ley, "Van Cordoba tot Mostar", CIE-Cahier Nr 2, Gent 1998. © Herman De Ley.

De Ley-Index • CIE-Index

UPDATE: 21 mei 2011