SYLLABUSMATERIAAL H.DE LEY

De Ley-Index • CIE-Index

DE BRUG VAN MOSTAR

door Herman  De Ley (© H.De Ley 1998)*
 

hoofdstuk 1 - hoofdstuk 2 - hoofdstuk 3 - literatuurlijst

Inhoudstafel:

Hoofdstuk 1: Het Osmaanse Rijk

Hoofdstuk 2: De Turkse Republiek

Hoofdstuk 3: De Brug van Mostar

Literatuurlijst

Hoofdstuk 1: 

Het  Osmaanse  Rijk (Osmanlı İmparatorluğu)

 

1.1. De  publieke islam, althans, werd tijdens de 15de- en 16de-eeuw in West-Europa zo goed als volledig uitgeroeid.  In Zuid-Oost-Europa, daartegenover, was hij net tijdens diezelfde periode - als in een soort van slingerbeweging (die in de late 20ste eeuw weerom in de andere richting zou gaan) - in volle opgang. De bekendste datum, in dat verband, is vanzelfsprekend het voor de Christenheid noodlottige jaar 1453, met de verovering van Constantinopel door de Osmanen, onder leiding van de jonge en ambitieuze Mehmet II Fatih (“de Veroveraar”).  Ze werd in de eeuwen erna gevolgd door een verdere expansie tot ver in Midden-Europa (met het beleg van Wenen in 1529, onder Süleyman I de Prachtlievende, 1520-1566).[1]

De eerste, Oost-Europese moslims waren al een kleine eeuw eerder verschenen: in Thrakië vanaf 1361, met de verovering van Adrianopolis (Turks nu: Edirne), hoofdstad van Byzantijns Thrakië; in Macedonië en Bosnië vanaf het begin van de 15de eeuw: het stadje Mostar - de naam betekent “bewaker van de brug” - is een Osmaanse vestiging van rond het midden van de 15de eeuw. Wat de niet-moslims betreft, die in het Europese hartland van het Osmaanse rijk de meerderheid vormden (ook in grote steden als Thessaloniki en zelfs Istanbul), als ‘zimmi’s’ (Turkse schrijfwijze voor dhimmî-s) genoten zij van het traditionele, islamitische ‘dhimma’-regime. 

In het Osmaanse bestuurswezen werd dat regime bijzonder doeltreffend georganiseerd, onder de vorm van de zgn. ‘milletler’, of “(religieuze) naties”.[2] Voor de betrokkenen had het ongetwijfeld reële nadelen:  zo moesten zij, zoals altijd, een speciale belasting betalen, de zgn. haraç’.  Een bijzondere vermelding, echter, verdient de zgn. 'devşirme’ (letterlijk: “inzameling”): afgeleid uit het principe van de oorlogsbuit die in de darülharb’ (“huis-van-de-oorlog”) mocht worden gevorderd, werd van christelijke gemeenschappen om de zoveel jaren een collectief tribuut geheven onder de vorm van... (mannelijke) kinderen. Zij waren bestemd om het aantal van de zgn. ‘kapı kulları, letterlijk: “slaven van de Porte”, op pijl te houden. Ze werden bekeerd en degelijk opgeleid om de ruggegraat te vormen van het bestuurssysteem én van het leger: zij bemanden het elitekorps van de bekende “Janissaren” - het woord is een westerse verbastering van het Turkse ‘yeni çeri’, letterlijk: “nieuwe strijdmacht”. Op die manier kon de Osmaanse élite zich ook regelmatig verjongen met “vers bloed” (de fertiliteit van de moslimbevolking was traditioneel erg laag).[3] Verzet tegen die ‘devşirme’ kwam er in eerste instantie vanwege de... moslims, wegens de vele voorrechten en de hoge posities van de ‘kapı kulları’ (zo poogden moslims regelmatig hun eigen kinderen in de devşirme binnen te smokkelen).[4] Het millet-systeem, hoe dan ook, hield ook reële voordelen in voor de niet-moslimse, religieuze "naties" .  Eén van de belangrijkste ervan was ongetwijfeld dat zij vrijgesteld waren van de verplichte legerdienst, “die voor de moslimse jeugd een mogelijk doodvonnis betekende”.[5] Weliswaar konden zij vrijwillig en in ruil voor fiscale vrijstellingen instaan voor de lokale verdediging van hun stad of regio. Zoals Bakker, Vervloet & Gailly daarom positief concluderen wat de klassieke Osmaanse periode betreft:[6]

“Vergeleken met het bestuur van de feodale christelijke heren was dat van de Osmanen bijzonder mild en de lokale christelijke bevolking had geen reden tot ontevredenheid. De herendiensten werden in de Osmaanse gebieden afgeschaft, de rechtspraak was correct en rechtvaardig en de belastingdruk was laag”.

Het Osmaanse imperium kon zichzelf met recht en reden als de historische erfgenaam beschouwen van het Romeinse of Byzantijnse keizerrijk. De verfijnde Osmaanse cultuur en civilisatie - één van de meest kenmerkende en unieke kunstuitingen ervan werd de 16de-eeuwse moskee-architectuur[7] - oefende een grote aantrekkingskracht uit, ook op het Westen. Vooral de prachtige Süleymaniye-moskee in Istanbul (1550-1557, vandaag bewaard met het oorspronkelijke gebouwencomplex - külliye, in het Turks:  hamams, hospitaal, medische faculteit, armen-eethuis (darüzziyafe, nu een restaurant), bibliotheken, scholen, grafmonumenten van de sultan en zijn Russische vrouw, Hurrem Sultan, enz.), werd in opdracht van Süleyman gebouwd door zijn beroemde architect, Sinan. Ze moest fungeren als een soort van analogon van Joustinianos’ beroemde Aya Sofia (door de moslims omgevormd tot een moskee).  O.m. door het hergebruik van Romeins-Byzantijnse monolithische zuilen, in roze graniet en purpersteen, moest dit gebouw de aanspraak op imperiale continuïteit architecturaal “proclameren”.[8] 

Belangrijke delen van de Balkanbevolking - uit de aristocratie zowel als uit de lagere klassen - bekeerden zich in die eerste, expansieve faze vrijwillig en diepgaand tot de islam.  Zo bv.  in Bosnië, waar

“al vroeg een aanzienlijk deel van de bevolking - en zeker niet alleen het Patareense[9]- tot de islam overging; de vele islamitische immigranten (Turken, maar ook Albanezen, Bulgaren, enz.) die zich vooral in de stedelijke centra in Bosnië vestigden, werden geassimileerd... Het ging om een spontaan proces, dat resulteerde in een islamitisch overwicht binnen de bevolking van Bosnië vanaf het begin van de 17de  eeuw”.[10]

Tegelijkertijd, en op het eerste gezicht misschien wat paradoxaal,[11] maakte de snelle instelling van een doeltreffend Osmaans bestuursapparaat, mét uitgewerkt millet-systeem, dat de Balkan gedurende die 500 jaar tóch overwegend christelijk bleef.

Het contrast hier met Anatolië is opvallend.  Reeds in de 2de helft van de 11de eeuw was dat Klein-Aziatische gebied grotendeels veroverd door de Seljukieden (in 1098 werd het Seljukide sultanaat van ‘Rum’ gevestigd, met centrum in Konya); het Byzantijnse rijk werd omzeggens herleid tot enkele versterkte steden (Constantinopel, Nikaia, Trebizonde...).  Hiermee werd, wat de christelijke aanwezigheid betreft, een lang proces ingezet van (religieuze) erosie en desintegratie (nog versterkt door de staat van anarchie volgend op de moordende invallen van de westerse zgn.  kruisvaarders,  de Mamelukken en vooral de Mongolen).  De grotendeels vrijwillige islamisering werd versterkt door de tolerantie die de Seljukidische islam (doorgaans) aan de dag legde, en de ruimte die geboden werd binnen die islam aan (o.m. ook christelijk geïnspireerde) mystieke en syncretistische bewegingen. Zie bv. de bekende Mevlevi-orde, met haar beroemde ‘draaiende derwisjen’: zij voert haar ontstaan terug op de grote mysticus en dichter, Mevlânâ (“Onze Meester”) Jalâl ad-Dîn Rumî (1207-1273, afkomstig uit het Perzische Balkh, Khorasân, maar onder de druk van de Mongolen naar Konya uitgeweken; zijn prachtig grafmonument is daar nog altijd te bezichtigen). Te vermelden is ook de Bektashi-orde, met als legendarische stichter Hacı Bektash.[12] Terwijl in de 11de eeuw de overgrote meerderheid in Anatolië nog altijd christelijk was (een bevolkingstotaal van 7 à 8 miljoen), was rond de inname van Constantinopel dat aantal teruggevallen op amper 400.000.  Met de vestiging, evenwel, van het Osmaanse bestuur en een consequent toegepast millet-systeem werd die trend omgebogen (met een spectaculaire daling van het aantal bekeringen): van ca 8%, in de 16de eeuw, was tegen het einde van de 19de eeuw (1881) het aantal christenen gestegen tot 16%.  Weliswaar droeg de al vermelde (traditioneel) kleinere fertiliteit van de moslimbevolking daartoe bij.[13]

Met de installatie van de Grieks-orthodoxe patriarch in Istanbul, als het zowel ‘wereldlijke’ als ‘geestelijke’ hoofd van de voornaamste christelijke millet (de tweede was de - monophysitische - Armeense kerk), en met de verregaande integratie en participatie van de Grieks-christelijke aristocratie in het bestuur, kon het Osmaanse rijk althans tot aan de Griekse opstand (1821-1830) de facto zelfs een “Grieks-Turkse diarchie” worden genoemd.[14]

 


 

1.2. Vanaf het midden van de 17de eeuw gingen de Osmanen in toenemende mate binnen- en buitenlandse problemen kennen. Verantwoordelijk ervoor waren o.m. de langdurige en destructieve oorlogen met de Perzische Savafieden (1578 tot 1639), alsook een enorme inflatie die het rijk als het ware vanuit het Westen ‘doorgespeeld’ kreeg.  De fiscale en sociale druk op de eigen boerenbevolking werd daardoor als maar groter.[15] De toenemende economische en militaire superioriteit van de Europese absolutistische staten bracht, ondanks een kortstondige ‘relance’ in de tweede helft van de 17de eeuw (met het tweede beleg van Wenen, in 1683),[16] een onomkeerbaar proces op gang van voortdurend Europees gebiedsverlies (reeds in 1654 een deel van Oekraïne; in 1699 een groot deel van Hongarije, enz.). Die tweede faze, bijgevolg - d.w.z. vooral de 18de en 19de eeuw -, stond, aldus Ger Huijzings, veeleer

“in het teken van de verzwakking van het centrale gezag, van groeiende onveiligheid op het platteland en onderdrukking van de christelijke bevolking. Dwang en lijfsbehoud werden de overheersende motieven voor de overgang tot de islam”.[17]

Het overgaan, anderzijds, van Europese delen van de Osmaanse darülislam in christelijke handen zou twee eeuwen lang gepaard gaan met moordpartijen en militair geweld, en vandaar ook met massale vluchtelingenstromen van moslims (én joden) naar Osmaans gebied: de zgn. muhacirler, letterlijk: “degenen die de hijra maken”, sc. uit de darülharb naar de darülislam.[18] De verklaring voor die ongemeen felle repressie (onder de lokale moslimpopulaties werd meer dan eens een bloedbad aangericht; zie ook verder, kap. 2.1) moet allicht deels gezocht worden in de toenemende negatieve effecten, in die laatste eeuwen, van een Osmaans bestuur dat alsmaar verzwakte.[19] Tegelijkertijd gaven de Europese (o.m. Oostenrijkse) en Russische legers blijk van een fanatieke ‘kruistochtenmentaliteit’ ten aanzien van moslims - maar ook van joden: vergelijk met het 15de-eeuwse Spanje. De ideeën van de Europese Verlichting inzake godsdienstvrijheid en tolerantie hadden hierop nauwelijks enig effect.[20]

 

Hoofdstuk 2

NOTEN:

[1] Zie R.Bakker, L.Vervloet & A.Gailly, Geschiedenis van Turkije (1997), p.73 (afk.: GvT), natuurlijk ook B.Lewis, Istanbul en de Wereld van het Ottomaanse Rijk (1992); e.a. Voor een gedetailleerde historische studie, zie bv. de bundel onder redactie van Robert Mantran, Histoire de l’Empire Ottoman (1989), 812 blz. Voor de geschiedenis van "al-Andalus tot katholiek Spanje", zie op deze site.

[2] Voor een beschrijving en bespreking van dit millet-systeem, zie R.Detrez, Het Osmaanse Millet-Systeem, in: R.Detrez & J.Blommaert, Nationalisme (1994), pp. 290-303.

[3] Naast de devşirme hanteerden de Osmanen ook de politiek van de surgun, d.w.z. het massaal en gedwongen verplaatsen van hele bevolkingsgroepen of families, ten einde verwoeste of ontvolkte gebieden te herbevolken. Dat gold niet enkel voor moslimpopulaties, maar bv. ook voor christenen en joden ten einde na de verovering ervan Constantinopel in haar oude glorie te herstellen (wat op termijn gunstige effecten had voor die groepen).

[4] Met de latere opkomst van de nationalistische bevrijdingsbewegingen in de christelijke Balkan zou die devşirme ervaren worden als wreedaardige kinderroof of “bloedpacht”. Zie GvT, p. 79; ook Y.Courbage & Ph.Fargues, Christians and Jews under Islam (1997), pp.  101-102. Het Janissarensysteem zelf geraakte, precies wegens de verregaande privilegies (ambachtelijke “cumuls”, erfelijkheid, e.a.), vanuit militair opzicht reeds in de 16de-eeuw in ernstig verval. Tenslotte, wegens hun verzet en rebellie tegen militaire hervormingen, werden zij in 1826 in een bloedbad vernietigd. Tegelijkertijd werd de soefi orde van de Bektashis - die a.h.w. het spirituele hart vormde van het korps - opgeheven.

[5] GvT, p. 81, zie ook ibid., pp. 115-116. In die tijden bedroeg de dienstplicht al vlug 15 jaar. In de Turkse volksmuziek gingen vooral treurliederen rond Jemen een bekend thema vormen: de kans dat soldaten daar levend van terug keerden, was heel gering. Ook in de volksliederen (türküler)  vandaag is “Jemen” nog altijd een begrip en symbool: bv. de bekende oppositionele chansonnier, Ruhi Su, zingt in zijn Kadıköy Tiyatrosu Konseri drie versies ervan.

[6] GvT, p. 77.

[7] Zie hierover F.De Miranda, The Mosque as work of art and as house of prayer. Wassenaar 1977; maar ook, algemeen over Seljukidische en Osmaanse bouwkunst, het prachtige platenboek in de reeks “Taschen Wereldgeschiedenis van de Architectuur”: Henri Stierlin, Turkije.  Van de Seltsjoeken tot de Ottomanen, Keulen 1998. Vermelding verdienen ook de prachtige Iznik-keramiek, de Osmaanse kalligrafie, e.a.

[8] Zie Stierlin, o.c., p.134: “door aan de basis van zijn moskee essentiële, aan de Romeins-Byzantijnse wereld ontleende elementen te plaatsen, eist de sultan de geweldige erfenis van Justinianus op”. Vergelijk met de Koepel van de Rots, in Jeruzalem, en de Grote Moskee, in Damascus (einde 7de eeuw), gebouwd als gelijkaardige ‘proclamaties’ vanwege de Omayyadenheersers.

[9] De aanhangers van de ketterse Bosnische kerk werden “Patarenen” genoemd; zij beriepen zich op de christelijk-manicheïsche leer van de Bogomilen (vgl. met de Katharen, in het Westen).

[10] R.Detrez (1996). Zie ook Carretto, G.E. (1983a), L’Empire Osman, in: Gabrieli (1983), pp. 111-151. Voor de wijze waarop zulke bekeringsbewegingen ook in verband stonden met de geografie - met name met het contrast tussen bergland en laagvlakten (en steden) - zie Fernand Braudel, The Mediterranean and the Mediterranean World in the Age of Philip II (transl. & abridged, 1992), pp.  11-12, die het heeft over een “afzonderlijke religieuze geografie” voor het gebergte: “In the Balkans in the fifteenth century, whole areas of the mountains went over to Islam, in Albania as in Herzegovina around Sarajevo... The same phenomenon was to recur during the war of Candia, in 1647. Large numbers of Cretan mountain dwellers, joining the Turkish cause, renounced their faith”.

[11] Te meer omdat de Osmanen wel dégelijk door een religieus-politieke impuls gedreven werden, nl.  van verovering van de christelijke dâr al-harb (darülharb, in het Turks) en, dus, uitbreiding van de dâr al-islâm (darülislam).

[12] Zie hierover verder, hoofdstuk 2.

[13] Zie over het voorgaande Courbage, Y. & Ph. Fargues (1997), ch.  5: “From Multinational Empire to Secular Republic: The Lost Christianity of Turkey”, pp.  91-130.

[14] Courbage & Fargues, o.c., p. 99.  Amper een eeuw na haar verovering telde Istanbul (zoals de stad na verloop van tijd genoemd werd; de naam werd pas echt officieel onder Kemal) 700.000 inwoners en was een wereldmetropool die tevens één van de drie grote christelijke steden was (1/3 van de inwoners was christelijk).  Tot aan Wereldoorlog I bleef ongeveer 40% van de bevolking niet-moslim (d.w.z. christelijk of jood).  Zie ibid.

[15] Zie hierover Perry Anderson, Lineages of the Absolutist State (1974), pp. 361-394. De Europese inflatie had haar oorsprong in de enorme voorraden goud en zilver die door de kolonisatoren uit de “Nieuwe Wereld” waren geroofd.  In de studie van Resat Kasaba, The Ottoman Empire and the World Economy (New York 1988), wordt de impact bestudeerd van het zich expanderende wereldsysteem op het Osmaanse rijk.  De auteur beschouwt de ontbinding van dat rijk als de culminatie van een lang proces: de Osmaanse gebiedsdelen werden ingeschakeld in de Europa-gecentreerde wereldeconomie en de Osmaanse staat verwerd tot een ondergeschikt lid van het interstatensysteem.

[16] Het mislukte beleg van Wenen, in 1683, “geldt algemeen als een waterscheiding, waarna het terugdringen van de Osmaanse Turken in Europa een aanvang nam”, hoewel er al vóór die datum gebied verloren ging in Midden-Europa. Zie GvT, p. 118. De mislukking ervan leidde tot de ineenstorting van de globale Osmaanse positie in Centraal-Europa.

[17] Ger Duijzings, “De Balkan”, in: H.Driessen (1997), p. 62. Zie ook Carretto, G.E. (1983b), Le déclin Osman et l’éveil des nationalités, in: Gabrieli (1983), pp. 227-244.

[18] Muhacir (spreek uit: moehaadjir) is vanzelfsprekend de Turkse spelling van het Arabische woord muhâjir. Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw zou de meerderheid der Europese muhacirler - hun toenmalig aantal wordt geschat op twee miljoen - zich vestigen in Anatolië.  Over deze Oost-Europese, 19de eeuwse “ethnical cleansing”, zie nu Justin McCarthy, Death and Exile. The ethnic cleansing of Ottoman Muslims (1999).  De auteur typeert zijn studie als volgt: “It is a history of Muslim suffering, not because Muslims alone suffered, but because a corrective is needed to the traditional one-sided view of the history of the Turks and the Muslims of these regions”, p.  xi); cf.  ook zijn oudere studie, Muslims and Minorities. The Population of Ottoman Anatolia at the end of the Empire (1983).

[19] Cf. Duijzings, o.c., p. 63: “veel moslims (kregen) de rekening gepresenteerd van de langdurige Osmaanse overheersing”.

[20] “Er bestond in de 18de en 19de eeuw wel een Europees oorlogsrecht, maar het heeft er alle schijn van dat dit in Oost-Europa niet werd toegepast als het om moslims gebied ging. De gevolgen voor de moslimse burgerbevolking waren enorm: ze kon in slavernij raken of vermoord worden, ze was vogelvrij”, GvT, l.c. Over de Griekse Verlichting, en haar dubbelzinnige visie op de Osmanen (“Turken”), zie nu de bijdrage van Katja De Herdt, Greeks about Turks in the Age of Enlightenment: from Illumination to Denigration, in: (Acten van het 1e Europese Congres van Niew-Griekse Studies, Berlijn 2-4 oktober 1998, De Griekse Wereld tussen Oost en West, 1453-1981), vol.  2, Athena 1999, pp.  381-393.  De Griekse Onafhankelijkheidsoorlog ging van start met het uitroeien van de moslimbevolking (w.o. ook Turken en Albanezen) in de Peloponnesos.

* Oorspronkelijk gepubliceerd in H.De Ley, "Van Cordoba tot Mostar", CIE-Cahier Nr 2, Gent 1998. Voor het eerste deel ervan, "Van al-Andalus tot katholiek Spanje", zie op deze site. Voor een afbeelding van de oorspronkelijke brug van Mostar (dus vóór haar vernieling en recente restauratie), klik hier.

De Ley-Index • CIE-Index

UPDATE: 21 mei 2011