SYLLABUSMATERIAAL H.DE LEY

De Ley-Index • CIE-Index

MOSLIMS IN DE EUROPESE, I.C. BELGISCHE, LEKENSTAAT

Inhoudstafel & Deel 1 --- Deel 2 --- Deel 3 --- Literatuur




6. Internationale organisaties & transnationale bewegingen:
 

Zoals hierboven al opgemerkt, de ideologische of religieuze zwaartepunten van de wereldislam liggen buiten Europa. Wat de soennitische islam betreft, gaat het meer bepaald om een 4-tal landen:

  • Saoedi-Arabië, met zijn wahhabitisch establishment; reikwijdte, via de Râbita: mondiaal;

  • Egypte: het officiële, religieuze establishment van de oude al-Azhar, in Caïro, nog altijd de grootste islamitische universiteit en hoofdautoriteit voor het soennisme; daarnaast en gedeeltelijk in verzet ertegen, de Moslimbroederschap;

  • Pakistan, of iets breder: voormalig Brits-Indië, met z'n vele religieuze instituten en netwerken van medreses, maar vooral als regio waar tal van hedendaagse, transnationale islamitische bewegingen hun historische wortels hebben; en

  • Turkije, met de officiële Diyanet-islam, versus de minder of meer oppositionele, islami(s)tische bewegingen en oude of nieuwe broederschappen; reikwijdte: de gehele Turkstalige wereld, tot aan China, maar ook Zuidoost-Europa en de emigratie in het Westen (W-Europa, de VS, Australië...).

Alle transnationale organisaties of bewegingen die we hieronder zullen bespreken, hebben een "oorspronkelijke" relatie met één (of meer) van deze landen. Die relatie kan echter ook antagonistisch zijn: wegens het autoritaire beleid van de regimes in de moslimlanden, ook op religieus vlak, zijn westerse landen in de laatste decennia van de vorige eeuw een toevluchtsoord geworden voor allerlei oppositiebewegingen (die daardoor tegelijkertijd een transnationaal karakter kregen). Deze laatste hebben op die manier vaak een belangrijke rol gespeeld in de éérste fase van de opbouw van moslimgemeenschappen in West-Europa (wat dan officiële initiatieven vanwege de regimes van de landen van herkomst heeft uitgelokt of gestimuleerd).

Volledigheidshalve moet nog vermeld worden dat ook het Lybië van "kolonel" Qadhafi geprobeerd heeft een internationale rol te spelen (op basis van een combinatie van een progressief arabisme en islam, waarbij de klemtoon viel op de Koran, ten koste van de Sunna: cf. het "Groene Boekje") en aldus weerwerk te bieden tegen het conservatisme van Saoedi-Arabië; de reikwijdte echter van de daartoe opgerichte internationale organisatie, "Islamic Call Society", is eerder beperkt gebleven (vooral subsaharisch Afrika; eerder minimaal in W-Europa).

Voor de mondiale shi'itische minderheid, tenslotte, wordt de ideologisch leidinggevende rol vanzelfsprekend gespeeld door de Islamitische Republiek Iran. De overgrote meerderheid van de Iraanse bevolking behoort tot de zgn. twaalver-shi'a (cf. zij wachten op de terugkeer van de twaalfde "Imam", die begin 10de eeuw verdween in de "grote verborgenheid"). Hiervan bestaan er ook grote gemeenschappen in Irak, Libanon en Azerbeidjan; kleinere gemeenschappen o.m. in Saoedi-Arabië, Pakistan en India. Naast de Twaalvers (Duodecimanen), weliswaar, zijn er binnen de shi'a ook nog de kleinere gemeenschappen van zaydieten (Jemen) en isma'ilieten (over de heropstanding van deze laatsten, in Centraal-Azië, na de val van de Sovjetunie, zie bv. URL: http://asiecentrale.courriers.info/article0049.html ). Voor een kaartje van het mondiale shi'isme, dat in De Standaard Online werd geboden (maar Saoedi-Arabië wordt hierbij ten onrechte vergeten), klik hier.

In de eerste decennia na de revolutie (1979) is Iran onder het charismatisch leiderschap van Khomeini een tijd lang in concurrentie getreden met Saoedi-Arabië voor de ideologische hegemonie over de moslimwereld (zie bv. Khomeini's beruchte fatwa over Salman Rushdie, die in deze context moet gesitueerd worden; ook de strijd tegen het bezettingsleger van de Sovjetunie in Afghanistan). Echt succes heeft het daarin niet gekend. Vandaag, met president Mahmud Ahmadi-Nejad en de nucleaire ontwikkeling van Iran (ook: het succes van Hezbollah, in de strijd tegen de Israëlische agressie, midden 2006), lijkt zich een herhaling voor te doen.

 

6.1. Organisaties afhankelijk van vreemde mogendheden:

Vermelding verdienen hier bovenal de Diyanet en de Râbita, de eerste voor haar evident belang voor de Turkse emigratie, de tweede als een mondiaal islamitisch organisme dat de belangen dient van Saoedi-Arabië.

6.1.1. De  Diyanet [uitspraak: diejanet, j zoals in "Jan"]: dwz het Turkse "Presidium voor Godsdienstzaken", in het Turks: "Diyanet İşleri Başkanlığı", vandaar afgekort: "Diyanet" (afgeleid van het Arabisch, betekent dit woord zoveel als "godsdienst"). In de praktijk zouden we van "Turkse staatskerk" kunnen spreken, mocht dat geen al te foutieve associaties oproepen: de Diyanet wordt immers niet geleid door een clerus maar door leken. De officiële Turkse islam, die door de Diyanet aldus georganiseerd en geleid wordt, is een exclusief soennitische islam (tevens, wat de gevolgde rechtsschool betreft, hanafitisch van strekking).

6.1.1.1. De Diyanet is een rechtstreeks product van de val van het Osmaanse rijk en de uitroeping van de Turkse Republiek (de Türkiye Cumhuriyeti), op 29 oktober 1923. De oprichting van de Diyanet volgde al op 3 maart 1924 en gold voor de jonge staat als een burocratisch alternatief voor het "spirituele" Kalifaat, dat op precies dezelfde dag werd afgeschaft. Binnen het kader van de zogenaamde "laiklik", of Turkse lekenstaat (het Turkse woordje "laik" is een directe kopie van het Franse "laïc"), waarbij de Osmaanse shariat werd afgeschaft en vervangen door (een aangepaste versie van) het Zwitsers familierecht, heeft het Presidium als omvattende taak:

“het uitvoeren van de werkzaamheden die verband houden met de geloofsvoorstellingen van het islamitisch geloof, de eredienst en morele principes; het voorlichten van de samenleving op het terrein van het geloof en het beheren van gebedsruimten”.

De Diyanet wordt geleid door een algemeen directeur. Vandaag is dat Prof.Dr.Ali Bardakoğlu. Diens voorganger bracht enkele jaren geleden een bezoek aan de rooms-katholieke paus; en eind 2006 verwelkomde hij zelf, als hoogwaardigheidsbekleder van de officiële Turkse islam, Benedictus XVI, bij diens officiële bezoek aan Turkije. Als instituut valt het Presidium onder het ministerie van Algemene Zaken, en als zodanig onder de Turkse eerste-minister. Het seculiere principe van de "scheiding tussen staat en religie" (cf. de massale anti-regeringsbetogingen, in dit voorjaar van 2007, die die "scheiding" willen verdedigen tegen de "islamisten") staat hierdoor onvermijdelijk op een - politiek -hellend vlak: sedert 1970 zijn alle “geloofsdienaren” van de Diyanet officieel ambtenaar van de Turkse staat; maar anderzijds werd, sedert 1983 (niet toevallig onder de militaire dictatuur) in de staatsscholen (soennitisch-hanafitisch) godsdienstonderricht ("islam en ethiek") verplicht gesteld voor alle leerlingen (met uitzondering van de wettelijk erkende minderheden, zoals christenen en joden, die om vrijstelling kunnen vragen; niét, bv., voor de alevieten). Daarmee werd de (soennitische, hanafitische) islam alleszins de facto staatsgodsdienst, in strijd met de officiële laiklik.

[De bijzondere VN-rapporteur over de eliminatie van alle vormen van religieuze intolerantie, in zijn interim rapport over zijn bezoek aan Turkije in 2000, aarzelt niet het seculiere karakter zelf van de Turkse staat in vraag te stellen. Z.i. beschikt de Diyanet over "excessive powers of religious management such that religious practice appears to be regimented by government and Islam is treated as if it were a 'State affaire'". Geciteerd uit het 'Memorandum to the Turkish Government on Human Rights Watch's Concerns with Regard to Academic Freedom in Higher Education, and Access to Higher Education for Women who Wear the Headscarf', June 29, 2004, p. 32; zie http://hrw.org/backgrounder/eca/turkey/2004/ ].

De islam die door de Diyanet onderwezen en verspreid wordt binnen een geseculariseerde staat, is typisch een religie die rekening wil houden met de maatschappelijke ontwikkelingen (cf. de westerse kalender is overgenomen; idem voor de zondag, als feestdag, enz.) - maar zónder dat zulks gepaard gaat met de bereidheid om op intellectueel-theologisch vlak tot een ingrijpende herformulering te komen van de religieuze traditie. De ideologische opdracht daarom van het instituut t.a.v. dissidente, radicale stromingen kan als conservatief worden gekarakteriseerd; als zodanig verschilt zij weinig van die van de officiële religieuze instituties in zgn. islamitische landen: bv. al-Azhar, in Egypte. Wat de geloofspraxis betreft die door de Diyanet wordt georganiseerd, gaat het veeleer om een gereduceerde en deels geprivatiseerde islam, d.w.z. gezuiverd van superstities en lokale gebruiken en grotendeels herleid tot de basisdevoties (vijf pijlers) en een algemene, eerder conservatieve moraal. Als gevolg van de afschaffing van de traditionele, religieuze scholen (medreses) en de sluiting van de schrijnen en conventen, is, in vergelijking met de Osmaanse periode, het stedelijke "religieuze landschap" in Turkije sterk vereenvoudigd, d.w.z. hoofdzakelijk moskee-gecentreerd. Verdere religieuze en spirituele dimensies worden als een privé-zaak van het individu beschouwd (weliswaar niet zonder sociale controle). Ten aanzien van sommige islamitische voorschriften wordt een meer pragmatische houding aangenomen, als zijnde tijdgebonden (bv. het verbod op alcohol, dat gemilderd werd tot een verbod op dronkenschap). Islam en (seculier) republicanisme (met de verregaande personencultus rond Atatürk, als "Vader des vaderlands"), tenslotte, worden weliswaar van elkaar onderscheiden maar tussen beide wordt toch geen echte contradictie ervaren.

Dat geldt, algemeen, ook voor de relatie met het Turkse nationalisme. In de 2de helft van de 20ste eeuw is zij als maar hechter geworden: cf. de zgn. "Turks-Islamitische Synthese", ontwikkeld in de jaren '70 en '80. Een kwalijke, extreem-rechtse manifestatie ervan werden de beruchte "Grijze Wolven" ("Bozkurtlar"); zij zelf noemen zich bij voorkeur "ülkücüler", d.w.z. "Idealisten". De fascistische moederpartij ervan in Turkije, de MHP (Milliyetçi Hareket Partisi, in vertaling: Nationalistische Actiepartij), werd opgericht in het verlengde van de militaire staatsgreep van 1960 en werd jarenlang op een autoritaire en militaire wijze geleid door "kolonel" Alparslan Türkeş (gest. in 1997). Naast de strijd, met gewapende milities, tegen "communisten" en Koerden, stond de creatie van een Groot Turks Rijk (Turan), "tot aan de Chinese Muur", in het oorspronkelijke partijprogramma (cf. ook de partijvlag, met drie maansikkels, refererend naar het Osmaanse wereldrijk). Al vlug, echter, rond 1970, ging Türkeş dat panturkse nationalisme uitdrukkelijk koppelen aan de ("Turkse") islam. Het gewicht van de beweging in Turkije vandaag mag zeker niet onderschat worden: de MHP maakte deel uit van de voorlaatste regering, onder de 'sociaal-democraat' Eçevit. De regelmatige spanningen en frustraties rond de toetredingseisen van de EU versterken bovendien de nationalistische reflex bij een belangrijk deel van de bevolking: zie de anti-EU manifestatie in Ankara, op 2/10/05, georganiseerd door de MHP. [Turkse website van de partij: http://www.mhp.org.tr/]

De Grijze Wolven waren al heel vroeg ook in de Europese emigratie aanwezig en ze hebben er zich georganiseerd onder de vorm van landelijke "Turkse Federaties" (overkoepeld door de Europese Turkse Federatie, voluit: "Europese Federatie van Democratisch-Idealistische Turkse Verenigingen"). Weliswaar was er in 1986 een belangrijke scheuring, vooreerst in Duitsland, waarbij het islamitisch aspect een grotere klemtoon ging krijgen (vandaar de benaming van de afgescheurde organisatie: "Unie van Turks-Islamitische Culturele Verenigingen"); in Turkije volgde in 1992 een gelijkaardige scheuring.

In hun lokale afdelingen - in België dragen ze gewoonlijk de meer neutrale naam van "Turkse Cultuurvereniging", Türk Kültür Derneği, of van "Turkse (Cultuur) Haard", Türk Kültür Ocağı - beschikken de "Idealisten" eventueel ook over een eigen moskee. In hoeverre het extreem-rechtse gedachtegoed van de beweging in Turkije ook actief aan bod komt binnen de Europese, i.c. Belgische migrantenwerking valt moeilijk te zeggen (in het hieronder vermelde boek van Braam & Ülger is alvast een protestbrief opgenomen van de Turkse Federatie Nederland, waarin elke "betrokkenheid met de een of andere, totalitaire, terroristische, politiek extreme groepering" met stelligheid wordt ontkend). Rond nationalistische thema's in elk geval wordt vaak nauw samengewerkt met de Turkse staat (ambassade) en dus ook met de Diyanet. Dat geldt bv. voor Europese "effecten" van de Koerdische kwestie: bv. 10/12/05, de brandaanslag op het Brussels kantoor van de legale, Koerdische DEHAP-partij; recentelijker, in de nacht van 1 april 2007, werden de lokalen van de Koerdische culturele Vereniging, MED, in Sint-Joost-ten-Node, in brand gestoken, na haatoproepen uitgaande van Turkse nationalistische extremisten (zie het verslag in INFO-TÜRK, URL http://www.info-turk.be/344.htm#incendie ). Een ander, politiek voorbeeld was de mobilisatie tegen de mogelijke vermelding van de Armeense genocide in de geamendeerde, Belgische genocidewet.

[Voor een kritische, maar journalistieke bespreking van de aanwezigheid en activiteit van deze strekking in de Lage Landen, zie: Stella Braam & Mehmet Ülger, "Grijze Wolven: Een zoektocht naar Turks extreem-rechts", Amsterdam 1997; wat de situatie betreft in het Brusselse politieke milieu, de (eventuele) betrokkenheid van politici of kandidaat-politici van Turkse, "nationalistische" origine, op de lijsten van de verschillende Belgische partijen, wordt op systematische wijze gevolgd en belicht op de website, Suffrage Universel van Pierre-Yves Lambert.]


6.1.1.2.  Laten we terugkeren naar de Diyanet. In de jaren '30, met de felle anti-godsdienstige politiek van Ataturks eenheidspartij (de Republikeinse Volkspartij), was het personeel van de Diyanet voortdurend geslonken. Na W.O. II, echter, met de voorzichtige openingen naar een meer democratisch bestel (weliswaar regelmatig onderbroken door militaire staatsgrepen), zou de Diyanet op nieuwe leest uitgebouwd worden: bedroeg het personeelsbestand in 1927 ca 7.000 (om in de 30-er jaren te zakken naar ca 1.100), dan was in 1988 al sprake van ca 85.000 ambtenaren. [gegevens uit: Jak den Exter, Diyanet. Een reis door de keuken van de officiële Turkse islam, 1990; zie ook De Ley, De Brug van Mostar, § 2.3.].

Wat ons hier interesseert is dat in 1971, in antwoord op de Turkse (voornamelijk Europese) emigratie, binnen de Diyanet een aparte onderafdeling werd opgericht voor religieuze voorzieningen in het buitenland. Vanaf 1978 werd een vast netwerk uitgebouwd, met het uitsturen van zgn. ambassaderaden of religieuze attachés naar de landen met een Turkse immigrantenbevolking. Van een onderafdeling, werd de buitenlandpoot een complete dienst met drie afdelingen. Dat buitenlandbeleid van de Diyanet kwam onder de militaire dictatuur van de jaren ‘80 in een stroomversnelling: in het kader van de strijd tegen links en de arbeidersbeweging werd meer aandacht (en ondersteuning) geschonken aan het religieuze. Behalve met conservatieve islamitische bewegingen, in Turkije zelf, werden ook de banden met de Arabische wereld, vooral met Saoedi-Arabië, nauwer aangehaald. Het beleid werd tevens gemotiveerd door de wens om een betere ideologische controle te krijgen op de Europese emigratie, en aldus weerwerk te kunnen bieden aan het buitenlands succes van oppositionele religieuze organisaties (zoals de Süleymanli's, de Nurcu's en Millî Görüş).

Net zoals de Diyanet zelf, dus, zo beantwoordt ook de uitbouw van een staatsgeleide, religieuze infrastructuur voor Turkse moslims in West-Europa aan de Turkse interpretatie van “secularisme”, namelijk van staatscontrole over de religieuze gemeenschappen en organisaties, en niet van scheiding tussen religie en staat. Tegelijkertijd nochtans moeten ook de positieve aspecten van die infrastructuur erkend worden. Het betreft zowel de oprichting (of althans ondersteuning) van moskeeën, centra en scholen, als de opleiding en aanstelling van theologen, imams en leerkrachten, de publicatie van leerboeken en allerlei religieus en pedagogisch materiaal, organisatie van studiedagen, enz. Het religieus personeel is opgeleid aan de Turkse scholen en (theologie)faculteiten. Meer in het bijzonder de imams (die dus Turks staatsambtenaar blijven) worden voor een beperkte periode (voor België nu 3 jaar) uitgestuurd naar West-Europa.

Betaald door de Turkse staat, functioneren zij er in een moskee die behoort tot de nationale Diyanet-stichting (Vakıf) die in elk van die landen werd opgericht en die geleid wordt door een Turkse ambassaderaad en andere functionarissen (vanuit strikt juridisch oogpunt, zijn zij 'nationaal' in elk land, maar in werkelijkheid vormen zij "a satellite apparatus of the Turkish state", zoals geformuleerd in een rapport van de International Crisis Group, over "Islam and Identity in Germany"). Zo bedroeg het totaal aantal imams en andere religieuze functionarissen dat per 1 januari 1989 in het buitenland verbleef, 688 (in België bv. waren dat twee centrale personeelsleden en 83 imams; in de Duitse Bondsrepubliek: 15 centraal, en 343 lokaal); in 1995 bedroeg het aantal door Turkije gestuurde en betaalde imams 750 imams. Belangrijk om weten is dat moskeeën die zich tot de Diyanet "bekenden", juridisch eigendom werden van de nationale stichting (ook al worden de materiële kosten gedragen door de lokale gemeenschappen). De Diyanet oefent op deze manier de controle uit over de helft van de Turkse moskeeën in Europa, d.w.z. een totaal van ongeveer 1.100 moskeeën, waarvan meer dan 700 moskeeverenigingen in Duitsland.

In Belgïe vallen sedert 1982 een 62-tal van de meer dan 100 Turkse moskeeën onder de Belçika Türk İslam Diyanet Vakfı (BTİDV,met een groot cultureel centrum op de Haechtsesteenweg 67, in Schaarbeek); zij wordt, zoals gezegd, geleid door een bijzondere attaché van de Turkse ambassade. Een opvallend gegeven in de actuele situatie was de zeer actieve manier waarop vanuit de BTİDV de verkiezingen van maart 2005 werden voorbereid, voor de aanduiding van een nieuwe Executieve van Moslims van België (met de organisatie van 8 regionale, zgn. "islamtafels"). Bij de vorige verkiezingen, eind 1998, had de Diyanet zich nog volledig afzijdig gehouden. De laatste regeringswissel in Turkije, met het aan de macht komen van de moslimdemocratische AKP onder premier Erdoğan, en de komende onderhandelingen over een Turkse toetreding tot de EU speelden wellicht een rol in dit opvallend interventionisme vanwege de Turkse overheid in een Belgische, binnenlandse aangelegenheid.

De Brusselse socioloog, drs Ural Manço (FUSL; zie zijn teksten op deze site), geeft het volgende genuanceerde antwoord op de rol van de Diyanet in West-Europa (in een emailreactie op een erg negatief standpunt erover):

“Il ne faut pas trop tirer sur les ambulances. Si des structures comme la Diyanet existent c'est à cause de l'incurie et du désintérêt hautain des gouvernements européens. Depuis bientôt 40 ans, les musulmans d'Europe s'organisent tant ‘mal que bien’. Avec la Diyanet, la Turquie comme pays d'origine remplit un vide: celui de l' ‘islam européen’, qui comme Godot est attendu mais ne vient pas. Si des instituts de formation théologique avaient vu le jour en Europe, on n'aurait pas eu besoin d'imams et de professeurs de religion islamique venus d'ailleurs. Si des cimetières musulmans existaient, on n'aurait pas eu besoin de constituer des assurances-rapatriement. Si les mosquées étaient reconnues et subsidiées, les Turcs l'auraient certainement préféré au contrôle du gouvernement d' Ankara, etc.

N' oublions pas que la très grande partie du financement du culte islamique en Europe (la construction, l'entretien des mosquées, le salaire des imams, rapatriement des corps, etc.) - toutes origines confondues - sort de la poche des musulmans d' Europe, qui sont pourtant des contribuables sur ce continent et ils ne sont généralement pas parmi les plus riches de ses habitants.

En ce qui concerne le contenu idéologique de l'islam de la Diyanet et son apport à l' ‘intégration’ des Turcs en Europe, ta réflexion me paraît acceptable. Bien qu'il vaut mieux être plus nuancé. La Diyanet a fait des progrès ces dernières années. Son personnel est qualifié même si on préférerait des imams d'Europe formés en Europe. S'il faut poser un choix dans la situation actuelle, il va de soi que je préfère infiniment de fois plus l'islam national de l' "église musulmane turque" à l' obscurantisme saoudien dopé aux pétro-dollars.

Par ailleurs, tu fais bien de souligner l'exploitation honteuse des immigrés turcs et de leur descendants par l' Etat turc qui n' a jamais rien vu d' autre en ses émigrés que des vaches à lait (ou à Deutsche Marks, puis à Euros) ou une populace paysanne ‘non civilisée’, qui ‘représente mal la Turquie à l'étranger’, à contrôler de près car soit trop ‘islamiste’, soit trop ‘gauchiste’, soit trop ‘kurdiste’, etc. Il en va de même des organisations politiques, politico-ethniques ou politico-religieuses de Turquie (comme Milli Görüs, les ‘Loups gris’  nationalistes, l'extrême gauche turque, les organisations kurdes, etc.) qui ont toutes pignon sur rue en Europe et ce depuis longtemps. L'objectif de la présence de ces partis politiques et/ou organisations a toujours été de pomper dans les poches des émigrés le plus d'argent possible pour financer leur combat en Turquie. Même pauvre, un Turc d' Europe est en moyen six fois plus riche qu' un Turc de Turquie! Les originaires de Turquie et leurs descendants n'ont réellement vu que rarement une vraie assistance, un vrai soutien moral, social, politique, matériel, etc. de la part des élites de Turquie”.

 

P.S. Merken we volledigheidshalve nog op dat ook Marokko - het zij (voorlopig) op een minder opvallende, en alleszins veel minder gestructureerde, wijze - invloed poogt uit te oefenen op “haar” emigrantenbevolking, meer in het bijzonder via de “Marokkaanse” moskeeën in de EU-landen (volgens cijfers van 2003 wordt het aantal Marokkaanse emigranten in Europa geschat op 2.185.894). Zo kunnen leden van moskeebesturen lid zijn van de uitgesproken koningsgezinde organisatie van de zgn. Amicales (volledige naam: "Amicales des ouvriers et commerçants", vanaf 1973 opgericht in Frankrijk) en op die manier in contact staan met ambassade of plaatselijk consulaat (in recente jaren weliswaar is het belang ervan sterk afgenomen). In het algemeen, is er vaak nog altijd sprake van mate van loyauteit in het kader van de zgn. Makhzen - i.e. de typisch Marokkaanse vorm van staatsorganisatie, macht en autoriteit gebaseerd op gehoorzaamheid aan het koningshuis. De mate van afhankelijkheid van een moskee kan bv. blijken uit het feit of tijdens het vrijdagmiddaggebed al dan niet het officiële gebed wordt gebeden voor de koning van Marokko, als “Aanvoerder der Gelovigen” (Amîr el-Mou'minîn). Verder kunnen vanuit het Marokkaans ministerie voor Religieuze Zaken ook de officiële teksten voor de vrijdagpreken toegestuurd worden aan de imams (die imams evenwel worden door de moskeebesturen zelf aangeduid en betaald); tijdens de maand Ramadan worden door het ministerie ook predikers naar Europa gestuurd, enz. In vergelijking, echter, met de Turkse gemeenschap, staat althans de Vlaamse 'Marokkaanse' gemeenschap (die overwegend van Berberse afkomst is) veeleer kritisch of zelfs afwijzend tegenover het Marokkaanse regime.

Na de hervorming van het islamitisch familierecht, de Mudaw(w)anah, heeft de jonge koning, Mohammed VI, in een speech van 30 april 2004 ook een grondige hervorming en modernisering aangekondigd van het beheer en de organisatie van de religieuze aangelegenheden (cf. vanuit zijn hierboven geciteerde titel en zijn veronderstelde afstamming van de familie van de Profeet, beschikt de Marokkaanse koning traditioneel ook over religieuze prerogatieven).

[Over de nieuwe Mudaw(w)anah, zie de twee artikels op deze site:
* van de hand van Fauzaya Talhaoui, "De nieuwe Marokkaanse familiewetgeving: de Moudawana gedesacraliseerd, de Shari'a dichter bij de moderniteit en gendergelijkheid", klik hier, en
* van de hand van Abied Alsulaiman, "De Hervorming van de Mudawwanah: Correcte toepassing of contextualisering van de Sharia?", klik hier .

De Franstalige versie van de nieuwe familiecode, kan hier gedownloaded worden (pdf).]

Zoals reeds het geval is met de vernieuwing van de Mudaw(w)anah, zo zullen uit een hervorming van de religieuze aangelegenheden ook belangrijke (positieve en negatieve) effecten ressorteren voor de Marokkaanse emigratie, vergelijkbaar wellicht met de gestructureerde werking in de Europese landen van de Turkse Diyanet (cf. beide landen, zowel Marokko als Turkije, handhaven de dubbele nationaliteit voor hun 'expatriates') Zie nu al de nieuwe website van het ministerie "des Habous [religieuze stichtingen] et des Affaires Islamiques", URL: http://www.islam-maroc.ma/ , en van de "Conseil Supérieur des Oulama", http://www.almajlis-alilmi.org.ma/fr/index.aspx . Voor België was alvast opvallend dat (ook) de Marokkaanse minister voor Religieuze Zaken in Brussel tussenkwam, in het kader van de voorbereiding van de meest recente verkiezingen voor de Belgische Moslimexecutieve (20 maart 2005).


6.1.2.
De Râbita: dwz de Islamitische Wereld Liga (in het Arabisch: Râbita al-calâm al-islâmî). Is vandaag de belangrijkste islamitische wereldorganisatie. Ze werd opgericht in 1962, met zetel in Mekka, en wordt geleid en gefinancierd door Saoedi-Arabië (de secretaris-generaal is een saoedisch minister). Zij heeft, zoals in de rest van de wereld, ook in tal van westerse hoofdsteden grootschalige moskeeën en aangehechte islamitische instituten opgericht of althans gepland (in de literatuur wordt wel eens gesproken van "kathedraalmoskeeën"). Zo bv. in Brussel (het Islamitisch en Cultureel Centrum, in het Jubelpark - weliswaar, zoals hoger gezegd, een bewaard gebouw uit een wereldtentoonstelling, begin 20ste eeuw), Kopenhagen, Madrid, Rome, enz., alsook in andere belangrijke steden: bv. Lyon, Milaan, Barcelona ... In 1982 heeft de Rabita de Hoge Raad van Moskeeën in Europa opgericht, met het oog op het subsidiëren van de bouw of restauratie van moskeeën en het promoten van hun activiteiten door het opleiden van predikanten. De raden van beheer van die Europese R-instituten bestaan gewoonlijk uit de ambassadeurs van de moslimlanden. Naast allerlei activiteiten op het vlak van religie, onderwijs en cultuur (bv. het massaal en gratis ter beschikking stellen van in S-A gedrukte Korans en andere religieuze publicaties; het aanbieden van studiebeurzen voor de islamitische universiteit van Medina, enz.), pogen die instellingen ook erkend te worden, door de Europese overheden, als officiële woordvoerders van de moslims in de betreffende landen. Als zodanig kunnen zij beschouwd worden als een (onrechtstreeks) instrument van de vele moslimmogendheden die de controle trachten te behouden over hun geëmigreerde onderdanen.

6.1.2.1. Religieus-ideologisch, dragen de Râbita en haar instituten en propagandisten (opgeleid aan de speciaal daartoe opgerichte universiteit van Medina), de principes uit van de extreem-conservatieve en typisch saoedische variant uit van islam(isme), namelijk het wahhabisme. Het gaat hier om een in oorsprong 18de eeuwse revival beweging. Zij werd, binnen de hanbalitische rechtsschool, gelanceerd werd door Muhammad bin Abd al-Wahhab (1703-ca 1787) tegen de zijns inziens gedegenereerde Osmaanse islam (die zelf de meer soepele hanafitische rechtsschool volgde). Ibn Abd Al-Wahhab was de eerste "fundamentalist": z.i. moest alles wat na de 3de eeuw in de islamitische jaartelling (ca 950) aan de islam was "toegevoegd", afgewezen worden als ketterij. De klemtoon diende volledig gelegd op de absolute eenheid-en-enigheid van God (de zgn. tawhîd), zodanig dat alle andere vormen van aanbidding dan die van de ene God uitgesloten waren; geweld tegen andersdenkende moslims werd daarbij uitdrukkelijk goedgekeurd. Veroordeeld door de Sunni-godgeleerden en vervolgd door de Osmanen, sloot Ibn Abd al-Wahhab in 1744 een succesvol pact of 'concordaat' met het clanhoofd Muhammad ben Saoed (koninkrijkje al-Dir'iya, in de centrale Najd-regio op het schiereiland). In het begin van de 19de eeuw (1803) volgde onder Saoed de Grote zelfs de tijdelijke verovering (en verwoesting) van de heilige plaatsen, Mekka en Medina. Spoedig erna (1818) werd het koninkrijkje opgedoekt door de Osmanen.

[Onder de vele conspiratietheorieën die in het M-O ook vandaag nog de ronde doen, is er ook één die in het optreden van Ibn Abd al-Wahhab, i.c. de creatie van het 'wahhabisme', een duivels plan ziet van... de Britten. Men beroept zich daarbij op een Arabische (!) tekst, de "Mudhakkirat Mister Hempher", i.e. de "Mémoirs of Mr. Hempher" (in de 20ste eeuw vertaald in het Turks). Voor een weerlegging van de beweringen ervan en de ontmaskering van de tekst als een hoax of vervalsing, klik hier. ]

In de 20ste eeuw, bij de westers geïnstigeerde ineenstorting van het Osmaanse rijk, werd het pact nieuw leven in geblazen. Bewapend door de Britten, heroverde Ibn Saoeds tribaal legertje op bloedige en verwoestende wijze (de graven van de Gezellen in Medina werden verwoest; dat van de Profeet kon op het nippertje gevrijwaard worden) het Arabische schiereiland en in 1932 werd het "Saoedi-Arabisch" koninkrijk geherinstalleerd. Vrijwel onmiddellijk nadien, in 1933, kende Ibn Saoed de eerste olieconcessie toe aan... een Amerikaanse maatschappij (Aramco) . Het olierijke koninkrijk - d.w.z. de macht van de Saoed dynastie - steunt vandaag nog altijd op 4 pijlers: (1) de grote stammen; (2) het religieuze establishment; (3) het leger; (4) het wijd vertakte koningshuis.

Vooral sedert 1975 (het aan de macht komen van prins Faisal ibn Musa, na het vermoorden van zijn broer), bezet de wahhabitische geestelijkheid sleutelposities in religieuze zaken, onderwijs, cultuur, dagelijks leven en openbare orde en de media. Haar ideologische greep op de samenleving wordt mede intact gehouden bij middel van een overal aanwezige "religieuze politie" (de mutawwicah). Op religieus vlak is het nog steeds de betrachting de islam te zuiveren van alle vormen van lokaal en volks "bijgeloof" (heiligenverering, grafcultus, mystiek, waarzeggerij, magie, e.d.), die onder de officiële oppervlakte nog altijd bestaan, ten gunste van een sterk gereduceerd, ééndimensionaal en geüniformiseerd geloof. Het is gebaseerd op een eenzijdige lectuur en strikte toepassing van de (traditionalistische) religieuze bronnen: Koran en Sunna, met o.m. een klemtoon op het strafrecht: de zgn. hudûd, of lijfstraffen, zoals onthoofdingen (dit jaar reeds 102, waarvan de helft buitenlanders), zonder behoorlijke rechtsgang overeenkomstig de internationaal geldende normen. Behalve christenen, joden en andersgelovigen - als het land van de twee meest heilige steden van de islam: Mekka en Medina, waarvan de Saoedi's zich als de "hoeder" beschouwen, is elke andere cultus bij wet verboden - geldt de verregaande, religieuze intolerantie ook de "eigen" shi'ieten, met hun imâmverering (er leven enkele honderdduizenden shi'ieten als minderheid in de oostelijke, olieproducerende provincie van het koninkrijk).

De belangrijkste theologische autoriteit voor het wahhabisme (maar ook voor de rest van het hedendaagse, radicale islamisme) was en is de middeleeuwse, hanbalitische theoloog, Ibn Taymiyya (1268-1323). Beslissend voor diens visie was de verovering en verwoesting van Bagdad, in 1258, door de Mongolen en de dood van de laatste (Abbasidische) kalief. Ibn Taymiyya was één van de eersten om te pleiten voor takfîr, d.w.z. de excommunicatie van "apostaten", in dit geval van de Mongoolse heersers (die zich vrij snel tot de islam bekeerd hadden). Samen met die van Ibn Abd al-Wahhab, worden zijn teksten vandaag op ruime schaal verspreid en onderwezen door de Râbita missionarissen.

[De verdediging van het wahhabisme wordt opgenomen op de website, "The Wahhabi Myth", ondertitel: "Dispelling Prevalent Fallacies and the Fictitious Link with Bin Laden", op basis van het gelijknamige boek van Haneef James Oliver, URL: http://www.thewahhabimyth.com/index.htm . Ook Natana DeLong-Bas, docente aan o.m. de Brandeis University (Mass., US), in haar doctoraat gepubliceerd in 2004 door Oxford UP, "Wahhabi Islam: From Revival and Reform to Global Jihad", bestrijdt de gangbare visie op Abd al-Wahhab en het wahhabisme. Zie het interview met haar in de Londense krant,  Al-Sharq Al-Awsat, 21/12/2006; online geplaatst door MEMRI, op URL: http://www.memri.org/bin/opener_latest.cgi?ID=SD140607. Voor een beknopte, kritische bespreking van het Saoedische regime ("the Saudi kleptocracy") en zijn banden met het Westen, op basis van enkele recente publicaties, zie Tariq Ali, "In Princes’ Pockets", in: The London Review of Books, Vol. 29 No. 14, 19 July 2007, URL: http://www.lrb.co.uk/v29/n14/ali_01_.html ].

Tegelijkertijd, echter, en in tegenspraak met de sterk anti-westerse, religieuze ideologie die gepropageerd wordt, werd en wordt door de Saoedi machthebbers op politiek, economisch en financieel vlak een pro-westerse - d.w.z. pro-Amerikaanse, kapitalistische koers gevaren [pas recentelijk, met de Amerikaanse bezetting van Irak en het uitblijvan van een oplossing voor de Palestijnen, lijkt een verkoeling op te treden in die houding; 2/4/07]. Men zou hierbij kunnen gewagen van een 'scheiding der machten', teruggaand op het pakt tussen de Saoeds en Muhammad bin Abd al-Wahhab, waarbij de eerstgenoemden de controle hielden en houden over economie, defensie en buitenlandse politiek van het koninkrijk (zie G.Achcar, 2006:49-50).  Maar vandaag heeft niet iedereen het zo begrepen: de door het wahhabisme gesanctioneerde principes van jihâd en takfîr (zie ook verder) worden door dissidente, radicale ulamâ' binnen het koninkrijk nu gericht tégen het regime en diens Amerikaanse beschermheren (met uitingen van openlijke rebellie in 1979, 1992 en 1994, bv.). In deze radicalisering spelen ook de - door de de CIA (!) - tegen de Sovjetunie bewapende en opgeleide ex-Afghanistanstrijders, zoals bekend, een belangrijke rol (zie ook verder, over het hedendaagse, militante salafisme, kap. 6.5.2.1).  Meer in het bijzonder Osama bin Laden (in 1991 moest hij Saoedi-Arabië definitief verlaten) kan in dit verband gezien worden als kampioen van de meest extreme vorm van de reactionaire, wahhabitische ideologie (G.Achcar, 2006:69). De toenemende werkloosheid en armoede (!), tenslotte, onder de saoedische bevolking bieden een sociale voedingsbodem voor religieus extremisme en terrorisme (in Medina, bv., leeft 14,2% van de families onder de armoedegrens; de werkloosheidsgraad onder mannen bedraagt 16,7%, onder vrouwen 28,8%: informatie uit de Oostenrijkse krant, Der Standard, 2 April 2007, p. 3).

De hegemonische positie van de Râbita, en dus van Saoedi-Arabië, in de gehele moslimwereld is maar mogelijk geworden door het failliet van het seculiere, Arabische nationalisme (cf. vooral de nederlaag tegen Israël in 1967, en Nassers dood in 1970) én dank zij de schier onbegrensde financiële middelen die sedert de "oliecrisis" van 1973 (de 4de Arabisch-Israëlische oorlog, in oktober) en de enorme prijsstijgingen na de Iraanse revolutie (1979) verstrekt werden door de olie-exploitatie: de zgn. petro- of oliedollars. Wegens haar typische combinatie van streng-islamitisch puritanisme met een kapitalistisch, American-style consumptiegedrag bij de saoedische elite, krijgt deze vorm van islam in de literatuur ook wel de naam van “petro-islam”. In combinatie

(1) met de politieke controle die het Saoedi koningshuis sedert 1924-25 veroverd heeft over de twee meest heilige plaatsen in de islam, nl. Mekka en Medina (de jaarlijkse hajj, of bedevaart, trekt gemiddeld tussen 1,5 en 2 miljoen gelovigen van over de hele wereld en is eveneens een belangrijke inkomstenbron);

(2) tweedens, dank zij de toevloed naar Saoedi-Arabië en de Golfstaten, vanaf 1975, van miljoenen tijdelijke gastarbeiders uit de andere, vooral Aziatische moslimlanden [in 2007 geschat op 5,6 miljoen, voor een indogene bevolking van 22 miljoen] - waardoor, tussen haakjes, de vorming van een indogene arbeidersbevolking wordt vermeden (Achcar, 2006:63);

(3) ten derde, een uiterst gul systeem van beurzen voor studieverblijven in Saoedi-Arabië, t.g.v. onbemiddelde moslimjongeren over de gehele wereld (ten nadele van de oude centra, zoals de al-Azhar, in Egypte); en

(4) ten vierde, de nauwe samenwerking met de oudere netwerken van de Egyptische MoslimBroeders (het kaderpersoneel van de Râbita bestaat in belangrijke mate uit MB-leden; zie over de MB verder, onder § 6.5.1), de Indo-Pakistaanse Deobandi's (zie verder, § 6.3.1) en de Pakistaanse Jamâ’at-e-Islâmî (zie § 6.5.1), en

(5) tenslotte, niet te vergeten: het al vermelde, verregaande politieke en economische verbond met de westerse, in het bijzonder Amerikaanse, mogendheden;

konden de Saoedi's hun rigoristische en ééndimensionale islam gedurende de laatste decennia ongehinderd verspreiden over de gehele moslimwereld alsook daarbuiten, naar de moslimminderheden toe in het Westen.

Pas met "11 september" en het terroristisch optreden van (de Saoedi) Osama Bin Laden en het al-Qa'ida netwerk, ook in Saoedi-Arabië zelf, is daarin enige verandering opgetreden. Ondanks de bewezen financiële steun, nochtans, aan allerlei radicale groepen in andere landen, blijft het saoedische koningshuis, dat de belangrijkste oliereserves van de wereld controleert, nog altijd een hogelijks gewaardeerd bondgenoot van de VS . De persoonlijke banden tussen de Bush-dynastie en de saoedi prinsen zijn bekend (cf. de bekende foto's van 1993 waarop de huidige Amerikaanse president Bush hand-in-hand loopt met kroonprins - nu koning - Abdullah, zie een voorbeeld op deze site). Op algemeen financieel en economisch vlak echter wordt de voor de VS vitale uitvoer van saoedische olie (bijna) in evenwicht gehouden door de... extravagante wapenaankopen in de VS van de Saoedi's en de aanleg van grote (o.m.) militaire infrastructuurwerken door Amerikaanse firma's (luchthavens, havens, wegen, uitrusting...). Met de eerste Golfoorlog (1990-91) konden de VS er dankbaar gebruik van maken (zie G.Achcar, "The Clash of Barbarisms", 2006², p. 39v.). [Voor een politieke analyse van het saoedische regime en de toekomstige ontwikkeling ervan, zie nu het boek van Hichem Karoui, "Où va l'Arabie Saoudite?", l'Harmattan, Paris 2006, presentatie ervan URL: http://arabie-saoudite.phoenix-magazine.info/index.html ].

6.1.2.2. Wat België betreft, zoals hoger al kort aangegeven, zijn de pogingen van het ICC om een monopoliepositie te behouden inzake vertegenwoordiging van de Belgische moslims, finaal negatief uitgedraaid, mede door het verzet ertegen vanwege de (voornamelijk Marokkaanse en Turkse) moslimbasis. Dat belet niet dat het wel degelijk een grote invloed blijft uitoefenen, vooral op het vlak van de theologie/rechtsgeleerdheid (de huidige Mufti van het ICC, die weliswaar geen Saoedi is, zit de theologische commissie voor van de Moslimexecutieve en geldt officieus als de "Grote Imam" van België) en dus ook op dat van de religieuze en theologische opleiding. [Zie de website van het Centre Islamique et Culturel de Belgique: http://www.centreislamique.be/ ].

Wat meer in het algemeen Europa betreft, moet gewezen worden op het bijzondere geval van Bosnië. Tijdens en na de wreedaardige oorlog, in de eerste helft van de jaren '90, heeft het wahhabisme in de traditionele, 'Osmaanse' moslimcultuur van het voormalige Joegoslavië een opvallende, activistische aanwezigheid ontwikkeld (cf. de internationale vrijwilligers die meegevochten hebben tegen de Serviërs en Kroaten, getrouwd zijn met Bosnische vrouwen en zich vooral op het platteland hebben gevestigd). Volgens een peiling zou nu 12,9% van de Bosnische moslims de wahhabitische islam steunen. Terwijl de officiële islamvertegenwoordigers (onder leiding van de 'reisu-l-ulema') het probleem relativeren, wordt o.m. vanuit academische en intellectuele middens (bv. professoren van de universiteit van Sarajevo) gewaarschuwd voor de politieke oogmerken van de "wahhabieten" (i.e. niet enkel alle sporen te willen vernietigen van de oude, osmaanse cultuur en islam, maar tevens van Bosnië een 'islamitische staat' te willen maken, gebaseerd op de sharî'a). Er is ook steeds vaker sprake van incidenten en spanningen tussen wahhabitische en 'gewone' moslims; laatstgenoemden zien de wahhabieten als fanatiekelingen die hun strenge religieuze gebruiken willen opleggen aan de meer tolerante Bosnische moslims. Zie hierover het dossier (9 april 2007) in Le Courier des Balkans, met o.m. het artikel van Nidzara Ahmetasevic, "Bosnie: le wahhabisme, une menace bien réelle", URL: http://balkans.courriers.info/article8076.html . Ook de VS, echter, spelen hierbij een politieke rol, in het kader van hun "war on terror"; sedert "9/11" eisen zij dat de ex-soldaten (die na de oorlog het Bosnische burgerschap hebben gekregen), zouden uitgedreven worden. Zie nu: 12 april 2007 (MO*):

"De Bosnische regering heeft het burgerschap ingetrokken van 367 buitenlandse islamitische ex-soldaten, die vrijwillig meevochten in de Bosnische burgeroorlog van 1992 tot 1995. De maatregel kwam er na een onderzoek dat gericht was op buitenlandse soldaten die zich na de oorlog in het land vestigden. De Bosnische media zien het onderzoek als onderdeel van 'de oorlog tegen terrorisme', die vooral door bondgenoot Amerika gevoerd wordt... Verschillende mensenrechtenorganisaties hebben de beslissing van de commissie veroordeeld. Ze zeggen dat de regering de rechten van de oud-soldaten schendt door ze te scheiden van hun Bosnische familie en vrienden", URL: http://mo.be/index.php?id=61&no_cache=1&tx_uwnews_pi2[art_id]=17898 ]


6.1.2.3. Aansluitend, kan op het gebied van internationale organisaties ook nog verwezen worden naar:

(a) het Islamitisch Wereld Congres (Mu’tamar al-‘Alam al-Islami), opgericht in 1927, in Jeruzalem, in reactie op de afschaffing van het kalifaat. Het Congres is er nooit in geslaagd de koepelorganisatie te worden van de mondiale islam. Het is vooral actief in zogenaamde “inter-faith” projecten. In Europa beschikt het over een actieve afdeling in Duitsland.

(b) De Organization of the Islamic Conference (OIC), met een secretariaat-generaal in Jeddah (Saoedi-Arabië). Werd opgericht in 1969, eveneens als een soort van alternatief voor het verdwenen kalifaat. De oprichting was een triomf voor de toenmalige buitenlandpolitiek van Saoedi-Arabië (na het failliet van het seculiere Arabische nationalisme à la Nasser). Het OIC groepeert nu 57 lidstaten, niet uitsluitend landen waar de islam majoritair is, maar ook een land als bv. Oeganda, dat overwegend niet-moslim is. De grote politieke verdeeldheid onder de lidstaten maakt het OIC in de praktijk tot een vrij machteloze, formele structuur (zie bv. de bijeenkomst ervan in Qatar, in 2002, met de dreigende oorlog tegen Irak). Website: http://www.oic-oci.org/

(c) Het OIC heeft in het verleden ook een aantal gespecialiseerde organismen in het leven geroepen. Zo was er de oprichting,  eind 1973 - dwz toen de olieprijs zijn hoogste piek bereikte -, van de Islamic Development Bank, met zijn hoofdkwartier eveneens in Jeddah. De bank werd operationeel in 1975 en ging ontwikkelingsprojecten financieren in de armste moslimlanden. Het gaat overwegend om fondsen van de Golfstaten, die aangewend worden binnen het kader van een "islamitisch bankwezen" (cf. het koranieke verbod op "woeker" - begrepen als een verbod op een vaste interest op ont-/uitgeleend geld). Voor een kritische bespreking, zie het artikel in Le Monde Diplomatique, september 2001, "Paradoxes de la finance islamique", van Ibrahim Warde, URL: http://www.monde-diplomatique.fr/2001/09/WARDE/15584 Dezelfde auteur heeft ook een website, The Islamic Banking and Finance in the Global Economy Website, URL: http://www.islamicbanking-finance.com/

(d) Een belangrijk initiatief op het gebied van onderwijs, wetenschap en cultuur was de oprichting van ISESCO: Islamic Educational, Scientific and Cultural Organization (voor de doelstellingen zie URL http://www.oic-oci.org/english/main/isesco.htm ). Opgericht als een instituut binnen het OIC, vond de stichtingsconferentie ervan plaats in mei 1982, in Fès, Marokko. Hoofdkwartier ervan is in Rabat. Website (Engelse versie): http://www.isesco.org.ma/IndexEng.asp. Illustratief is bv. de recente bijdrage van ISESCO aan de oprichting van een leerstoel, "Islam and the West", aan de Islamitische Universiteit van Rotterdam ( http://www.iur.nl ), met ingang van het academiejaar 2005-2006.   

 



6.2. Mystieke Broederschappen

6.2.1. Inleiding.

De islamitische mystiek - ook soefisme (Ar.: tasawwuf) genoemd - stamt in aanzet vermoedelijk al uit de tijd van de Profeet, maar ze kwam vooral tot bloei vanaf de 10de eeuw. Er werden handboeken geschreven en de beoefening van de mystiek ging in toenemende mate in groepsverband gebeuren. Vooral in de loop van de 12de en 13de eeuw, kwam het tot een vorm van institutionalisering van verschillende “wegen” (tarîq, "weg", sc. naar God), in de vorm van ordes, broederschappen of confrerieën (tarîqat-s, Turks: tarikat). Dat gemeenschapsleven (in zogenaamde conventen: khânaqâh-s, tekke-s of zâwiya-s, genaamd) stond en staat onder de spirituele en praktische leiding van een sheykh (of pîr, in het Indische subcontinent), die van zijn volgelingen een absolute gehoorzaamheid kon eisen.  Let op: affiliatie bij een soeficonvent impliceert niet noodzakelijk een monastieke levenswijze, integendeel: de volgelingen waren en zijn meestal sociaal en professioneel geïntegreerd in de omringende samenleving (er was vaak een nauwe associatie met ambachtelijke gildes). Van daaruit vonden en vinden de ordes gemakkelijk aansluiting bij alle lagen van de bevolking (onder meer in tijden van crisis: bv. de invallen van de Mongolen, in de 13de eeuw). De soefi tarîqat-s werden op die manier ideale instrumenten voor de verbreiding van het islamitisch geloof. Zo zijn grote gebieden van Indië, Indonesië en Sub-Saharisch Afrika bekeerd door soefi-predikers. Een troef daarin was ook hun grote soepelheid t.a.v. pre-islamitische lokale tradities en praktijken, met inbegrip van het gebruik van de volkstaal. De graven van soefi sheykhs (in Afrika: marabouts), met hun concentratie aan baraka, of goddelijke kracht, gingen vaak het centrum vormen van een heiligendevotie, ook vanwege gewone moslims (en niet-moslims) die in de buurt van een convent woonden. Anderzijds moet vermeld worden dat confréries, die, via biologische opvolging, vaak onder de controle bleven van religieuze dynastieën, in de loop van de jaren of eeuwen ook heel veel rijkdom en/of macht konden accumuleren. Zo vormen bv. de (Afrikaanse) ordes van de Moeriden of de Tijâni vandaag een reële economische en politieke macht in een land als Senegal. In Turkije en Centraal-Azië speelt de Naqshbandiyya dan weer een belangrijke politieke rol.

De soefi mystiek streeft, bij middel van geëigende, voor elke orde specifieke rituelen die worden overgeleverd van generatie op generatie, naar een ervaring van unio mystica, d.w.z. "râbita of (intieme) "band" met God. In die intense ervaring wordt de geformaliseerde religieuze kennis (cilm), op traditionele wijze onderwezen in de medrese-s door de culemâ', aldus aangevuld door een esoterische gnosis, of "(ervarings)kennis" (macrifa). Elke sheykh treedt daarbij op als charismatische bemiddelaar en spirituele leider (Ar.: murshid) voor de novice (Ar.: murid). Soefisme, nochtans, herleidt zich niet tot (het nastreven van) mystieke ervaring: het omvat ook een hele levenswijze en moraal voor het leven van elke dag. De verhouding tussen beide componenten varieert naar gelang van de tarikat.

Een vast onderdeel van de groepsrituelen, naast Koranrecitaties en gebeden, vormt de zgn. dhikr (Turks: zikr; betekent letterlijk “gedenken, sc. van God”, zie Koran 33:41): ze bestaat uit het onbeperkt herhalen van bepaalde woorden of formules (bv. de eerste helft van de shahâda, namen van God, Koranverzen, gebedsformules, e.a), met aandacht voor ademhaling en concentratietechnieken. Naargelang van de orde, gebeurt de dhikr ofwel luidop, eventueel begeleid door muziek (samâ’) en dans (raqs); ofwel in stilte, in je binnenste. Het bekendste voorbeeld van de eerste, ook in het Westen, zijn de “draaiende derwishen” van de Mevleviye. Zij voeren hun tradities terug op de grote (Perzische) mysticus en dichter, Mevlânâ - "Onze Heer" - Jalâl ad-Dîn Rûmî (Turks: Mevlana Celaleddin Rumi), geb. in 1207 in Balkh (het huidige Afghanistan) en gest. 1273, in het Turkse Konya (een kopie van de overgeleverde afbeelding van Rumi op deze site). Hoewel de orde, samen met andere broederschappen, in 1925 door de Turkse republiek ontbonden werd, is zijn grafmonument in Konya ook vandaag nog een belangrijke centrum en bedevaartplaats [zie de website van de Celebi, de opvolgers van de Mevlana: http://www.mevlana.org/ , met heel veel informatie, vertalingen van poëzie, enz.; zie ook de Amerikaanse stichting, "The Threshold Society": http://www.sufism.org/ ]. Ook het gezang van de Marokkaanse Gnawa kan hier vermeld worden. De stille, innerlijke dhirk is veelal karakteristiek voor de Naqshbandiyya (zie verder), hoewel ook de luide dhikr er beoefend wordt. Iedere orde (eventueel suborde of vertakking) heeft a.h.w. haar eigen, typische dhikr- en andere gebedsrituelen alsook technieken. Algemeen, maakt men een onderscheid tussen ordes waarvan de rituelen gericht zijn op vormen van geestvervoering: extase (gepaard gaande met extatische uitlatingen: shạṭh, meervoud: shạtạhât) en mystieke dronkenschap (cfr het belang van "wijn" en "dronkenschap", als metaforen in de klassieke, mystieke poëzie); en andere, zoals nogmaals de Naqshbandiyya, die integendeel de klemtoon leggen op nuchterheid, zelfcontrole en ingetogenheid.

De ordes zijn doorgaans genoemd naar de (al dan niet legendarische) stichter ervan en ze funderen hun authenticiteit in de zgn. silsila, letterlijk: "keten", d.w.z. hun geestelijke genealogie of stamboom. Behalve door hun dhikr, anders gezegd, wordt de identiteit van een soefi orde of convent voornamelijk bepaald door die "keten", die de opeenvolgende orde-hoofden achterwaarts verbindt met de stichter en naamgever, en deze laatste via-via met de profeet Muhammad.In de orde-conventen hangt er daarom, als een soort van "diploma", steeds een visuele weergave van de eigen silsila. Bij middel van de "lichten" van die silsila (startend bij de eigen sheykh) en met de geëigende rituelen, zoals gezegd, leren soefi's zich volledig te concentreren op God.  Opstijgend via een aantal "staties" (waarvan het aantal en de aard beschreven staan in de klassieke handboeken), pogen ze te komen tot een unio mystica, d.w.z. een intense en intieme ervaring, van God of de absolute "Waarheid" (hagîqa), waarin de verwarrende veelheid van de leefwereld (ook van de wetenschappen) kan opgaan in de "eenheid van het zijn" (wạhdat al-wujûd, uitspraak: woedjoed). Voor de contradictorische effecten van de mystieke ervaring wordt in de soefi-literatuur gebruik gemaakt van het begrippenpaar fanâ' ("vernietiging", of verlies van de eigen identiteit) én baqâ', d.w.z. "(her)bevestiging" van (het bestaan van) het eigen zelf.

Een interessant aspect, tenslotte, aan de soefi mystiek is de rol die vrouwen er vaak in gespeeld hebben: als asceten en mysticae, als shaykha-s, als echtgenotes en moeders van soefi's, als schoolhoofden. Eén van de eerste en van de meest beroemde mystici, was Rabi'a al-Adawiyya, van Basra (gest. 801), auteur van mystieke liefdespoëzie. Vrouwen hebben zich ook in conventen verenigd: reeds in de 12de eeuw telden Caïro, Aleppo en Bagdad verscheidene vrouwenconventen. Gemengde conventen, echter, kwamen niet voor. Nochtans mag hieruit niet veralgemeend worden dat "soefi-islam" de vrouwenreligie par excellence zou zijn. 

6.2.2. We moeten er ons voor hoeden, uit te gaan van "katholieke" evidenties, wat de islamitische, mystieke "ordes" betreft. Het gaat zelden of nooit om hiërarchische, centraal geleide (transnationale) organisaties. De verschillende conventen van een bepaalde orde zijn in beginsel autonoom. De meeste van de talloze soefi-groepen verzamelen zich op informele wijze met een erg beperkt aantal leden, zoals de Darqâwi, Tijâni, Shâdhili... Wellicht de oudste en één van de belangrijkste ordes is de Qâdiriyya, die haar ontstaan terugvoert tot ‘Abd al-Qâdir al-Jîlânî (werkzaam in Baghdâd, gestorven 1166). Ook wegens haar vele vertakkingen, is ze nu over omzeggens de gehele soennitische moslimwereld verspreid. Ze verkondigt een conservatieve visie, met klemtoon op de sharî’a en de vijf pijlers. De Turkse tak (Kadiri, in Turkse schrijfwijze)  heeft ook een convent, of tekke, in Gent, nl. de İslam Hizmet Vakfı / Islamitische Stichting Fonds, of IH-VAK, in Nieuwland 12-14. 

Zo mogelijk nog belangrijker is de Naqsh(i)bandiyya, genoemd naar Khwâja Bahâ’ ad-Dîn Naqshband (Bukhara, 1318-1389; "naqshband" betekent "schilder"). Ontstaan in Centraal-Azië, vanuit Turkse handelaarsmiddens (in contrast met de Perzische, aristocratische milieus, en daarom met een nadruk op soberheid en nuchterheid), verspreidde de orde zich vanaf de 14de eeuw vooral over de niet-Arabische regio's: oostwaarts naar Indië (met het huidige Pakistan) en China; en westwaarts naar het Ottomaanse rijk, waarvan ze de geschiedenis diepgaand beïnvloed heeft.

Het Indische Delhi zou eeuwenlang het hoofdcentrum van de orde vormen. Een heel belangrijke vertakking van de N. was daar die van de zogenaamde Mujaddidî-s, zo genoemd naar al-mujaddid, "de vernieuwer", d.w.z. Ahmad Sirhindî (1564-1624). Hij gold als de "vernieuwer van het 2de millennium" (cf. in 1621 eindigde het eerste islamitische millennium). Sirhindî heeft de zoektocht naar God nog sterker dan voorheen verankerd in de strikte en oprechte, wettische levensvoering (ikhlâs-i sharî'a), met de imitatio Muhammadi, de nabootsing van het leven van de Profeet, als ideaal. Fundamenteel inderdaad voor het ethos van de N-orde, in het algemeen, is haar minutieus vasthouden aan de sharî’a, als geheel van Gods verplichtingen, en de grote klemtoon op zelfdiscipline. Precies dergelijk formaliseren van het dagelijkse leven, geleid door de juiste, innerlijke intentie, en het overwinnen van (de passies van) het Ik of Zelf (nafs), stellen de gelovige in staat bestendig in het besef te leven van de transcendentie. Tegelijkertijd werd van bij de aanvang de tajdîd [uitspraak: tadjdied], of geestelijke "vernieuwing", centraal gesteld - wat echter op verschillende manieren kon worden ingevuld. Sirhindî begreep het niet in de zin van verandering of aanpassing, maar integendeel in de (conservatieve) zin van herbeleving van het innerlijke geloof of religieuze herbronning, sc. van het reeds geopenbaarde (de Koran). Tenslotte werd in de N.-orde - die ook wel "de zwijgende orde" wordt genoemd - de sheykh of charismatische leermeester verheven tot de onmisbare bemiddelaar tussen leerling en God. In de bekende terminologie, diende de leerling te leren zich, zwijgend, te "verliezen" in zijn liefde tot zijn sheykh (de zgn. fanâ' fi-sh-shaykh). Die institutie van de zgn. râbita, d.w.z. de geestelijke "band" of verbondenheid met, en overgave aan de leermeester, leverde Sirhindî ("de schaduw van de sheykh is belangrijker dan de dhikr voor God", luidde één van zijn uitspraken) vanuit de orthodoxie een beschuldiging van ketterij op, maar zij bleef ook nadien de hoeksteen van de orde en ze maakte de orde feitelijk tot een mannenbond.

Tijdens de Britse overheersing van Indië, zou de N. zich opsplitsen tussen een conservatieve, quiëtistische richting, die zich ver hield van alle politiek, en een hervormingsgezinde en sociaal en politiek geëngageerde richting (deze laatste zou nog een actieve rol spelen bij de creatie van Pakistan). In het laat-Osmaanse rijk verwierven de nakşibendi's een dominante plaats (van de ongeveer 140 conventen in Istanbul waren er een 60-tal van N.-signatuur). Na de oprichting van de Turkse republiek en de ontbinding van staatswege van de soefi-ordes, zouden de nakşibendi's vooraan staan in het verzet tegen de kemalistische laiklik. Onder meer het doorbreken van het traditionele gendersysteem en de emancipatie van de vrouw vormden daarbij een belangrijke steen des aanstoots. Desalniettemin hebben de nakşibendi's zich weten aan te passen aan de Turkse moderniteit (zie hierover Ural Manço, "Discours et identité Nakshibendi Contemporains: de la mystique à la statistique?", op deze site). Vandaag zijn er in Turkije een verschillende N.-takken actief. Eén van de bekendste, die in het verleden ook zeer nauwe banden had met (rechtse) politici, wordt geleid door prof.dr. Mahmud Es'ad Cosan (deze tarika wordt soms vergeleken met de Moslim Broederschap, zie verder). Voor meer info (met Engelse vertaling van sommige van Cosans teksten), zie bv. http://www.haqq.com.au/~salam/cosan/ .

De N. heeft tal van moderne, neo-soefi of reformistische bewegingen geïnspireerd (zoals, voor de Turkse tak: de Süleymanli’s, de Nurcu’s en Millî Görüş; zie daarover verder). Vandaag is de "familie" van N.-tarikats verspreid over de hele wereld. Wat West-Europa betreft, is ze vooral aanwezig in Duitsland (in 1992 waren 55 moskeeën ermee verbonden); terwijl ook in het UK verschillende tendensen zich erop beroepen. N. groepen komen ook voor in Frankrijk en de Benelux: in België gaat het om een 8-tal tekke's, onder de naam van "cultuurhuizen"; sedert 2000 zijn ze verenigd in de stichting, Sema Vakfı, in Beringen. De "morele" en ideologische invloed van de N. overtreft ruimschoots haar fysieke omvang. 

In Afrika, anderzijds, heeft een volks soefisme oudere, animistische rituelen weten te integreren. Een product ervan is de zogenaamde "marabout" (murâbit), van de Berbers, de "heilige man" (cf. de pre-islamitische cultus van heilige mannen en tovenaars). Een eerder recente (West-)Afrikaanse orde is de Tîjâniyya, opgericht rond 1781, die vandaag vele miljoenen aanhangers telt. Het ritueel werd hierin sterk gereduceerd, met veeleer de klemtoon op goede intentie en goede daden (met bv. strijd tegen het alcoholgebruik). Voor België zijn nog te vermelden: de Afrikaanse Murîdiyya broederschap, ontstaan uit de Senegalese tak van de Qâdiriyya, en met banden met de Tijâniyya (Senegal wordt wel eens "het paradijs van de broederschappen" genoemd). Ze wordt beschouwd als een typisch Afrikaanse reactie tegen de geest van een "vreemde" islam; fundamentele zaken als het gebed en de vasten werden terzijde geschoven, terwijl een typische arbeidsmystiek ontwikkeld werd ("arbeiden is bidden"). De stichter ervan was shaykh Ahmadou Bamba (einde 19e eeuw), die begraven ligt in de heilige stad Touba; zie de website Touba-Internet.com. Zij telt onder haar leden tal van universitairen alsook een belangrijke diaspora van rondreizende handelaars. In Europa is ze aanwezig in Frankrijk (belangrijkste centrum: Marseille), Italië, Spanje en ook in België; maar het bijzonder succesvolle netwerk ervan (dat uitsluitend uit Senegalezen bestaat en waarin religieuze en handelspraktijken nauw met elkaar verwezen zijn) strekt zich ook uit tot Noord-Amerika. Tenslotte vermelden we nog de ‘Alawiyya, opgericht in 1915 en voortgekomen uit de Darqâwi traditie in Algerije. Zij ontwikkelde een moderne en geïndividualiseerde mystiek, die gericht is op de persoonlijke godsdienstbeleving. In Europa (Frankrijk, in de eerste plaats) nam ze de naam aan van Les Amis de l’Islam, enis als zodanig ook aanwezig in Nederland, Duitsland, Italië en België. Ze staat open voor vrouwen en heeft een gemengde dhikr - "ce qui est assez exceptionnel" (Dassetto, 2004:38). Vermeldenswaard is nog dat vormen van volkse, "geleefde" islam, met ruimte ook voor typische, zogenaamde "vrouwendevoties" (zoals bedevaarten naar heiligengraven), in onderscheid met de (masculiene) formele, "wettische" of geleerdenislam, zich al eeuwenlang geënt hebben op de mystieke of contemplatieve ontwikkelingen [voor dat onderscheid tussen "l'islam vécu" en "l'islam construit", zie Leïla Babès, L'Islam Intérieur, 2000].


6.2.3.
Soefisme en "wettische", islamitische orthodoxie hebben altijd op gespannen voet met elkaar geleefd (dat geldt zelfs, zoals gezien, voor een conservatieve orde als de Naqshbandiyya). Toch werden een aantal ordes in de traditie uitdrukkelijk als "heterodox" veroordeeld. Voor het Ottomaanse rijk (nu: Zuidoost-Europa en Turkije) geldt dat vooral voor de Bektâşi-s, al dan niet in combinatie met de Alevi-s.

Historisch werd het Turkse Alevisme (Alevilik) opgesplitst in twee groepen: (a) de Bektâşi-orde, en (b) de zgn. “Kızılbaşlar” (letterlijk: “Roodkoppen”, naar hun oorspronkelijke, rode bonnet, of tâdj, maar al vlug met de pejoratieve connotatie van zindik, d.w.z. ketterse rebel, of mens van losse zeden), nadien “Alevi” genoemd. Beide strekkingen beroepen zich, als hun legendarische stichter, op dezelfde mysticus-volksheilige: Hacı Bektâş Veli (13de eeuw). Zijn grafmonument, of türbe, bevindt zich in de Turkse stad Hacıbektaş en is het trefpunt voor een groot jaarlijks festival dat is uitgegroeid tot de belangrijkste manifestatie van het Turkse Alevisme vandaag.

De eerste groep, de Bektâşi-orde (gevestigd vanaf de 15de eeuw), was altijd goed georganiseerd, met vaste rituelen, en was traditioneel zeer nauw verbonden met het Osmaanse leger, d.w.z. met het elitecorps van de (van oorsprong christene) Janitsaren; de bijzonder gewelddadige ontbinding van dat korps, in 1826, ging niet toevallig gepaard met de officiële opheffing van de B.-orde. Vanuit hun lokale tekke-s, of kloosters, onder leiding van een baba, onderhielden de Bektâşi-derwishes de religieuze ijver van deze bekeerlingen bij middel van typische zikr-s en andere rituelen. De B.-ideologie is erg syncretistisch (met elementen uit het shi'isme: de 12 Imâms; het christendom: de drievuldigheid van God, Muhammad en 'Alî; het gnosticisme; het centraal-aziatisch shamanisme,...) en non-conformistisch: ze wijden ook vrouwen in en passen een zgn. "verticale lectuur" toe van de Koran, die een grotere vrijheid geeft t.a.v. de islamitische geboden en verboden, bv. op het wijn-drinken. De orde stelde zich, anders gezegd, heel afstandelijk op t.a.v. de religieuze wet (sheriat); ze werd dan ook vaak als ketters veroordeeld. In de tweede helft van de 19de eeuw, speelden de Bektâşi’s een belangrijke rol in de Ottomaanse moderniseringsbeweging; tal van hen lieten zich ook inwijden in de toenmalige (vanuit West-Europa geïmporteerde) vrijmetselarij. In het huidige  Turkije, echter, zijn ook de B. de nationalistische toer opgegaan; Hacı Bektâş is daarbij tot een soort van patroonheilige van Turkije gemaakt (hij zou zelfs Mohammad en 'Ali tot "Turken" verklaard hebben). 

De B.'s zijn van oudsher sterk ingeplant in de Balkan. Einde 19de en begin 20ste eeuw stond de orde aan de wieg van het Albanese nationalisme, zodat ze bij de Albanezen zowat het karakter kreeg van een nationale religie. In de meer recente geschiedenis, echter, heeft het Bektâşi-soefisme er zwaar te lijden gehad onder het stalinistische Enver Hoca regime. Vandaag is de orde heropgericht in Albanië (maar haar aanhang zou geslonken zijn tot ca 20% van de moslimpopulatie). Ook in Kosovo en Macedonië worden de tekke-s en de heiligengraven (türbe-s) volop heropgebouwd. [Zie: Jean-Arnault Dérens, Les derviches mystiques au coeur de l'identité albanaise, URL: http://www.balkans.eu.org/article533.html

De tweede groep, de Alevilik, was van oorsprong (half-)nomadisch (met verwante gemeenschappen in Syrië, Irak en Iran), en is zich nadien in autonome dorpen gaan vestigen; ze was eerder tribaal dan esoterisch (je kan geen Alevi ‘worden’: je moet als Alevi geboren zijn). Ze was en is bijgevolg veel minder strak georganiseerd (onder leiding van zgn. dede-s, of "grootvaders", die er zich in principe op beroepen afstammelingen te zijn van de familie van de Profeet). Het religieus-etnische zwaartepunt ervan lag en ligt nog overwegend in oostelijk Anatolië. Zonder moskee (de dorpen zijn, of waren, daardoor visueel erkenbaar), is het centrale ritueel, waaraan mannen én vrouwen deelnemen, dat van de cem (uitspraak: [djem]). Zij  beoogt de onderlinge verzoening en 'gemeenschap der harten' (muhabbet), en gaat gepaard met zang en dans; ze wordt gewoonlijk gehouden in een zogenaamd cemevi (letterlijk: “cem-huis”). Samen met de druzen (Libanon) en de alawiten (Syrië), worden de aleviten gewoonlijk tot de  shi'a gerekend, meer in het bijzonder de zogenaamde "ghulat" of "extreme" shi'a (cf. de speciale aanbidding van Ali). [Informatie ook in: De Ley, De Brug van Mostar,  § 4.2.]

In Turkije worden de Alevi's (Turken en Koerden) tussen de 20 à 25 miljoen geschat (20 tot 30% van de bevolking). Met de grote migratie uit Oost-Anatolië sedert de jaren ‘ 50, zowel naar het westen van Turkije als naar Europa, is ook de traditionele ‘clan’ structuur van de landelijke Alevi-gemeenschappen sterk verzwakt. Tegelijkertijd, werden de aleviten, die de Turkse lekenstaat steunden en zich politiek doorgaans links opstelden, vaak het slachtoffer van sektarisch geweld vanwege fundamentalistische (dus: anti-shi'itische) soennitische groepen.

De bekendste tragedie, in dit verband, was ongetwijfeld het drama in Sivas, 2 juli 1993: het hotel waarin een congres plaats vond ter herdenking van Pir Sultan Abdal (dichter uit de 15de eeuw, die werd terecht gesteld in Sivas), werd in brand gestoken door soennitische fundamentalisten, onder passief toekijken van de ordestrijdkrachten: 33 mensen - overwegend intellectuelen en kunstenaars, alsook twee kinderen - werden levend verbrand. [Zie URL http://en.wikipedia.org/wiki/Sivas_massacre ]

De laatste decennia, desondanks, was er een sterke heropleving van de Alevilik, vooreerst als een culturele beweging (cf. een hoogstaande, o.m. muzikale kunstproductie), zowel in stedelijk Turkije als onder de emigratiegemeenschappen in West-Europa. Door een aantal ontwikkelingen, echter, binnen Turkije (zoals de "islamisering" van de Turkse staat, sedert de jaren '80, met de introductie van verplicht soennitisch godsdienstonderricht in de staatsscholen) is er ook een beweging op gang gekomen om zich tot een religieuze gemeenschap om te vormen en als zodanig religieuze rechten af te dwingen van de Turkse overheid (in tegenstelling tot judaïsme en christendom, wordt de Alevilik door de Turkse wetgeving niét erkend als een religieuze minderheid en Alevi kinderen zijn bv. verplicht het soennitisch godsdienstonderricht te volgen). Recentelijk werd daartoe een petitie met 1 miljoen handtekeningen overhandigd aan de overheid, met de dreiging dat men zich tot het Europese Hof van de Rechten van de Mens zou wenden

[cf. artikel "Alevis issue an ultimatum", 22/6/05, in de Turkish Daily News: http://www.turkishdailynews.com.tr/article.php?enewsid=16413 ].

De Alevi diaspora telt meer dan 1 miljoen mensen in Europa, Australië en de VS. Ongeveer de helft ervan leeft in Duitsland. Ze vormen er ongeveer 20% van de immigranten van Turkse origine; in een aantal Länder wordt nu een specifiek alevitisch godsdienstonderricht op school gevraagd. In Nederland zijn de ongeveer 15 alevitische organisaties verenigd in de Federatie van Alevitische Gemeenschappen Nederland (of: Hak-Der); de organisatie afficheert zich als humanistisch, cf. URL: www.hakder.nl. In België zijn er ongeveer 16.000 Alevi's. Organisatorisch, zijn de Alevi verenigingen hier gegroepeerd binnen de Belgische Federatie van Alevi Verenigingen (Belçika Alevi Birlikleri Federasyonu). Op Europees niveau is sprake van een Europese Confederatie (Avrupa Alevi Birlikleri Konfederasyonu), maar wie de website ervan aanklikt (www.alevi.com ), krijgt voornamelijk de Duitse federatie (Almanya Alevi Birlikleri Federasyonu) gepresenteerd.

Wat de religieus-ideologische continuïteit betreft, in de Europese emigratie zijn er te weinig dede's om die degelijk te onderhouden. Vandaar dat er in Duitsland voor het eerst verkiezingen zijn gehouden om dede's aan te stellen; tegelijk werd ook een academie opgericht voor de vorming van toekomstige dede's. In België, daarentegen, volstaat men alsnog met het een of tweemaal per jaar uitnodigen van dede's vanuit Turkije of vanuit Duitsland.

Internet: zie vooral de tweetalige (EN-TR) site "Alevilik-Bektaşilik": http://www.alevibektasi.org/index1.html  . Hierop kan heel wat materiaal (ook academische bijdragen) en documentatie worden gevonden. Rijk aan informatie is ook het themanummer, "Au pays des Alévis", van het Brusselse tijdschrift, agenda interculturel, nr. 249, Janvier 2007.


6.2.4. Epiloog.

Wat de maatschappelijke positionering betreft van soefi's, naar gelang van de verschillende klemtonen die gelegd werden, tussen de ordes maar vaak ook binnen verschillende takken van dezelfde orde, werd door de enen geopteerd voor een vorm van quiëtisme en terughoudendheid; door anderen voor een gerichtheid op de wereld en interventie in het sociaal-politieke gebeuren; door nog anderen voor gewapend geweld om de eigen belangen te verdedigen. In de koloniale periode leidde de "soepelheid" van de soefi broederschappen vaak tot vormen van collaboratie, vanwege de sheykhs, met de koloniale overheerser (bv. in Marokko, Algerije...), en werden ze vandaar geweerd door de nationalisten (zie bv. de ontbinding van de ordes na de oprichting van de Turkse republiek). Vandaag ervaren de ordes de negatieve effecten van de verbreiding van de ééndimensionale, rigoristische islamvariant van het saoedische wahhabisme.

Zowel, trouwens, vanuit milieu's van de traditionele schriftgeleerden, de islamisten als vanwege moderne moslimintellectuelen pleegt er heel wat kritiek te komen op het soefisme [een bekend, "liberaal" denker als bv. Fazlur Rahman, in zijn bekende boek, Islam (1979²), p. 244, heeft het over "the colossal moral and spiritual débris which is the legacy of Sûfism", en op p. 245, bestempelt hij de soefi spiritualiteit als "no better than a form of spiritual delinquency often exploited by the clever Sûfî leaders for their own ends"]; met hun vormen van bijgeloof en wereldvreemdheid, de kwalijke rol van tal van soefi leiders, enz., zouden de ordes verantwoordelijk zijn voor de stagnatie en achterlijkheid van de moslimwereld. Dat belet niet dat, gelijktijdig met het op de voorgrond treden van islamistische bewegingen, in de tweede helft van de 20ste eeuw (vooral na de Arabische nederlaag tegen Israël, in 1967, en met de Iraanse revolutie, in 1979), ook het soefisme klaarblijkelijk een revival kent - zowel de klassieke ordes als uiteenlopende, reformistische bewegingen die er een aantal praktijken van devotie en discipline mee delen (zie verder). In de literatuur wordt aangestipt dat, terwijl hedendaagse soefi groepen het hele spectrum bestrijken, van strikt sharî'a-georiënteerde tot heterodoxe, er geen strikte grens kan worden getrokken tussen dergelijke groepen en bewegingen van het New Age type [zie Martin van Bruinessen, "Sufism and the 'Modern' in Islam", in: ISIM-NL, 13/03, p. 62, http://www.isim.nl]. Tegelijkertijd worden de soefi-broederschappen binnen de brede moslimwereld (m.i.v. het Westen) geconfronteerd met "nieuwe", radicale vijanden, namelijk in de vorm van het hedendaagse salafisme (zie verder, kap. 6.6.2).

De spirituele inslag van het soefisme beantwoordt ongetwijfeld aan een diepe behoefte van vele moslims en maakt deel uit van de manier waarop islam in het leven van alledag daadwerkelijk beleefd wordt. In vrijwel alle moslimlanden (belangrijkste uitzondering: het wahhabitische Saoedi-Arabië) zijn soefi-gemeenschappen actief gebleven; maar nog belangrijker misschien is de indirecte betrokkenheid van vele moslims bij het soefisme: vele gelovigen putten inspiratie en kracht uit een regelmatig bezoek aan een soefi convent of aan het graf van een (al dan niet legendarische) soefi-heilige. Dat geldt ook voor Turkije, waar na de stichting van de Republiek, in 1925, de soefi-ordes nochtans formeel opgeheven en de conventen gesloten werden (de naqshbandi's hebben zich daaraan weten aan te passen door hun organisatie en praktijken te moderniseren: van tarikat naar vereniging en stichting; samenkomsten heten nu "seminaries", enz.).

Tenslotte mag misschien nog worden opgemerkt dat het "soefisme", als de spirituele en mystieke gedaante van de islam, vooral dan in zijn moderne gedaantes (met beklemtoning van het individu) op veel sympathie en belangstelling kan rekenen buiten de islam. Dat drukt zich ook uit in het feit dat in het Westen heel wat bekeringen tot de islam via (een of andere vorm van) het soefisme gebeuren. Al dan niet in combinatie met de overgang van broederschap naar sekte (als een meer algemene vorm van godsdienstigheid) - wat "ook een vorm van 'modernisering' (is) van het soefisme" (Roy 2005²:120) -, bestaan sommige gemeenschappen in Europa en de VS vrijwel uitsluitend uit bekeerlingen [bv. de zgn. Murabitûn tarîqa, in Andalusië (maar nu ook actief aanwezig in Mexico en andere landen van Latijns-Amerika), opgericht en autoritair geleid door de Schot Ian Dallas, onder diens zelfgekozen naam van Shaykh Abdalqadir As-Sufi, zie de website: http://www.shaykhabdalqadir.com/phtml/index.php?newlang=english ].

Tegelijkertijd is er ook een tendens tot ontwikkeling van een universeel soefisme, als een spirituele levensvisie over de grenzen van de broederschappen, en zelfs van de religies, heen. Zie bv. de International Association of Sufism, http://www.ias.org , en de vrouwelijke vertakking ervan, Sufi Women Organization: an international humanitarian organization promoting universal human rights, http://www.sufiwomen.org/ . De veranderingen die met name gepaard gaan met de vestiging van broederschappen in het Westen, buiten de oorspronkelijke immigrantenkringen, hebben tevens geleid tot de intrede van het "New Age-soefisme"; het gebed wordt hierin gewaardeerd als ademhalingstechniek ter bevordering van... een goede gezondheid. Tenslotte biedt het toenemend gebruik van het internet een ideale mogelijkheid voor de creatie van een soefisme nieuwe stijl: de traditionele, complexe en bemiddelde contactname met de wijsheid van de meester (sheykh), binnen een concrete groep, wordt er vervangen door een "'direct', maar kunstmatig contact met de meester"; de volgeling vindt niet langer enig sociaal of fysiek houvast in een fysieke groep. Het gaat dan om een "nieuwe broederschap", of misschien beter: nieuwe religieuze beweging, die als maar meer leden werft, zoals andere New Age sekten, "en die alleen nog in naam een band met de islam heeft" (Roy 2005²:168-169).Op deze en andere manieren kan het soefisme "dus ook helemaal van deze tijd zijn" - al was het maar als een soort van "meditatieclub" (zo Roy, 2005²:120-121).

[Het belangrijkste "handboek" over de geschiedenis en ontplooiing van de mystieke ordes is: Alexandre Popovic & Gilles Veinstein (dir.), Les Voies d'Allah. Les ordres mystiques dans le monde musulman des origines à aujourd'hui, 1996. Voor een algemeen overzicht van het soefisme en de belangrijkste ordes, op het internet, zie de informatieve website van dr Alan Godlas (Univ. of Georgia), "Sufism, Sufis and Sufi Orders": http://www.uga.edu/islam/Sufism.html ; ook: "Islamic Sufi Orders on the World Wide Web" (met tal van links, die helaas niet allemaal werken): http://www.haqq.com.au/~salam/sufilinks/  ]
 




6.3. Reformistische (neo)mystieke bewegingen:

In het kielzog van de westerse kolonisatie werd de moslimwereld, vanaf de 19de eeuw, niet enkel geconfronteerd met de militair-politieke en economische overheersing door West-Europese landen, maar ook met een vaak agressieve, ideologische en religieuze penetratie (cf. het georganiseerd en politiek ondersteund optreden van christelijke missionarissen). Eerder uitzonderlijk, zoals met de oprichting van de Turkse Republiek, was het de eigen staat die op een autoritaire en repressieve wijze een vorm van verwestersing poogde op te leggen. In hun verweer hiertegen concentreerden tal van moslimintellectuelen zich op de eigen tekortkomingen, d.w.z. op wat zij ervoeren als (1) de verregaande staat van ontislamisering en religieuze onwetendheid van hun samenlevingen, en (2) het onvermogen van de traditionele islamitische instellingen om daartegen weerwerk te bieden. De hier en ook hierna besproken hervormingsbewegingen zijn ontstaan vanuit die dubbele vaststelling. Zij zijn daarom gericht op een of andere vorm van herislamisering, als een noodzakelijke voorwaarde, huns inziens, om de moslimwereld opnieuw "competitief" te maken t.a.v. het dominante, christelijke (of seculiere) Westen. De concrete programma's ervan laten zich o.m. daardoor van elkaar onderscheiden, dat de ene beweging zich veeleer toespitst op de vorming en opleiding van religieuze "kaders" (vandaar eerder "elitair" lijkt), de andere op prediking en missionering (da'wa, letterlijk: "uitnodiging", sc. om de islam te hervervoegen). Een ander verschilpunt betreft de basishouding ten aanzien van de moderniteit: d.w.z. dat kan gepoogd worden die moderniteit (wetenschappen, e.d.) te integreren in een islamitisch kader (vgl. de Nurcu's), ofwel dat men ervoor opteert zich terug te plooien op de oudere, islamitische tradities, d.w.z. wat men als zodanig beschouwt (zie de Süleymanli's). Ook in dit laatste geval, echter, zijn er redenen om te spreken van een vorm van "modernisering" (cf. individuele ledenwerving, op basis van vrijwilligheid). Dat geldt met name ook voor de hedendaagse, zogenaamde "(neo)fundamentalistische" ontwikkelingen: zij lijken in belangrijke mate een product van de (westerse) "identity politics", of van individualiseringsprocessen [zie hierover nu het boek van Olivier Roy, Globalised Islam: The Search for a New Ummah, publ. C.Hurst & Co, 2004; bespreking op URL: http://www.spiked-online.com/Printable/0000000CA816.htm ; oorspronkelijke Franse versie 2002; voor de Nederlandse vertaling, 2005², zie onze literatuurlijst]

In deze rubriek bespreken we enkele dergelijke hervormingsbewegingen, opgericht in de moderne tijd, die direct of indirect geïnspireerd zijn vanuit het soefisme. Twee ervan zijn ontstaan op het Indische subcontinent en zijn daarom vooral van belang zijn voor Groot-Brittannië; de derde is een transnationale Turkse stroming die ook aanwezig is in ons land en in Gent.


6.3.1. De Deobandi’s:

Beweging opgericht door reformisten en godgeleerden (‘ulamâ) die nauwe banden hadden met de elitaire traditie van het soefisme en een strikte en conservatieve soennitische orthodoxie wilden propageren. De naam ervan is afgeleid van de stad Deoband, in de buurt van Delhi, die onder het Moghulrijk een centrum was van traditionele islamitische geleerdheid. Na de mislukte Indische opstand tegen de Britten, in 1857, en de val van de laatste moslimheerser kwamen de Indische moslims terecht in een vrij unieke situatie: niet alleen waren ze beroofd van de politieke macht, maar ze bevonden zich tevens in de positie van een religieuze minderheid (van 1 op 3) ten aanzien van de Hindu-bevolking die ze tien eeuwen lang overheerst hadden. In die context werd er in 1867 in Deoband een islamitisch college (dâr al-‘ulum) opgericht voor toekomstige ‘ulamâ; de stichters ervan waren Muhammad Qasim Nanautawi en Rashid Ahmad Gangohi.

Het onderwijs vond plaats op basis van een vast curriculum, met examens - naar Brits model, dus -; alle Engelse of westerse vakken, echter, werden geweerd. De onderwijs- en publiceertaal was het Urdu: het Urdu is een schrijftaal afgeleid uit het Sanskriet maar in Arabisch schrift en met veel Arabische en Perzische leenwoorden, die in de 19de eeuw het Perzisch verdrong als de lingua franca voor moslimgeletterdheid in het hele Indische subcontinent. Rond de eerste school ging zich een breed, informeel schoolnet ontwikkelen (een eeuw na oprichting van de eerste school zouden er ruim 9.000 madrasas actief zijn geweest). In een kolonialistische en minoritaire context, was het er de leidende deobandi's bovenal om te doen, middels het heropwaarderen van de islamitische wetenschappen (met, naast de Koran, de sharî’a en, in mindere mate, logica en filosofie, vooral de studie van de Hadith in het centrum), in een veranderende wereld een islamitische identiteit te bewaren en promoten.

De leidende kaders van de deobandi's beschouwden zich niet, zoals de meer populaire soefi shaykhs, als religieuze bemiddelaars (sc. tussen gelovige en God), maar wel als modellen voor hun leerlingen; en als reformistische soefi's namen ze hun spirituele verantwoordelijkheid t.a.v. hun leerlingen zeer ernstig. Ze verwierpen echter alle niet-orthodoxe (onder meer vanuit het hindoeïsme binnengedrongen), lokale en volkse gebruiken zoals de heiligen- en gravencultus. De klemtoon werd gelegd op de individuele, spirituele discipline; inwijding in verschillende soefi-broederschappen tegelijkertijd werd aangemoedigd (bv. in de Suhrawardiyya, de Qadiriyya en de Naqshbandiyya; van deze laatste werd de stilzwijgende dhikr of meditatie sterk aanbevolen). Tenslotte speelde de deobandi ook in op het wegvallen, onder het Britse koloniale bewind, van het islamitisch establishment en de als maar groeiende vraag, vanwege de moslimgelovigen, naar religieus-juridische adviezen of richtlijnen (fatâwa, of fatwa-s) voor het leven van elke dag. Hun ‘ulamâ verwierven hierbij een grote reputatie; hun fatwa’s, in het kader van de hanafitische rechtsschool, werden regelmatig verzameld en gepubliceerd.

In de jaren '80 van de 20ste eeuw, onder de militaire dictatuur van generaal Zia ul-Haq, werd de soennitische (hanafitische) islam in Pakistan opgelegd als de nationale norm. Met de revolte hiertegen van de shi'itische minderheid (15 à 20 % van de bevolking), zou het deobandi militantisme, dat ook de vorm aannam van een Pakistaanse politieke partij, de strijd tegen het shi'isme tot een belangrijk actiepunt maken (daarin mede aangemoedigd door de geopolitieke rivaliteit tussen Iran en Saoedi-Arabië).

Wegens hun elitarisme, zijn de deobandi’s er niet in geslaagd de islamitische eenheid die ze op het oog hadden, daadwerkelijk te realiseren. Waar hun puritanisme en reformisme vooral gericht was op het geloof en de praktijken van de plattelandsbewoners, zouden zij in de 20ste eeuw nuttig aangevuld worden door de revivalist beweging van de  Tablîghî Jamâ’at (zie verder, § 6.4.1). In het Verenigd Koninkrijk, vandaag, vormen de deobandi een netwerk dat geactiveerd wordt vanuit hun seminaries in Bury en Dewsbury. Die onderwijsinstellingen profiteren van de recruteringen verricht door de informele netwerken van de Tablîghî Jamâ’at. De deobandi's werken ook nauw samen met de saoedische Râbita. Vele Afghaanse Talibân (of "Studenten"), tenslotte, hadden eerder jaren school gelopen in de deobandi madrasas in Pakistan; zij zouden de conservatieve deobandi-principes (bv. wat de status van de vrouw betreft) op een extreme manier opleggen aan de gehele Afghaanse samenleving.


6.3.2. De B(a)relwi’s:

De stichter ervan, Ahmad Riza Khan Barelwi (1856-1921) was lid van de Qâdiriyya en was afkomstig van het stadje Bareilly, in Uttar Pradesh. Riza Khan wendde zijn grote geleerdheid aan om, tegen de literalistische tendensen in van o.m. de deobandi’s, de legitimiteit te verdedigen van de volkse soefiwereld van heiligenschrijnen, waar de gelovigen de tussenkomst komen vragen van (levende en dode) pirs. De B. beweging echter onderscheidt zich vooral door de intense devotie voor de Profeet (overeenkomstig de traditie die spreekt van “het licht van Muhammad”), met bijvoorbeeld een centrale plaats voor het (volks)feest van de verjaardag van de Profeet (mawlud). Door hun opponenten worden ze ervan beschuldigd Muhammad te vergoddelijken. Met als Europees centrum de stad Bradford in Engeland, speelden de barelwi’s een belangrijke rol in de Salman Rushdie affaire.

In de beginjaren van de 20ste eeuw voerden barelwi's en deobandi’s een fatwa oorlog tegen elkaar, waarbij ze elkaar als niet-moslim of kâfir excommuniceerden. Ook vandaag is de wederzijdse antipathie nog altijd groot tussen de barelwi's, enerzijds, en de deobandi’s en Tablîgh, anderzijds. Vandaag, in het kader van het neofundamentalisme en het groeiend succes van het "salafisme" (zie verder, kap. 6.6.1 en 6.6.2), is er onder Britse moslimjongeren een beweging weg van de barwelwi naar de deobandi.

Eén van de belangrijke figuren in de B. vandaag is Pir Maroof Hussain Shah (gevestigd in Bradford). Hij komt elk jaar een maand naar België, Nederland, Frankrijk en Duitsland, voor zijn volgelingen onder de Pakistaanse diaspora en de Hindoestani, uit Suriname, in Nederland.



6.3.3. De Nurcu-s
([uitspraak: noerdjoe], in het Turks: de Nurcular, Nurculuk, of Cemaat-i Nur, “Gemeenschap van het Licht”, of Nur-beweging; PS "nur" betekent "licht", in het Arabisch zowel als in het Turks):

6.3.3.1.Turkse, modernistische “faith movement”, gebaseerd op de religieuze geschriften van Bediüzzaman (letterlijk: "Wonder van de Tijd") Said Nursi (1876-1960). Van Koerdische afkomst (cf. het plaatsje Nurs), was Nursi terdege opgeleid in de islamitische zowel als de moderne wetenschappen. Een spirituele crisis bracht hem tot het inzicht dat enkel een geestelijke herbronning (en dus: herislamisering) de moslimwereld in staat zou stellen met succes de confrontatie aan te gaan met het Westen. Onder zijn 130 geschriften verdient vooral de verzameling Risale-i-Nur (letterlijk: “Brief van het Licht”), vermelding: deze verzameling teksten wil de koranieke boodschap uiteenzetten op een manier die aangepast is aan de moderne vereisten, op het vlak van taal en terminologie, wetenschappelijkheid, enz. Zij ging de basis vormen voor Nursi's onderwijs. De organisatie die daartoe werd uitgebouwd, noemde hij zelf "school", in plaats van tarikat, of "broederschap". Nursi stond inderdaad afwijzend t.a.v. de traditionele, wereldvreemde soefi-mystiek (tassawuf) en de ermee gepaard gaande hiërarchie van de inwijding. Toch kan de Nurcu een "getransformeerde broederschap" worden genoemd: cf. de charismatische leiding en interne hiërarchie; het centrale rituaal van de "ayın", d.w.z. een meditatieve contemplatie op basis van Nursi's geschriften, dat als een structureel equivalent wordt beschouwd van de dhikr, maar niet langer als een doel op zich wordt beschouwd; een spiritualiteit die geworteld is in het pantheïsme van de mystieke islam (God wordt gereflecteerd in alle natuurfenomenen); tenslotte verwerkte Nursi in zijn geschriften tal van ideeën van nakşibendi en kadiri, met inbegrip van een conservatieve visie zowel op het gezin als op de traditionele rolpatronen.

[Zie de website (met een uitvoerige, hagiografische biografie): http://www.bediuzzaman.org/ ; alsook de Engelstalige biografie op: http://www.risale-inur.com.tr/rnk/eng/tarihce/bsn.htm ]

Zoals ook het geval is, dus, voor de andere, moderne hervormingsbewegingen in de moslimwereld, moeten ontstaan en ontwikkeling van de N.-beweging gesitueerd worden in een context van confrontatie met de moderniteit, en bijgevolg "in een situatie van cultuurverlies en veranderende traditionele samenlevingen" (Roy 2005²:119-120). Voor Turkse moslimdenkers, echter, in de jaren '20 van de 20ste eeuw, nam die "westerse" moderniteit de concrete, politiek-institutionele gedaante aan van een "eigen", Turkse republiek, autoritair geleid door Mustafa Kemal (hij liet zich later "Atatürk", "Vader der Turken", noemen). Net zoals zijn land- en tijdgenoot, Süleyman Hilmi Tunahan (zie verder, § 6.4.2), daarom, beoogde Nursi in de eerste plaats een vorm van religieus-ideologisch verzet (Nursi sprak zelf van een "jihad") tegen de kemalistische laiklik (zie ook hoger), met als ultiem doel de herinvoering van de sharî'a.  Nogmaals, net zoals Süleyman, werd ook Nursi meer dan eens het slachtoffer van repressie van staatswege; in zijn geval zelfs nog na zijn dood: zijn stoffelijk overschot werd door de Turkse overheid ontvreemd en begraven op een onbekende plaats, om te vermijden dat zijn graf een bedevaartsoord werd voor zijn aanhangers. 

Inhoudelijk, echter, koos Nursi voor een, in vergelijking met Süleyman, gans verschillend antwoord op de uitdagingen van de moderniteit: geen "fundamentalistische" of misschien beter: ultra-orthodoxe terugplooiing op de (onveranderlijk geachte) geloofsbronnen en -idealen (de zgn. imitatio Muhammadi), maar een flexibele en eigentijdse interpretatie van de religieuze traditie. Dat moest het mogelijk maken het geloof te cultiveren zonder openlijk in conflict te komen met de moderniteit. De "brug" die aldus geslagen wordt tussen, meer in het bijzonder, islam en moderne wetenschap, blijft weliswaar religieus-ideologisch van aard: een belangrijk thema in Nursi’s teksten vormt de harmonie tussen het geloof in de Schepper en de resultaten van de moderne wetenschap, met ontwikkeling van het ideologische concept van een “islamitische wetenschap”; de moderniteit moest op die wijze geïslamiseerd worden. Daarbij werd, en wordt, vooral de strijd aangebonden tegen het westerse atheïsme en het darwinisme (met het principe, immers, van de natuurlijke selectie is het ontstaan van de mens niet langer te danken aan een speciale creatie door God).

Met haar typische combinatie van mystiek en rationalisme, is de Nur revivalist- en hervormingsbeweging de belangrijkste beweging van die aard in Turkije (het aantal aanhangers ervan wordt geschat op 5 miljoen). Nursi’s geschriften hebben, na de wettelijke ontbinding van de broederschappen (in 1925), een soort neo- of postsoefisme helpen vestigen. Het kennismonopolie van de traditionele godgeleerden en sheykhs werd doorbroken en de islamitische wetenschappen werden a.h.w. gedemocratiseerd; tegelijkertijd werden ook de wetenschappen gepopulariseerd, weliswaar binnen een islamitisch denkkader. Kenmerkend voor het modernisme van de Nur is de nadruk op de religieuze en morele bewustwording van het individu, als voorwaarde voor een (eventuele) transformatie van de maatschappij (cf. de leden worden rechtstreeks geworven, d.w.z. op individuele basis, zonder tussenkomst van een groep, zoals familie, corporatie, clan..., en zonder inwijdingsproces). Daartoe werden en worden rond de sleutelteksten van onder meer de Risale leeskringen of seminaries ingericht, de zgn. dershane's (letterlijk: “leshuizen”, of leesclubs) - men zou ook van "loges" kunnen spreken,wegens de mate van geheimhouding of althans discretie die in acht wordt genomen -, als een moderne vorm van socialisatie, op basis van vrijwilligheid. De nurcu’s komen er regelmatig (viermaal per week) samen om te mediteren over de Koran (die in het Arabisch wordt gelezen), de Risale en andere geschriften van Nursi. Die netwerken, echter, hebben behalve spirituele, ook meer algemene, educatieve, sociale en zelfs commerciële (business) functies gekregen. De N.-elite die eruit is voortgekomen, gaf grotere zichtbaarheid aan de nieuwe, Anatolische bourgeoisie (in onderscheid met de traditionele, West-Turkse élite, die de sociale basis vormt van het kemalisme). Als (leken)beweging is de N. tegelijkertijd open naar de buitenwereld én missionerend in opstelling. Zoals de Tablîgh, tracht men politieke betrokkenheid en conflict zoveel mogelijk te vermijden: d.w.z. dat men zich 'boven' de politiek probeert te houden (wat niet belet heeft dat ook de nurcu's in de jaren ‘70 en '80 in Turkije betrokken waren bij gewelddadige acties tegen links).

6.3.3.2. Na Nursi’s dood is de beweging opgesplitst in een achttal subrichtingen, op basis van een aantal breuklijnen (politieke, sociale, etnische en culturele). Vermoedelijk de belangrijkste ervan, vandaag, is de "neonurcu" tak die geleid wordt door Fethullah Gülen (geb. 1938). Deze internationaal bekende moslimintellectueel is de auteur van reeds meer dan 40 boeken, die o.m. ook in het Engels verspreid worden  (zie de website: http://www.fgulen.org/ of, alternatief URL,  http://www.fethullahgulen.org/, met teksten in een 10-tal talen). Gülen besteedt, behalve aan religieuze en spirituele thema's (bv. over het soefisme), opvallend veel energie aan de strijd tegen Darwins evolutieleer en het propageren van een creationistisch wetenschapsmodel, vaak in samenwerking met conservatieve katholieken en protestanten.  

[add. 2013: ondertussen zijn op het internet weinig of geen sporen meer terug te vinden van Gülens publicaties gericht tegen Darwin en de evolutietheorie, althans op niet-Turkstalige sites; bovenvermelde URL's voeren nu naar een Nederlandstalige site. Voor een "weerlegging van Darwin kan je nog wel hier terecht: "What is the Reason for the Persistence of Darwinism in the General Culture of the Masses, Though Many of Darwin's Hypotheses Have Been Challenged and Even Disproved?" (weliswaar een bijdrage van 2006): http://en.fgulen.com/questions-and-answers/2129-what-is-the-reason-for-the-persistence-of-darwinism-in-the-general-culture-of-the-masses-though-many-of-darwins-hypotheses-have-been-challenged-and-even-disproved ]

De bekendste auteursnaam, echter, op het terrein van het Turks-islamitisch creationisme is die van Harun Yahya. De naam is het schrijverspseudoniem van Adnan Oktar (geb. 1956), geestelijke leider van de zgn. Stichting voor Wetenschap en Onderzoek (Bilim Araştırma Vakfı). Ze werd opgericht in 1990 met als doel: "het uitroeien van de evolutietheorie en het materialisme in de Turkse samenleving" ; tweede belangrijk doelwit van HY is... de strijd tegen de vrijmetselarij (en, tot voor kort, de joden, zie hieronder). De islamitisch-ideologische productie van "Harun Yahya" - een 180-tal titels in velerlei talen (sedert kort gedeeltelijk ook in het "Hollands"): boeken, artikels, documentaires, video's, CD's, DVD's en, niet op de laatste plaats, wat de creatie betreft van zijn internationale reputatie, een uitgebreide website, www.hyahya.org, waar alle teksten vrij online beschikbaar zijn  - is dermate groot dat commentatoren veronderstellen dat achter de naam de arbeid schuil gaat van een gans team: "Harun Yahya is niet echt een persoon maar de vlag waaronder de meest prominente Turkse creationistische activiteiten plaats vinden", aldus de Turkse journalist, Taner Edis; over de organisatie achter het project of de oorsprong van de uitgebreide financiële middelen waarover het kan beschikken, is zo goed als niets bekend (zie Edis' kritische bijdrage, URL: http://www2.truman.edu/~edis/writings/articles/hyahya.html).

De Engelse versie van Yahya's populairste boek draagt als titel: "The Evolution Deceit. The Scientific Collapse of Darwinism and Its Ideological Background" (London 1999). HY's ideologische kruistocht tegen het "darwinisme" (en voor de "islam") wordt, met behulp van de massa aan beschikbaar propagandamateriaal, over de hele wereld gevoerd (bv. in Oekraïne, Azerbeïdjan, Kazakhstan, Pakistan, Indonesië, Maleisië, VS, UK, Hongarije, Servië, Kroatië, Bulgarije...), vaak ook via de officiële media (zendtijd op TV-stations, enz.). Op de website wordt ook een oproep verspreid voor de vorming van een "Islamic Union", weliswaar onder leiding van... Turkije. Ook andere actuele onderwerpen komen in de publicaties volop aan bod. Zo bijvoorbeeld het terrorisme in het algemeen, en de 11/9 aanslagen in het bijzonder: terwijl "Darwinisme en Materialisme" worden aangeklaagd als de ware schuldigen ervoor (zie http://www.harunyahya.com/32terrorism_darwinism_soc07.php), wordt de islam als "de oplossing" ervoor aangeprezen (zie: "Islam is not the source of terrorism, but its solution", URL: http://www.harunyahya.com/32terrorism_main_soc05.php) . De mate waarin het darwinisme inderdaad wordt opgevoerd als bron voor alle kwaad, in de moderne tijd, blijkt ook uit het boek "Fascism: The Bloody Ideology of Darwinism" (Istanbul, 2002). Overeenkomsten met het protestants creationisme, in de VS (cf. in de jaren 1920 brandmerkten fundamentalisten er de evolutieleer als de oorzaak voor W.O. I) zijn niet toevallig: de opkomst van het creationisme in Turkije, in de jaren '80 van de 20ste eeuw, volgde op de vertaling in het Turks van de geschriften van een nieuwe generatie van Amerikaanse fundamentalisten; heel wat materialen van HY zijn gewoon overgenomen, met minimale aanpassingen, uit westerse literatuur, onder meer van het Amerikaanse Institute for Creation Research (ICR) . Het feit dat de creationistische ideologie precies in een moslimland als Turkije vaste voet aan de grond heeft gekregen, cf. HY en FG, is niet toevallig: terwijl het land het meest (van bovenaf) gemoderniseerde en geseculariseerde moslimland is, kende het sedert de tweede helft van de 20ste eeuw een revival van de islamitische tradities, met het op de voorgrond treden van nieuwe, zogenaamde "moslimintellectuelen". [Zie ook de bijdrage van Martin Riexinger, "The Islamic Creationism of Harun Yahya", in ISIM-Newsletter, 11/2002, p.5; http://www.isim.nl; voor nuttige hyperlinks omtrent het hedendaagse, vooral Turks-islamitische creationisme, zie de kritische, Duitse website: http://wwwuser.gwdg.de/~mriexin/EvolutionIslam.html ]

PS Tot voor kort, stond Harun Yahya  ook "vooraan" in... het antisemitisch revisionisme: cf. het in 1995 verschenen boek "De Holocaust Leugen" (Soykırım Yalanı); op de website, weliswaar, 'verborg' het zich onder de titel "Holocaust Violence" (klikken opende dan "The Holocaust Hoax"). Het boek is ondertussen teruggetrokken en antisemitische passages zijn ook uit andere teksten verwijderd. Zie het artikel van: Ernst Haffmans, "Antisemitisme: het best bewaarde geheim in Turkije", in: De Koerden, ts. van het Koerdisch Instituut, jg. 5, nr. 27, nov-dec 2005, p. 12. In voetnoot 12 verwijst de auteur voor de voormalige aankondigings- en downloadpagina van "Holocaust Violence" naar het cache van Google. In 2003 is een Turkstalig boek op de website geplaatst, "Soykırım Vahşeti" ("Holocaust Gruwel"), dat effectief aan de judeocide gewijd is; wel behouden is een uitvoerig hoofdstuk over de nauwe samenwerking tussen Nazisme en Zionisme.

6.3.3.3. Tegen Gülen, die zelf sedert 1999 in de Verenigde Staten leeft, werd onder druk van de legerleiding in 2000 in Turkije een proces aangespannen wegens ondermijning van de seculiere staatsorde (Gülen had nochtans de militaire staatsgreep van 1980 gesteund); in 2003 werd hij, onder een amnestie, vrijgesproken. Tegelijkertijd geniet hij grote steun van tal van Turkse politici, bv. van voormalig (sociaaldemocratisch) premier Ecevit en nu van premier Erdoğan en de AKP-leiding. Dat bleek reeds bij de opening, in 1996, van een private universiteit, de Fatih Universiteit, in Istanbul, door een door FG geleide private stichting. In nog hogere mate, inderdaad, dan bij Nursi het geval was, is Gülens aandacht en inzet toegespitst op onderwijs en intellectuele vorming. Deze laatste worden in een veel bredere zin begrepen dan louter religieus: dus met inbegrip van de "seculiere" wetenschappen. FG-scholen (in Turkije een 500-tal) zijn, typisch, geen "islamitische" scholen; het gaat er vooral om een goed opgeleide elite of kaderpersoneel te vormen. Dat belet natuurlijk niet dat het ideologisch project op de achtergrond wel degelijk speelt. De modernistische ideologie die aldus door Fethullah Gülen verspreid wordt, kan worden samengevat onder drie noemers:

(1) islamisering van het Turkse nationalisme, waarbij dat laatste tegelijkertijd veel sterker speelt dan in de oorspronkelijke Nurculuk; daarmee samenhangend:

(2) uitbouw van een "Turkse islam", die in (superieur) contrast wordt gesteld met de "Arabische islam", en wiens eigenheid o.m. toegeschreven wordt aan de historische inbreng van het "Anatolische soefisme"; opmerkelijk: van contacten of samenwerking met instituties of bewegingen in de Arabische landen lijkt geen sprake te zijn; en

(3) islamisering van de moderniteit: deze laatste staat voor Gülen, in positieve zin, ook voor vrije-markteconomie (meer in het bijzonder in de zin van de neoliberale economische politiek), parlementaire democratie, het "Vrije Westen" (in het bijzonder: de VS), mensenrechten, e.d. 

Fethullah Gülens "volgelingen", de “Fethullahcılar” (ze worden ook wel eens de "jezuïeten van de Turkse islam" genoemd), worden op ca 3 miljoen geschat. Centraal in hun regelmatige samenkomsten (het onderscheidt hen van de "gewone" nurcular) staan lectuur en studie van de geschriften van Gülen, en niet zozeer die van Nursi. Van een hiërarchisch uitgebouwde organisatie, echter, is geen sprake: het gaat veeleer om een (horizontale) netwerken, verbonden aan een aantal concentrische cirkels rond Gülen (cf. de afwijzing van meer traditionele termen, zoals tarikat of cema'at, om de eigen beweging aan te duiden; de voorkeur gaat naar het moderne "birlik", dat gewoonlijk gebruikt wordt voor een culturele "vereniging"). In Turkije beschikt de FG-beweging, behalve over tal van (private) scholen en hogescholen, ook over hospitalen, financiële instellingen, eigen kranten (vooral de bekende krant Zaman, "De Tijd"), een TV-station (Samanyolu "De Melkweg"), een (internationaal) nieuwsagentschap (Cihan News Agency), een 6-tal radiostations, enz.

Zoals de bredere Nur-beweging, nochtans, is ook de FG-tak internationaal breed uitgewaaierd: naar Europa en, misschien méér nog, de VS, in de eerste plaats onder Turkse studenten; cf. het theologisch instituut in Berkeley, en het internationale magazine, “The Fountain, A Magazine of Critical, Scientific, and Spiritual Thought” . In 2003 werd Gülen door de University of Texas (Austin) opgenomen in een erelijst van "Helden van de Vrede" ("Peaceful Heroes"), naast Martin Luther King, Mandela, Gandhi, de Dalai Lama... Maar ze is ook aanwezig in Oost-Europa (bv. Albanië), Afrika, Australië, Zuid-Azië (bv. Bangladesh), Mongolië, China en Rusland (verschillende Russisch-Turkse scholen). Bijzonder vermeldenswaard is ook, na het verdwijnen van de Sovjet-Unie, de actieve FG-aanwezigheid in alle republieken van “Turks” Centraal-Azië. De beweging meet er zich religieus weliswaar een low profile aan en concentreert zich op educatieve functies, met oprichting van tal van scholen en hogescholen, internaten en opleidingscentra. De leerkrachten ervoor komen uit Turkije en de scholen promoten in de eerste plaats Turkije en de Turkse cultuur. Statistieken van januari 2001 geven bv. voor Kazakhstan: 30 hogescholen en 1 universiteit; 580 leerkrachten (uit Turkije) bedienen er 5.664 leerlingen; Kirghizistan: 11 hogescholen en 1 universiteit; Turkmenistan: 14 hogescholen, 1 universiteit; Uzbekistan: 17 hogescholen, enz. [Zie Bayram Balci, Fethullah Gülen’s Missionary Schools, ISIM-Newsletter, 9 (January 2002), p. 31; http://www.isim.nl ; nu ook zijn boek: "Missionaires de l'Islam en Asie centrale. Les écoles turques de Fethullah Gülen", (Institut Français d'Etudes Anatoliennes), 303 blz., Paris 2003]. In totaal is er sprake van reeds meer dan 300 onderwijsinstellingen, over de hele wereld.

Wat West-Europa betreft, onder FG's inspiratie zijn in Duitsland een 30-tal seminaries of centra, en enkele in Zwitserland, Nederland en België. Ze vervullen uiteenlopende functies waarbij ze zich vooral richten naar de vorming en/of educatieve begeleiding van scholieren en studenten; in vele landen, trouwens, werden en worden scholen opgericht. Ook hier kan gesproken worden van een bewuste politiek van low profile, zowel wat de "moslim"- als wat de "Turkse" achtergrond betreft. Wat daarentegen gezocht of beoogd wordt, is een erkenbaarheid op basis van educatieve en pedagogische kwaliteiten (met bv. bijzondere aandacht voor de achterstand, bij allochtone leerlingen, t.a.v. de landstaal). Of deze grote omzichtigheid op termijn succesvol zal zijn (cf. met het heersende, negatieve islambeeld, in het Westen, loopt men het reële risico hoe dan ook verdacht te worden van een "verborgen agenda"), zal alleen de toekomst kunnen uitmaken. Vanuit de FG-beweging, tenslotte, wordt ook sterk geïnvesteerd in de interreligieuze dialoog (Fethullah Gülen werd in 1998 ontvangen door de paus). Zie, voor Vlaanderen, vooral het Islamitisch Dialoog- en Informatiecentrum vzw, met centra in Hasselt en Gent; website: www.islam-info.be.

De dershane’s of nurcu-loges verbreiden zich dus over Europa, maar in vergelijking met het succes ervan in Turkije blijft de nurcu-beweging, wegens een zeker elitarisme, toch eerder zwak vertegenwoordigd in de emigratie. [zie o.m. Hakan Yavuz, “Being Modern in the Nurcu Way”, ISIM-NL 6/00, p. 7].

[Over Fethullah Gülen verscheen enkele jaren geleden in de VS een bundel (veeleer positieve) bijdragen: M. Hakan Yavuz and John L. Esposito (eds.), Turkish Islam and the Secular State: The Gülen Movement, Syracuse (New York), 2003, XXXIV+280 pp. Zie het interview met Hakan Yavuz: http://religion.info/english/interviews/article_74.shtml, en de boekbespreking door een journalist van de FG-krant, Zaman. ] [add. 2013: Voor een objectieve maar kritische bespreking van FH en de FH-beweging, zie Claire Berlinski, "Who is Fethullah Gülen?" in: The City Journal, Autumn 2012, URL: http://www.city-journal.org/2012/22_4_fethullah-gulen.html ].

 



Deel 3 Deel 1 Literatuur
De Ley-Index • CIE-Index

UPDATE: 21 mei 2011