"KERK EN STAAT" IN DE MIDDELEEUWEN

Een historische inleiding bij Marsilius van Padua's Defensor Pacis.

door Herman De Ley

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

HOOFDSTUK 2:

MARSILIUS' LEVEN EN WERK



Niet-controversiële en precieze gegevens over Marsilius' leven en activiteiten zijn veeleer schaars. Twee Latijnse brieven (in versvorm) vormen een belangrijke bron maar echt precieze data kunnen er niet worden aan gekoppeld. Het gaat om Epistula XII en XVI, in een vermanende toonaard geschreven door Marsilius' goede vriend: de notaris/dichter/historicus en politicus Albertino Mussato (zie verder, §2.3.). Vooral de XIIde"Ad Magistrum Marsilium Physicum Paduanum eius inconstantiam" ("Aan dr. in de physica/geneeskunde Marsilius van Padua, zijn inconstantie lakend...)", vermoedelijk te dateren in 1329-19,  is leerrijk in verband met Marsilius' jeugd en leerjaren. De andere brief dateert van 1327-28, en roept onze auteur op alsnog terug te keren naar moederstad Padua.[1] 

2.1. Marsiglio dei Mainardini - vermoedelijk Marsilius' juiste naam - werd geboren ergens tussen 1275 en 1280. Let wel: dit wordt afgeleid uit het 'gegeven' dat hij zovele jaren later, in het voorjaar van 1313, de functie van rector op zich nam van rector van de universiteit van... Parijs. Gelet op de ertoe vereiste cursus studiorum, kan vermoed worden (!) dat hij op dat ogenblik minstens 30 jaren oud was.

Marsilius' vader, Bonmatteo dei Mainardini, was notaris bij de universiteit van Padua; Marsilius' oom Corrado was eveneens notaris en zijn broer, Giovanni, bekleedde het (maatschappelijk in hoger aanzien staand) ambt van rechter.[2]
Marsilius' familie was dus "goed ingeplant in Padua's administratieve klasse" (Hyde). Tot die klasse behoorden ook: het college van de rechters en de gilde der notarissen. Zowel op het politiek-maatschappelijke als op het culturele plan speelden zij een doorslaggevende rol in de republiek (zie verder). Het civiele monument bij uitstek van dit rationele civiele regime - het kan vandaag gelukkig nog altijd bezichtigd en bewonderd worden - was en is het Palazzo della Ragione. Nog tot in 1797 functioneerde het als gerechtsgebouw. [3]
Mussato - zelf notaris en voorstaande politiek leider in de slotjaren van de Paduaanse republiek - bestempelt Marsilius dan ook als (qua 'klasse') "populanus" en "plebeius". Gelieve echter te noteren dat de popolo, die zoals in andere stadstaten in de 13de eeuw ook in Padua de plaats had ingenomen van de eerdere, aristocratische commune, nog altijd een erg exclusieve groepering was. Zij groepeerde de minder of meer begoede middenklassen van (kleine) grondeigenaars en (erkende) gildemeesters.  De làgere klassen - de zgn. popolo minuto (in contrast met ... de popolo grosso of grasso) - maakten géén deel uit van Padua's Comunanza; net zo min, natuurlijk, als de aristocratie van de magnati, aan het àndere, oppereind van de sociale ladder.

Wat Marsilius' studies betreft, weten we van Mussato dat hij na de Artesstudies (allicht in Padua), twijfelde tussen recht en geneeskunde, i.e. de twee praktische of toegepaste wetenschappen waarin de Italiaanse universiteiten bovenal gespecialiseerd waren. Op raad van Mussato, zette Marsilius zich aan de geneeskunde, en zulks bij "één van de meest vooraanstaande geleerden van zijn tijd". Doorgaans [4] wordt daaronder een allusie begrepen op PIETRO D'ABANO - behalve geneesheer en filosoof, ook astroloog, magiër (volgens sommigen, althans), en ook hij de zoon van een Padovaans notaris.

Na een medische opleiding in Italië, verbleef Pietro d'Abano een tijdje in Constantinopel. Hij leerde er vermoedelijk Grieks en bracht nadien een manuscript mee van de (ps-)aristotelische Problemata, die hij van commentaar voorzag. Marsilius bezorgde daarvan later een kopie aan Johannes De Janduno. Rond 1292 was Pietro in Parijs, zetel van de scholastiek; ca 1306 vestigde hij zich weerom en definitief in Padua. Marsilius was aanwezig bij zijn doodsbed, in 1315.

Pietro was auteur van een groots opgezet, encyclopedisch concordantie- en compilatiewerk: de "Conciliator Differentiarum".  Het had de pretentie àlle "verschillen": subjectieve (tussen filosofen, astronomen en geneesheren) zowel als objectieve (in de natuur der dingen; tegenstelling tussen mens en wereld, tussen mens en God...) met elkaar te verzoenen, en zulks in overeenstemming met de totale, concrete en natuurlijke eenheid van het universum. Van hieruit ontwikkelde hij ook een astrologische conceptie van de geschiedenis, in zijn "Oroscopo delle Religione".[5]

Hyde, 1966:303-304, evalueert Pietro's work als volgt:

"(Pietro's) works typify the scientific outlook of his age, in which the natural world was regarded as mechanististically subject to a hierarchy of causes".

Dat Abano bij dit alles een 'averroïst' zou mogen of moeten worden genoemd (het zogenaamde 'averroïsme', zoals 'gepercipieerd' in het katholieke Westen, ging uit van een volledig, natuurlijk determinisme) - zoals traditioneel, om te beginnen door de Inquisitie beweerd werd, wordt door hedendaagse historici ontkend.[6] Volgens Nardi 1958:73 dient Abano gesitueerd in "de lekenmilieus, die de Artesfaculteiten waren" ("leken-" in de zin van: niet-theologisch). Het programma ervan kan samengevat worden in de slogan: "de naturalibus naturaliter (over wat tot de natuur behoort dient op een natuurlijke wijze onderzocht te worden)"(ibid.). De alleszins "latente heresie", ook in de ogen van Abano zelf, bestond o.m.

"in het bevestigen dat de menselijke wetenschap een éigen methode en éigen rationele principes bezit, die verschillend zijn van die van de theologie, en dat er in het onderzoek naar de oorzaken van die natuurlijke fenomenen gen theologische concepten en bovennatuurlijke werkingsoorzaken dienen geïntroduceerd te worden." (Nardi, 1959:70).

De communale overheid koos, voor de versiering van de binnenwand van het 'Salone' van het al vernoemde Palazzo della Ragione, voor een eindeloze reeks van portretten, dierenriem- en andere sterrenbeelden, planeten en allegorische figuren (de oorspronkelijke fresco's werden door Giotto gecreëerd, maar gingen verloren in een brand van 1420; hun gerestaureerde, huidige vorm is het werk van Nicolò Miretto en Stefano da Ferrara). Het toont aan dat de belangstelling voor de ('heidense') astrologie en allegorie ook in niet-wetenschappelijke kringen heel levend was. [7]

Het ligt voor de hand dat Marsilius bij Abano niet enkel in de geneeskunde werd geïntroduceerd maar ook in de filosofie: tussen beide bestond er een quasi institutionele koppeling (cf. nog het Engelse woordje, "physician") - althans vanuit de "Arabische" traditie (zie Abû Bakr al-Râzî, of Rhâzes, Ibn Sînâ of Avicenna, maar ook Ibn Rushd of Averroës: zoals vele anderen, waren zij tegelijkertijd pratikerend arts én natuurfilosoof). De 'synergie' van geneeskunde en filosofie zou daardoor ook in het christelijke westen eeuwenlang werkzaam blijven.[8] Het is alleszins een feit dat Marsilius zowel in Padua als in Parijs de artsenijkunde zal beoefenen.

Die filosofie was onvermijdelijk een minder of meer 'heterodox' aristotelisme: cf. in Padua was het onderwijs in de Artes én in de geneeskunde nauw gekoppeld (zie ook verder, hoofdstuk 4, kap. 4.4.3.). Die tweevoudigheid helpt allicht begrijpen waarom we Marsilius in 1312 aantreffen in hét centrum van het westerese, Latijnse aristotelisme, Parijs, in zijn hoedanigheid van magister artium ( "hij moet al in Padua gepromoveerd zijn", Scholz, 1932:lv). Onopgemerkt bleef hij er niet: van december 1312 tot maart 1313 werd hij verkozen voor een normale ambtsperiode als rector.

In het kader van zijn beroep op de "experientia", DP II.18.6, lijkt hij naar zijn rectoraat te verwijzen in een vergelijking die een impliciete kritiek bevat op het primaatschap van Rome: "Op gelijkaardige wijze heeft, zoals de auteur van dit boek zelf gezien, gehoord en gekend heeft, ook de universitas van de geleerden van Orléans d.m.v. gezantschappen en brieven aan de Parijse universitas het verzoek en de smeekbede gericht, als was zij de meer beroemde en eerbiedwaardige (instelling), hààr (de Parijse) regels, privilegies en statuten te mogen hebben. En toch was zij noch ervoor noch erna in enige autoriteit of jurisdictie aan de Parijs universitas onderworpen".

Meer dan waarschijnlijk was het ook in deze eerste, Parijse periode dat Marsilius nauwe vriendschapsbanden sloot met JOHANNES DE JANDUNO (Jean de Jandun), ook hij een magister artium (in 1316 aangesteld tot directeur of Magister artistarum van het collegium Navarrae) en na het vertrek van Siger van Brabant de belangrijkste woordvoerder van wat traditioneel het 'heterodox' of 'averroïstisch aristotelisme', in Parijs, is genoemd nà 1277.[9] Zoals gezegd, bezorgde Marsilius hem de Griekse tekst, met commentaar, van de ps-aristotelische Problemata, van de hand van Pietro d'Abano. Wat de algemene 'filosofische' context betrof aan de Parijse universiteit, mogen we eraan herinneren dat Thomas van Aquino al heel wat jaren eerder gestorven was (in 1274), en dat op filosofisch-theologisch vlak de toon er gezet werd door denkers die kritisch afstand hadden genomen van diens platonisch-aristotelische synthese. De twee belangrijkste hiervan waren: de dominikanertheoloog DURANDUS VAN SAINT-POURÇAIN (c. 1270-1334), bijgenaamd de "doctor resolutissimus"; hij paste nog vóór Ockham diens fameus "mes" toe ("non sunt multiplicanda entia praeter necessitatem") en kantte zich met een vorm van nominalisme tegen Thomas' realisme; anderzijds de franciscanertheoloog PETRUS AUREOLI (Peter Oreole, 1275/1280 - 1322). Deze laatste verdedigde inzake een aantal traditionele kwesties een radicale, zo al niet provocerende positie (bv. inzake de predestinatie); op het vlak van epistomologie en zijnsleer wordt hem een vorm conceptualisme toegeschreven (als een tussenpositie tussen Thomas' realisme en Ockhams nominalisme): enkel singuliere of particuliere entiteiten bestaan in de volle zin van het woord, enz.

Nog tijdens die eerste periode heeft Marsilius vermoedelijk ook kennis gemaakt met de franciscanen MICHAEL VAN CESENA (verkozen tot generaaloverste in 1316; eerst tegen-, nadien medestander van de Spiritualen); UBERTINO VAN CASALE (woordvoerder van de 'Spiritualen'; auteur van het "Arbor Vitae Crucifixae", in 1305), en, misschien reeds, WILLEM VAN OCKHAM.[10]


2.2.
Marsilius' "inconstantia".

Reeds in déze periode, echter, dus vóór de DP, maakte Marsilius duidelijk dat hij géén genoegen zou nemen, zoals een rechtgeaarde 'scholasticus', met het teruggetrokken bestaan van de "vita contemplativa" (ze weze dan aangevuld met de geneeskunde): hij voelde zich ook sterk uitgedaagd door het politieke 'activisme'.

Het is precies op dit punt dat Mussato, in Ep. XII, tot Marsilius het verwijt richtte van "inconstantia". Zo stelt hij hem de vraag:
'Vera refert, quod tu studii de tramite sacri
lapsus ad infandos hominus te vertereris actus?"
"Is het bericht waar dat jij, afgedwaald van het pad van de gewijde studie, je tot de onuitsprekelijke daden van de mensen keert?"
Hoewel Mussato zelf, als burger, net zoals de andere Paduaanse '(pre)humanisten', of nog in hogere mate dan zij, politiek actief was, blééf hij dus als litteratus vasthouden aan het middeleeuwse ideaal van een contemplatief, onthecht leven (zie Hyde 1966:302).

Vermoedelijk al een eerste maal rond 1311 treedt Marsilius in dienst van de twee leiders van de Ghibellijnen, Can Grande della Scala en Matteo Visconti: rond 1311, bij zijn eerste vertrek uit Padua (Quillet, p. 10), en een tweede maal in 1318/19. Mussato verwijst naar de twee Ghibellijnen met de woorden "Lombardorum tyranni rebelles papa". De eerste maal dat Marsilius "van het wijde pad der studie afwijkt", in 1311[11], valt samen met de komst naar Italië van Hendrik (VII) van Luxemburg. De tweede maal neemt hij deel aan een gezantschap dat aan een Franse prins (de latere Charles IV) de leiding over de Ghibellijnse liga gaat aanbieden (mede door tussenkomst van de Curie mislukt dit project).

Het bevreemdende hieraan is dat een Paduaan als het ware 'van huis uit' tot het Welfische kamp, ofte de pars Ecclesiae, behoorde: zoals Hyde schrijft (1966:257), was Welfisme gedurende 50 jaar en meer in Padua synoniem geweest met politieke orthodoxie. De negatieve reactie op zijn politieke keuze vanwege zijn goede vriend Mussato toont aan dat zij ook in Marsilius' onmiddellijke omgeving als een "shock" werd ervaren. Dat alles doet Quillet (1968:9) spreken van een merkwaardige politieke "bekering". Trouwens, ook op dit vlak lijkt onze auteur van enige "inconstantia" blijk te hebben gegeven: tot tweemaal toe, immers, heeft hij zich door de paus in Avignon een kerkelijke prebende - onder meer een kanunnikschap in Padua - doen beloven. Dat was evenwel de normale wijze, in de middeleeuwen, waarop de Kerk voorzag in de materiële behoeften van de studiemensen.

Moeten we concluderen dat Marsilius dan om 'laag bij de grondse' redenen - carrièrisme, geldgewin... - 'verraad' heeft gepleegd aan de 'vrijheidsidealen van zijn geboortestad en zijn klasse'? Mijns inziens dienen bij die politieke keuze (voor de keizer) alvast enige relativerende bemerkingen te worden gemaakt.

Vooreerst moet worden opgemerkt dat de Duitse keizer die in 1310-1311 naar Italië komt - Hendrik van Luxemburg -, ten einde er zich te laten kronen tot koning van het Regnum Italicum, althans aanvankelijk komt met de volle zegen van de paus (Clemens V). Hendriks bedoeling is te bemiddelen tussen de twee partijen. Bovendien zijn er gezanten uit Padua aanwezig bij zijn kroning in Milaan, januari 1311; en tijdens de lente volgen er onderhandelingen tussen Padua en de keizer, met de bedoeling om een compromis te vinden waardoor Padua zich 'trouw aan het rijk' kan tonen zonder enig reëel verlies van onafhankelijkheid (Hyde 1966:255).[12]

Het is pas het verlies van Vicenza - dat onder Paduaanse dominantie stond sedert 1266 - dat, in 1312, tot een breuk leidt tussen de Comunanza en de keizer. Niet, echter, vooraleer, 's keizers voorstellen, die verdedigd waren door Mussato (!), verworpen zijn door de Consiglio Maggiore. Dat leidt dan weer bijna automatisch tot de fatale oorlog met Verona, d.w.z. met Can Grande della Scala, de 'keizerlijke vicaris' van Verona en, sedert begin 1312, van Vicenza.


2.3. Albertino Mussato.

Wat vervolgens de objectie betreft van Marsilius' 'plebeïsche' afkomst, moet aangestipt worden dat de Paduaanse fratalea notariorum ofte de notarissengilde als onderdeel van de 'administratieve klasse' maatschappelijk een veeleer dubbelzinnige positie innam. Zonder enige twijfel was zij één van de peilers van de commune: haar diensten waren absoluut essentieel voor gelijk welke administratie in kerk en staat; haar leden bemanden de beheers- en bestuursorganen van de Comunanza, en, alleen al door hun dagelijkse beroepsbezigheden, hielden zij zich op in de onmiddellijke omgeving van het centrum van de macht.[13]

Desalniettemin was de maatschappelijke positie van de individuele notaris in het algemeen niet hoog (sociaal-economisch was er weliswaar een grotere heterogeneïteit): "de gemiddelde notaris was een lager lid van de popolo, dat individueel van weinig tel was" (Hyde). Bovenal, zo merkt Hyde op (1966:169), was de notaris die als individu een politieke rol wou spelen "gewoonlijk afhankelijk van het patroonschap van een magnaat of een groep van magnaten, die (hij) klaarblijkelijk diende(n) als hun agent(en) binnen de commune" (PS Zoals verder nog zal opgemerkt worden, waren de 'magnaten' buitengesloten uit de Comunanza).

Dat gold met name voor Marsilius' dichte vriend, Albertino MUSSATO (1261-1329). In diens carrière kwamen "de sterkte én de zwakheid van de positie van de notaris, de mogelijkheid tot (sociale) vooruitgang én de afhankelijkheid van patroons" het scherpst tot uiting (Hyde 1966:165).

Zelf van zeer lage afkomst, leefde Mussato eerst onder de bescherming van een rijke buur om nadien, bij diens dood, de beruchte geldlenersfamilie van de Lemici als nieuwe patroons te verwerven. Kort daarop... werd hij lid van de Consiglio Maggiore. Hoewel Mussato's leidende rol in de commune, rond 1310, ongetwijfeld mee tet danken was aan zijn talenten als redenaar en diplomaat, kwam er geen eind aan zijn afhankelijkheid van de steun van de Lemici. Vandaar, wanneer in 1325 de macht van de Lemici gebroken wordt door de Carraresi, vertrekt Mussato in ballingschap (zie Hyde 1966:165-168).

Wat betekende dat voor de concrete politiek-ideologische opstelling van een Mussato? Wel, vooreerst drukt hij in zijn teksten bij herhaling een groot misprijzen uit voor de gildeleden "and all that they stood for" (Hyde 1966:274): zij zitten z.i. verstrengeld in hun "sordidis commerciis" en moeten, en plus, verantwoordelijk worden gesteld voor alle rampspoed die de Paduaanse commune overvallen heeft (op het einde van de 13de eeuw hadden alle Paduaanse gilden, via de Unie der Gilden, hun inbreng in de Comunanza aanzienlijk vergroot). Mussato zelf ging de levenswijze en het gedrag imiteren van de adel (Hyde 1966:260-161). Hij volgde daarmee trouwens een tendens die algemeen was voor de opkomende stedelijke bourgeoisie: zij dienden voor zichzelf een plaats te zoeken in een wereld die tot dan toe gedomineerd was door de idealen van de clerici en de feodale adel (Hyde 1966:300).

Wat in dit verband nog Marsilius' "keuze" voor het keizerrijk betreft, moet aan het bovenstaande worden toegevoegd dat ook Mussato, net zoals andere onderlegde juristen, beïnvloed was door het ideaal van de keizer als universele behoeder van het recht (cf. het Romeins recht, in de late oudheid gecodificeerd onder keizer Joustinianos) - burgerlijke juristen neigden er derhalve bijna ipso facto toe om 'imperalisten' te worden (Hyde 1973:85). Met Hendriks komst was Mussato derhalve diep onder de indruk gekomen van "the glamour" van de keizerlijke titel en de historische associaties ervan.[14] Zoals hoger al opgemerkt, in het beslissende debat in Padua, in 1312, verdedigde Mussato het voorstel van de keizer. Pas nadat de meerderheid van de raad zich ertégen had uitgesproken, sloot Mussato zich onmiddellijk aan bij die meerderheid en werd één van de felste verdedigers van de oorlog met Can Grande (Hyde 1966:259).


2.4.
  Marsilius' heftige verontwaardiging.

Dat alles helpt Marsilius' politieke keuze enigszins in perspectief te plaatsen. Uiteindelijk reageert hij zoals vele andere leden van zijn klasse. Daaraan moet nog het volgende toegevoegd worden, wat die keuze voor de Ghibellijnen en tégen de paus betreft: enkele jaren eerder was het traditionele Welfische verbond uiteengevallen dat sedert een halve eeuw 'de lakens had uitgedeeld' in de Marca Trevigiana (behalve Padua ook Verona, Vicenza, Treviso en Ferrara), namelijk de alliantie tussen de Pars Marchionis (de markiezen d'Este) en de Pars Ecclesiae. In 1309 namen pauselijke troepen Ferrara in, de persoonlijke signoría van de Estensi sedert 1264; en in 1312 organiseerde de pauselijke vicaris van Ferrara zelfs de politieke moord op Francesco d'Este - waarna paus Clemens V de signoría toevertrouwde aan de Anjou Robert van Napels.

Deze manifestatie van wereldlijke machtspolitiek vanwege de paus en diens manifeste verantwoordelijkheid voor de politieke turbulenties die ermee gepaard gingen, hebben vermoedelijk een invloed gehad op Marsilius' keuzes. Uit de sterk emotionele toon van verschillende kapittels van de DP, vooral in d. II, blijkt dat hij bij zijn keuze voor het keizerlijke kamp en, later, bij de redactie van de DP, zeker niet enkel bewogen werd door persoonlijke belangen maar door een reële bewogenheid, woede zelfs, om de grote miserie en ellende waarin niet enkel zijn vaderstad maar gehéél "Italië" was gestort.

Zo eist hij in II.26.19 van de "zogenaamde Romeinse bisschop" dat hij eindelijk zou beseffen dat hij verantwoordelijk is voor de gewelddadige dood van duizenden gelovigen en, wat nog erger is, voor hun eeuwige verdoemenis omdat hij ze heeft opgezet tegen hun wettige heersers (cf. de zogenaamde "kruistochten" die de pausen tegen hun vijanden uitriepen en waarbij iedere misdaad die in die strijd werd begaan, van tevoren werd kwijt gescholden). De rest van de gelovigen zijn óók ongelukkig omdat zij vrezen een gelijkaardig lot te zullen ondergaan:

"Want hun geest is overrompeld door haat, nijd en strijd, waaruit nadien oorlogen volgen; nadat ook van rechtschapen (personen) van beide geslachten de zeden en het gezond verstand gecorrumpeerd werden, zijn hun geesten en lichamen volledig in de greep gekomen van alle soorten van ondeugden, losbandigheden, misdaden en vergissingen. Hun kroost, die moest instaan voor hun nakomelingschap, is gedood, hun rijkdom opgebruikt, hun huizen afgebroken en vernietigd, hun civitates - eens groot beroemd, zijn verlaten en ontvolkt, hun akkers onbebouwd en in de steek gelaten, zodat zij de gewoonte verloren hebben om de gebruikelijke vruchten te leveren; en, wat van dat alles het meest betreurenswaardig is (!), de goddelijke eredienst is zo goed als volledig opgehouden (in Italië), (waarbij) de kerken en tempels, beroofd van hun rectoren of zielsherders, in eenzaamheid zijn vervallen... Wié, dan, zoon van dit vaderland of deze moeder, eens zo mooi en nu zo misvormd en verscheurd, zou zo hardvochtig kunnen zijn dat hij, wanneer hij deze zaken ziet en kent, en bij machte is te handelen tegen degenen die haar zo onrechtvaardig verraden en verscheuren, zou kunnen zwijgen en de geest van protest tot God inhouden?!"

Het feit dat Marsilius dan effectief de pausen - d.w.z. hun aanspraak op de plenitudo potestatis - aansprakelijk stelt voor deze ellende, kan behalve door de in deze tijd zo goed als universele verontwaardiging om de manifeste verloedering - corruptie, geldzucht, hoererij, misdadigheid, enz. - van de clerus, allicht mee verklaard worden door zijn persoonlijke ervaring met de machtspolitiek van de paus (levend in Avignon) en de ook voor Padua kwalijke gevolgen ervan, bv. in het geval van Ferrara, 1308-09.


2.5.  De periode tussen 1312 en 1324.

Laten we, na voorgaande uitweiding, terugkeren naar Marsilius' biografie. Voor de periode tussen 1312, zijn Parijs rectoraat, en 1324, de voltooiing van de DP, zijn er slechts enkele min of meer concrete aanwijzingen beschikbaar. Ze roepen een beeld op, zo al niet van "onstandvastigheid", dan toch van onrust en onzekerheid. Zoals Scholz (1932:lv-lvi) het formuleert: "es scheint eine unruhige Periode des Suchens nach einem Auskommen, einem Amte gewesen zu sein". Die onrust zien we a.h.w. ruimtelijk uitgedrukt in Marsilius' vele verplaatsingen. Overlopen we even de gegevens:

2.5.1. In 1315 is hij in Padua: hij wordt vermeld als één van de getuigen bij de geloofsbelijdenis die Pietro d'Abano aflegt op zijn sterfbed (eerder datzelfde jaar was door de Inquisitie een derde proces tegen d'Abano ingespannen wegens ketterij). Marsilius beoefende in deze periode waarschijnlijk de geneeskunde, in Padua (zo Prévité-Orton 1928:x).

2.5.2. Zoals vele anderen, profiteert Marsilius in 1316 van de pauswisseling om aan de nieuwe paus, Johannes XXII, een prebende te vragen. Op 14 oktober 1316 wordt hem inderdaad, op voorspraak van twee kardinalen, (het vooruitzicht op) een kannunikschap aan de kathedraal van Padua toegezegd; later, op 5 april 1318, wordt dat een reservatie op het eerste vakant komende beneficium in het Paduaanse bisdom. Marsilius is hierbij zelf zijn zaak gaan bepleiten in Avignon: dat mag worden afgeleid uit zijn 'ooggetuigenverslag' in DP, II.24.16-17. Het dagelijkse reilen-en-zeilen in dit "Babylon van het Westen" (zo Petrarca, zowat 30 jaar later), typeert Marsilius als volgt:

 "Indien de gelovigen, zoals ik vraag, hun ogen zouden richten op (deze priesters), ogen die lang misleid zijn door de sluier van de sofistische oprechtheid die door de meesten wordt gedragen, dan zouden degenen die zelf een bezoek hebben gebracht aan de Romeinse Curie, of beter, om naar waarheid te spreken, aan dat huis-van-commercie en al te verschrikkelijke 'rovershol' (Matth xxi.12-13), uit zichzelf duidelijk zien; of degenen die er zich ver hebben van gehouden, zouden het leren door het relaas van een grote massa van geloofwaardige personen: dat (de Romeinse Curie) het toevluchtsoord is geworden van omzeggens alle criminelen en commerçanten, zowel in geestelijke als in wereldlijke goederen. Want wat vind je daar anders dan een toeloop van simionakers van overal? Wat anders dan het lawaai van advocaten, de beledigingen van lasteraars, agressie tegen rechtschapenen?... Ik, die het gezien heb en er was, had de indruk dat verschrikkelijke beeld te zien waarvan in Daniel, kap. 2, gezegd wordt Nabuchodonosor het zag in zijn droom...".

2.5.3. In een brief van 29 april 1319 meldt Johannes XXII, met bitterheid om zoveel ondankbaarheid, dat "illum Ytalicum qui dicitur Marcillo" één van de twee leden was van een gezantschap bij de Franse prins Charles, in opdracht van de Ghibellijnse "tyranni", en meer bepaald van Matteo Visconti. Volgens Prévité-Orton (l.c.) was het Marsilius' indiensttreding bij deze Visconti (die in 1317 door de paus geëxcommuniceerd was) die direct leidde tot de conceptie van de DP; hij acht het zelfs niet uitgesloten dat in deze periode reeds een eerste versie ervan tot stand kwam.[15] In de DP zoals hij ons voorligt, verwijst Marsilius alleszins op een uitdrukkelijk positieve (vleiende) manier naar deze Milanese alleenheerser, II.26.17:

"Met zulke methodes... is de moderne zogenaamde Romeinse paus tekeer gegaan en gaat hij voortdurend nog tekeer, samen met zijn ministers, die hij 'legaten' noemt, tegen de reeds vaak vernoemde Lodewijk, koning der Romeinen; zo ook zijn ze tekeer gegaan tegen diens vicarissen en trouwe onderdanen, vooral in de provincies van Lombardije, Toscanië en de Mark van Ancona. Op een geheel bijzondere wijze, echter, heeft hij één van hen tot hier toe vervolgd, namelijk die genereuze, nobele en illustere katholiek, een man die ondere de overige Italianen opvalt door de deugdzaamheid en de ernst van zijn levenswandel, Mattheo Visconti van goede nagedachtenis, op keizerlijk gezag vicaris van Milaan...".

2.5.4. Zoals gezegd, mislukte Marsilius' politieke zending, mede door de interventie van de Curie. Hierna - d.w.z. na wat door Marsilius als een tweevoudige mislukking kan ervaren zijn: ook van een kerkelijke prebende was nu geen sprake meer - lijkt een nieuwe wending in zijn leven te zijn ingetreden. Terwijl hij na 1213 was teruggekeerd naar Padua, klaarblijkelijk met de bedoeling er te blijven (Hyde 1966:307, met verwijzing naar de pauselijke toezeggingen van 1316 en 1318), lijkt hij onvoorzien rond 1319 Padua te hebben verlaten. In 1320 vinden we hem dan ook terug in Parijs, waar hij werkzaam is als arts.

Scholz (1932:lvi-lvii) spreekt van een "klaarblijkelijk diepgaande verandering", die uiteindelijk geresulteerd heeft in de DP. Marsilius zou zich rond deze tijd politiek op Duitsland zijn gaan richten. Anderzijds, aangezien hij in 1326 een bijbelcursus zou aankondigen, moet hij ten minste sedert 1320 gestart zijn theologie te studeren (in functie van zijn DP project?). Nog tijdens deze tweede Parijse periode doceerde Marsilius waarschijnlijk ook de aristotelische logica en metafysica: er zijn twee handschriften teruggevonden op zijn naam, die problemen uit de logica behandelen, en één met een commentaar op de eerste zes boeken van Aristoteles' Metaphysica. Zijn vriend, Johannes de Janduno, die in 1316 een kannunikdij in Senlis had bekomen en daar nog in 1323 een De laudibus Parisius had geschreven (waarin hij de mening verkondigde dat de universele monarchie aan de koning van Frankrijk toekwam), heeft hem ten vroegste tegen het einde van 1323 in Parijs vervoegd.


2.6. Voltooiing van de Defensor Pacis

Aan het slot van de DP, in een toevoeging aan het manuscript van Tortosa (wellicht het persoonlijk exemplaar van Marsilius)[16], deelt Marilius ons mee dat het werk voltooid werd "in het jaar 1324, op het feest van (Johannes) de Doper [i.e. 24 juni]. Lof en glorie zij u, Christus!"

Wat de onmiddellijke historische context betreft, waarin de tekst tot stand kwam, moet vooreerst gewezen worden op het nieuwe conflict dat in 1322 gerezen was tussen de paus en, dit keer, de gehele orde van de franciscanen (of: minorieten), onder leiding van hun generaaloverste Michael van Cesena. Steen des aanstoots was de stelling - door het generale ordeskapittel van Perugia tot een onaantastbare waarheid uitgeroepen - dat Christus en zijn Apostelen noch persoonlijk noch gemeenschappelijk eigendom in hun bezit hadden gehad. Nadat de paus deze leer als ketterij had veroordeeld, werd hij zelf door de orde tot ketter uitgeroepen, en de hiërarchische kerk als apostatisch verklaard.[17]

Ongeveer gelijktijdig was ook een nieuw conflict uitgebroken tussen keizer en paus. Ludwig van Beieren had in 1322 zijn concurrent, Frederik van Oostenrijk, uitgeschakeld en weigerde te wachten op de pauselijke approbatio: met de instemming van de zeven Keurvorsten riep hij zich tot keizer uit, stelde een eigen rijksvicaris voor Italië aan, verleende steun aan de Ghibellijnen, enz. Als reactie daarop werd hij in 1324 door Johannes XXII geëxcommuniceerd. De repliek daarop volgde op 22 mei 1324 met de zogenoemde "Appellatie van Sachsenhausen". De verschillende anti-pauselijke krachten: Duitse en Italiaanse Ghibellijnen, oppositionele kardinalen en franciscanen sloten zich hierin samen in één front. De "zich noemende paus Johannes" werd in de appellatie bestempeld als "inimicus pacis", "vijand van de vrede", "heiligschenner en onbeschaamde ketter" (sc. wegens zijn veroordeling van de leer van de absolute armoede), en er werd een oproep gelanceerd voor een algemeen concilie.

Verschillende historici wijzen op het nauwe verband tussen de "Appellatie", enerzijds, en Marsilius' DP, anderzijds. Zo schrijft Quillet (1968:22): "L'Appel de Sachsenhausen peut être considéré comme fondamental pour l'intelligence du Defensor Pacis". Scholz (1932:lvii), anderzijds, meent dat het "gewis geen toeval" is dat de DP amper enkele maanden na de Appellatie afgesloten werd: "Seine grosse politische 'Denkschrift' war von vornherein darauf berechnet, mitzuwirken in de anti-päpstlichen Aktion". Deze laatste opmerking, echter, doet al onmiddellijk de vraag stellen of het werk soms te laat is gekomen (het is zeker niet bestemd voor een Frans publiek).

Indien de DP inderdààd het product is van Marsilius' "politische Hinwendung zu Deutschland" (Scholz, l.c.) - Marsilius zelf schrijft, I.1.6., dat het aan Ludwig toekomst als "dienaar Gods" om "aan dit werk de voltooiing te geven die er, naar de wens van het (werk), van buitenaf [i.e. door politieke actie] moet aan te beurt vallen" - dan is de volgende vraag, vanzelfsprekend, waarom Marsilius twee jaar gewacht heeft, namelijk tot in 1326, om, nog wel gedwongen door het publiek-worden van het auteurschap van de DP, de tocht naar Duitsland aan te vatten?[18]

Wat daar ook van zij, in 1326 vlucht Marsilius, samen met zijn vriend Johannes de Janduno, naar het keizerlijke hof in Nürnberg. Mogelijk waren de onderhandelingen nog niet afgerond, want hun ontvangst zou aanvankelijke niet erg bemoedigend zijn geweest (aarzelde Ludwig om verwikkeld te geraken in de kerkelijke strijd? zo Scholz, 1932:lviii). Dat veranderde echter snel. Enkele maanden later, 3 april 1327, worden ze beiden, als die "duos viros nequam perditionis filios et maledictionis alumnos", i.e. "twee nietsnutten, zonen van het verderf en kwekelingen van de laster", door de paus verketterd; en in oktober van hetzelfde jaar wordt de DP, samen met de keizer, door de Curie in 5 punten als ketters veroordeeld.

Hieraan kan nog worden toegevoegd dat korte tijd nadien, in 1328, Michael van Cesena (sedert 1327 gevangen) en Willem van Ockham (reeds gevangen sinds 1324), samen met Bonagratia van Bergamo, de algemene procurator van de franciscanerorde, uit Avignon weten te ontsnappen en eveneens een toevlucht zoeken bij Ludwig. Deze laatste heeft op dat ogenblik zijn "Romfahrt" beëindigd en bevind zich te Pisa.

"Aan diens hof verenigden zich op die manier het kerkelijk én politiek verzet tegen het pausschap, aangezien paus en koning ondertussen tot verklaarde tegenstanders waren geworden" (Post, o.c., p. 14).


2.7. Keizer Ludwigs "Romfahrt".

Het wérd al gezegd: méér dan welke scholastische auteur ook werd Marsilius bij het schrijven van zijn DP gedreven door de bekommernis niet enkel 'de wereld te begrijpen', maar bovenal ook haar te 'veranderen'. Zoals Sternberger (1981:6-7) het formuleert (ik vertaal uit het Duits):

"Eerst en laatst wil hij tot handelen oproepen; met al zijn filosofische en theologische bagage, met alle uitvoerigheid, ook breedvoerigheid van de argumentaties wil hij zelf acties voorbereiden, zelfs inleiden. De theorie zou hier langs een rechte weg moeten overgaan in de praktijk, moet tot praktijk worden".

 Marsilius echter wil niet enkel ànderen bewegen tot politieke actie (zie zijn 'adres', II.25.18: "aan u, koningen, prinsen, volkeren, stammen en (mensen van) alle talen"): hij is bereid ook zélf de stap te zetten naar de maatschappelijke praktijk. Dat blijkt bv. uit het slot van Dictio I, I.19.13:

"Iedere mens is dat verschuldigd aan een medemens door een quasi natuurwet, namelijk menselijke vriendschap en gemeenschap. En dus opdat ik niet, door die wet bewust te schenden, minstens voor mezelf als onrechtvaardig zou bestempeld worden, neem ik mij voor deze pest [de wereldlijke macht van de clerus] van bij mijn broeders, gelovigen in Christus, te verdrijven, eerst door onderricht en vervolgens door externe actie, zoveel als ik daartoe in staat ben".

Welnu, als intellectueel raadsman van Ludwig kreeg Marsilius zeer snel het (voor een politieke denker eerder zeldzame) voorrecht om zijn theorieën in de praktijk om te zetten: in 1327, amper drie jaar na de DP, vergezellen hij en Johannes de Janduno de koning op diens "Römerzug".  Met deze Italiaanse expeditie (mogelijk geïnspireerd door Marsilius) poogde Ludwig, als zovele Duitse vorsten vóór hem, zijn politiek gezag over het Regnum Italicum te herstellen. Uitdrukkelijker echter dan de acties van vorige keizers, was deze onderneming gericht tegen de paus en diens 'wereldlijke' aanspraken.

Begin 1328, dan, trekt Ludwig, op uitnodiging van het "Romeinse volk" (d.w.z. van de Ghibellijn Sciarra Colonna, één van de vier syndici van de Romeinse stadsrepubliek - zoals gezegd, de paus zat in Avignon), Rome binnen. Nog dezelfde maand, op 17 januari, laat hij zich a.h.w. volgens de preciese richtlijnen van de DP door hetzelfde Populus Romanus kronen tot Imperator Romanorum - d.w.z. dat dezelfde Sciarra Colonna hem, vóór het verzamelde "Volk", de keizerkroon op het hoofd drukt.  Datzelfde jaar, op Hemelvaartsdag 1328, wordt de paus van Avignon, Johannes XXII, "door onze autoriteit samen met de gehele clerus en het Romeinse volk" veroordeeld en afgezet wegens ketterij.[19]  Tegerlijkertijd wordt door "de Romeinse prins en het volk" (zoals Marsilius het formuleert, bv. DP, II.25.9) een tegenpaus verkozen: de franciscaan Petrus van Corbara, die de naam van Nicolaas V aanneemt.

Omzeggens alle moderne commentatoren zien achter die gebeurtenissen 'de hand' (beter: de geest) van Marsilius. Zo bv. Scholz (1932:lviii): "die Ereignisse in Rom sind wesentlich von Marsilius mitgeleited worden; sie schienen den Sieg der Theorien der DP zu sein" (ook De Lagarde, l.c.; Sternberger 1981:8, e.a.). Marsilius zou trouwens aangesteld zijn als 's keizers vicaris over de Romeinse clerus. De wijze waarop hij daarbij 'orde' schiep, d.w.z. de aanhangers van Johannes XXII vervolgde, werd door tijdgenoten als 'onmenselijk' aangeklaagd. Zijn goede vriend, Johannes de Janduno, werd op 1 mei 1328 aangesteld als bisschop van Ferrara en, op 14 juli, als raadgever en secretaris van de keizer.[20]

Nog datzelfde jaar, evenwel, moest Ludwig, wiens financiële middelen uitgeput raakten (zodat zijn troepen smolten als sneeuw voor de zon), onder druk van de Anjou-koning van Napels en tevens wegens een revolte van de Populus Romanus, Rome verlaten en, via Pisa, terugkeren naar Duitsland (Johannes de Janduno stierf tijdens deze terugtocht). Ludwigs Italiaanse onderneming was daarmee. Zoals nogmaals R.R.Post, in zijn Handboek van de Kerkgeschiedenis, schrijft (1962-63:15):

"Na 's keizers vertrek uit Rome was de rol van de tegenpaus uitgespeeld. In 1330 onderwierp deze zich aan Johannes XXII. Maar van de andere kant kon Johannes de afzetting van de keizer niet doorzetten".

Maar dezelfde auteur voegt hieraan toe:

"Noodlottiger voor de kerk dan de keuze van een tegenpaus werkten de invloedrijke geschriften van de partijgangers van Lodewijk, die de suprematie van de staat boven de kerk verdedigden en het bovennatuurlijk karakter van het pausschap en zijn gezag over de Kerk principieel bestreden, op een wijze, zoals tot dan toe niet geschied was. De voornaamste zijn Marsilius van Padua en Willem van Ockham".


2.8. Marsilius' slotjaren en Opera Minora.

2.8.1. De translatione imperii.

Er is vooreerst Marsilius' De Translatione Imperii. Hij had het werkje al aangekondigd op het eind van zijn DP, II.30.7. Het betreft een polemiek met Landolfo Colonna; diens traktaat, geschreven tussen 1317 en 1324 wordt door Marsilius in ruime mate gekopieerd. Die "curialist" had het traditionele standpunt verdedigd dat de "translatio imperii" of "verplaatsing van het keizerrijk" - sc. van het oosten naar het westen, d.w.z. "van de Grieken naar de Germanen" - in rechte gerealiseerd was door de paus (cf. de kroning van Karel de Grote door Leo III op Kerstdag 800), zodanig dat de keizerlijke macht afhankelijk was van de pauselijke autoriteit.

Marsilius, in een 'historisch' onderzoek ook naar de voor- en nageschiedenis van de translatio,[21] erkent dat de transfert van het imperium inderdaad de facto uitgevoerd is door de "Romeinse clerici". Hij moést dat wel erkennen (net zoals de andere, keizerlijke ideologen) omdat alleen van daaruit de Duitse 'Roomse keizer' als een 'rechtstreekse' erfgenaam van Augustus kon worden beschouwd. Maar zijns inziens heeft dat initiatief enkel rechtsgeldigheid (de iure - het onderscheid 'de facto - de iure' vinden we in dit verband al terug in DP, II.30.7) gekregen door de "acclamatio" nadien vanwege het verzamelde "Romeinse volk". Zie Transl., kap. ix (p. 420 J-Q):

"a cuncto Romano populo acclamatum est: Karolo Augusto, a Deo coronato, magno et perfecto imperatori, vita et victoria de caelo subministretur".[22]

Op basis, dus, van de methode van historische kritiek die hij al in DP had uiteengezet, gaat Marsilius er in dit traktaat op een systematische manier toe over de historische 'gegevens' over het Romeinse imperium te toetsen aan de norm van de rede en het recht. Dat leidt dan tot een 'geschiedenis' van dat imperium, vanaf zijn 'oorsprong' tot aan Ludwig van Beieren, die aldus de legitimiteit, de onafhankelijkheid en de universaliteit van het Romeinse rijk historisch moet justifiëren (Quillet, in Jeudy-Quillet 1979:344).


2.8.2. Defensor Minor.

DP en Transl. waren allebei gericht tegen 'de vijand': het pauselijke kamp. De Defensor Minor, daarentegen, die volgens Quillet (in J-Q 1979:158) te dateren is in 1339-40, is een (bitsige) repliek op de kritiek van een tegenstander binnen het éigen kamp: Willem van Ockham. Quillet (o.c., p. 160) beklemtoont in dit verband

"l'originalité de la situation où avait été placé Marsile, obligé de répliquer à un adversaire de l'intérieur, si l'on peut dire. Dans le DP, les adversaires appartiennent au camp des idéologues de la théocratie pontificale; ici, il s'agit d'un compagnon de route contre lequel la critique est encore plus violente".

'Steen des aanstoots' voor Marsilius vormde vooral Ockhams Dialogus de potestate papae et imperatoris, een omvangrijk werk, tot stand gekomen in het kader van de ideologische strijd tussen keizer en paus. Met name in het derde deel ervan, geschreven in 1339-40 en gewijd aan het probleem van de pauselijke plenitudo potestatis, leverde Ockham een radicale kritiek op de stellingen van de DP. Dat geldt in het bijzonder voor De potestate papae et cleri (i.e. het 1e traktaat). Bv. in boek IV, dat de kwestie behandelt van het primaatschap van Petrus, kopieert Ockham omzeggens integraal kap. 16 van dictio II van de DP, om de thesis ervan - dat het om een ménselijke stelling gaat - vervolgens te verwerpen.

Ockham, die het product was van een geheel verschillende culturele omgeving, lid was van een religieuze orde en, als zodanig, voor alles theologisch veeleer dan politiek gericht was, had de pijlen van zijn kritiek overwegend op Marsilius' ecclesiologie gericht. Zijn bezwaren op dat vlak golden vooral de centrale marsiliaanse thesissen: 1°) dat de Bijbel, i.e. de 'kanonieke' teksten in de strikte zin, de enige bron van autoriteit is, en 2°) dat het algemene concilie een onfeilbare autoriteit is voor de interpretatie ervan (zie Quillet, in J-Q 1979:146).[23] 

Dat verklaart waarom de Defensor Minor zo goed als uitsluitend aan ecclesiologische kwesties gewijd is, meer in het bijzonder aan de kwestie van de pauselijke plenitudo potestatis "in het het beheer der geestelijke goederen". Marsilius herneemt in deze tekst de voornaamste stellingen van dictio II van de DP (die in het incipit de naam krijgt van "Defensor Pacis Maior") ten einde ze te verduidelijken en een aantal punten, die in de DP slechts even waren aangeraakt, verder uit te werken. Hij gaat met name in op de praktische consequenties van de pauselijke macht:

na een uitvoerige behandeling van het "sluitstuk van de theocratische positie" (Quillet, ibid., p. 165), namelijk de "macht van de sleutels" (Mattheus xvi.19), in kap. i-v, behandelt Marsilius vervolgens de biecht (kap. v, 6-21), de penitentie (kap. vi), de aflaten, mede in verband met bedevaart en kruistocht (kap. vii), de gelofte (kap. viii-ix), de excommunicatie (kap. x). In kap. xi heeft hij het dan over de 'volheid van de macht' "in ministrandis spiritualibus"; in kap. xii over het algemene concilie en kap. xiii-xvi over het huwelijk.

Quillet's slotappreciatie luidt (in: J-Q 1979:168):

"On retrouve donc, dans le Defensor Minor, l'ensemble des thèmes ecclésiologiques déjà développés dans le DP. De 1324 à 1340, la pensée marsilienne s'est précisée, durcie en fonction des besoins de la polémique, mais, fondamentalement, elle répond de manière cohérente à l'objectif principal précisé dès l'exorde du DP: détruire jusque dans ses fondements la doctrine de la plénitude de puissance pontificale".


2.8.3. De matrimonio...

In het slotkapittel van de Defensor Minor verwijst Marsilius naar een probleem "dat ons werd voorgelegd", namelijk of de wereldlijke overheid het recht heeft een huwelijk te ontbinden, en dispensatie te verlenen voor bloedverwantschap.

Het betreft hier een allusie op de zogenaamde 'Maultasch affaire'.
Margaretha Maultasch ("met de grote mond"), gravin van Tirol en Karinthië, had in 1341 haar echtgenoot, Jan Hendrik van Luxemburg (zoon van de koning van Bohemen, uit Tirol verjaagd. Keizer Ludwig zag hierin een gelegenheid om, via een huwelijk met zijn zoon, Tirol onder de controle van de Wittelbachs te brengen. Een hinderpaal daartoe vormde niet enkel het bestaande (kinderloze) huwelijk, maar ook de bloedverwantschap in de 3de graad tussen Margaretha en Ludwig junior. Na enkele tribulaties weigerde het Duitse episkopaat om die hinderpalen op te heffen. Aangezien Ludwig ook niet kon rekenen op de goodwill van de paus (nu: Benedictus XII), aan wiens hof Jan Hendrik een toevlucht had gezocht, wendde de keizer zich tot zijn twee raadgevers, Marsilius en Ockham. Op basis van die adviezen werd dan op 10 februari 1342 het huwelijk ingezegend tussen Margaretha en Ludwig van Brandenburg, in aanwezigheid van de keizer.

De 'affaire' gaf aanleiding tot vier teksten (bewaard in het zgn. 'manuscript van Bremen' b.25, 2de helft van de 14de eeuw, zie Jeudy-Quillet 1979:80-83):

-- twee niet-gedateerde akten in naam van de keizer, waarvan de ene de echtscheiding uitspreekt (de zgn. Forma divortii), en de andere aan Margaretha dispensatie verleent (de zgn. Forma dispensationis);

-- het 'advies' van Marsilius, waarvan de lange titel door Jeudy-Quillet wordt samengevat onder De Matrimonio;

-- het 'advies' van Ockham: Consultatio de causa matrimoniali.

Wat Marsilius' aandeel betreft in dit verband, moet worden vastgesteld dat de Forma dispensationis omzeggens volledig en tekstueel terug te vinden is in kap. xvi van de Defensor Minor. Het antwoord van Marsilius, anderzijds, bestaat - met uitzondering van aanhef en slot - uit (gedeelten van) kapittels xiii, xiv en xv van hetzelfde werk (J-Q 1979:150-154). In tegenstelling tot de vroegere uitgever van de DM, C.K.Brampton, komt Quillet tot de conclusie dat deze gelegenheidsteksten werden samengesteld nà de Defensor Minor, in 1341 (Brampton dateerde de DM in de laatste maanden van Marsilius' leven, in 1342). Daarbij heeft Marsilius enkele passussen weggelaten over de natuur van het huwelijk, die tegelijkertijd een meer theoretisch en meer polemisch (anti-Ockham) karakter hadden (bv. DM xv.5 e.v.). Alle aandacht gaat naar de conclusie dat de "coactieve" echtscheidingsuitspraak ("iudicium divortii coactivum") tot de jurisdictie behoort van de "legislator humanus",  i.e. de "principans auctoritate legis humani" (DM xv.3; zie reeds de DP II.21.8 en III.2.19).[24]

De "Maultasch affaire" was de laatste gelegenheid waarbij Marsilius optrad als keizerlijk raadgever. Uit een brief van paus Clemens VI, gedateerd op 10 april 1343, kan worden afgeleid dat hij kort nadien, vermoedelijk in 1342, overleden is. Clemens heeft het hierbij over Ludwig, die Marsilius en Johannes de Janduno tot aan hun dood met zich heeft "meegesleept": "Ipse enim Marsilium de Padua et Johannem de Janduno heresiarchos et de heresi condemnatos sustinuit et secum traxit usque ad mortem eorum".




NOTEN:


[1] Het is een heikele taak om achter Mussato's poëtische allusies de historische feiten en gebeurtenissen terug te vinden. Dat verklaart ook waarom door de modernen zeer uiteenlopende data zijn voorgesteld voor de compositie van de brieven. Marangon 1977:95 kiest voor 1319, onder verwijzing naar Pincin 1967:44-45. Prévité-Orton 1928:ix n5, plaatst de brief zelfs nà Marsilius' vlucht uit Parijs naar Duitsland, 1926. Onbegrijpelijk slordig (nog maar eens?) is Quillet 1968:12 schrijft ze dat de brief  "grâce à la critique interne" kan worden gedateerd eind 1311, begin 1312; p. 16, echter, schrijft ze dat Prévité-Orton hem in 1318 (?) dateerde, eraan toevoegend: "ce qui est plus vraisemblable - sc. dan de datering in 1311 door N.Valois. 

[2] Hyde 1966:165-165.

[3] Voor een reeks foto's, ook van de binnenruimte (bijgenaamd "het hangend plafond") en het grote houten paard, zie Sebastiano Scatto, Padua. City of Art and Light (2003), pp. 4-5 en 32-40.

[4] Maar niet algemeen: J.Haller 1929:179, bv., dacht aan Willem van Brescia; Scholz, o.c., p. LVI n.1, aan Johannes de Janduno, enz.

[5] Zie Dethier 1978, II/II. 

[6] Zie B.Nardi 1958:1-74. Hij stipt aan dat het "Paduaanse averroïsme" als een continue traditie, pas in de 15de eeuw van start zou gaan. Cf. 1444 Copernicus komt naar Padua; in 1592 komt de wiskundehoogleraar Galileo Galileï vanuit Pisa... Het eerste publieke horloge werd al in 1344 uitbesteed (aan Jacopo Dondi).

[7] Hyde 1966:305 stipt Abano's invloed aan op de geschiedenisvisie van Mussato (zoals bv. in tragedie, Ecerenide, en in zijn De Traditione Patavii ad Canem Grandem. De astrologische zijde ervan was weliswaar "an unprofitable dead end". "De onderliggende assumptie, echter, dat de stadstaat, als een menselijke gemeenschap, beschouwd kan worden als een natuurlijk fenomeen dat onderworpen is aan natuurwetten, was revolutionair en potentieel wereldschokkend". Hij voegt daar nog aan toe dat hoewel Mussato dat blijkbaar niet wist toen hij (zijn late werken) aan het schrijven was, "deze assumptie zo pas de basis had geleverd voor het meesterwerk van een àndere balling, de DP van Marsiligio" (Mussato moest na 1325 in ballingschap gaan).

[8] Zie mijn syllabus, "Het Klassieke Arabische Denken", Inleiding (2), op deze site.

[9] In dat jaar, zoals bekend, werden door de bisschop van Parijs (eigenlijk al voor de twééde maal: cf. 1272, met een kort lijstje) de beruchte "219 stellingen" veroordeeld (daaronder ook enkele 'thomistische' - maar Thomas was ondertussen al overleden).

[10] Quillet, 1968:18. De 'Spiritualen' verdedigden o.m. een radicale visie inzake de evangelische armoede.______________________

[11] Scholz, 1932:lv, prefereert 1314; Prévité-Orton 1928:10 situeert Marsilius' "bekering tot het Ghibellinisme" zelfs na 1316.

[12] Vermeldenswaard in verband met de hooggespannen verwachtingen die Hendriks troonbestijging en komst naar Italië opriepen, is nog dat Dante juist in deze periode - d.w.z. tussen 1309 en 1313 - zijn De Monarchia schrijft. Hij houdt hierin een pleidooi voor het herstel, door de keizer, van de "quietas et tranquillitas pacis".

[13] Zie Hyde 1966:173-175. De notarissengilde, die rond het begin van de 14de eeuw tot tegen de 600 leden telde (op een bevolking van amper ca 35.000, zie Hyde 1966:162), zou in haar statuten van 1325 haar sociale betekenis zelf als volgt formuleren: "de mannen van (deze) gilde waren en zijn degenen die de gezamenlijke publieke lasten en de plichten van (deze) civitas hebben gedragen en dragen, en door wie omzeggens de gehele civitas bestuurd wordt" (geciteerd bij Hyde 1966:246). 

[14] Hyde 1966:258. Hyde suggereert dat Mussato's aanvankelijke aarzelingen overwonnen werden, "largely, one suspects, because of the friendship and personal favours bestowed on him by Henry". Zie ook ibid., p.302: "Like Dante, Mussato fell under the spell of Henry VII and was therefore quite incapable of making the revolutionary reappraisal of Roman history in favour of the republic as against the empire which was eventually achieved by Vergerio and (Leonardo) Bruni some sixty years after his death".

[15] Ook Quillet 1968:9 meent dat de DP reeds vanaf 1318, in Parijs, "onder constructie" was.

[16] Het ms. biedt een herziene tekst en is, zoals gezegd, wellicht, het persoonlijk exemplaar van Marsilius, zie Prévité-Orton, 1928:xxxvii, en Scholz, 1932:xxix.

[17] Zie R.R.Post, Handboek van de Kerkgeschiedenis, vol. III, p. 13.

[18] Sternberger, 1981:24 n.7, onder verwijzing naar Pincin, 1967:149 n.3 (die zich steunt op de anonieme voortzetting van de Kroniek van St.Denis), suggereert als verklaring dat Marsilius in Parijs verwanten van Ludwig had ontmoet en hen om hun persoonlijke bemiddeling had gevraagd om hem bij Marsilius te introduceren - "en dat vraagt tijd".

[19] De 'ketterij' bestond erin dat Johannes XXII het gezag van het Imperium had geloochend. De afzettingsakte zou opgesteld zijn door Marsilius en Sciarra, zie De Lagarde 1970:6.

[20] Het bericht als zou Marsilius door de keizer tot aartsbisschop van Milaan zijn benoemd, noemt Scholz 1932:lviii n.1, "sicher Erfindung".

[21] Voor Marsilius' typisch middeleeuwse opvatting van de geschiedenis, zie Quillet in Jeudy-Quillet, 1979:341-367.

[22] Vgl. ook kap. vi: de afzetting van een koning en aanstelling van een nieuwe, "propter rationabilem causam", komt uitsluitend toe aan de "universitas" van de bewoners van dat gebied, burgers en edelen, of "het meest gewichtige deel ervan" (met uitdrukkelijke verwijzing naar DP, dictio I, kapittels 12, 13, 15 en 18.

[23] Met Marsilius' visie op de civiele maatschappij, daarentegen, had Ockham zich grotendeels kunnen verzoenen: in het tweede traktaat van het IIIa pars van de Dialogus, De potestate et iuribus romani imperii, nam hij de marsiliaanse 'politiek' in grote trekken over, aldus Quillet, l.c. en p. 160. Damiata 1983, echter, die een speciaal appendix (II) wijdt aan een vergelijking tussen Marsilius en Ockham (pp. 277-292), wijst op enkele belangrijke verschilpunten, ook op het vlak van de politieke theorie: z.i. geeft Ockham, wiens individuele vrijheid bedreigd werd door de paus, blijk van een meer pluralistische visie op het openbare leven en een grotere bekommernis om de 'iura et libertates' ook van het individu (daartegenover Marsilius, die veeleer bekommerd is om de vrijheid van de civitas: hij maakt van de politieke organisatie finaal de énige publieke organisatie, met uitsluiting van elke andere structuur). Vandaar dat Ockham aan de paus, zij het causaliter, niét: regulariter, het recht geeft om tussen te komen op het politieke terrein. Voor Ockham, zie ook De Lagarde, vols. IV & V.

[24] Ockham was tot een gelijkaardig praktisch besluit gekomen, maar dan gebaseerd op meer gematigde, traditionele argumenten: z.i. had de keizer slechts "causaliter" het recht om tussen te komen. - Terwijl Léon Baudry, in zijn werk, Guillaume d'Occam, t.I: L'homme et les oeuvres, Paris 1950:223, nog tot de conclusie kwam dat de keizer de radicale oplossing van Marsilius verwierp om zich bij die van Ockham aan te sluiten, schrijft Quillet, in J-Q 1979:154, dat Ludwig zich, zij het zonder enthoesiasme, aansloot bij het standpunt van Marsilius.

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

Update: 4 juli 2008