"KERK EN STAAT" IN DE MIDDELEEUWEN

Een historische inleiding bij Marsilius van Padua's Defensor Pacis.

door Herman De Ley

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

HOOFDSTUK 3:

DE NOORD-ITALIAANSE COMMUNE TUSSEN KEIZER EN PAUS




 3.1. De voorgeschiedenis.

Reeds in het midden van de 12de eeuw deed Otto van Freising, de Duitse geschiedschrijver (en broer van keizer Conrad III), er zijn beklag over dat in 's keizers Regnum Italicum (grosso modo Lombardije, Toscanië, Emiglia en Ligurië) de steden dermate gebrand waren op de "vrijheid" ("libertate tantopere affectant") dat ze zich tot republieken hadden omgevormd, bestuurd door zelfgekozen consuls in plaats van door feodale heren.[1]

In contrast met de rest van West-Europa, inderdaad, ging Noord-Italië zich in de 12de eeuw presenteren als een lappendeken van stadstaatjes. Volgens Hyde (1966:11) moet dat verschijnsel verklaard worden als de specifieke manier waarop zich, in dat gebied, de algemene "breakdown" had gerealiseerd die in de 9de en 10de eeuw àlle onderdelen van het voormalige Karolingische rijk was komen te treffen. De ontbinding van het centrale gezag, en meer in het bijzonder het onvermogen van de koningen om externe agressies af te weren (zoals Noormannen, Saracenen en Hongaren), bracht in West-Europa een maatschappelijke reorganisatie op gang die, rond het jaar 1000, leidde tot de vestiging van een nieuwe maatschappelijke en economische orde: de feodaliteit. Zij was gebaseerd op de twee peilers van de 'grondheerlijkheid' (cf. het oudere 'hofwezen', "seigneurie domaniale") en, bovenal, de 'rechtsheerlijkheid' ("seigneurie banale"); en op het politiek-juridische domein werd ze gekenmerkt door een typische fragmentering of verkaveling van de macht (met substitutie van de soevereiniteit door persoonlijke relaties).

Dat zgn. 'leenstelsel', uitdrukking van een agrarische economie, kwam tot zijn volle ontplooiing in het kerngebied van het Karolingische rijk: tussen Loire en Rijn. In Italië, echter, stuitte het op twee, onderling verbonden hindernissen: de vitaliteit van de stedelijke tradities en het opkomende geldverkeer.[2] De domaniale economie, die er nooit echt wortel schoot, werd vrij vlug vervangen door het systeem van langdurige (erfelijke) verpachtingen (de zgn. livelli). Wat de feodale jurisdicties betreft (banrechten, tollen, taksen, enz.), die zich in eenzelfde stad in een complete wirwar opstapelden, de strijd hiertegen zou "de voornaamste uitdaging vormen voor de opkomende commune" (Martines, 1980:11).

In de periode tussen de 6de en de 10de eeuw waren vele antieke steden gewoon verdwenen, door verarming en ontvolking; in andere echter was de continuïteit van een stedelijk leven nooit verbroken. Met de ineenstorting van het Rijk in het Westen en het wegvallen van het staatsgezag, waren de stedelijke gemeenschappen voor hun bescherming, het onderhoud van de stedelijke infrastructuur (wegen, bruggen, riolen...), de administratie, enz. in toenemende mate op zichzelf aangewezen. Er zijn aanwijzingen dat de stedelingen daartoe in vergaderingen: de conventus civium, bijeenkwamen. Bovenal lijken de kerkelijke instellingen een belangrijke bijdrage te hebben geleverd tot die zelforganisatie. Reeds in de  loop van de 4de eeuw waren in de meeste steden bisschopszetels gevestigd. De verkiezing van die bisschoppen werd toevertrouwd aan de lokale gelovigen, clerus en leken: de congregatio fidelium. Dergelijke verkiezingen (die achteraf moesten geconsacreerd worden) vonden plaats op de zgn. conventus ante ecclesiam, de "conventies vóór de kerk". Zij vormden een krachtige stimulans bij de totstandkoming van een stedelijk corps dat de totaliteit van cives of burgers omvat (Celli 1980:46 n.6).

In de erop volgende eeuwen van anarchie zouden de stedelijke bisschoppen en de conventus ante ecclesiam in toenemende mate een politiek-bestuurlijke rol vervullen. De conventus ante ecclesiam bleef functioneren onder de Gothische, Lombardische en Frankische overheersing en bleef, behalve de verkiezing van de bisschoppen, ook civiele en administratieve functies uitoefenen. Op die manier werd een mate van continuïteit verzekerd van de stedelijke gemeenschappen van de Romeinen en behield men zelfs een minimum aan autonomie (m.i.v. gemeentelijk eigendom). Onder de Karolingers en, later, de Duitse keizers werd de 'wereldlijke' rol van de bisschoppen nog versterkt, doordat de vorsten in toenemende mate een beroep op hen gingen doen voor het bestuur van de graafschappen. Het resultaat was dat tegen het midden van de 11de eeuw "de meeste van de belangrijke Lombardische steden geregeerd werden door hun bisschop" (Hyde 1966:12).

Ook die bisschoppen echter zagen zich verplicht, ten einde hun gezag te handhaven, hun territorium op te splitsen en als leengoederen toe te vertrouwen, in ruil voor 'leendienst', aan de hoge stedelijke adel. Die zogenaamde capitanei gingen dan op hun beurt, ten einde hun autoriteit op het platteland te consolideren, op hun beurt 'achterlenen' uitdelen aan de kleine plattelandsadel: de valvassores. Deze laatsten, echter, die aldus aan sociale status wonnen, graviteerden naar de stad om er, rond 1030, in conflict te komen met de capitanei (Martines 1980:6).


3.2.
Creatie van de 'commune'.

Vanaf het einde van de 10de eeuw ging middeleeuws West-Europa een algemene economische heropleving kennen die, vermoedelijk, in de eerste plaats te danken was aan een "agrarische revolutie" (Hyde, p. 13). In  Italië werd ze gestimuleerd door het vroegtijdig verdwijnen van het domaniale systeem. De nieuwe agrarische organisatie, op basis van de livellarii, en de stijgende prijzen moedigden tal van innovaties aan en het ontginnen van braakliggende gronden. De sterke demografische ontwikkeling die hiermee gepaard ging, bracht onvermijdelijk de heropbloei mee van de steden. Ten einde die surplusbevolking te kunnen absorberen, dienden niet-agrarische bronnen van levensonderhoud te worden aangeboord: "in a phrase of Prof. Lopez, commerce became the frontier of the Italians" (Hyde, l.c.).

Dezelfde historicus, nochtans, beklemtoont dat de ontwikkeling van lange-afstandshandel zowel als van stedelijke nijverheid in hun lokale context dienen geplaatst te worden: anders gezegd, in hun relatie tot de contado, i.e. het stedelijke platteland. Zo controleerde Firenze, dat het grootste industriële centrum vormde, het grootste territorium in centraal Italië. Wat Hyde doet schrijven (p. 17) dat  "met enkele zeldzame uitzonderingen, de rijkdom van de eigen contado de belangrijkste hulpbron vormde van elke Italiaanse stad". Conditio sine qua non, daarom, voor de groei van de Italiaanse steden in de 11de en 12de eeuw was dat zij de controle verwierven over het hen omringende territorium, dat hen voorzag in levensmiddelen en grondstoffen. Welnu, "de instelling door middel waarvan deze politieke dominantie gerealiseerd werd, was de commune" (Hyde, ibid.). Het ontstaan van die 'commune' moet, zeer algemeen, gesitueerd worden binnen de toenemende spanningen en conflicten - op het sociale, politieke zowel als religieuze vlak - die in de 11de eeuw ontstonden in het kielzog van de stormachtige economische groei van de Noord-Italiaanse steden; de ontwikkeling van die spanningen en conflicten werd niet binnen de perken gehouden door het centrale, keizerlijke gezag dat zo goed als onbestaande werd in het derde kwart van die eeuw (met de dood van keizer Hendrik III, in 1056, en de minderjarigheid van Hendrik IV, zie Martines, 1980:14).

'Politieke' conflicten binnen de heersende klasse (adel en hogere clerus) konden, via de religie, gemakkelijk een voor die klasse gevaarlijke, sociale dimensie krijgen. Dat wordt bewezen door de Milanese "Pataria".

In 1045 werd door de keizer een nieuwe bisschop aangesteld, afkomstig uit een familie van grote landeigenaars in de omgeving van Milaan. Het verzet hiertegen - de nieuwe bisschop werd beschuldigd van 'simonie', corruptie, e.d. - lokte het ontstaan uit van een religieuze volksbeweging van voornamelijke leken (maar wel geleid door clerici), de zgn. Pataria. Zij wou de Kerk zuiveren van immoraliteit, simonie, corruptie, concubinaat, enz. De Patarini behaalden een 10-tal jaren de overhand in Milaan (ze kregen de steun van de pausen, zoals Gregorius VII). Door een toenemende radicalisering, echter, moesten ze uiteindelijk, in 1075, het onderspit delven tegen het verenigd front van clerus, capitanei en valvassores. De zegevierende adel consolideerde daarop haar nieuwe heerschappij via de vorming van een 'commune' (Martines, pp. 14-17).
Het initiatief inderdaad om onder elkaar een soort van belangenvereniging op te richten - de 'commune' - kwam uit de heersende bovenlaag: stedelijke aristocratie, maar ook rijke burgers (handelaars en geldschieters) en landeigenaars uit de contado: d.w.z. al degenen die 'het meest te verliezen hadden' bij de heersende politieke chaos. De commune is als zodanig "essentieel een eedverbond van private individuen die samenkomen als gelijken om hun gemeenschappelijke belangen te behartigen" (Hyde 1966:17). Het ging dus om een 'privé-initiatief', dat niet voortkwam uit oudere, overlevende publieke instellingen (zoals de conventus civium); in een later stadium evenwel werd ze er wel op geënt, wegens de politieke en bestuurlijke zwakte van de bestaande instellingen.

Let wel: tot de initiatiefnemers van de 'eedverbondenen' behoorden ook de landeigenaars uit de contado; het zou dus fout zijn de commune als een louter stedelijke groepering te beschouwen: "de nauwe onderlinge afhankelijkheid van stad en platteland is (net) één van de kenmerken van de Italiaanse scène", aldus Hyde (1966:19). En die nauwe relatie zou ook blijven bestaan wanneer de popolo de hegemonie in de commune zou bezitten (vele gildemeesters bezitten grond in de contado: herbergiers hebben hun eigen wijngaarden, enz.).

De concrete omstandigheden dan waarin de communes het effectieve bestuur in handen kregen, in de steden, waren zeer uiteenlopend. Het kon gewelddadig zijn - in een conflict met de bisschop bv. - maar dat hoefde geenszins. In vele gevallen bleven oude en nieuwe structuren een tijd naast elkaar bestaan, of werd de graaf of bisschop zelfs in de commune opgenomen. We zouden daarom best spreken van een herschikking van de macht binnen de bestaande heersende klasse, dan van een strijd tussen twee onderling exclusieve en vijandige groepen (Hyde 1966:19).

Die afwezigheid van een "clear-cut division" (Hyde 1973:48) tussen oude en nieuwe orde maakt dat we het preciese 'geboorteuur' van de Italiaanse commune en de preciese omstandigheden van haar ontstaan moeilijk of niet kunnen vatten. Eén van de eerste 'tekenen' die in alle studies vermeld worden, is het keizerlijke 'diploma' met privilegies dat Hendrik IV in 1081 toekent aan "de burgers" van Pisa. Dat zelfde Pisa, dat in deze periode al belangrijke maritieme expedities organiseerde, bezat tegen 1085 ook verkozen consuls - de eerste die ons bekend zijn voor een Italiaanse stad (Waley, 1978:25). Dat 'consulaire' systeem verspreidde zich in de jaren erna zeer snel over de Toscaanse en Lombardische steden. Rond het midden van de 12de eeuw dan installeerde zich in alle belangrijke steden van Noord- en Centraal-Italië een communaal regime: Milaan, Parma, Pavia, Piacenza, Genoa, Verona, Bologna, Siena, Firenze, Padua...

Het feit dat de vestiging van de commune in vele gevallen neerkwam op een "herschikking" van de macht binnen de bestaande heersende klasse, belette niet dat zij een breuk tot stand bracht met de oude feodale orde. Zelfs in de eerste 'consulaire' commune, die nog overwegend aristocratisch van samenstelling was, werd met de verkiezing van de consuls, de eed die zou moesten afleggen voor de raad, de raad zelf (het ledenaantal liep vroeg in de honderden, voor de belangrijke steden), enz. het principe in de praktijk gebracht dat de politieke autoriteit door de gemeenschap verleend werd. In tegenstelling tot de feodale orde, waarin de macht hiërarchisch neerdaalde 'van boven', kwam de macht nu 'van beneden'. Onder meer Hyde (1973:54-55) en Celli (1980:44) aarzelen daarom niet om van een "revolutie" te spreken.


3.3. Clans versus
popolo.

Deze stadsrepubliekjes vormden uiteraard geen homogene entiteiten: hun bestaan en ontwikkeling werden bepaald door interne (en externe) tegenstellingen, en als zodanig waren ze het resultaat van een 'equilibratie' die altijd uiterst precair bleef.

3.3.1. In eerste instantie waren er de (groeiende) tegenstellingen binnen de heersende klasse zelf. Precies op het moment dat de commune successen behaalde in de vestiging van haar jurisdictie, en aan macht en bestuurlijke efficiëntie won, werd het in toenemende mate 'de moeite waard' om voor die macht te strijden; de commune ging als gevolg daarvan verscheurd worden door de strijd tussen de aristocratische fracties (Larner, 1980:112). Een centrale rol hierin speelden de familie- en verwantschapsstructuren.[3] De periode van de vorming van de communes, inderdaad, was ook die van de vorming van de zgn. consorterie, eedverbonden tussen familieleden die zich (al dan niet terecht) als afstammelingen beschouwden van eenzelfde voorvader. Die interfamiliale 'clans' hadden eveneens als hoofdfunctie de bescherming van leven, goederen, rechten enz. van hun leden (inclusief verwanten, kliënten, enz.). Uit dien hoofde verwierven ze een soort van jurisdictie over die leden (bijvoorbeeld met betrekking tot het regelen van huwelijken, erfenissen, enz.; eventueel beslisten zij over leven en dood). Bovenal organiseerden zij de gemeenschappelijke militaire (zelf)verdediging. Dat gebeurde in de eerste plaats door de bouw van een toren in de stad - vandaar dat men ook spreekt van societates turris, "torengemeenschappen" -; maar ook, en minstens even belangrijk, was de rol van de vendetta, of bloedvete, tegen leden van andere clans. Die bloedwraak was door de adel meegebracht van het platteland naar de stad, en, mede door de cultus die errond ontwikkeld werd,[4] zou zij in toenemende mate desintegrerend werken op de stabiliteit van de communes. Bovenal echter leidde de machtsstrijd tussen de aristocratische clans, die zich bij voorkeur in eigen wijken en straten vestigden, binnen de beperkte ruimte van de stedelijke centra tot frequenter wordende uitbarstingen van straatgeweld en soms regelrechte burgeroorlog (cf. Martines, 1980:44).

3.3.2. De fenomenale expansie van de Noord-Italiaanse steden, tussen 1150 en 1250, en de economische 'boom', zowel in de landbouw, de nijverheid als de handel, leidde in deze periode ook tot de opkomst van nieuwe sociale krachten, in de gedaante van de gilden en de popolo.

De gilden, die sociale en religieuze functies combineerden met economische (reglementering van productie, handel, transport...), verschijnen in alle belangrijke steden op het toneel bij de aanvang van de 13de eeuw. In de eerste helft van die eeuw gaan ze vervolgens de ruggegraat vormen van radicale politieke bewegingen gericht tegen het machtsmonopolie van aristocratie en hoge burgerij (groothandelaars en bankiers). Opgesplitst als ze oorspronkelijk waren in hun beroepsorganisaties, werden ze in de eerste plaats door het toenemende 'straatgeweld' als het ware gedwongen zich te verenigen (met de steun, trouwens, van 'overgelopen' edelen). Op militair vlak ging die societas populi over tot de vorming van eigen milities (de zgn. società d'armi), die het hoofd konden bieden aan de aristocratische geweldenaars. Op het politieke vlak, anderzijds,  gingen zij zich tot een soort van 'partij' uitbouwen. Deze politieke organisaties van ambachtslui, kleine grondeigenaars e.d. namen in het oostelijke deel van Lombardije gewoonlijk de naam aan van 'comunanza', en elders eigenden ze zich de oude naam toe van 'popolo'. Tegen 120 hadden ze een dominante positie verworven in de constitutie van de belangrijkste communes.

De overwinning nochtans van de popolo leidde zelden of nooit tot de definitieve uitschakeling van de machtige grondadel. De popolo geraakte integendeel vaak zelf betrokken in de fractiestrijd tussen de aristocratische 'partijen'. Vandaar dat de triomf van de popolo snel gevolgd werd door het verschijnen van de eerste stedelijke despoten: de signori. De sociale samenstelling varieerde van plaats tot plaats, en fluctueerde ook in de tijd. Een kapitaal punt was de verhouding tot de groep van groothandelaars en bankiers: in Milaan bv. bleven de laatstgenoemden georganiseerd in een aparte associatie, samen met een groot deel van de adel, de zogenaamde Motta, terwijl ambachtslui en winkeliers georganiseerd waren in de Credenza di San Ambrogio; de definitieve breuk tussen beide, in de tweede helft van de 13de eeuw, leidde tot de overwinning van de adel, in 1277 (cf. Martines 1980:75).  Wat ook beklemtoond dient te worden is dat de gildenorganisaties verre van 'democratisch' waren in de moderne zin: zij groepeerden de bemiddelde gildemeesters, niét de loonarbeiders, verre van de ongeschoolden, de seizoenarbeiders of de armen. Het feit, bovendien, dat uiteenlopende beroepsassociaties georganiseerd werden binnen één gilde, maakte dat de beroepen met een lagere sociale status al vlug onder de dominantie stonden van een beperkt aantal, 'hoge' gilden. Tenslotte was het voor een aantal ambachten vaak verboden hun eigen gilde te vormen: zo de beroepen die te maken hadden met bouwen, met voeding (bv. bakkerijen), en, zo goed als universeel, de tekstielnijverheid, zijnde het enige ambacht dat een omvangrijk proletariaat te werk stelde (Waley 1978:47).

De popolo was derhalve een veeleer exclusieve organisatie die overwegend de middenklasse vertegenwoordigde (Hyde 1973:80-81). Dat verklaart tevens waarom zij er niet toe kwam een egalitaire ideologie te ontwikkelen, of een 'politiek programma' dat haar zou in staat hebben gesteld om, tegen de dreiging van de grondadel, het overgrote deel van de bevolking achter zich te krijgen.

Voor Padua, bv., schrijft Hyde (1966:216) dat vermoedelijk 9/10 van de stedelijke bevolking en bijna alle inwoners van de contado uitgesloten waren van participatie aan de politieke macht. In het algemeen moest die popolo minuto meestal in zeer penibele omstandigheden leven (de fiscale druk werd in toenemende mate van de rijken naar de armen verschoven, merkt Larner, 1980:199, op) en was ze als een politieke kracht doorgaans machteloos. Het geweld waartoe ze, onder druk van de honger, soms overging, werd gemanipuleerd door de machtigen. De fundamentele impotentie van alle arbeidersbewegingen in deze periode wordt nog het duidelijkst zichtbaar in de zgn. "Opstand van de Ciompi", in Firenze, in 1378 (zie daarover Larner, 1980:201-203).

De wijze, tenslotte, waarop de popolo erin slaagde in de belangrijke steden om de hegemonie te verwerven over de commune, vertoont grote gelijkenis met de wijze waarop eertijds de commune zelf ontstaan was. Ook nu werden de bestaande instellingen niet afgeschaft, maar kwamen er eigen instellingen van de popolo ter aanvulling, naaste de bestaande. Op die manier gebeurde de overname van de commune "effectively but not completely" (Hyde 1966:21).


3.4. De institutionele ontwikkeling van de commune.

Het hoofdprobleem, aldus Hyde (1966:22), waarmee de commune geconfronteerd werd, als associatie van gelijken, was dat van de uitvoerende macht (de 'executieve'). Voor de uitvoering, immers, van zelfs de meest elementaire bestuursfuncties was een delegatie nodig van de macht aan vertegenwoordigers die konden optreden in naam van de gehele associatie. Die 'executieve' moest bovendien bij machte zijn op te treden onder toenemend veeleisende omstandigheden. De achtereenvolgende creatie van commissies, raden en ambten moet dan ook gezien worden als evenzovele pogingen om dit probleem van de executieve op te lossen - iets waarin alle communes, aldus Hyde, finaal mislukten.

Als we afzien van de vroegste fase, waarin een erg informele vorm van executieve volstond (de zgn. boni homines), kunnen in de institutionele ontwikkeling van de communale executieve vier fasen onderscheiden worden:

3.4.1. Het Consulaat:

Een executieve bestaande uit een aantal 'consuls' (het precieze aantal verschilde naargelang van plaats en ogenblik; gewoonlijk lag het tussen vier en twaalf) was de typische bestuursvorm van de vroege, aristocratische commune die nog moest vechten voor haar 'plaats onder de zon': tegen de keizer, de feodale baron, de bisschop... Naast die consuls functioneerden een 3-tal vergaderingen.

Het parlamentum (arengo, concio) van alle (mannelijke) burgers was de voortzetting van de conventus ante ecclesiam. Het 'verkoos' in principe de consuls en keurde, in belangrijke aangelegenheden, de voorstellen van de consuls goef of af: d.w.z. het mocht door acclamatio zijn goedkeuring ("Fiat! Fiat!") of afkeuring doen blijken met de gedane voorstellen.[5]

Dit 'parlement' verloor al vrij vlug aan reële betekenis. De functie ervan werd overgenomen door een grote raad - de Consiglio Maggiore - van enkele honderden leden die de eigenlijke 'commune' vormden. Tenslotte ging ook een meer beperkte, 'kleine raad' fungeren - het consilium credentiae - van enkele tientallen leden (juristen en notabelen: de sapientes of credentiari), onder de controle van de leidende families; het stond de consuls bij in het dagelijkse bestuur en had in belangrijke zaken zelfs het laatste woord (Celli 1980:37; Martines 1980:32).

3.4.2.  De Podestería:

Allerlei factoren  - de bloedige fractiestrijd tussen adellijke families en clans, de externe dreigingen en de opkomst van de popolo - leidden tussen ca 1190 en 1225 tot de vervanging van het collegiaal consulaat door een executieve die tegelijkertijd sterker (want meer gecentraliseerd) én onpartijdiger moest zijn: die van de podestà (van het Latijnse potestas afgeleid).

Hierbij ging het om een vreemdeling, d.w.z. een juridisch en militair onderlegd burger (aristocraat) van een andere (niet-naburige) commune. Hij werd aangesteld voor een periode van 6 maanden of 1 jaar om, samen met de door hem meegebrachte 'staf' (rechters, ridders, notarissen, clerken, politieagenten...), de commune te besturen. De podestà was nooit méér dan een 'gesalarieerd ambtenaar', die getrouwheid moest zweren aan de Statuten (er waren boetes voorzien voor eventuele overtredingen ervan) en aan het einde van zijn ambtstermijn werd onderworpen aan een grondige controle. Toch beschikte hij over uitgebreide administratieve en uitvoerende bevoegdheden.

In concreto, verschilde de macht van de podestà van stad tot stad. Algemeen waren de communes er vanzelfsprekend op bedacht zijn functionering zoveel mogelijk te reglementeren en controleren. In het dagelijks bestuur werd hij bijgestaan door één of meer kleine raden, en voor wetgevende en politieke initiatieven was hij volledig afhankelijk van de Grote Raad.

3.4.3. De  Popolo:

Het aan de macht komen van de popolo bracht aanvankelijk weinig veranderingen in de formele organisatie van de executieve: de grote en kleine raden werden in de praktijk bijkomende raden van de popolo; ook de positie van de podestà bleef aanvankelijk ongewijzigd. De belangrijkste wijziging ongetwijfeld was het verschijnen van de anziani, een college van 8 of 12 leden, dat voor een heel korte tijd (2 of 3 maanden) werd verkozen door de popolo (voor het eerst vermeld voor Bologna, in 1231). Zij maakten aan de podestà de wensen van de popolo bekend, stelden de agenda op voor de vergaderingen van de raad, enz. Als zodanig gingen zij een centrale plaats innemen in de volledig uitgewerkte constitutie van de commune in de tweede helft van de 13de eeuw. Volgens Hyde (1973:113) werd hun ambt daarmee

"de meest significante barometer van de politieke toestand van eender welke particuliere commune. Zo lang de anziani hun macht en vrijheid van handelen behielden, overleefde de vrije commune; zodra een signore zijn controle consolideerde, werden de anziani zijn marionetten en verdwenen zij eventueel".

Naast de anziani ging de popolo ook, in bijzondere omstandigheden, een buitenstaander verkiezen als capitano del popolo ten einde haar belangen veilig te stellen (in geval van crisis, enz.). Normaal diende hij als een rem op de  - wiens functies hij doubleerde. In sommige gevallen ontwikkelde dit zich tot een permanente functie. Bv. in Bologna, einde 13de en begin 14de eeuw, waar podestà en capitano samen, in een tweespan, werden aangesteld voor een periode van 6 maanden.

Hyde (1973:115) bestempelt de triomf van de popolo als "de enige succesvolle 'democratische' revolutie in de geschiedenis van de communes, met veel verder gaande veranderingen in de verdeling van de macht dan het geval was bij het ontstaan van de communes zelf, anderhalve eeuw eerder". Niet langer enkele honderden, maar vele duizenden participeerden nu, op een of andere wijze, in het bestuur. Het politieke bedrijf kreeg er een ander karakter door: hoewel, zoals gezegd, de grote massa van armen en ongeschoolden uitgesloten bleef, "waren de aantallen die erbij betrokken waren, groot genoeg opdat zelfs het meest op eigenbelang gerichte beleid een zeker publiek karakter zou krijgen" (ibid., p. 116).

Terwijl de commune tevoren continu geplaagd werd door het straatgeweld van elkaar bestrijdende aristocratische clans, en op het platteland het adellijke banditisme echt endemisch was, kan volgens Larner (19809:124) in de communes waar de popolo zegevierde tevens een versterking worden vastgesteld van de publieke orde. Toch zou de commune uiteindelijk falen, in de meeste steden, in wat ze zelf als haar historische opdracht beschouwd had: de vestiging van een stabiel regime, d.w.z. van de status pacificus et tranquillus.

De vestiging van een despotisch regime: de signoría in vele, niet in alle, communes zou het gevolg zijn van die mislukking. "Niet in alle": de gemakkelijkste doelwitten voor signori waren steden waarvan de commerciëel-industriële basis klein was, in vergelijking met de omringende rurale economie, zodanig dat de grondadel een overheersende positie bleef behouden: bv. Verona, Mantua, Ferrara, maar ook Padua. Steden, daarentegen, met een sterke commerciële of industriële basis, zoals Firenze, Genua, Bologna en Venetië, konden succesvol weerstand bieden aan de signorie (cf. Martines 1980:136).[6]

Moeten we die mislukking beschouwen als een (onvermijdelijk) gevolg van het "premature" karakter van dergelijke politieke formaties (aldus Perry Anderson, Lineages of the Absolute State, London 1974, p. 143)? Of moeten we in de vestiging van de signorie de bevestiging zien van "de niet-aflatende tendens naar despotisme", die voor alle middeleeuwse formaties gold en die de communes, met de instelling van de podestería, slechts tijdelijk hadden kunnen ombuigen? Dat is alvast de mening van Hyde (1966:24), die, onder verwijzing naar de monarchie als de meest voorkomende bestuursvorm in de middeleeuwen eraan toevoegt: "naarmate de communes meer en meer het karakter kregen van stad-staten, nam overeenkomstig de druk toe om zich te bewegen in de richting van monarchie".

Voor die mislukking kunnen hoe dan ook tal van factoren ter verklaring worden ingeroepen. Bovenal moet erop gewezen worden dat de 'triomf' van de popolo niet de definitieve uitschakeling had meegebracht van magnati, d.w.z. van de grote, overwegend adellijke families, die zowel in de stad als op het platteland over een belangrijke machtsbasis bleven beschikken. Zelfs de radicale anti-magnati wetgeving die tijdens de laatste decennia van de 13de eeuw in tal van communes werd uitgevaardigd, schijnt de individuele magnati weinig te hebben gedeerd. Zeer typisch voor hun onverminderde invloed bv. is dat zij de militaire leiders voor de commune bleven leveren en dat zij zelfs een monopolie hadden op het 'populistisch' ambt van capitano del popolo.

3.4.4. De Signoría:

Naarmate de machtsstrijd tussen de 'partijen' binnen de commune heviger werd - zodat orde en rust weerom in toenemende mate in het gedrang kwamen -, en de stadsrepublieken meer en meer verwikkeld raakten in langdurige oorlogen - oorlogen die als maar 'professioneler', kostelijker en destructiever werden -, kwamen de communes in de tweede helft van de 13de eeuw terecht in een algemene crisistoestand. De partijleiders trachten daarvan te profiteren om een alleenheerschappij te vestigen en in vele gevallen waren zij succesvol: "de lange zoektocht", anders gezegd, "naar een verantwoordelijke en representatieve bestuursvorm werd tenslotte opgegeven als hopeloos" (Hyde 1966:25). Tegen het midden van de 14de eeuw, bijgevolg, was er in alle belangrijke steden ten noorden van de Appenijnen, met uitzondering van Venetië, één of andere signoría gevestigd. In tegenstelling tot de despotische regimes die in de 1ste helft van de 13de eeuw tot stand waren gekomen in het kielzog van de acties van Frederik II en die, na diens dood, spoedig opnieuw verdwenen (bv. die van Ezzelino da Romano, over Padua, Verona en Vicenza),[7] getuigde die tweede golf van een veel grotere vitaliteit; en deze signorieën zouden onmerkbaar overgaan in de principaten van de Renaissance.

Kenmerkend voor de signorieën is hun bijzondere relatie tot de communale instellingen. Enerzijds stellen we vast dat ze, in de praktijk, uit gelijk welke communale uitvoerende functie konden ontstaan: die van podestà, capitano del popolo, anziano..., en dat ze aanvankelijk hun legitimatie binnen de communale instellingen zochten (de aanstelling werd gewoonlijk 'geratificeerd' door het parlamentum, dat daartoe a.h.w. 'uit de mottebalen' werd gehaald). Anderzijds bleven de gewone communale structuren formeel verder bestaan, wat aan de signoría een typisch tegenstrijdig karakter gaf:

  • inhoudelijk ging het wel degelijk om een absolute tyrannie: de alleenheerser kreeg, ter vrijwaring van de pax et tranquillitas, het zogenoemde dominium overhandigd, d.w.z. alle politieke, juridische en militaire bevoegdheden;
  • naar de vorm, echter, bleef zij gehuld in een 'communaal kleed': de commune bleef een juridische en institutionele persoonlijkheid bezitten naast de signore; ze werd vertegenwoordigd door podestà, Grote Raad, enz. Dat was in die mate het geval dat bij het overlijden van de signore de soevereiniteit in principe weer aan "het volk" kwam, dat dan een nieuwe heerser 'verkoos': gewoonlijk een zoon of verwante van de vorige, maar echt erfelijk werd de signorie pas in de 2de helft van de 14de eeuw.

Ideologisch dus blééf dit eenmansregime gebaseerd op de 'volkswil'. Quillet (1964:199-200 en 1970:35) wijst in dat verband op de grote overeenkomsten tussen deze signoría en het politieke regime dat Marsilius uitwerkt in zijn Defensor Pacis"en fait, le type de gouvernement parfait qu'il préconise correspond d'assez près aux fonctions qui étaient assumées par le Capitaine du Peuple devenu prince" (1964:199).[8] De vaststelling dat, naarmate de DP vordert en dan vooral in Dictio II, de marsiliaanse Staat inderdaad een steeds meer uitgesproken gecentraliseerd en autoritair karakter aanneemt, kan, nog altijd volgens haar (1964:200), zeer goed vergeleken worden met de historische ontwikkeling van de commune.[9] 

Wat daar ook van zij, al bleven de raden van de commune, soms zelfs die van de popolo, normaal 'functioneren', hun betekenis werd herleid tot die van louter formele structuren, waarin nog slechts bijkomstigheden konden bediscussieerd worden of die de keuze van de opvolger van de signore mochten ratificeren. Wat in de praktijk bewaard bleef, was het administratief bestuursapparaat dat de commune had uitgebouwd, met o.m. zijn staf van ervaren notarissen (cf. Larner 1980:146).

Hyde, die in zijn studie van 1966 (p. 26) uit de overwinning van de signorie de conclusie trok dat "de republikeinse commune (slechts) een voorbij gaande faze was in de ontwikkeling van de typisch Italiaanse staat", kant zich in zijn meer algemene studie van 1973 tegen de neiging bij historici om in de doorvoering van de signorie op een of andere manier een 'politieke vooruitgang' te bespeuren: terwijl het geen kwestie is van 

"een moreel onderscheid tussen een zelfzuchtige oligarchie en een zelfzuchtige heer, blijft het een feit dat, zo lang als ze hoe dan ook functioneerden, de communes, met hun principe dat functionarissen dienden te gehoorzamen aan de wet en verantwoording verschuldigd waren aan een of andere vorm van raad, complexere politieke organismen waren dan de signorie, waar de bron van de wet en het executief virtueel één en dezelfde waren. Welke ook hun praktische tekortkomingen waren - en zij konden zeker heel groot zijn -, waren de communes gebaseerd op een onderscheid tussen openbare en private aangelegenheden, en de implicaties daarvan waren met grote finesse uitgewerkt over de eeuwen heen. In de signorieën tendeerden ze ertoe opnieuw met elkaar verward te worden naarmate de staat ging beschouwd worden als bijna het persoonlijk eigendom van de heersende familie. Alleen al voor deze reden brachten de signorieën een zekere politieke verarming met zich mee" (mijn vertaling).

Aan dit alles moet nog toegevoegd worden dat, hoewel, zoals gezegd, de 'volmachten' van de signore een soort van legitimatie kregen bij middel van hun ratificatie door de volksvergadering, de meeste signore vroeg of laat de behoefte voelden om hun heerschappij als het ware ook 'van boven' te doen erkennen, met name via een aanstelling tot "keizerlijk vicaris". Om dat beter te begrijpen moeten we wat nader ingaan op de relatie tussen stadsrepublieken en keizerrijk.

3.5. Verhouding tot het imperium.

De autonomie die de Noord-Italiaanse stadsrepublieken verworven hadden in de 11de en 12de eeuw, was er een van feitelijke aard: de iure, d.w.z. publiek-rechterlijk, bleven zij deel uitmaken van het Roomse keizerrijk, meer in het bijzonder van het Regnum Italicum van de Duitse keizer (cf. de ijzeren kroon van de Lombardische koningen). 

3.5.1. Op het vlak van ideologische legitimatie was dat geenszins een onbelangrijk gegeven: het maakte het voor deze republiekjes bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, om aan hun verworven libertà enige wettelijke kracht te geven, m.a.w. om hun feitelijke politieke autonomie juridisch te legitimeren. In een middeleeuwse context, waarin juridische categorieën een dominante positie bekleedden, vormde dat een grote handicap. Dat was des te meer het geval omdat dit, niet toevallig, ook de periode was van de heropleving van het Romeins recht (cf. Irnerius, in Bologna, tussen 1116 en 1140). Gecodificeerd onder keizer Justinianus (vanaf 527), was het Corpus Iuris Civilis doordrongen van de imperiale ideologie; de princeps, d.w.z. de keizer, werd er ondubbelzinnig bestempeld als de dominus mundi, "Heer over de wereld". Méér dan in de rest van Europa zou de academische studie van dit Romeins recht een directe invloed hebben op het leven van de Italiaanse communes; het werd voor hen de lex communis die een algemene gelding had, tenzij wanneer opgeheven door lokale statuten (Hyde 1966:120). 

Ook de politieke theorie die in de steden tot ontwikkeling kwam, behield als fundament het principe van nominale onderwerping aan een universeel Imperium, "nog lang nadat het opgehouden had enige reële betekenis te hebben" (Hyde 1966:11). De juristen, ook al waren zij dan producten van de stedelijke universitaire cultuur, hadden de grootste moeite om weg te weten met het de facto zelfbestuur van de communes en de praktische uitdrukking ervan in communale statuten. De keizer was huns inziens de ultieme bron, niet enkel van het rechtswezen, maar ook van het politieke gezag. "De civiele juristen hadden bijna ipso facto de neiging om imperialisten te worden" (Hyde, 1973:85).

Een verandering van perspectief ging pas optreden in de 14de eeuw, met BARTOLUS van Saxoferrata (1314-1357). Hij poneerde als nieuw methodologisch beginsel dat wanneer er een divergentie blijkt te bestaan tussen de wet en de feiten, het de wet is die moet worden aangepast, en niet omgekeerd (Skinner 1978:9). Weliswaar begint ook hij met de erkenning van de de iure soevereiniteit van de keizer: "Nulla universitas quae non sit de iure sub Imperio", en "Ego dico quod imperator est dominus totius mundi. Non obstat quod alii sunt domini particulariter, dum mundus est universitas quaedam" (beide citaten bij Quillet, 1970:46-47; zie ook Skinner, o.c.). Uit de vaststelling, evenwel, dat de Italiaanse steden sedert jaar en dag het "merum Imperium" - d.w.z. de hoogste wetgevende bevoegdheden - in de feiten zélf uitoefenen, mag volgens Bartolus worden afgeleid dat zij "sibi princeps", een "vorst voor zichzelf", zijn (Skinner 1978:11).[10] 

3.5.2. De publiek-rechterlijke relatie tussen keizer en stadstaten drukte zich in de politieke realiteit uit door regelmatig terugkerende pogingen van de keizers om hun gezag over het Regnum Italicum desnoods manu militari te herstellen - daartoe mede gestimuleerd door de grote materiële welstand van de steden. Te vermelden is vooreerst de poging van Frederik I Barbarossa (1152-1190) - cf. de investituurstrijd tussen keizer en paus -, die, na aanvankelijke successen, in 1176 strandde op een militaire nederlaag tegen de verenigde troepen van de eerste Lombardische Liga. De Vrede van Konstanze die daarop gesloten werd, herbevestigde weliswaar het principe van de keizerlijke jurisdictie over de steden;[11] toch betekende het verdrag een historische overwinning voor de communes. Zij verwierven een aantal kapitale rechten, zoals (1) het recht om vrij hun eigen consuls te verkiezen; (2) hun eigen graafschappen te besturen, en (3) hun eigen lokale wetten uit te vaardigen. Terwijl de keizerlijke rechten spoedig in de vergetelheid geraakten, gingen de artikelen die de rechten van de communes formuleerden het formele fundament vormen van de communale autonomie (zo Martines, 1980:27-28; ook Hyde, 1973:98-99).

Vervolgens was er de poging - de belangrijkste en meest kansrijke - van de legendarische Frederik II (1198-1250. Hij startte vanuit zijn Normandisch koninkrijk in het Zuiden, "het enige deel van Italië waar de gecentraliseerde, autocratische staat van Justinianus' Corpus Iuris Civilis enige reële tegenhanger had in de eigentijdse werkelijkheid" (Hyde 1973:119). Ook hij boekte aanvankelijk successen (zo werden de Lombardische troepen verpletterd in de slag van Cortenuova, op 22 november 1237). Finaal, echter, moest ook hij het onderspit delven, in 1248. Hyde (1973:121) drukt er daarbij zijn verwondering over uit dat Frederik, ondanks zijn grote intelligentie, geen enkel besef schijnt te hebben gehad van de betekenis van de opkomende popolo). Voor de Hohenstaufen en hun aanhangers, zowel als voor Duitsland en Italië, had de regering van Frederik II daarmee alleen maar grote miserie gebracht (zo Larner, 1980:34). Wat meer in het bijzonder de communes betreft, schrijft nogmaals Hyde (ibid., p. 122): "Het enige blijvende effect van Frederiks politiek op communaal Italië was een toename van de partijtwisten en de verspreiding van de eerste golf van stedelijke despoten".

Tenslotte waren er de al vermelde pogingen van Hendrik van Luxemburg (die tijdens zijn expeditie, in 1313, om het leven kwam), en Marsilius' Ludwig van Beieren. In vergelijking echter met de voorgaande pogingen verzinken ze in het niets. 

Het mislukken van al deze pogingen van bovenaf om Italië te unifiëren in een sterk georganiseerde en gecentraliseerde feodale staat, verklaart wellicht waarom, in tegenstelling met Frankrijk, nooit een absolutistisch regime tot stand is gekomen - hoewel een belangrijk aantal essentiële 'technieken' van het absolutisme juist in Italië voor het eerst werden uitgetest. De mislukking zélf moet waarschijnlijk niét in de eerste plaats geweten worden aan de politieke tussenkomsten van de pausen: aan de ideologische en diplomatieke rol van de verschillende pausen beantwoordde, in deze periode, zelden of nooit een overeenkomstige, reële politieke en militaire macht. Doorslaggevend was wél de economische en maatschappelijke superioriteit van de stadstaten op het feodale keizerrijk (cf. Hyde, 1973:95). Van hun kant, echter, waren die steden zelf niet bij machte een 'burgerlijke' unificatie van  het schiereiland tot stand te brengen (zo Anderson, 1974b:143-147, die, wat dat laatste betreft, op het 'premature' wijst van de ontwikkeling van een merkantiel kapitaal in die steden. 

3.5.3. De hegemonie van de 'imperiale gedachte' vinden we in de tijd van Marsilius in de bestuurlijke praktijk bevestigd door de merkwaardige instelling van de vicaris imperialis. Met name door Hendrik VII was, bij diens streven Italië opnieuw een 'keizerlijke' organisatiestructuur te geven, die functie heringevoerd in de civitates die onder zijn formele jurisdictie vielen - zij het onder een nieuwe vorm, van keizerlijk vicaris (i.e. een soort van goeverneur). Het merkwaardige was dat, in veruit de meeste gevallen, de signori dat ambt zouden ambiëren en bekleden (in de praktijk kochten zij de titel van de keizer, bij middel van een pactum of contract). Anders gezegd: ondanks de feitelijke autonomie van de communes en ondanks het feit dat, met de teloorgang van die communes, de signori alle macht in hun persoon verenigden, én ondanks het feit dat het keizerlijk gezag méér dan ooit tevoren meer fictie dan werkelijkheid was, voelden de alleenheersers de behoefte om hun macht te legitimeren door het 'cumuleren' van het ambt van vicaris (zie Quillet, 1970:38).

Die cumul van signorie en vicariaat was tegelijkertijd een teken van de grote politieke zwakte van de keizer, in de 14de eeuw, én van het immense (ideologische) prestige waarvan het imperium blééf genieten - met de Duitse keizer als erfgenaam en opvolger van de antieke, Romeinze keizers. De band tussen signorie en imperium vormde een soort van garant voor het behoud en de stabiliteit van het politieke systeem. Zoals Quillet het formuleert (1970:41):

"Het imperium is bron van het recht en van de soevereiniteit... Voor het Regnum Italicum bleef de keizer de verdediger van de vrede (le défenseur de la paix), de garant van de legitimiteit, het fundament van de vrijheden van de steden, die, ook al waren ze op het niveau van het recht aan hem onderworpen, er niet minder autonoom om waren".

  Volgens dezelfde auteur is het precies dit originele dubbelkarakter van de signoría - 'democratisch' wat de oorsprong ervan betreft, en tegelijkertijd gewaarborgd door de keizerlijke autoriteit - dat een verklaring kan bieden voor het ambivalente of contradictorische karakter van Marsilius' politieke theorie. Anders gezegd: voor het feit dat Marsilius weliswaar de politieke autonomie verdedigt van de stadstaat, maar tegelijkertijd ook rekening houdt met de mogelijkheid of wenselijkheid van een universele heerschappij. Ook op dit vlak is, haars inziens, een verschuiving merkbaar doorheen de Defensor Pacis - van dictio I naar dictio II - die een weerspiegeling is van het reële, historische proces (ibid., p. 46).

Nochtans moet worden vastgesteld dat Marsilius in de DP noch in dictio I noch in dictio II uitdrukkelijk het idee van één wereldrijk verdedigt, wel in tegendeel. In I.17.10 stelt hij, in een lange zin, de vraag daaromt, om ze vervolgens terzijde te schuiven als zijnde vreemd aan zijn betoog:

"Of de universaliteit van degenen die over de gehele wereld een civiel leven leiden, numeriek één opperste principaat moet hebben, dan wel of het gepast is, in een bepaalde periode, verscheidene principaten te hebben (zoals we die beschreven hebben) in de verschillende wereldstreken die, wat hun vestigingsplaats betreft, noodzakelijk van elkaar gescheiden zijn en vooral voor de (mensen) die niet dezelfde taal spreken, en op het vlak van zeden en gewoonten onderling zeer sterk van elkaar verschillen: hoewel de hemelse oorzaak misschien in de richting van het laatste alternatief beweegt ten einde te beletten dat de toename aan mensen overdreven groot zou worden, verdient (die vraag weliswaar) een beredeneerd onderzoek, maar is ze vreemd aan het huidige opzet".

In DP II.28.15, anderzijds, waar hij het argument bespreekt van de curialisten, als zou het noodzakelijk zijn dat de Kerk één enkel hoofd heeft, verwerpt hij de mogelijkheid dat zulks ook voor de politieke werkelijkheid zou gelden, omwille van het feit dat dit dan ook zou gelden voor (de primaire samenlevingsvorm van) het huishouden:

"deze redenering zou tot de conclusie voeren dat het evenzo noodzakelijk is dat er één huisheer (iconomus) is in de gehele wereld - iets wat noch nuttig is noch waar. Het volstaat, immers, opdat de mensen samen in rust mogen leven, dat er in elke provincie één numeriek enkelvoudig principaat is, zoals wij gezegd hebben in kap. 15 van d. I".

In de Opera Minora, daarentegen, verschijnt de keizer ondubbelzinnig als de legislator humanus unicus - nadat in de oudheid door alle andere 'provincies' alle wetgevende bevoegdheid gedelegeerd werd aan de populus Romanus en deze laatste, zelf de legislator humanus supremus, alle gezag gedelegeerd heeft aan de keizer.

Tot slot moet nog worden opgemerkt dat in de DP de relaties tussen imperium en stadstaten nergens besproken worden, net zomin als het onderscheid tussen politieke autonomie en juridische afhankelijkheid. Het valt trouwens op dat in dit boek in het algemeen geen énkel juridisch probleem behandeld wordt - wat op een gemis bij Marsilius aan juridische vorming zou kunnen wijzen. Quillet (1970:48) ziet hierin een mogelijke verklaring voor de "eeuwige ambiguïteit" in het hart zelf van Marsilius' theorie van de pars principans, en de eenheid óf veelheid van deze laatste. 


3.6. Verhouding tot de Kerk.

Het imperium was niet de enige hindernis voor de communes op de weg naar de plaatselijke autarkie; er was ook de Kerk, i.e. de Roomse paus, die eveneens universele én 'imperiale' aspiraties had.

3.6.1. De zo goed als permanente aanwezigheid, op het Italiaanse 'toneel', van de twee (inter)nationale grootmachten, Kerk en Rijk, deed de situatie van de Noord-Italiaanse stadstaten in belangrijke mate verschillen van die van de oud-Griekse polis: "de burgers van de communes stelden weliswaar hun lokale zelfstandigheid op prijs maar het ontbrak hen aan de aristotelische overtuiging van de ultieme waarde van het leven van de polis" (Hyde, 1966:11).

Die dubbele 'bevoogding' van de Italiaanse republiekjes vond haar politieke uitdrukking in het optreden van de twee bekende partijen: "Welfen" en "Ghibellijnen".[12] Hedendaagse historici, weliswaar, waarschuwen voor het gevaar, het politieke en maatschappelijke belang van deze 'partijen' te overdrijven (Waley 1978:115e.v.; Hyde 1973:132e.v.; Larner 1980:106e.v.): pas nàdat vendetta en machtsstrijd binnen de communes a.h.w. spontaan geleid hadden tot de vorming van elkaar bestrijdende partijen, werden die stedelijke fracties ertoe gebracht hun 'kamp' te kiezen in de 'grote oorlog' tussen keizer en paus - niet in de laatste plaats in de hoop op externe steun. Als gevolg daarvan werden de vetes in één stad verenigd met die in de andere steden. Het belang van deze twee partijen ligt derhalve niet zozeer op het vlak van de intern-stedelijke relaties (typisch bv. is dat, wanneer de ene partij erin geslaagd was de andere volledig uit te schakelen, er een splitsing kwam binnen de zegevierende partij: vgl. de strijd tussen "Witte" en "Zwarte Welfen" in Firenze); het lag integendeel op het vlak van de relaties tussen de steden onderling: leden van een partij die verbannen werd, wisten nu waarheen te vluchten; ook de bewegingen van rondreizende ambtenaren: podestà's, kapiteins, rechters, met hun personeel, werden erdoor geregeld, enz. Zoals Hyde schrijft (1973:136): "Voor een tijdje stelde de Welf-Ghibellijn terminologie de Italianen in staat op een voldoende realistische wijze het schaakbordpatroon te conceptualiseren van de politieke allianties onder de steden" (zie ook Waley, 1978:117-118).

Wanneer Welfen en Ghibellijnen elkaar binnen de commune bestreden, bijgevolg, gebeurde dat niet primair terwille van de Kerk, respectievelijk het Rijk: "pars Ecclesiae" en "pars Imperii", zoals hun partijen ook genoemd werden, waren in de eerste plaats "etiketten om zichzelf te identificeren voor hun geallieerden doorheen Italië" (Larner, 1980:108). Hetgene waarvóór ze streden, waren de vruchten van de machtsuitoefening en het bevredigen van hun bloedvetes. Trouwens, hoewel hun associatie met Kerk en Keizer bleef voortleven in de geesten, gingen deze partijen al vlug een eigen leven leiden - te meer omdat er na 1273 een reeks keizerlijke pretendenten verschenen, die, verre van tegenstanders, juist creaturen van de paus waren. De instellingen en loyauteiten die zij creëerden, "zouden het politieke leven doordrenken van het laat-dertiende eeuwse en vroeg-veertiende eeuwse Italië" (Hyde, 1973:132).

Na de uitschakeling van de Hohenstaufendynastie werd Charles van Anjou het nominale hoofd van de Welfische liga. Zijn overwinning was in zeer belangrijke mate mogelijk gemaakt door de financiële steun van de Toscaanse bankiers (zijn verovering van het koninkrijk Napels (de Regno) werd daarom gevolgd door de definitieve greep van Toscaanse bankiers en handelaars op het Zuiden). Ook de dominante positie die de Welfische partij verwierf in Lombardije en Toscanië, in de 2de helft van de 13de eeuw (cf. ook de uitschakeling van Ezzelino da Romano), was in belangrijke mate gesteund op die financiële belangen (die ook golden in Frankrijk), aldus Hyde (1973:129; ook Waley, 1978:118).

3.6.2. Ongetwijfeld was het pausdom de belangrijkste bondgenoot van de communes in hun verzet tegen de aspiraties van de keizer en diens luitenanten. Dat gold zowel voor de strijd tegen Frederik Barbarossa, waar de Lombardische Liga door paus Alexander III werd voorzien van fondsen, als voor die tegen Frederik II, waar Gregorius IX de banden met de Liga formeel hernieuwde. Het was ook een paus, Alexander IV, die door het uitroepen van een 'kruistocht', in 1255, de strijd organiseerde tegen Ezzelino da Romano, de voornaamste bondgenoot van de keizer - wat in 1256 onder meer leidde tot de bevrijding van Padua en het herstel aldaar van het communale regime.[13] 

De steun echter van de pausen was voor de communes niet zonder risico's. Naarmate de strijd tegen de keizer succesvol was, begonnen de pausen - vanuit de leer van de plenitudo potestatis - zélf aanspraak te maken op de heerschappij over het Regnum Italicum (bij een keizerlijke 'vacature' eigenden ze zich het recht toe zelf een vicaris imperialis aan te stellen voor het Regnum, de belastingen te innen, enz.). Zij gingen zich aldus in toenemende mate mengen in de 'binnenlandse' politiek van de steden (Bonifacius VIII, bv., organiseerde de machtsgreep van de Zwarte Welfen tegen de Witte Welfen in Firenze, in 1301), en ze trachtten met alle middelen het territorium uit te breiden van de 'pauselijke staten' - wat in 1278 leidde tot de aanhechting van de Romagna, met inbegrip van Bologna. Zoals Skinner schrijft (1978:14), was het resultaat

"dat tegen het einde van de 13de eeuw het pausdom erin geslaagd was directe politieke controle te krijgen over een groot deel van Centraal-Italië, zowel als een aanzienlijke mate van invloed over de meeste belangrijke steden van het Regnum Italicum".

Het hoeft geen betoog dat de pauselijke monarchen weinig sympathie of begrip konden opbrengen voor het politieke ideaal van republikeins zelfbestuur, en dat ze het grootste wantrouwen koesterden voor de sociale idealen en voor vele van de religieuze idealen van de stedelijke klassen, vooral van de popolo (wat niet belette dat het vooral de 'soliede' popolani waren van de middelgrote handelssteden, die zich aangetrokken voelden tot het Welfisme, cf. Hyde, 1973:141). Met name de onophoudelijke conflicten tussen paus en Romeinse commune en de pauselijke politiek om in hun eigen staten de communale vrijheid zoveel mogelijk in te perken tonen aan, aldus Hyde (p. 95), "dat het universalisme van de kerkleiders in laatste instantie net zo vijandig stond t.a.v. de soevereiniteit van de lokale staat als de aanspraken van het imperium".

Het was nochtans in de allereerste plaats op het lokale niveau dat de communes in botsing kwam met, en de strijd aanbonden tegen de 'wereldlijke' aanspraken van de Kerk - een lokale Kerk die, enerzijds, in de persoon van de bisschop en de kloosterabten in de contado over aanzienlijke 'grondheerlijke' macht beschikte en, anderzijds, nog tal van feodale voorrechten bezat op het gebied van jurisdictie, taxatie, e.d. (voorrechten die nog verstevigd werden in het kader van de strijd voor de libertas ecclesiae).

3.6.3. De commune, zoals we hebben gezien, was in zekere zin de opvolger van de bisschoppelijke autoriteit (de communes waren trouwens geneigd hun territorium te laten samenvallen met de grenzen van het bisdom). Reeds als zodanig lagen de relaties tussen commune en bisschop van in den beginne wat moeilijk. Toch kan in de periode vóór de popolo een grote mate van eensgezindheid worden vastgesteld - wat des te verwonderlijker lijkt in het licht van de soms verregaande bemoeienissen vanwege de wereldlijke overheid in de kerkelijke aangelegenheden. Volgens Hyde (1977:99) dient de verklaring voor die vrij harmonieuze verhouding vermoedelijk gezocht te worden in de (klasse)solidariteit tussen de aristocratische leiders van de commune en de hoge clerus, evenals in hun politieke alliantie tegen de keizer.

De "morele solidariteit", zoals Hyde haar noemt, tussen commune en lokale kerk kwam pas echt in het gedrang met de opkomst van de popolo. Zoals eerder al opgemerkt, betekende de overwinning van de popolo een kwalitatieve stap vooruit in de creatie van een publiek-rechterlijke sfeer. Wat tot dan toe was overgelaten aan het gewoonterecht en aan informele afspraken, zou nu in toenemende mate het voorwerp uitmaken van publieke reglementering en codificering. Er heerste een optimistisch geloof dat alle problemen konden en moesten opgelost worden door middel van openbare discussie in de raad en bekrachtiging door de wet. Dat leidde tot een ononderbroken stroom van statuten en decreten, die dan zelf onderhevig waren aan voortdurende aanpassingen en wijzigingen.[14] Onvermijdelijk, ook, ging die ontwikkeling gepaard met een constante bemoeienis vanwege de commune in alle aspecten van de sociale en economische activiteit, tot zelfs in het dagelijks leven van de individuele burger. Waley (1978:46) geeft hierbij het voorbeeld van een Siënese wet van 1248, "betreffende het haar, dat de mannen veel te lang dragen; het moet zodanig gedragen worden dat tenminste een deel van de nek langs achteren zichtbaar is" (ook Larner, 1980:219).

Met dat alles ging de groei gepaard van een machtig burokratisch apparaat, met een 'leger' aan functionarissen, rechters, bodes, politie, enz., dat daadwerkelijk het leven van de burgers controleerde (iets dat vergemakkelijkt werd door het kleine territorium van de commune).[15] De beheers- en bestuurstechnieken die hierbij uitgeprobeerd werden, zouden nadien ten goede komen aan de grote nationale staten.

De vestiging en uitbouw van de nieuwe 'burgerlijke' orde ("civili", schrijft Dante in het citaat n. 14) leidde onvermijdelijk tot conflicten met de traditioneel gepriviligieerde groepen, en in de eerste plaats met de Kerk. Die conflicten tussen commune en lokale kerk waren in hoofdzaak gecentreerd rond de rechtspleging en de belastingen. Wat de eerstgenoemde betreft, in de middeleeuwse context was de politieke macht (in combinatie met de economische uitbuiting) in toenemende mate geconcentreerd in een monopoliepositie inzake rechtspleging: de heerser was essentieel degene die 'recht sprak' (en dus de boetes opstreek), en die aldus "pax" bracht. Daarmee overeenkomstig zag ook de communale autonomie zich in de eerste plaats belichaamd in de "vrede" die de burgers binnen hun civitas tot stand brachten: "(zij) waren", aldus Pirenne, "essentieel homines pacis - mannen van de vrede -. De vrede van de stad (pax villae) was terzelfdertijd de wet van de stad (lex villae)... Het was dank zij de vrede waarmee zij begiftigd was, dat de stad een apart juridisch district vormde".[16] 

Hoofdvoorwaarde, natuurlijk, voor de realisatie van deze "stadsvrede" was dat àlle inwoners daadwerkelijk onderworpen waren aan het éne, stedelijke gezag en dat alle 'private' jurisdicties uit de feodale periode opgeruimd waren. Welnu, met de clerici was dat uitdrukkelijk niét het geval: in het kader van de feodale privilegies die de bisschop had weten te verwerven, én onder het bannier van de libertas ecclesiae - de clerus vormde in zekere zin de belangrijkste, bovendien supranationale 'gilde' - waren zij onttrokken aan de burgerlijke rechtspraak, zelfs wanneer het ging om strafrechterlijke geschillen tussen geestelijken en leken. In de praktijk betekende het dat de geestelijkheid zo goed als straffeloos was (de kerkelijke rechtbanken waren berucht voor hun mildheid jegens hun confraters). Misdaden vanwege geestelijken waren "dienovereenkomstig talrijk en extreem", aldus Gewirth (1951:26), die verwijst naar de bittere protesten in de Paduaanse stadskronieken tegen "de vele en enorme misdaden begaan door clerici, waartegen de bisschop van Padua niet rechterlijk optrad" (ibid., n. 24, citeert Gewirth het geval van een geestelijke die een 20-tal misdaden op zijn actief had, waaronder moorden en verkrachtingen van vrouwen "quas postea interficiebat etiam pregnantes").

Ook de 'immuniteiten', echter, of vrijstellingen van taxatie, die kerkelijke goederen traditioneel genoten, evenals het alleenrecht dat de bisschop opeiste over de kerkelijke taxatie of 'tienden', waren de commune een grote doorn in het oog. Ze betekenden niet enkel dat de commune haar aandeel ontzegd werd in de rijkdom van haar grootste grondeigenaar, maar gaven ook het signaal dat de clerus wel bereid was om mee te profiteren van de "stadsvrede" en van alle materiële voordelen van de communale infrastructuur (goede wegen, bruggen, riolering, ...), maar niét om er mee de lasten van te dragen.

In de conflicten die hier regelmatig rond ontstonden tussen commune en lokale clerus, kon deze laatste altijd rekenen op de steun van de paus. Bij tijd en stond maakte de Kerk gebruik van het wapen van het interdict (d.w.z. de schorsing van de kerkelijke bedieningen) evenals dat van de excommunicatie; de commune van haar kant kon reageren met fysiek geweld en met maatregelen tegen de seigneuriale en zelfs civiele rechten van de geestelijken. De meeste communes bevonden zich aldus "in een staat van half-permanente juridische oorlog met hun eigen klerikale autoriteiten. Bologna, bv., werd tussen 1215 en 1232 driemaal onder een interdict geplaatst en haar ambtenaren geëxcommuniceerd..." (Waley, 1978:45). En niet verwonderlijk voerde de weigering van de clerus om zich aan te passen aan de burgerlijke orde vaak tot uitbarstingen van een gewelddadig antiklerikalisme. Zelfs wanneer finaal een soort van 'concordaat' tot stand kwam, werd het, aldus Hyde (1973:117), nooit meer 'zoals voorheen': "de sterke onderstroom van radicale kritiek tegenover de clerus werd een permanente karaktertrek van de stedelijke scène".

Het antiklerikalisme, echter, van de Noord-Italiaanse burger mag niet verward worden met antigodsdienstigheid. Religie was en bleef een absoluut onmisbaar ideologisch fundament ook voor de 'communale orde'. Alle aspecten, alle momenten van het leven van de burgers werden religieus begeleid. De 'religieuze tijd', trouwens, bleef dominant: voor de dagindeling, het dateren van documenten en geschriften (cf. Marsilius' datering van zijn DP), enz. Bovenal drukt het nieuwe, 'civieke' patriotisme zich allereerst religieus uit, namelijk als een loyauteit aan de plaatselijke kerk, de verering van lokale heiligen, de bouw van kerken en kathedralen (door de commune!), enz.

Het religieus leven, inderdaad, vertoonde een sterk lokaal karakter: zo stelde bv. elke bisschop zijn eigen, diocesane liturgische kalender samen. Mede door de vereenzelviging van commune en diocees, ging de commune aan haar burgers in toenemende mate een soort van stads- of 'staatsreligie' aanbieden: bv. de heiligen op wier feestdag een militaire of politieke overwinning had plaats gevonden, kregen een bijzondere plaats binnen het plaatselijke 'pantheon' van heiligen. "Een federatie van lokale patriotische kerken", aldus zou bijna kunnen gedacht worden over de katholieke kerk in 14de eeuws Italië, volgens Larner (1980:250); "burgerschapsgevoel en religieuze emotie vormden er een conflictloos mengsel".

3.6.4. Het antiklerikalisme van de commune mag dus niet (mis)begrepen worden in de zin van a- of antireligiositeit. Moet het dan in verband worden gebracht met de ketterse sekten, die, volgens De Lagarde (1970:347), in deze periode "krioelen in de steden van Lombardije"?

De vraag confronteert ons met een bijzonder complexe problematiek waarop hier slechts heel beknopt kan worden ingegaan.[17]

Het is onloochenbaar dat de periode van de fenomenale expansie van de commune, 1150-1250, niet enkel op het economische en maatschappelijke maar ook op het religieuze vlak diepgaande veranderingen te zien gaf. Zij waren trouwens nauw met elkaar verbonden:
- de ontwikkeling van een geldeconomie, gericht op het winst-maken, en het schuldcomplex waarmee dit de burger opzadelde;
- de sociale polarisatie die eruit volgde: armoede ging pas nu een economische betekenis krijgen, en daarom ook een morele waarde worden (G.Duby, 1973:261);
- de uitbouw van de pauselijke theocratie, met haar immense rijkdom en macht...
dat alles leidde tot het ontstaan van socio-religieuze contestatiebewegingen die ijverden voor een terugkeer naar de evangelische armoede. Denken we maar aan Franciscus van Assisi (gest. 1226), zoon van een handelaar.

In het begin van de 13de eeuw, daarom, "krioelde" het inderdaad, in de communes van Lombardije en Toscanië, van in mindere of meerdere mate 'heterodoxe' groeperingen of sekten. Naar hun oorsprong kunnen zij in twee groepen worden ingedeeld: enerzijds degene die ontstonden uit een verlangen om terug te keren naar de evangelische armoede; anderzijds degene die 'geïmporteerd' waren (of lijken) uit het Oosten (de Balkan, Constantinopel). Veruit de belangrijkste uit de eerste groep waren de "Waldensers", of volgelingen van Pierre de Vaux (Waldès of Waldo), van Lyons; zij manifesteerden zich in twee 'variëteiten': de "Arme Leonisten", voor wie alle gelovigen priester waren; en de "Armen van Lombardije", afgescheurd rond 1205 (zie Larner, 1980:230). De belangrijkste strekking van de tweede groep, en veel radicaler dan de Waldensers, was die van de bekende "Katharen". De Katharenkerk - zij had haar eigen, onderling zelfstandige bisdommen, in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië - leek gedurende een tijd zelfs een ernstige concurrent voor de katholieke Kerk (Hyde, 1973:65).

Hoewel elkaars opponenten op het vlak van de leer, kwam het tussen Waldensers en Katharen toch tot een vrij grote interpenetratie van elkaars geloofspunten (de Katharen verkondigden een gnostisch dualisme maar verbonden het in de morele praktijk met een christelijk ideaal van evangelisch leven),[18]; zij leefden en werkten ook dikwijls samen. Beide sekten, trouwens, putten hun dynamiek uit dezelfde bron,

"namelijk het geloof dat de Romeinse Kerk als organisatie kon vereenzelvigd worden met de rijken en machtigen in de samenleving, en dat zij dus de vijand was van het materiële en spirituele welzijn van de armen. De roep naar een apostolische armoede was niet louter een aantrekkelijk ideaal op zichzelf. Het was een stok om zowel de rijken te slaan in de seculiere wereld als hun broeders die algemeen de hogere ambten monopoliseerden van de Kerk. Wat de twee sekten aanboden in deze omstandigheden was een doctrinaal niet-gesofistikeerd maar zonder twijfel krachtig aangevoeld protest van de ongeschoolde of halfgeschoolde maar intelligente armen tegen (in het geval van de Waldensers) de gevestigde maatschappelijke orde of (in het geval van de Katharen) de gehele materiële zijnsorde" (Larner, 1980:230).

Nochtans zochten én vonden zij steun bij de machtigen: burgers en edelen. Het Katharisme, met name, trad niet enkel in alliantie met de aristocratie van Languedoc maar genoot ook de bescherming, in Noord-Italië, van ghibellijnse signore, zoals Ezzelino da Romano (1194-1259) en Uberto Pellavacini, heerser over o.m. Milaan (1197-1269).

Vormde de 'ketterij' een reëel gevaar voor de 'orthodoxie', in Noord-Italië? De vraag kan moeilijk eenduidig beantwoord worden: zowel het aantal actieve 'ketters' als het aantal 'sympathisanten' is ons onbekend. Naar de mening van De Lagarde (1970:347) reikte de invloed van de ketterij veel verder dan de nauwe kring van aanhangers, en moet men erkennen dat er zich in de steden een algemene heterodoxe mentaliteit vestigde.[19] Larner (1980:231), daarentegen, neigt ertoe het reële gevaar van de ketterijen voor de orthodoxie veeleer te minimaliseren: enerzijds en ondanks occasionele patronering, verhinderde de aard zelf van de gepropageerde leer dat zij een algemene aantrekkingskracht kon uitoefenen op de machthebbers; anderzijds, kon zij door een gebrek aan "intellectual sophistication" zo goed als geen steun krijgen van de intelligentsia.

Wat meer in het bijzonder Marsilius' relatie tot de ketterijen betreft, volgens De Lagarde (1970:357) kan enerzijds met zekerheid gesteld worden "dat hij noch van dichtbij noch van ver tot hun sekten heeft behoord". Anderzijds kan niet geloochend worden dat de Defensor Pacis zich inschakelt in een ideeënontwikkeling waarvan de heterodoxe sekten de gangmakers waren. Meer in het bijzonder wijst De Lagarde erop (p. 348) dat de DP "exact" gedefinieerd wordt door de drie kenmerker die volgens Raffaelo Morghen gelden voor àlle sekten van de 12de en 13de eeuw: (a) een agressief evangelisme, (b) een rationaliserende interpretatie van de openbaring, en (c) een ecclesiologische bekommernis.

Wat daar ook van zij, feit is dat de Romeinse Kerk, in samenwerking met de wereldlijke machthebbers, vanaf het begin van de 13de eeuw is overgegaan tot een politiek van algehele, gewelddadige vervolging en uitroeiing van de 'ketters'. Officieel kwamen paus en keizer reeds in 1184 overeen om een aanval te lanceren tegen de ketterijen. Het eigenlijke startpunt echter was de 'kruistocht' die paus Innocentius III in 1209 uitriep tegen de "Albigensen" - i.e. Katharen, cf. het stadje Albi - in Zuid-Frankrijk; zij combineerde religieuze en politieke motieven (de Franse koning tegen de graaf van Toulouse) en verliep bijzonder wreedaardig. In 1233 zou paus Gregorius IX de hele machinerie in werking stellen van de pauselijke Inquisitie; zij zou in de eerste plaats gedragen worden door de leden van de Dominicanerorde, orde die zich nog het meest 'verdienstelijk' heeft gemaakt in de strijd tegen de Katharen.[20]  

De omvorming van de rooms-katholieke Kerk tot een "permanent, volledig ontwikkeld orgaan voor de onderdrukking van alwie ze als onorthodox beschouwde" (Larner, 1980:231) hield onder meer in dat in de steden 'burelen' van de Inquisitie werden gevestigd, bemand door leden van de nieuwe orden (Dominicanen maar ook Franciscanen). Weliswaar zijn er aanwijzingen dat de aanvaarding van die vestiging en van de pauselijke statuten tegen de ketterij niet van harte gebeurde (er zijn gevallen bekend waarin het optreden van de Inquisitie tot regelrechte opstootjes leidde en tot het verdrijven van de inquisiteurs, cf. Larner, l.c.). Dat belet nochtans niet dat de communes over het algemeen actief geparticipeerd hebben in de kettervervolging. Zoals Martines schrijft (1980:167):

"ketters werden gevonnist door de Kerk maar het was de commune die ze terecht stelde. In stad na stad, roeide de commune de ketters uit: Parma in 1279, Bologna in 1299, Novara in 1300, Bergamo in 1301, Padua in 1302 en Pavia in 1303".

Vooral na de Welfische overwinning, in de jaren '60 van de 13de eeuw, toonden de communes een grotere bereidheid om de Inquisitie toe te laten. De overblijvende 'cellen' werden dan ook vlug geëlimineerd: de laatste grote vervolging bv. van de Katharen, in Bologna in 1299, ontmaskerde op een bevolking van circa 40.000 zielen slechts 103 mannelijke en 37 vrouwelijke sekteleden, aldus Larner (1980:233). Deze laatste concludeert derhalve dat "vanaf de jaren 1280 'ketterij' clandestien, eccentriek en van weinig belang was". Hij voegt daar nochtans aan toe dat de overwinning van de Romeinse Kerk geenszins het einde betekende van de vervolgingen of de ontbinding van de Inquisitie:

"de overwinning van het pausdom... leidde noch tot de ontmanteling van de instrumenten van onderdrukking noch tot het stopzetten van de vervolging. Op een curieuze manier onderdrukte de vervolging niet enkel 'ketterij' maar ze creëerde ze ook. Indien er geen 'ketters' te vinden waren, moest de nieuwe bureaukratie van de Inquisitie er creëren ten einde haar eigen voortbestaan te rechtvaardigen".[21] 

We mogen hieruit wellicht besluiten dat hoewel de ketterse bewegingen uiteraard mee het algemeen geestelijk klimaat bepaalden, de communes in hun strijd tegen de clerus (een strijd die in vele gevallen, o.m. Padua, juist in de tweede helft van de 13de eeuw een hoogtepunt bereikte) niet direct gemotiveerd waren door een afwijzing van de orthodoxie. Dat blijkt ook uit het grote succes dat de 'bedelorden' juist onder de stedelijke bevolking kenden. Die orden, die een beslissende rol speelden in het behoud van het gezag van de Romeinse Kerk, bleken er bijzonder goed in te slagen de spirituele behoeften van het volk te bevredigen. Tegelijkertijd ontwikkelden zij ook een belangrijke politieke cultuur in de communes (zie verder, in het volgende hoofdstuk). Dank zij hun betrekkelijk massale aanwezigheid konden zij ook invloed uitoefenen op de politieke praxis: de ordebroeders fungeerden als biechtvaders-vertrouwensmannen en raadgevers van politieke personaliteiten en werden vaak geroepen om te bemiddelen. Wat dat laatste betreft, komt Marangon (1980:319) voor de Franciscanen tussen 1233 en 1323 tot minstens elf gevallen waarin zij intervenieerden als vredestichters in zaken die rechtstreeks de Paduaanse commune betroffen. Ik besluit met een langer citaat omtrent deze kwestie van de hand van Hyde (1973:117):

"Er is gesuggereerd... dat de nieuwe regimes beïnvloed waren door ketters of ketterse ideeën. Zulke beweringen zijn gemakkelijk maar ze kunnen moeilijk hard worden gemaakt. Het grootste deel van de popolo lijkt orthodox te zijn geweest in geloofskwesties maar ze had geen sympathie voor het kerkelijke hiërarchie waarvan de hogere rangen nauw gelieerd waren met de adel; anderzijds stond zij gunstig ten aanzien van de nieuwe vroomheid die geassocieerd werd met de (bedel)broeders, met haar klemtoon op religieus gevoel en praktische werken van liefdadigheid. Dat wordt bewezen door de populariteit van de Derde Orde voor leken die georganiseerd werd door de broeders. Hetzelfde soort ijver werd aangeboord door de leiders van de Kerk wanneer ze de vorming promootten van confrerieën, zoals de Grote Compagnie van de Maagd Maria, gesticht in Firenze in 1244; haar openlijk doel was samenwerking met de inquisiteurs in de onderdrukking van ketterij. Tegen het midden van de 13de eeuw was de invloed van ketterse kerken tanend, maar bleven er van tijd tot tijd constitutionele conflicten uitbreken met de clerus, waarbij het volk dikwijls blijk gaf van een gewelddadig antiklerikalisme".


____________________________________

NOTEN:

[1] Gesta Frederici Imperatoris, II.13, geciteerd bij Celli, 1980:26 n. 7; cf. Skinner, 1978:3.

[2] Cf. G.Duby, Guerriers et paysans, Paris 1973, p. 179.

[3] Precies in deze periode zien we een versterking van de zgn. patrilineaire familie, gebaseerd op de almacht van de pater familias, ten nadele van o.m. de sociale status van de vrouw. Larner, 1980:69, wijst in dit verband op de nauwe relatie tussen de machtsstrijd binnen de communes en de vestiging van dit 'patriarchaat'. Een vergelijking met het antieke, radicaal-democratische Athene lijkt hier niet misplaatst: ook in Athene was de situatie van de (burger)vrouw veel slechter dan in het archaïsche Sparta.

[4] Zie bv. Paolo di Pace da Certaldo, in zijn Libro di buone costume, geciteerd bij Larner 1980:103, over de vendetta als "la prima allegrizia del mondo".

[5] Celli, 1980:22-23 en n. 5, wijst erop dat de stemmingen in deze volksvergadering niet gebeurden op basis van het tellen van de stemmen en het meerderheidsbeginsel: wanneer er geen unanimiteit was - aan zulke unanimiteit werd een bijzondere waarde gehecht; men zag er een goddelijke tussenkomst in -, was het de  maior pars populi in concione ( (cf. Marsilius' valentior pars?), d.w.z. de dominante opinie, die de wil van de vergadering uitdrukte.

[6] We moeten nochtans voorzichtig zijn met dit "law and order" argument. Enerzijds hadden de signori vóór hun machtsgreep, als partijleiders, zelf een wezenlijk aandeel gehad in de verdeeldheid en onrust die de communes waren gaan teisteren; anderzijds is het niet juist dat met de vestiging van de signoría automatisch ook vrede en rust tot stand kwam: "in sommige steden", aldus Martines (1980:93), "vereiste de taak van pacificatie verscheidene generaties, en de 14de eeuw was in dit opzicht een overgangseeuw". Wel, zo schrijft hij verder (1980:137), bracht de signorie voldoende pacificatie en stabiliteit voor énkele steden - voornamelijk Milaan, Padua en Ferrara - om het ontstaan te geven aan de mythe "dat burgerlijke vrede en signoriaal bewind tesamen gingen". Volgens Larner (1980:147) kan men, "on balance", moeilijk de conclusie weerstaan "dat het leven in de steden, hoewel nog altijd erg gewelddadig, vredevoller was onder een 14de-eeuwse signore dan onder een 13de-eeuwse commune"; iets analoog geldt voor de oorlogen tussen de communes onderling, als gevolg van de door de signori ingestelde territoriale heerschappen die naburige steden verenigden.

[7] De enige uitzondering daarop was Ezzelino's rivaal, Azzo d'Este, die in 1240 Ferrara onder zijn heerschappij bracht en erin slaagde een partij op te bouwen die sterk genoeg was om zijn signorie aan zijn erfgenamen door te geven, cf. Hyde, 1973:123.

[8] Ook N.Rubinstein, 1965:70 e.v., ziet een relatie met de signorie, meer in het bijzonder in Marsilius' argumentatie ten gunste van een "Wahlmonarchie". Nochtans dient erop gewezen te worden dat Marsilius zich regelmatig negatief uitlaat over de "tyrannis": niet enkel abstract, in het kader van de aristotelische typologie (cf. I.8.2-3), maar ook concreet. Zo klaagt hij in I.1.2 het feit aan dat de inwoners van Italië, als gevolg van tweedracht, gebukt gaan onder de "dura iuga tyrampnidum"; vgl. ook II.25.12: het bewind van Otto IV en Frederik, "of van hun vertegenwoordigers" [Ezzelino?] "smaakte (teveel) naar tyrannie". Sternberger, 1981:38, daarom, acht zulke "Gedankenverbindung" tussen Marsilius' theorie en de signorie "sehr unwahrscheinlich".

[9] "L'évolution des positions marsiliennes et leur durcissement, de la première partie à la seconde, paraissent donc pouvoir être éclairés par le phénomène historique réel du passage de la Commune à la Seigneurie et de la persistance, à travers le gouvernement tyrannique du prince ou seigneur, des cadres formellement 'démocratiques' et 'républicains' d'où le pouvoir du Seigneur avait tiré ses origines".

[10] Enkele regels verder, nochtans, gooit Skinner de chronologie volledig overhoop, door de jurisiten van de Frans koning Filips de Schone - 1285-1314 - tot navolgers te maken van Bartolus.

[11] De burgers moesten een eed van trouw zweren aan de keizer; consuls dienden de keizerlijke investituur te krijgen vooraleer in functie te treden; wanneer de keizer door Italië reisde om gekroond te worden, dienden de steden een keizerlijke heffing te betalen, enz.

[12] Deze namen kwamen pas in zwang ten tijde van Frederik II, 1220-1250. Ze zijn afgeleid, enerzijds, van de naam van de familie van Frederiks opponent, Otto IV, en anderzijds van "Waiblingen", de naam van een kasteel van de Hohenstaufen, die gebruikt werd als strijdkreet, cf. Waley, 1978:116.

[13] Volgens Perry Anderson, 1974b:147, nochtans, mag het reële aandeel van de paus in de lange strijd tegen het spookbeeld van een herenigde Italiaanse monarchie niet overdreven worden: "the Papacy regularly supplied the anathema's; it was the Communes which provided the funds and - until the very end - most of the troops".

[14] Dante steekt er de draak mee, wat Firenze betreft, cf. Divina Commedia, Purgatorio, vi, 139-151: "Athene en Lakedaimon, die de oude wetten Maakten en voorbeeldige burgerschappen waren, Waren tot goed leven maar éven op weg Vergeleken met u, die zulke slimme Voorzieningen treft, dat tot half november Niet rijkt wat gij in oktober spint. Hoeveel malen in den tijd, waarvan u heugt, Hebt gij wetten, geld, ambten en gewoonten Verwisseld, en uw burgers vernieuwd! En zo ge goed uw verstand gebruikt, en helder ziet, Zult ge zien hoe gij gelijkt op die zieke, Die geen rust kan vinden in de veren, Maar door steeds te draaien haar tracht te verdrijven" (vertaling Frederica Bremer, 19504).

[15] In de feodaliteit, daarentegen, wàren er geen 'functionarissen' (net zo min als een 'staat'): de functie die, nog onder Karel de Grote, werden uitgeoefend als gemandateerden, werden in het feodalisme uitgeoefend in persoonlijke naam.

[16] H.Pirenne, Medieval Cities (Princeton 1925, p. 208), geciteerd by Gewirth, 1951:25 n.13.

[17] Behalve de studies die tot hiertoe in dit hoofdstuk geciteerd werden, verwijs ik naar: De Lagarde, 1970:344-357 (i.v.m. Marsilius), die aldaar, p. 345 n.61, een uitvoerige bibliografie geeft; Post, Handboek van de Kerkgeschiedenis, II, pp. 178-184; M.D.Knowles & D.Obolensky, Nouvelle Histoire de l'Eglise, 2: Le Moyen Âge, Paris 1968, pp. 437-449; zie ook W.L. Wakefield & A.P.Evans (eds.), Heresies of the High Middle Ages, London 1969 (met vertalingen in het Engels van de voornaamste bronnen en bibliografie); W.Lourdaux & D.Verhelst (eds.), The Concept of Heresy in the Middle Ages (11th-13th c.), Proc. Intern. Conference Louvain 1973, Leuven 1976; G.Fourquin, The Anatomy of Popular Rebellion in the Middle Ages, Amsterdam 1978.

[18] De literatuur over het katharisme is overvloedig én controversieel van aard. De centrale vraag die erin wordt gesteld, is of de katharen moeten beschouwd worden als christelijke ketters, en dus als een loot van de westerse religieuze geschiedenis, dan wel als aanhangers van een niet-christelijke, gnostische religie, afkomstig uit de Balkan (cf. de Bogomielen, erfgenamen van het manicheïsme). Arno Borst, Les Cathares, Paris 1978 (oorspronkelijke Duitse uitgave 1953), pleit voor een tussenoplossing, zie ibid., p. 195: "Ni Orient ni Occident, ni morale ni enseignement, ni dualisme ni christianisme, mais la tentative malheureuse de concilier l'inconciliable, de réunir des frères ennemis".

[19] "Il faut se persuader que, dans les villes lombardes et toscanes, où les sectes sont innombrables au début du XIVème siècle [? de gegevens die hij verstrekt hebben betrekking op het begin van de 13de eeuw], il se constitue une mentalité hétérodoxe, qui emprunte à toutes les sectes sans avouer expressément l'une d'entre elles. Pour augmenter à la fois la diffusion de cette mentalité et la confusion dans laquelle cette diffusion s'opère, il se constitue à la frange de mouvements essentiellement piétistes ou moralisants une réseau de sympathies et de connivences d'inspiration plus politique que religieuse".

[20] De leden van de orde werden ook de "Predikheren" genoemd. Zij was opgericht door Dominicus (oorspronkelijk een augustijnermonnik), in de eerste decennia van de 13de eeuw (canonieke erkenning in 1216, eerste algemeen kapittel in 1220). Net zoals die andere, nieuwe orde van de Franciscanen, de "Minderbroeders" (kregen hun canoniek statuut pas in 1223), vormden de Dominicanen een stedelijke orde, zonder abdijen; beide moesten derhalve van de liefdadigheid leven, en hadden vandaar het statuut van "bedelordes" (in het Frans: "Mendiants"). - Wat de Inquisitie betreft, zie L.Sala-Molins, La police de la foi: l'inquisition, in: Châtelet & Mairet (1978), pp. 134-151.

[21] Als een typisch voorbeeld verwijst Larner naar de "Orde van de Apostelen", gesticht door Gerardo Segarelli, die het 'apostolische leven' van totale armoede predikte. Gehaat door zowel de Franciscanen als door de seculiere geestelijkheid - omwille van de 'concurrentie' vanwege een leek die geen Latijn kende -, werd hij levend verbrand in juli 1300. Met als resultaat dat zijn volgelingen, onder de leiding van Dolcino da Novara, écht in de 'ketterij' terecht kwamen.

• Marsilius-Index • CIE-Index • Filosofieën-Index •

Update: 4 juli 2008