Inleiding
1.
Overzicht van het model
2.
Theoretische Koranische Psychologie
2.1.
Fitrah
2.2.
Zin van het leven
2.3.
Oordeelsdag
2.4.
Islam: din al fitrah (natuurlijk geloof)
2.5.
De cruciale rol van godsdienstvrijheid
2.6.
Geloof: goddelijke gratie of individuele keuze?
2.7.
Purificatie van het zelf
2.8.
Geloof en ongeloof
2.9.
De Ideale Muslim
3.
Aandachtspunten voor benadering van concrete problemen als
angst, depressie, verdriet,...
3.1.
Problemen maken deel uit van het leven
3.2.
Relativiteit van huidig leven, hiernamaals is wat telt
3.3.
God helpt wie (aan zijn) zelf iets doet
3.4.
God geeft niet meer te dragen dan men aankan
3.5.
Probleem als opportuniteit voor bekomen van vergiffenis
3.6.
Vraag en er zal gegeven worden
3.7.
Lijden als kans voor verdiepen van overgave aan God
3.8.
Lijden aanpakken met Jihad
3.9.
Aan alles zit een goede kant
Besluit
Inleiding
In de Islamitische traditie is de mens een geheel van een tastbaar
lichaam en een spirituele entiteit ('ziel' of 'zelf' genoemd). Het is
deze door God geschapen onsterfelijke spirituele entiteit die volgens
de Koran de essentie van de mens vormt. Koranische psychologie is dan
ook innig verweven met religie en spiritualiteit - en in samenhang
daarmee met moraliteit, welke allen samen deel uitmaken van een ruimer
zingevingsmodel. In deze tekst wordt op grond van de Koran en de Sunnah
een theoretisch model voor Koranische psychologie opgebouwd, dat
uitmondt in een omschrijving van het ideaal. Vervolgens worden op grond
van dit model een aantal concrete aandachtspunten geformuleerd voor de
benadering van psychospirituele problemen zoals angst of depressie.
Maar om het bos door de bomen te blijven zien, wordt eerst even in het
kort de kern van het verhaal weergegeven.
1. Overzicht van het model
De Koran vertelt hoe Adam en Eva in hun paradijselijk bestaan op een
gegeven moment gezamenlijk zwichtten voor de spitsvondige listen van
Satan en de geboden van God overtraden [1].
Als straf verbande God Adam en Eva uit het Paradijs. Adam en Eva
betoonden oprecht spijt en volgens de Koran vergaf God hen hun misstap
zodat er geen erfzonde bestaat [2].
Elke mens wordt puur, onschuldig geboren, vrij van enige zonde. Maar er
is meer. De Koran stelt dat elke geest (een onsterfelijke, door God
geschapen spirituele entiteit) voor hij in het lichaam neerdaalt, een
gelofte afgelegd heeft aan God waarbij hij God als zijn Heer heeft
erkend. De mens is bijgevolg van nature gelovig en wordt in een
toestand van perfect geloof, van perfecte harmonie geboren. Aan dit
geloof in God, is een moreel besef gekoppeld: de mens komt ter wereld
met het vermogen het goede van het kwade te onderscheiden. De mens is
ook begiftigd met intelligentie en vrije wil en kan deze aanwenden om
voor het goede of het kwade te kiezen. Al deze tendensen leveren met
elkaar slag in het hart.
Telkens een mens voor het kwade kiest, dekt hij volgens de Koran de
primordiale toestand van perfecte harmonie wat meer toe. Dit drijft hem
geleidelijk aan naar een toestand van onevenwicht, waarin
egoïsme, verwaandheid en hebzucht zegevieren. Satan spiegelt
de mens voor dat dit genieten van het leven is, maar helaas, is dit
volgens de Koran slechts het "genot van de begoocheling". Want
uiteindelijk volgt een Oordeelsdag waarop zal beoordeeld worden hoe de
mens zijn vrije wil benut heeft, en op grond waarvan de mens al dan
niet weer tot het Paradijs toegelaten wordt.
Vanuit dat perspectief, wordt de zin van het leven omschreven als een
test: zal de mens zijn vrije wil benutten om het goede of het kwade te
doen? Op Oordeelsdag zal elke ziel daarop beoordeeld worden - niemand
zal zijn verantwoordelijkheid kunnen ontlopen. Wie het goede deed, mag
hopen op een eeuwig verblijf in de paradijselijke Tuin, in het andere
geval mag men zich aan de hel verwachten.
Maar wat houdt dat in, het goede doen? En hoe blijft men uit de greep
van het kwade? Volgens de Koran werd daarover door God een leidraad met
duidelijke richtlijnen geopenbaard aan de Profeten. Het gaat daarbij
volgens dit model om woorden die weerklank vinden in het diepste van
het menselijk wezen, woorden die resoneren met de primordiale staat van
de ziel die van nature in God gelooft.
Het hele model is erop gericht de toestand van perfecte harmonie weer
op te wekken. Daarvoor moet het zelf gereinigd worden van de sporen die
keuzes voor het kwade daar hebben achtergelaten. Anders dan in het
Westen waar psychologie zich toespitst op het behandelen van ziekten,
verschaft Koranische psychologie in de eerste plaats aanwijzingen voor
een transformatie naar een ideaal toe: de Islamitische Persoonlijkheid,
de Ideale Muslim. De Koran en Sunnah omschrijven dat ideaal als iemand
die verdraagzaam, geduldig, matig, minzaam, voorkomend, rechtvaardig,
vriendelijk en zo meer is, en verschaffen hulpmiddelen om zich die
kwaliteiten eigen te maken. Daarmee zal men het eigen leven
harmonieuzer kunnen inrichten, zal men tegelijk voor harmonie in de
sociale omgeving zorgen, en verhoogt men de kansen op een gelukkig
eeuwig leven in het hiernamaals. En dààr is het
uiteindelijk allemaal om te doen.
Vanuit dit algemeen kader worden ook de psychospirituele problemen
aangepakt die zich onderweg kunnen voordoen. Elk psychisch probleem
hangt in dit model niet enkel samen met een lichamelijke dimensie maar
heeft ook een spirituele component. Dit laatste is een aspect dat in de
westerse psychologie zo goed als volledig ontbreekt, in weerwil van de
naam 'psychologie' of logos (kennis) van de psyche (geest).
2. Theoretische Koranische
Psychologie
In dit onderdeel wordt een model voor psychologie op basis van de Koran
en de Sunnah uitgewerkt, vanuit verbanden met religie, spiritualiteit,
moraliteit en zingeving.
2.1. Fitrah
Islam
gelooft niet in een erfzonde. Elk kind wordt volgens de Koran
spiritueel puur en onschuldig geboren, met een vermogen om goed en
kwaad van elkaar te onderscheiden. De Koran stelt dat de ruh
(van het lichaam gescheiden geest) geschapen werd
vóór het jism
(lichaam) [3].
Na zijn schepping, en alvorens in een lichaam neer te dalen, legt elke
ruh getuigenis af dat hij God als zijn Heer erkent. Daardoor zal op
Oordeelsdag geen enkele nafs (van zodra
de ruh of geest in het lichaam neerdaalt spreekt men van nafs of
zelf/ziel) zich kunnen verstoppen achter onwetendheid, geen enkele ziel
zal kunnen zeggen dat zij niet afwist van het bestaan van God.
Integendeel: volgens de Koran heeft elke ziel God als haar Heer
aanvaard:
"En toen jouw Heer
uit de kinderen van Adam, uit hun lendenen, hun nageslacht nam en hen
over zichzelf liet getuigen:"Ben ik niet jullie Heer?" Zij zeiden: "Ja
zeker, wij getuigen." Zodat zij niet op opstandingsdag zouden kunnen
zeggen: "Hierop hadden wij niet gelet." (Koran 7:172)
De Koran stelt hier dat elk
mens in zijn ziel, in de onsterfelijke essentie van zijn bestaan, de
erkenning van God als Heer meedraagt. Daarom heeft de mens een
natuurlijke aanleg om tijdens het aardse leven in God te geloven. Hij
draagt in zich ook een daarop gebaseerd aanvoelen mee van wat goed en
slecht is:
"En hebben Wij hem
niet de twee wegen gewezen?" (Koran 90:10)
Deze natuurlijke, primordiale
staat van de mens wordt fitrah genoemd.
Het woord is afgeleid van de stam {f-t-r}
en betekent: schepping (iets dat voor de eerste keer gemaakt wordt),
maar ook: natuur, natuurlijke aanleg, temperament, instinct. Die
natuurlijke aanleg is er een van perfecte tawhid
(zuiver geloof in één God).
Hoewel de mens volgens de Koran van nature gelovig en puur is, en over
het vermogen beschikt goed en kwaad van elkaar te onderscheiden, is hij
door zijn vrije wil ook vatbaar voor de verleidingen van het kwade die
georchestreerd worden door Satan en zijn schare dienaren:
Profeet Mohamed
meldde dat God zei: "Ik schiep de mens in de juiste godsdienst maar de
duivels (shaytaan) deden hem dwalen." (Muslim)
Naarmate men de krachten van
het kwade involgt, wordt de toestand van fitrah overschaduwd en
toegedekt, en dwaalt de mens af van zijn natuurlijke, harmonische
toestand om in een voor hem onnatuurlijke staat van disharmonie terecht
te komen.
Om weer controle te verwerven over de negatieve krachten en zijn
vatbaarheid voor het kwade te leren beheersen, kan de mens gebruik
maken van zijn iradah (vrije wil) en 'aql
(intellect), meer bepaald door het aanwenden ervan voor studie van de
Koran en de Sunnah als leidraad voor de tocht door dit leven.
2.2. Zin
van het leven
Het overwinnen van het kwade heeft directe positieve gevolgen voor het
huidige leven: naarmate men de toestand van fitrah weer kan bereiken,
schudt men immers onrust af en verdiept en verbreedt men de innerlijke
harmonie en vrede. Maar er is meer aan de hand. Het nastreven van deze
harmonie heeft namelijk alles te maken met de zin van het leven, die in
de Koran omschreven wordt als een test, een proef, met het oog op het
bereiken van een plaats in het Jannah (de
paradijselijke Tuin) van het Aakhirah
(hiernamaals).
"Wij hebben alles
wat er op de aarde is tot een versiering gemaakt om hen op de proef te
stellen wie van hen het beste is in wat hij doet." (Koran
18:7)
Zal de mens alles in het werk
stellen om het kwade af te schudden, en het rechte pad te zoeken en te
kiezen? Of zal hij zich overgeven aan het kwade en steeds verder
afdwalen van de toestand van harmonie die voortkwam uit zijn overgave
aan God? Om een antwoord op die vraag te vinden, wordt de mens tijdens
het leven op de proef gesteld, op materieel vlak, maar ook in zijn
binnenste.
"Jullie zullen
zeker op de proef gesteld worden in jullie bezittingen en in jullie
zelf..." (Koran 3:186)
De beproeving kan zowel uit
geluk als uit lijden bestaan:
"En Wij stellen
jullie op de proef met het slechte en het goede, als een verzoeking."
(Koran 21:35)
Lijden, kan in dit model
naast een beproeving ook een straf van God zijn, of men kan het lijden
zelf veroorzaakt hebben.
"Wij zullen jullie
op de proef stellen met iets van vrees, honger en tekort aan
bezittingen, levens en vruchten, maar verkondig het goede nieuws aan
hen die geduldig volharden, die als onheil hen treft, zeggen: "Wij
behoren aan God toe en tot Hem zullen wij terugkeren." Zij zijn het met
wie hun Heer mededogen heeft en erbarmen, zij zijn het die het goede
pad volgen." (Koran 2:155-157)
"... Als zij zich afkeren, weet dan dat God hen
wenst te treffen voor sommige van hun zonden..." (Koran
5:49)
"Of toen jullie onheil trof dat jullie zelf al
dubbel hadden toegebracht. Jullie zeiden: "Hoe komt dit?" Zeg: "Het
komt van jullie zelf". God is almachtig." (Koran 3:165)
Geluk daarentegen komt altijd
van God, met heeft er nooit zelf verdienste aan.
"En welke weldaad
jullie ook toevalt, het komt van God." (Koran 16:53)
Geluk heeft echter wel twee
mogelijke aspecten. Het kàn een Goddelijke zegen zijn, het
kan evenwel net als lijden ook een beproeving zijn. Het is dus niet zo,
dat wanneer iemand succesvol is en geluk heeft, men daaruit mag
afleiden dat God die persoon gunstig gezind is:
De Profeet zei:
"Wanneer God iets goed wil voor zijn dienaar, spoedt Hij zich om zijn
bestraffing teweeg te brengen op deze wereld, en wanneer Hij geen goed
voor hem wenst, houdt hij de bestraffing in tot wanneer hij voor zijn
zonde aangesproken wordt op Oordeelsdag." (Tirmidhi)
Er is dan ook geen enkele
reden om afgunstig te zijn van diegenen die het schijnbaar beter
hebben. Zowel lijden als voorspoed maken immers deel uit van de test.
Sommigen menen zelfs dat voorspoed een veel moeilijkere opgave is dan
tegenspoed. Zij stellen dat tegenspoed haast vanzelf meer gelegenheid
biedt tot loutering en tot het zoeken van hulp bij God, terwijl bij
voorspoed verwaandheid op de loer ligt vermits men al vlug geneigd is
te denken dat men zelf het geluk teweeggebracht heeft, terwijl volgens
de Koran alle voorspoed aan God te danken is als beloning of als
beproeving. Verwaandheid wordt door de Koran in sterke bewoording
afgekeurd:
"Wend je wang niet
hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God
bemint geen enkele ingebeelde en verwaande." (Koran 31:18)
De test is op het eerste
gezicht dan ook niet zo eenvoudig. Wat een zegen lijkt, kan in
werkelijkheid een beproeving zijn en omgekeerd. Enkel God weet immers
of iets goed of slecht is vermits enkel Hij de Alwetende is en enkel
Hij een overzicht heeft op het geheel. Surah 18 (v.66-83) van de Koran
verduidelijkt dit. Mozes wordt er vergezeld van een zekere Al Khadir.
Het is niet duidelijk wie deze figuur is. Volgens sommigen is hij een
Profeet, andere exegeten beschouwen hem als een Engel, nog anderen zien
in hem een allegorische figuur die de diepste mystieke inzichten
symboliseert. In Surah 18 van de Koran, voert hij de opdrachten van God
uit. Op een gegeven moment slaat hij een lek in een boot zodat deze met
alle opvarenden vergaat. Mozes zegt:
"Maak jij er een
gat in om de opvarenden te laten verdrinken? Daar heb je echt iets
vreselijks begaan." (Koran 18:71)
maar Al Khadir antwoordt:
"Heb ik niet gezegd
dat je het met mij niet zou kunnen uithouden?" (Koran
18:72).
Even later legt hij uit dat
God deze mensen liet verdrinken omdat hen een koning te wachten stond
die elk schip met geweld nam:
"Wat het schip
betreft, dat was van arme mensen die op zee werken en ik wenste het te
beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met
geweld nam." (Koran 18:79)
Wat met andere woorden een
vreselijke dood lijkt, is eigenlijk een genade van God, want anders was
hun doodstrijd veel erger geweest.
Diezelfde passage verhaalt hoe Al Khadir en Mozes bij een stadje
aankwamen waar hen gastvrijheid geweigerd werd. In dat stadje, stond
een muur op het punt in te storten. Niettegenstaande het ongastvrije
optreden van de mensen, greep Al Khadir in en zette hij de muur stevig
recht. Mozes merkte op:
"Als je wilde, had
je daarvoor loon kunnen krijgen" (Koran 18:77)
Al Khadir verduidelijkt
echter:
"En wat de muur
betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat
onder die hun beiden toebehoorde en hun vader was een rechtschapen man
geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat te
voorschijn halen; het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het
niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon
uithouden." (Koran 18:82)
In dergelijke verzen wordt
uitgelegd dat enkel God een ultiem oordeel kan vellen over wat goed en
slecht is.
"Maar misschien
staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien
hebben jullie iets lief dat slecht voor jullie is. God weet en jullie
weten niet." (Koran 2:216)
Hiermee wordt mensen op het
hart gedrukt dat het niet is omdat ze zelf iets goed vinden, dat het
vanuit ruimer perspectief ook goed is. Het is een les in nederigheid.
Daarom zeggen muslims bij alles wat er gebeurt: 'het is de wil van
God', en danken ze Hem voor alles, ongeacht of ze het gebeuren
aangenaam of betreurenswaardig en pijnlijk vonden. De uitdrukking is
een teken van overgave aan God. Enkel Hij is in staat het hele gebeuren
te overzien.
2.3. Oordeelsdag
Na de levenslange test zal uiteindelijk iedereen de dood proeven:
"Ieder zal de dood
proeven, maar jullie volle loon zal jullie op de opstandingsdag gegeven
worden. Wie dan van het vuur gevrijwaard wordt en in de tuin
binnengebracht, die heeft gezegevierd. Het tegenwoordige leven is
slechts het genot van de begoocheling." (Koran 3:185)
De ziel overleeft de dood van
het lichaam en zal onderworpen worden aan een Laatste Gericht, een
finaal oordeel.
"op de dag dat de
geheimen worden getoetst." (Koran 86:9-10)
Elk zal daar staan met zijn
eigen boek waarin al zijn goede en slechte daden door Engelen
opgetekend werden. Goede daden wegen zwaarder dan slechte. Elke goede
daad wordt door de Engel in kwestie onmiddellijk geregistreerd en telt
voor 'plus 10' punten, terwijl de Engel die de slechte daden
registreert, telkens weer aarzelt en de slechte daad pas inschrijft als
de mens de bedoeling heeft kwaad aan te richten en daar ook in doorzet.
Bovendien wordt de slechte daad maar voor 'min 1 punt' in rekening
gebracht, zodat men door het verrichten van goede daden de slechte
daden kan compenseren.
"Als iemand met een
goede daad komt dan is er voor hem tien maal zoveel en als iemand met
een slechte daad komt dan wordt hem slechts dienovereenkomstig
vergolden en hun zal geen onrecht worden aangedaan." (Koran
6:160)
Belangrijk is, dat bij de
beoordeling van de daden de intentie die de daad stuurde van
doorslaggevend belang zal zijn:
"Er is geen zonde
voor u in datgene waarin gij u onvrijwillig vergist, maar wel in
hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. God is Vergevensgezind,
Genadevol." (Koran 33:5)
Niemand zal ook maar een
fractie van z'n verantwoordelijkheid kunnen ontlopen. Oordeelsdag wordt
dan ook aanzien als het ogenblik van de ultieme rechtvaardigheid. Wie
slachtoffer werd van onrecht, zal daar recht gedaan worden. Wie onrecht
beging, zal er daar op afgerekend worden. Het zal niet mogelijk zijn te
zeggen dat men niet van het bestaan van God afwist door de eed aan God
in de primordiale staat. Het zal evenmin mogelijk zijn zich achter
Satan te verschansen, want Satan heeft geen macht over mensen. Mensen
zijn immers volledig vrij te kiezen voor wie zij willen: God of Satan.
"En de satan zegt,
wanneer de beslissing gevallen is: "God heeft jullie een waarachtige
toezegging gedaan. Ik heb jullie een toezegging gedaan, maar ik ben ze
niet nagekomen. Ik had geen macht over jullie; ik riep jullie slechts
op en jullie gaven aan mij gehoor. Verwijt mij dus niets maar verwijt
het jullie zelf. Ik kan jullie geen hulp bieden en jullie kunnen mij
geen hulp bieden. Ik hechtte er geen geloof aan toen jullie mij vroeger
als metgezel van God vereerden." ... (Koran 14:22)
Het Laatste Oordeel zal
nochtans niet meedogenloos verlopen want volgens de Koran is God
genadevol en barmhartig. Op één na, begint elk
hoofdstuk van de Koran met de woorden:
"Bismillah al
Rahman al Rahim"
("In de Naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige")
Al Rahman (de Erbarmer,
Genadevolle) verwijst naar de eindeloze liefdevolle genade die God
voortdurend aan al zijn schepselen schenkt, zonder dat ze er ook maar
iets moeten voor doen, geheel onafhankelijk van hun daden, dus ook als
ze Zijn genade niet verdienen. Al Rahim (de Barmhartige) heeft
betrekking op het medelijden dat God schenkt aan de gelovigen die door
hun daden Zijn genade verdienen. Al Rahim slaat ook op de genade die
God de gelovigen zal schenken in het hiernamaals. Een hadith
verduidelijkt dat, wanneer er alles samen 100 eenheden liefdevolle
genade bestaan, God 1 eenheid genade over het hele universum verdeeld
heeft - dat is de genade en liefde die mensen voor elkaar voelen, de
genade tussen mensen en dieren, tussen dieren onderling. De andere 99
eenheden genade zitten bij God, om op Oordeelsdag aan de gelovigen toe
te kennen. De genade en liefde van God overstijgen dan ook ver het
menselijk bevattingsvermogen:
Abu Hurayra meldt
dat de Boodschapper van God zei: "God de Allerhoogste heeft honderd
porties genade. Hij zond slechts één portie naar
het universum en verdeelde het over gans zijn Schepping. Het gevoel van
genade en medeleven dat Zijn schepselen voor elkaar voelen, komt uit
dat ene deel. De andere 99 delen, heeft Hij bewaard voor op Oordeelsdag
wanneer Hij ze zal toebedelen aan de gelovigen."
Het bereiken van het Paradijs
in het hiernamaals is in dit model een drijvende motivatie, een
levensdoel. Het huidig leven is niet meer dan een middel om dat doel te
bereiken, een passage waaraan men zich niet mag hechten. Het is het
hiernamaals dat telt:
"... Het
tegenwoordige leven is slechts het genot van de begoocheling."
(Koran 3:185)
De poorten van de hemel staan
in de Islam overigens niet enkel open voor muslims. Wie in God geloofd
heeft (ongeacht via welke weg), het kwade overwonnen heeft en goed
gehandeld heeft, kan op Oordeelsdag tot de hemel toegelaten worden. Dus
ook Joden of christenen kunnen volgens de Koran het Paradijs bereiken:
"Zij die geloven,
zij die het Jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs
die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor
hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen
zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)
Wie evenwel het kwade dient,
zal naar de hel gaan. Volgens de Koran zijn er bij Joden, christenen en muslims mensen die leven volgens de aan hun Profeten geopenbaarde
Boeken, voor hen zullen de deuren van de hemel geopend worden. Er zijn
er echter ook die van het pad van de Profeten afwijken, zij timmeren
aan hun weg naar de hel.
2.4. Islam, al din al fitrah (het natuurlijk geloof)
De vraag stelt zich hoe men kan weten wat men moet doen om de test met
goed gevolg af te leggen. In het Koranisch model staat de mens niet
zonder hulpmiddelen voor het doorlopen van de levenstest. God immers
heeft aan de Profeten een houvast geopenbaard, een leidraad aan de hand
waarvan mensen zich zo vlot mogelijk een weg kunnen banen door de test
van het leven. Het hele Koranisch psychospirituele model is gericht op
het doorlopen van een evolutie die de mens in staat stelt de toegedekte
fitrah te voorschijn te halen. Dit is meteen de (innerlijke) weg
(terug) naar de paradijselijke Tuin.
Uit de Openbaringen, blijkt dat deze weg bestaat uit een bewuste keuze
voor God, indachtig de eed die de geest voor God aflegde. De opdracht
bestaat er in, de hele geloofsbelevenis te ontdoen van alle ruis, van
alle onzuiverheden, van alle dwaalleer, tot er enkel nog zuiver
monotheïsme overblijft:
"En strijd tegen
hen tot er geen fitnah [bedreiging voor het geloof] meer is en de
gehele godsdienst God toebehoort." (Koran:8:39)
Op maatschappelijk
niveau handelt dit vers over het streven naar godsdienstvrijheid, naar
een maatschappij waarin de Islam als een van de religies in pure vorm
kan beleefd worden zonder door omstandigheden gedwongen te worden
elementen van ongeloof of veelgoderij te moeten aanhouden.[4]
Op individueel vlak verwijst dit vers naar een persoonlijk streven om
elke vorm van ongeloof uit te roeien op het eigen pad naar God toe om
zo te komen tot een zuiver geloof in de Ene God en de staat van fitrah
opnieuw te proberen bereiken. Het is de bedoeling alles wat niet op God
gericht is, te bannen uit het leven, zodat uiteindelijk alle aspecten
van de persoon gericht worden op God en zodat geen enkel aspect van het
leven gericht is op iets anders dan God:
"Zeg: "Mijn salaat
[gebed] en mijn godsdienstoefening, mijn leven en mijn sterven behoren
God toe, de Heer van de wereldbewoners." (Koran 6:162)
Dit houdt een bewuste, vrije
keuze in voor het daadwerkelijk beleven van de eed die de geest aan God
maakte voor hij in het lichaam neerdaalde. Spiritualiteit en religie
tijdens het leven wordt hier dan ook beschouwd als een vorm van
her-kennen, van her-inneren, van blootleggen wat men reeds in zich
draagt: de natuurlijke primordiale toestand van puur geloof in de Ene
God.
"En richt je
aangezicht naar de godsdienst als een aanhanger van het zuivere geloof,
de van God afkomstige aanleg [fitrah] die Hij de mensen ingeschapen
heeft. Gods schepping is niet te veranderen. Dat is de juiste
godsdienst maar de meeste mensen weten het niet." (Koran
30:30)
De Profeten van de Islam
kwamen enerzijds om de mensen te herinneren aan hun primordiale
getuigenis voor God - om mensen te helpen ontwaken tot wat ze in hun
diepste wezen eigenlijk al weten.
"Dit is slechts een
herinnering, laat hij dit dat wil de weg inslaan naar zijn Heer."
(Koran 76:29) [5].
Anderzijds brachten ze
instructies over de weg om daar te geraken, vervat in het Woord van
God, en weerspiegeld in de manier waarop zij dit Woord toepasten in hun
leven.
Daarom wordt de Islam 'din al-fitrah', genoemd, de 'godsdienst van de
menselijke natuur'. De leerstellingen van de Islam worden geacht puur
monotheïsme te zijn en daardoor in volledige harmonie te zijn
met de natuurlijke aanleg van de mens om in de Ene, Scheppende God te
geloven. De Islam, is dan ook het middel bij uitstek om, zo men dat
wil, terug te keren naar de toestand van fitrah. Godsdienst biedt
volgens de Koran evenwel geen garantie op de hemel, het is enkel een
leidraad er naartoe, maar of men daar geraakt of niet hangt van eigen
daden af.
2.5. De cruciale rol van godsdienstvrijheid
Het hele Islamitisch model, staat of valt met godsdienstvrijheid.
Zonder de vrijheid om al dan niet voor God te kiezen, kan er geen
sprake zijn van een test, is er geen Oordeelsdag, kan men niet in het
Paradijs terechtkomen, en vervalt het hele model. Godsdienstvrijheid is
in de Islam dan ook niet zomaar een recht, het is de wezenlijke
essentie zelf van het model. Neem godsdienstvrijheid weg, en er is van
Islam geen sprake meer.
De Koran, die geacht wordt het letterlijke woord van God te zijn, stelt
onder meer:
"In de godsdienst
is er geen dwang." (Koran, 2:256)
"Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een
waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen."
(Koran 88:22-23)
In de Islam is het de
allerhoogste instantie, God zelf, die de godsdienstvrijheid garandeert.
Het inkrimpen, belemmeren of wegnemen van de godsdienstvrijheid , houdt
daarom een negatie van God in, en betekent het effectief ongedaan maken
van de Islam.
Godsdienstvrijheid
houdt in dat elk mens vrij is te geloven wat hij wil en dat er in
geloofszaken geen dwang mag uitgeoefend worden. [6]
In de Islam is geloof een zaak tussen individu en God - daar staat
niets tussen, geen ander individu, geen 'moskee' maar ook geen 'staat'.
Immers, een staat die
volgens islamitische principes georganiseerd wordt, garandeert vanuit de Koranische Wet
godsdienstvrijheid en kan of mag zich niet bemoeien met het geloof van
haar inwoners.
Een ander aspect van deze godsdienstvrijheid, is dat geen mens kan
oordelen over het geloof van een ander mens. Alleen God weet wat er in
het binnenste van een mens is:
"... God weet wat
er in jullie binnenste is..." (Koran 2:235)
"Hij weet wat er binnen in de harten is."
(Koran 8:43)
Het is dan ook enkel God die
over het geloof of ongeloof van een mens kan oordelen:
"Het oordeel komt
alleen God toe." ( Koran 12:67)
"Hij [God] maakt niemand deelgenoot van Zijn
oordeel." (Koran 18:26)
Elk mens is voor God
gelijk - het maak niet uit welke huidskleur hij heeft, of of hij rijk
of arm is, man of vrouw, en zo meer. Het enige wat voor God telt, is
godvrucht en goede daden, en enkel Hij zal daar op Oordeelsdag over
oordelen. In afwachting daarvan, moeten alle mensen elkaar als gelijken
beschouwen. Daarmee legt dit model een stevige basis voor een
wereldbroederschap van alle mensen, zonder onderscheid, zonder racisme,
zonder dat de een zich meer kan achten dan de ander. [7,8]
2.6. Geloof: gratie van God of individuele keuze?
Hoe valt dit alles te rijmen met de Koranische verzen die lijken te
stellen dat God gelovig maakt wie Hij wil en ongelovig maakt wie Hij
wil?
"... Zo brengt God
wie Hij wil tot dwaling en brengt Hij wie Hij wil op het goede pad."
(Koran 74:31)
Dit vers is zeer
algemeen en moet geïnterpreteerd worden in het licht van
andere verzen die hierover meer informatie verschaffen. [9]
Zo stelt volgend vers dat God de onrechtplegers de goede weg niet
wijst.
"God wijst de
mensen die onrecht plegen de goede richting niet". (Koran
9:109)
Met andere woorden: God maakt
mensen niet arbitrair gelovig of ongelovig, het ligt aan henzelf, aan
hun eigen daden. Het is door het eigen "onrecht plegen" dat de mens
afdwaalt van de staat van fitrah en de genade van God verspeelt. Dit
hangt samen met verzen als:
"God doet de mensen
geen enkel onrecht aan, maar de mensen doen zichzelf onrecht aan"
(Koran 10:44)
Godsvrucht (ongeacht via
welke weg) en goede daden gaan niet enkel hand in hand met het oog op
Oordeelsdag, maar ook om leiding te verkrijgen in het huidige leven.
"God is met hen die
godvrezend zijn en hen die goed doen" (Koran 16:128)
In dit model zijn alle
mensen in hun primordiale staat, voor hun ziel het lichaam binnenkomt,
gelovig. [10]
In hun huidig leven staat het de mens volledig vrij zich daar al dan
niet naar te gedragen en al dan niet gelovig te zijn. Wie oprecht op
zoek gaat naar God en rechtschapen handelt, zal door God geleid worden.
Dit geleid worden naar en in het geloof is een gratie van God want door
een mens gelovig te maken verschaft God hem een reeks hulpmiddelen om
de toestand van fitrah en het Paradijs te bereiken. Maar deze genade,
deze gratie van God, komt niet zomaar en gebeurt niet willekeurig, ze
is het gevolg is van de eigen individuele keuzes en daden.
2.7. Purificatie van het Zelf
Kiest men voor God, dan voltrekt zich een proces van purificatie van
het zelf (al nafs) dat zowel een kracht ten goede als ten kwade kan
zijn:
De Profeet zei: "Er
zijn twee impulsen in de ziel, een van de engel die oproept tot het
goede en het goede bevestigt; laat aan wie dit vindt weten dat het van
God komt en laat hem God verheerlijken. Een andere impuls komt van de
vijand, leidt tot twijfel, ontkent de waarheid en verbiedt het goede;
laat wie dit vindt bescherming zoeken bij God voor de vervloekte
duivel. Vervolgens citeerde hij het vers: "De satan zegt jullie armoede
toe en beveelt jullie gruwelijkheid, maar God zegt jullie van Zijn kant
vergeving en genade toe. God is alomvattend en wetend." (2:268)
(Tirmidhi)
Om de innerlijke toestand van
evenwicht en harmonie opnieuw te bereiken en om de kans op een verblijf
in de paradijselijke Tuin van het hiernamaals te verhogen, komt het er
dan ook op aan diep in zichzelf het goede te zoeken en te verdiepen, en
tegelijk controle te verwerven over het kwade. Dit proces verloopt niet
lineair maar is eigenlijk een voortdurende dynamiek waarbij
verschillende toestanden afwisselend het voorplan halen, met de
bedoeling uiteindelijk de meest gezuiverde toestand volledig te doen
primeren.
Hieruit blijkt meteen hoe sterk het element 'verandering' gedefinieerd
wordt in de Koran. Het hele zingevingsproces is verankerd op de vrije
wil en de veranderbaarheid van de mens, op het vermogen van de mens om
zichzelf te overstijgen. In dit transformatieproces, worden 3
toestanden of fasen onderscheiden:
-
Al nafs al
ammârah (het zelf dat aanzet tot het kwade)
Deze laagste psychospirituele toestand van het zelf zet de mens aan
tot het kwade en heeft Satan als bondgenoot.
"En ik zeg niet dat
mijn zelf vrij is van blaam, want het zelf is toch iets dat tot het
kwaad aanzet, behalve wanneer mijn Heer erbarmen heeft. Mijn Heer is
vergevend en barmhartig." (Koran 12:53) [11]
In deze toestand wil het zelf
voortdurend alle materiële verlangens zo snel mogelijk
ingewilligd zien. Het verheft de eigen verlangens, de eigen wil, het
eigen lage zelf (en dus satan) tot god.
"Heb jij hem gezien
die zijn grillen tot god maakt?" (Koran 25:43)
Satan stelt de mens als
beloning daarvoor genot, plezier, geluk, allerlei gewin in het
vooruitzicht. Satan doet het ook lijken alsof men daardoor een goed,
succesvol bestaan leidt, doch de Koran waarschuwt dat dit slechts
schijn is:
"Het tegenwoordig
leven is slechts het genot van de begoocheling." (Koran
3:185)
Vanuit de toestand van fitrah
is elk mens begiftigd met het vermogen goed en kwaad van elkaar te
onderscheiden en dus de signatuur van Satan in deze gang van zaken te
herkennen. Dat inzicht vertroebelt evenwel naarmate men toegeeft aan
egoïsme, hebzucht, hoogmoed, verwaandheid, enz. En hoe meer
men daar aan toegeeft, hoe meer men volgens dit model verknocht geraakt
aan materiële zaken, hoe verwaander men wordt, en hoe meer men
vervalt in afgunst, kwaadsprekerij, enz. Het is op dit lage zelf dat
Profeet Mohamed doelde wanneer hij zei:
"Uw ergste vijand
is uw zelf binnenin u." (gemeld door al-Baihaqi)
Wanneer men het dictaat
volgt van dit zelf, wordt het hart een woonplaats voor Satan, die het
zelf met steeds meer holle verlangens voedt.
"En wie zich voor
de herinnering van de Erbarmer blind houdt, voor hem maken Wij een
satan die dan een kameraad voor hem is - die zullen hun dan de weg
versperren..." (Koran 43:36-37) [12]
-
Al nafs al lawwama (berouwvol, zelfverwijtend zelf)
Het berouwvolle, zelfverwijtende zelf wordt in de Koran in volgend vers vermeld:
"Ik spreek bij de nafs [ziel, zelf] die zichzelf verwijten maakt." (Koran 75:2)
In deze fase of toestand ontstaat bij het zelf een (schuld) bewustzijn, een gevoel van oprecht berouw en spijt over de zaken die men verkeerd doet. Het zelf is in dit stadium rusteloos. Deze rusteloosheid is een noodzakelijke stap in een beweging voorwaarts, want zonder bewustwording, zonder bevraging van het zelf, is vooruitgang onmogelijk. Door eerlijke spijt, wordt het zelf hier zoekend naar een manier om zich te verbeteren. Onder meer door het vergaren van kennis van de Koran en de Sunnah en door het zich eigen maken van zelfdiscipline, kan dit zelf leren controle verwerven over het lagere zelf.
-
Al nafs al
mutmainnah (vredige zelf)
Dit proces mondt uiteindelijk uit in een toestand van harmonie, waarin
de ziel volledig bevrijd is van de greep van Satan. In deze toestand,
heeft het zelf zich volledig overgegeven aan God. Dit is de ware
betekenis van Islam, van de Arabische stam {s-l-m} of
overgave aan God.
"O nafs [ziel,
zelf] die rust gevonden heeft, keer tevreden en met welgevallen
aanvaard terug naar jouw Heer." (Koran 89:27-28)
De lokroep van het lagere
zelf om gevolg te geven aan de verleiding van materiële,
aardse zaken is volledig gebroken. Het zelf geeft zich over aan God, en
vindt diep vanbinnen, rust, harmonie en tevredenheid. Indachtig dat
zowel voor- als tegenspoed niet kunnen gebeuren zonder de toestemming
van God, klaagt dit zelf niet meer bij tegenslag, en is het niet meer
uitbundig bij voorspoed. Het dankt God tevreden voor alles, erkent de
eigen fouten en tekortkomingen, en schept niet meer op over eigen
prestaties. Iemand die deze fase bereikt heeft, erkent de Almacht van
God en omarmt het besef dat hij niets is en nergens staat zonder God:
"Als God jullie
helpt, kan niemand jullie verslaan, maar als Hij jullie in de steek
laat, wie is er die jullie daarna nog helpen kan? Op God is het dat de
gelovigen hun vertrouwen moeten stellen." (Koran 3:160)
In deze toestand, in deze
fase, imiteert het karakter de impulsen van de Engel, en wordt het hart
een woonplaats voor de Engel die het goede pad verlicht. Het is de
bedoeling dat uiteindelijk deze laatste toestand volledig primeert. Dit
is het ideaal waar elke muslim moet naar streven.
De Koran spreekt hier van een
"louteren" van het zelf:
"Bij een nafs
[ziel, zelf] en wie haar heeft gevormd! En die haar toen haar
zondigheid en haar godvrezendheid heeft ingegeven! Wel gaat het wie
haar loutert. Maar teleurgesteld wordt wie haar laat verkommeren"
(Koran 91:7-10)
De purificatie van het zelf
is een proces waarbij het zelf gezuiverd wordt van alle satanische
invloed en waarin de satan (een slechte jinn) in het eigen zelf,
overmeesterd wordt en dienbaar gemaakt wordt aan de persoon in plaats
van omgekeerd.
De Profeet zei: "Er
is niemand onder u in wie er geen duivel is." Zij zeiden: "Zelfs in u,
O Boodschapper van God?" Hij zei: "Zelfs in mij, maar God hielp mij hem
te overmeesteren en hij heeft zich aan mij onderworpen, dus beveelt hij
mij niets meer dan goede dingen" (Muslim)
Het bereiken van innerlijke
vrede vereist dus dat men zich volledig inzet om de duivel in zichzelf
te onderwerpen. En wie het zelf verandert, wordt door God geholpen.
"... God verandert
de toestand waarin mensen verkeren niet zolang zij niet veranderen wat
er in hun zelf is... " (Koran 13:11) [13]
Hij helpt dus alleen diegenen
die zelf op weg gaan in de spirituele reis van het leven. De essentie
van het leven is volgens dit model immers een inwaartse tocht. Het
maakt niet uit hoeveel kilometers ver weg men op vakantie trekt, overal
draagt men het eigen innerlijke met zich mee. De ware reis van het
leven, is een reis naar binnen. Het is een ontdekken van de toezegging
die de ruh deed bij zijn schepping dat hij God als Heer erkent, en het
vervolgens inrichten van het leven om die primordiale toestand van
harmonie opnieuw te bereiken, ten bate van zowel het individu als de
samenleving. Dit vereist een psychospirituele transformatie, die op
gang getrokken wordt door het onder controle brengen van het lagere
zelf.
De strijd tegen het lagere zelf en tegen de satan, is in de Islam een
belangrijke - zoniet de belangrijkste - vorm van Jihad. [14]
Profeet Mohamed zei:
"De mujahidun is
hij die streeft tegen zijn zelf in gehoorzaamheid tot God, de Machtige
en Majestueuze" (Tirmidhî, Ibn Mâjah,
Ibn Hibbân, Tabarânî, Hâkim,
e.a.)
Voor deze Jihad, zijn onder
meer geloof en geduld essentiële middelen. Omwille van het
grote belang ervan, zal sabr (volhardend
geduld) in een afzonderlijke tekst uitgewerkt worden. In het kort komt
het hierop neer dat geduld in Islamitische zin geen passieve slaafse
aangelegenheid is, maar een betrokken inzet vereist waarmee men
voorkomt dat men het kwade zou doen, en goede werken in de hand werkt.
2.8. Geloof en ongeloof
Het is in het hart, dat al deze conflicterende tendensen zich met
elkaar meten. Inzet van de strijd, is het hart als woonplaats - voor de
Engel, of voor de satan.
Tegen deze achtergrond, vinden termen als geloof en ongeloof hun volle
Koranische betekenis. Een gelovige is iemand die zijn lage zelf (waarin
de eigen satan god wil zijn) onder controle brengt en onderwerpt, om zo
de weg in het hart volledig vrij te maken voor God. Het is een overgave
aan God waarbij in het hart voor niets anders dan God nog plaats is.
Een ongelovige, is iemand die beheerst wordt door z'n lagere zelf dat
hem aanzet het huidige leven te verkiezen boven het hiernamaals. Het is
iemand die zijn verlangens (en dus de eigen satan) tot godheid verheft
en deze aanbidt. Die ongelovige zal in navolging van de keuze die hij
op aarde gemaakt heeft in het hiernamaals bij de satans in "het
hellevuur" verblijven, de gelovige heeft veel kans in de hemel te
geraken, bij de Engelen.
"Dan zal voor wie
de grenzen overschreed en het leven van deze wereld verkoos het
hellevuur de verblijfplaats zijn. Maar dan zal voor wie vreesde om voor
zijn Heer te staan, en de neigingen van zijn zelf aan banden legde, de
tuin de verblijfplaats zijn." (koran 79:37-41)
2.9. De Ideale Muslim
2.9.1. Belang van ontwikkelen van de persoonlijkheid
In de Islam is het zo dat in het ontwikkelen van het zelf naar een
ideaal toe, de zingeving van het leven, moraliteit, geloof, en
psychologie elkaar ontmoeten. Die psychospirituele en morele evolutie
is een levensdoel voor de individuele muslim. Daarmee wordt duidelijk
dat geestelijke gezondheid in de Islam niet gedefinieerd wordt als
afwezigheid van ziekte, maar veel ruimer begrepen wordt en dat ook voor
mensen die geen psychische problemen hebben, er steeds verder gewerkt
moet worden aan het vervolmaken en polijsten van de persoonlijkheid. In
dat hele transformatiegebeuren, moet het lagere zelf overwonnen worden
om uiteindelijk te komen tot een volledige overgave aan God via een
leven dat zich oriënteert op de Goddelijke Bepalingen van goed
en kwaad. Dit alles gebeurt met het oog op een beoordeling daarvan op
Oordeelsdag, zodat het in wezen gaat om de uitbouw van een morele,
normen- en waardegebonden persoonlijkheid:
Er werd aan Profeet
Mohamed gevraagd: "Welke muslim heeft perfect geloof?". Hij antwoordde:
"Hij die het beste moreel karakter heeft" (Tibrani)
In de Koran en de Sunnah
wordt er herhaaldelijk de aandacht op gevestigd dat geloven alleen niet
voldoende is, dat men zich er ook moet naar gedragen. Een mens gedraagt
zich in overeenstemming met zijn karakter. Daaraan werken, maakt dan
ook de essentie van de 'test' uit, de essentie van het levensdoel, van
de kans op de hemel. Vermits gedrag op Oordeelsdag beoordeeld zal
worden, speelt het karakter dat dit gedrag stuurt een cruciale rol in
het geloofsleven:
De Profeet zei: "Er
is niets dat zwaarder is dan goed karakter dat in de schaal gelegd
wordt van een gelovige op de Dag van de Opstanding". (gemeld
door Abud Darda', in Abu Dawud)
De Apostel van God zei: "Door zijn goed
karakter zal een gelovige de graad bereiken van iemand die bidt
gedurende de nacht en vast gedurende de dag" (gemeld door
Aisha, Ummul-Mu'minin, de "moeder van de gelovigen", in Sunan Abu
Dawud).
In het eigen gedrag, geraken
ook anderen betrokken. De Koran en Sunnah besteden grote aandacht aan
de sociale implicaties van de ontwikkeling van de eigen
persoonlijkheid: de ander moet er ook beter van worden, of mag er in
elk geval niet door geschaad worden. Zo zegt de Profeet over een vrouw
die vaak bidt en de vasten onderhoudt maar die zich erg onbeschoft
gedraagt tegenover haar buren, dat ze naar de hel zal gaan:
Een man vroeg! "O
Boodschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet
en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te
beledigen)." De Boodschapper van God zei: "Ze zal naar de Hel gaan". De
Man zei: "O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend
staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken
van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen
kwaad.". Hij zei: "Zij zal naar het Paradijs gaan". (gemeld
door Abu Hurayrah, in Musnad Ahmad)
2.9.2. Kenmerken van de Ideale Muslim
Welke zijn nu de kenmerken van de ideale muslim? Wat is de ideale
Islamitische Persoonlijkheid? De Koran en de Sunnah verschaffen
daarover heel veel informatie. Het leven van de Profeten (en in het
bijzonder van Profeet Mohamed omdat over hem veel gedetailleerde
gegevens bewaard bleven) fungeert daarbij als rolmodel, als een soort
toepassing in de praktijk van het Woord van God. Het lijstje hierna is
uiteraard niet volledig. Het biedt echter een goede kijk op het
persoonlijkheidsideaal waar de Koran en Sunnah naar streven.
De ideale Muslim...
... wordt gedreven door goede intenties
'Umar ibn
al-Khattab zei dat Gods Boodschapper zei: "De beloning voor handelingen
hangt af van de intenties en elke persoon zal beloond worden volgens
wat zijn intenties waren. Dus diegene wiens emigratie voor God en Zijn
Boodschapper was, dan was zijn emigratie voor God en Zijn Boodschapper,
en diegene wiens emigratie was om een wereldlijk doel te bereiken of
een vrouw te huwen, dan was dat waarom hij emigreerde." (Bukhari,
Muslim)
... doet voor zijn naaste wat
hij zelf graag heeft
"Je bent geen
gelovige tot je voor je broeder graag hebt wat je voor jezelf graag
hebt" (Mishkaat)
... is nederig, niet
hoogmoedig noch verwaand
"Wend je wang niet
hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op de aarde rond. God
bemint geen enkele ingebeelde en verwaande." (Koran 31:18)
"'Gaat de poorten van de hel binnen om er
altijd in de blijven.' Dat is pas echt een slechte verblijfplaats voor
de hoogmoedigen." (Koran 16:29)
... neemt in alles
matiging in acht en schuwt extremen [15]
Gods Boodschapper
zei: "Bemin degene van wie je houdt met mate, misschien zal hij op een
dag iemand worden waarvoor je haat voelt, en haat diegene voor wie je
haat draagt met mate, want misschien wordt hij op een dag iemand die je
graag zal zien." (Gemeld door Abu Hurayrah, in Tirmidhi)
"En wees gematigd in jullie lopen en spreek met
een zachte stem...." (Koran 31:19)
"Jullie die geloven! Zeg niet dat de goede
dingen die God jullie heeft toegestaan verboden zijn en begaat geen
buitensporigheden; God bemint diegenen die buitensporigheden begaan
niet." (Koran 5:87)
... doet goede werken
"God is met hen die
godvrezend zijn en hen die goed doen." (Koran 16:128)
"Als iemand iets goed doet is het in het
voordeel van zijn eigen ziel, en als iemand verkeerd doet dan is dan in
zijn nadeel. Uiteindelijk zullen jullie tot jullie Heer teruggebracht
worden." (Koran 45:15) [16]
... is vrijgevig, niet
krenterig
"Zij die gierig
zijn met wat God hun van Zijn goedgunstigheid gegeven heeft, moeten
niet denken dat het goed voor hen is. Welnee het is slecht voor hen; op
de opstandingsdag zal dat waarmee zij gierig waren hen om de nek worden
gehangen..." (Koran 3:180)
"(...) En wie voor de eigen hebzucht begoed
worden, zij zijn het die het welgaat." (Koran 59:9)
"Jullie die geloven! Maakt jullie aalmoezen
niet waardeloos door gepoch en ergernis zoals hij die zijn bezit
weggeeft om door de mensen gezien te worden maar zonder te geloven in
God en de laatste dag..." (Koran 2:264)
"Jullie zullen de vroomheid niet bereiken
totdat jullie van wat jullie liefhebben bijdragen geven, God weet
ervan." (Koran 3:92)
"...En wie voor de hebzucht van het zelf behoed
worden, dat zijn zij die het welgaat..." (Koran 64:16) [17]
... heeft
verantwoordelijkheidszin
"De Boodschapper
van God zei: "Elk van u is een bewaker en is verantwoordelijk voor
diegenen voor wie hij instaat. Dus de heerser is een bewaker en is
verantwoordelijk voor zijn onderdanen; een man is de bewaker van zijn
gezin en is verantwoordelijk voor diegenen voor wie hij moet zorgen;
een vrouw is bewaker van de woning van haar man en is verantwoordelijk
voor diegenen voor wie zij moet zorgen; een bediende is bewaker van de
rijkdom van zijn baas en is verantwoordelijk voor datgene dat aan hem
toevertrouwd werd; en een man is bewaker van de rijkdom van zijn vader
en is verantwoordelijk voor datgene waarvoor hij moet zorgen. Dus elk
is een bewaker en is verantwoordelijk voor hetgeen aan hem toevertrouwd
werd." (Gemeld door Umar, in: Bukhari, Muslim) [18]
... is trouw aan gegeven
woord en bewaart een geheim
"Komt Gods
verbintenis na wanneer jullie een verbintenis aangaan en verbreekt de
eden niet na de bekrachtiging ervan ..." (Koran 16:91)
"En gebruik jullie eden niet voor onderlinge
arglistigheid, want dan glijdt een voet na stevig gestaan te hebben uit
en proeven jullie het kwade omdat jullie Gods weg versperden en is er
voor jullie een pijnlijke bestraffing." (Koran 16:94)
"Profeet Mohamed zei: diegene die iets ziet dat
verborgen moet blijven en het verbergt zal zijn zoals iemand die een
meisje dat levend begraven werd weer tot leven brengt."
(Gemeld door Uqbah ibn Amir, in Abu Dawud)
... is oprecht, en schuwt
hypocrisie
"De huichelaars en
de huichelaarsters horen bij elkaar, zij gebieden het verwerpelijke,
verbieden het behoorlijke en houden hun handen stijf op hun beurzen;
zij vergeten God en dus vergeet Hij hen. De huichelaars, dat zijn de
verdorvenen." (Koran 9:67)
... is minzaam en vermijdt
leugens en conflicten
De Profeet zei: 'Ik
garandeer een huis in de omgeving van het Paradijs voor iemand die
geruzie vermijdt zelfs als hij in zijn recht is, een huis in het midden
van het Paradijs voor iemand die leugens vermijdt zelfs al grappend, en
een huis in het bovenste deel van het Paradijs voor iemand die zijn
karakter goed gemaakt heeft." (Gemeld door Abu Umamah, in
Abu Dawud)
... belichaamt
zachtmoedigheid, zelfbeheersing, vriendelijkheid en
vergevingsgezindheid
"Streeft naar
vergeving van jullie Heer en naar een tuin zo breed als de hemelen en
de aarde die klaargemaakt is voor de godvrezenden die bijdragen geven
in voorspoed en tegenspoed en die hun woede inhouden en de mensen
vergeving schenken." (Koran 3:133-134)
De Profeet zei: "Minacht geen enkele goed daad
zelfs is het maar het groeten van uw broeder met met een blij gezicht."
(Muslim)
De Profeet zei: "uw glimlachen naar uw broeder
is een daad van liefdadigheid." (Tirmidhi)
De Profeet zei: "Maak de zaken gemakkelijk,
niet moeilijk, en wees opgewekt, niet bedreigend" (Met
eenstemmigheid)
... kent geen afgunst maar is
tevreden met wat hij heeft
De Profeet zei:
"Rijkdom is niet het hebben van veel bezit, maar rijkdom is de rijkdom
van de ziel, het zelf (tevredenheid)" (Gemeld door Abu
Hurayrah, in: Muslim)
De Profeet zei: "Vermijd afgunst, want afgunst
verslindt goede daden zoals vuur brandstof verslindt." (Gemeld
door Abu Hurayrah, in: Abu Dawud)
... onderdrukt de anderen
niet maar beschouwt alle mensen als gelijken
"De Profeet zei:
"God heeft aan mij geopenbaard dat jullie nederig moeten zijn, zodat
niemand de andere onderdrukt, noch opschept." (Gemeld door
Iyad ibn Himar, in: Abu Dawud)
"O mensen! Waarlijk jullie Heer is
Eén en jullie vader (Adam) is één. Een
Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet
beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een
zwarte is niet beter dan een blanke - behalve in termen van vroomheid
en goede daden". (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld
door Imaam Ahmad)
De Profeet zei: "Er is geen zonde die meer in
aanmerking komt om door God aan diegene die deze zonde begaat op
voorhand in deze wereld bestraft te worden samen met wat Hij voor hem
in petto houdt voor het hiernamaals, dan onderdrukking en het verbreken
van relaties." (Gemeld door Aby Bakrah, in: Abu Dawud)
De Profeet zei: "Kijk uit voor het begaan van
onderdrukking want op de Dag van de Verrijzenis zal onderdrukking
duisternis zijn, en kijk uit voor hebzucht want hebzucht heeft diegenen
die voor jullie kwamen vernietigd, het leidde hen naar bloedvergieten
en naar het wettig maken van datgene wat voor hen verboden was."
(Gemeld door Jaabis ibn Abdullah, in: Muslim)
... kenmerkt zich door geduld
"Jullie die
geloven! Neem jullie toevlucht tot geduld en salaat [gebed]. God is met
hen die geduldig volharden." (Koran 2:153)
... respecteert de
gewetensvrijheid van anderen
"Waarschuw de
mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de
autoriteit om iemand te dwingen." (Koran 88:22-23)
... is verdraagzaam en gaat
niet in op provocaties
"Wanneer jij hen
ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op
een ander gesprek overgaan..." (Koran 6:68)
... gaat geen scheldpartijen
aan en bespot anderen niet
"En hoont niet hen
die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit
vijandigheid en zonder kennis gaan honen." (Koran 6:108)
"Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet
belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (...) En
maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen..."
(Koran 49:11)
...zwijgt tenzij hij iets
goed te zeggen heeft
"Abu Hurayrah
vertelde dat de Profeet van God zei: "Wie gelooft in God en de Laatste
Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in
God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie
gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn
gast." (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Muslim)
... is goed voor zijn buren,
ongeacht hun geloof
"Hij die eet tot
hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen
gelovige" (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)
Een man vroeg! "O Boodschapper van God! Er is
een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet en vaak vast, maar ze kwetst
haar buur met haar woorden (door hem te beledigen)." De Boodschapper
van God zei: "Ze zal naar de Hel gaan". De Man zei: "O Boodschapper van
God! Er is een andere vrouw die bekend staat voor hoe weinig zij vast
en bidt, maar ze geeft aan goede werken van de gedroogde yoghurt die ze
maakt, en ze doet haar buren geen kwaad.". Hij zei: "Zij zal naar het
Paradijs gaan". (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Musnad
Ahmad, gemeld door Abu Hurayrah)
... moeit zich niet in
andermans zaken, doet niet mee aan achterklap, verspreidt geen laster,
geen leugens en geen roddels
"Zal Ik jullie
mededelen tot wie de satans neerdalen? Zij dalen neer tot elke zondige
lasteraar. Dezen luisteren scherp en de meesten van hen zijn
leugenaars." (Koran 26:221-223)
"Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens -
sommige vermoedens zijn zonde - en spioneert niet en roddelt niet over
elkaar..." (Koran 49:12)
De Profeet zei: "Behorende tot de perfectie van
iemands Islam is dat hij hetgeen waarmee hij geen zaken heeft, met rust
laat." (gemeld door Abu Hurayrah, in Tirmidhi en anderen)
... springt met alles zuinig
om en verkwist niets
"Kinderen van Adam!
Doe jullie mooie kleding aan bij elke moskee en eet en drinkt, maar
weest niet verkwistend. Hij bemint de verkwisters niet."
(Koran 7:31)
"De verspillers zijn de broeders van de satans
en de satan is jegens zijn Heer ondankbaar." (Koran 17:27)
... gaat zorgzaam om
met het milieu en de dieren [19]
"Er is geen man die
zelfs maar een spreeuw of iets kleiner kan doden zonder dat het dit
verdient, of God zal hem erover ondervragen." (Gemeld door
Ibn 'Omar en door Abdallah bin Al-As An-Nasai).
... is genadevol,
vergevingsgezind
De Profeet zei: Wie
geen genade heeft voor anderen zal geen genade ontvangen van God"
(Gemeld door Hadrat Jarir bin Abdullah, in: Bukhari, Muslim)
... voert rechtvaardigheid
hoog in het vaandel
"Jullie die
geloven! Weest standvastig in de gerechtigheid als getuigen voor God,
al is het tegen jullie zelf of de ouders of de verwanten. Of het nu om
een rijke of een arme gaat, God staat hen beiden zeer na..."
(Koran 4:135)
"En geeft de volle maat en behoort niet tot hen
die verlies veroorzaken. En weegt met de juiste weegschaal. En doet de
mensen niet tekort in de dingen die van hen zijn en veroorzaakt geen
ellende op de aarde door verderf te zaaien." (Koran
26:181-183)
"Jullie die geloven! Weest standvastig voor God
als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde
mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Wees
rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is
welingelicht over wat jullie doen." (Koran 5:8)
... respecteert zijn ouders
"En jouw Heer heeft
bepaald dat jullie alleen Hem zullen dienen en dat men goed moet zijn
voor de ouders; of nu een van tweeën of allebei bij jou de
ouderdom bereiken, zeg dan niet:'Foei' tegen hen, bejegen hen niet
onheus en spreek op een hoffelijke manier tot hen. En wees uit
barmhartigheid voor hen nederig en ontvankelijk en zeg: 'Mijn Heer,
erbarm U over hen, zoals zij mij grootbrachten toen ik klein was.'
(Koran 17:23-24)
... beantwoordt gedrag met iets
dat beter is
"En de goede daad
en de slechte daad zijn niet gelijk; weer die [slechte daad] af met
iets dat beter is. Dan zal hij, tussen wie en jou vijandschap was, een
boezemvriend worden. Maar het wordt slechts aan hen die geduldig
volharden aangeboden; het wordt slechts aangeboden aan iemand met
geweldig geluk." (Koran 41:34-35)
3. Aandachtspunten voor het
benaderen van concrete problemen als angst, depressie, verdriet,...
Onderweg naar het ideaal kan zich psychisch lijden voordoen. Uit het
theoretisch model kunnen een aantal concrete focuspunten gedistilleerd
worden die behulpzaam zijn bij de Koranische benadering van
psychospirituele problemen als angst, verdriet, depressie, stress en
zo meer.
3.1. Problemen maken deel uit van het leven
Lijden - ook psychisch lijden - wordt (voor zover men het niet zelf
veroorzaakt heeft) gesitueerd binnen het kader van de grote test van
het aardse leven. Lijden is dus, net als geluk, een noodzakelijk
kenmerk van het leven dat vanuit dit model zin krijgt, betekenisvol
wordt en daardoor ook draaglijk wordt.
". .. en Wij
stellen jullie op de proef met het slechte en met het goede..."
(Koran 21:35)
Door een probleem te kaderen
als onontbeerlijk onderdeel van de test van het leven, wordt elke
calamiteit omgevormd tot een kans, tot een gelegenheid om deze test
succesvol te doorlopen en zowel de innerlijke vrede als een verblijf in
de paradijselijke Tuin een stapje dichterbij te brengen. Aan elk lijden
wordt op die manier een positieve dimensie gegeven.
Gods Apostel zei:
"Als God voor iemand goed wil doen, stuurt hij hem beproevingen." (Gemeld
door Abu Hurrayrah, in: Bukhari)
3.2. Relativiteit van het huidig leven
Profeet Mohamed drukte het samenspel van het hier en het hierna als
volgt uit:
"Werk voor dit
leven alsof je eeuwig zal leven, en werk voor het leven hierna alsof je
morgen zal doodgaan."
Volgens de Islam hangt de
manier waarop men het eeuwig leven zal doorbrengen, af van hoe men zich
tijdens het aardse bestaan gedraagt. Het huidig leven is met andere
woorden geen doel op zich, maar slechts middel om het doel van een
gelukzalig eeuwig leven te bereiken. Door altijd het uiteindelijke doel
voor ogen te houden - het hiernamaals - wordt elk huidig lijden
gerelativeerd: het huidig leven is slechts een passage. Hetgeen
gevoelens van angst, neerslachtigheid, verdriet, en zo meer,
veroorzaakt, kan men niet altijd veranderen. Maar wat men wel kan
veranderen, is de manier waarop men er mee omgaat. Het Koranisch model
spoort muslims aan om de blik te verleggen van het probleem, naar het
eeuwig leven. Daardoor wordt het probleem al onmiddellijk aanzienlijk
gereduceerd. Hoe meer men echter met het probleem bezig is, hoe groter
en belangrijker het zal lijken juist omdat men er zoveel aandacht aan
besteedt. Dit geldt bij uitbreiding voor het ganse leven: hoe meer men
bezig is met het aardse bestaan, hoe meer zorgen men erover zal hebben:
"De Boodschapper
van God zei: "God zal van wie het hiernamaals als hoofdbezorgdheid
heeft, het hart vullen met gevoelens van rijkdom en onafhankelijkheid
(...). Wie deze wereld als zijn hoofdbezorgdheid neemt, daar zal God
ervoor zorgen dat deze persoon zich voortdurend angstig en arm voelt
(...)" (Tirmidhi)
Muslims wordt dus steeds voor
ogen gehouden - ook wanneer zich een probleem voordoet - dat dit
bestaan van korte duur is en dat men zich op geen enkel aspect van dit
leven, geluk of verdriet, mag fixeren. Het aspect van het probleem dat
men kan veranderen, verandert men, en voor de rest, legt men de blik
ver voorbij het probleem, bij het hiernamaals. Lijden, is niet te
vermijden, het vormt een essentieel onderdeel van het leven. Maar er is
hoop voor diegenen die het Paradijs bereiken, want zij zullen van al
hun psychisch lijden zoals droefheid verlost worden:
"Zij zullen de
tuinen van Eden binnengaan (...) En zij zeggen: "Lof zij God die van
ons de droefheid heeft weggenomen" (Koran 35:34)
3.3. God helpt wie (aan zijn) zelf iets doet
Overgave aan God is geen passief gebeuren. Het vereist een volledige
betrokkenheid om het rechte pad te bewandelen en het kwade te mijden.
Apathisch zitten wachten op een oplossing, is onislamitisch. Wanneer
men voor een probleem staat, moet men het analyseren en inschatten of
en in welke mate men er zelf iets kan aan doen. Dat begint in de eerste
plaats bij het aangrijpen van de kansen die het probleem schept voor de
purificatie van het zelf.
" God verandert de
toestand waarin mensen verkeren niet tot zij veranderen wat in hun zelf
is." (Koran 13:11)
Leiding door God wordt
volgens dit model slechts gegeven aan diegenen die zelf iets
ondernemen, zichzelf proberen te beteren, op zoek gaan naar God.
Vermits problemen mogelijkheden bieden om dit te doen, wordt lijden
omschreven als een kans op grond waarvan men deze leiding door God kan
bekomen.
"Wij zullen jullie
op de proef stelen met iets van vrees, honger en tekort aan
bezittingen, levens en vruchten, maar verkondig het goede nieuws aan
hen die geduldig volharden, die, als onheil hen treft, zeggen: "Wij
behoren aan God toe en tot Hem zullen wij terugkeren." Zij zijn het met
wie hun Heer mededogen heeft en erbarmen; zij zijn het die op het goede
pad geleid worden." (Koran 2:155-157)
Naast het werken aan het
zelf, moet men alles in het werk stellen om het probleem op te lossen.
Slechts voor die aspecten van het probleem waar men niets kan aan doen,
beveelt de Koran aan ze met volhardend geduld te dragen. Ook dat is
echter een manier van omgaan met een probleem, en maakt deel uit van de
training van het zelf.
3.4. God geeft niet meer te dragen dan men aankan
De Koran stelt:
"Wij leggen niemand
meer op dan hij kan dragen" (Koran 6:152)
In de Arabische versie wordt
het woord "nafs" gebruikt. Een betere vertaling is dan ook: "Wij
leggen geen enkele ziel meer op dan wat zij kan dragen." God
belast de mens niet hoger dan de draagkracht van zijn ziel, van zijn
zelf - en die draagkracht wordt bepaald door de sterkte van het geloof
in God. Wie een sterk geloof heeft, zal zwaarder getest worden maar zal
ook meer aankunnen.
Deze benadering schenkt muslims vertrouwen in het eigen kunnen. Het
vers zegt dat God geen problemen te dragen geeft die men niet aankan.
Het is dus God zelf die een mens in nood zegt: je kan dit aan. De
psychospirituele boodschap van de Koran zet met andere woorden aan tot
zelfvertrouwen en tot een optimistische kijk op het leven. Een muslim
kan dan ook geen enkele reden aanhalen om te wanhopen.
"Aan Gods
bemoediging wanhopen slechts de ongelovigen." (Koran 12:87)
Sterker, wanhoop wordt
omschreven als een uiting van ongeloof vermits het impliceert dat men
twijfelt aan de waarheid van de Woorden van God, met name waar God zegt
dat Hij niemand meer oplegt dan hij kan dragen.
3.5. Probleem als opportuniteit om vergeving van
zonden te bekomen
Profeet Mohamed zei dat elke elk lijden, zelfs de prik van een doorn,
maar ook psychisch lijden, zal bijdragen tot het vergeven van de zonden
op Oordeelsdag.
De Boodschapper van
God zei: "Niets van vermoeidheid, ziekte, problemen, zorgen, verdriet
of schade, zelfs al is het maar een prik van een doorn, overkomt een
muslim, of God zal het aanvaarden als vergiffenis voor enkele van zijn
zonden." (Muslim)
Lijden is geen holle doos,
het heeft een rijke vulling en biedt tal van kansen. De gelovige moet
dus blij en dankbaar zijn voor het lijden waarmee God hem op de proef
stelt. Een muslim heilige zei ooit: "Als er een dag
voorbijgaat zonder problemen, vrees ik dat God boos op mij is".
Om de baten van het lijden te oogsten, is van essentieel belang hoe men
met dit "lijden" omgaat. Wanneer men het met volhardend geduld
aanvaardt als onderdeel van de test van het leven, zal men er in het
hiernamaals de vruchten van proeven. Hoe belangrijk de baten wel zijn,
blijkt uit volgende uitspraak van de Profeet Mohamed, waarin een vrouw
de keuze gegeven wordt te genezen van epilepsie of geduldig haar ziekte
te dragen en als beloning daarvoor tot het Paradijs toegelaten te
worden.
Ibn 'Abbas zei
tegen mij: "Zal ik je een vrouw tonen van de mensen van het Paradijs?"
Ik zei, "Ja." Hij zei, "Deze zwarte dame kwam bij de Profeet en zei:
"Ik krijg aanvallen van epilepsie en mijn lichaam geraakt daardoor
onbedekt, aanroep alstublief God voor mij". De Profeet sprak tot haar:
"Als je wil, wees geduldig en je zal het Paradijs binnengaan; en als je
wil zal ik God aanroepen om je te genezen." Zij zei, "Ik zal geduldig
blijven," en voegde er aan toe, "maar ik zal onbedekt geraken, dus
aanroep alstublief God voor mij opdat ik niet onbedekt zou zijn." Dus
aanriep hij God voor haar." (Uitspraak van de Profeet,
gemeld door 'Ata bin Abni Rabah, in: Bukhari)
Het Arabisch woord voor
geduld is zoals eerder gezegd sabr. Het
betreft hier geen apathisch geduld, geen apathisch ondergaan, maar een
volhardend geduld waarin het zelf zeer betrokken is in die zin dat men
zich (het zelf) beheerst en dat men erover waakt dat het lijden geen
aanzet is tot het doen van verboden zaken, maar dat men er juist kracht
uit put om goede dingen te doen. In de Koranische betekenis, is geduld
een zeer actief, geëngageerd gebeuren. Geduld kenmerkt zich
ook vooral op het moment van de initiële shock. Uren of dagen
na een shock kan iedereen geduld opbrengen, maar het is in de
onmiddellijke reactie dat men geduldig moet zijn, moet vermijden het
kwade te doen, en erop gericht moet zijn het goede te doen.
De Profeet zei:
"Het echte geduld zit in het eerste toeslaan van een calamiteit"
(Gemeld door Anas, in: Bukhari)
Ook hier weer wordt elk
lijden vertaald in een reden voor dankbaarheid: het is een gunst van
God, een kans om zonden goed te maken, een kans om in het Paradijs
toegelaten te worden - niet zozeer het lijden zelf, maar de manier
waarop men er mee omspringt biedt gelegenheid om zichzelf (of beter
gezegd: het zelf) te overstijgen. De eerste generaties muslims wezen er
op dat de mens zonder dergelijke beproevingen op Oordeelsdag zou
aankomen met lege handen. Spanningen, stress, lijden, zijn dus een
reden om zich te verheugen. Het zijn kansen om het goede te doen en het
slechte te vermijden, kansen om de eigen weg naar de paradijselijke
Tuin te plaveien.
3.6.
Vraag en er zal leiding gegeven worden
De Koran stelt dat God een vraag om hulp nooit onbeantwoord laat:
"En jullie Heer
zegt: "Roept Mij aan, dan zal Ik jullie verhoren.... (Koran
40:60)
"... Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van
iemand die bidt, wanneer hij Mij aanroept..." (Koran 2:186)
Een muslim staat dus nooit
alleen met zijn moeilijkheden, en kan ten allen tijde bescherming
zoeken in gebed:
"Neemt jullie
toevlucht tot geduld en salaat. Dat is veel, maar niet voor de
deemoedigen die menen dat zij hun Heer ontmoeten en dat zij tot Hem
terugkeren." (Koran 2:45)
God zegt: als het je allemaal
wat te veel wordt: vraag dan Mijn hulp en Ik zal er voor jou zijn. Dat
God op elke vraag antwoordt, wil uiteraard niet zeggend dat God elk
probleem oplost. Het antwoord kan vele vormen aannemen - het kan
bijvoorbeeld bestaan uit leiding om anders met het probleem om te gaan,
of uit leiding om het zelf te beteren.
De ultieme vraag is te vragen dat men niet meer zou vragen. Wanneer men
de Oppermacht van God aanvaardt, en men zich ten volle aan Hem
overgeeft, tellen eigen wensen niet meer, en vraagt men niet meer -
want elke vraag aan God om iets te veranderen komt eigenlijk toch een
beetje neer op het plaatsen van de eigen voorkeur boven de Alwetendheid
van God, komt neer op een beetje gebrek aan vertrouwen in het geloof
dat God weet wat best is, een klein beetje gebrek aan vertrouwen in
Zijn genade en barmhartigheid.
3.7. Lijden als kans voor verdiepen van overgave
aan God
Muslims worden hier geleerd dat lijden één van de
wegen is waarlangs men zich kan overgeven aan God in plaats van aan het
lagere zelf (en dus satan). In het hart, zijn twee tegengestelde
krachten actief: die van satan, en die van God. Hoe meer men God
gedenkt, hoe minder plaats er is voor Satan. Anders gezegd: hoe meer
men bezig is met God, hoe minder het lagere en door satan aangevuurde
zelf aan bod kan komen dat voortdurend met zichzelf en niet met God
bezig is. Bidden en God verheerlijken is dan ook niet alleen een
belangrijk middel in de purificatie van het zelf, het is ook een middel
op problemen het hoofd te bieden. Door aan God te denken, worden de
problemen van ondergeschikt belang, kan het lagere zelf niet op het
voorplan treden en kan het de problemen niet aangrijpen als excuus voor
het doen van slechte zaken.
Lijden - bijvoorbeeld verdriet, angst, enz. - is iets dat de mens diep
raakt en vasthoudt. Het is dan ook belangrijk het lijden los te laten.
Psychisch lijden hangt ergens samen met het feit dat (men vreest dat)
de zaken niet gaan zoals men dat zelf graag zou willen. In dat opzicht
is het loslaten van het lijden, een loutering van de ziel, het is het
loslaten van hetgeen het lagere zelf wil, om plaats te maken voor
hetgeen God wil. Of anders gezegd: het achterwege laten van dat deel
van het zelf dat zich nog niet vertrouwensvol overgegeven heeft aan God.
Dit kan men doen door te bidden tot God. Volgens de Koran erg
relativerend en rustgevend.
"Waarlijk, in het
gedenken van God vinden de harten rust." (Koran 13:28)
Volgens de Koran kan niets
buiten het weten van God gebeuren. De Koran vermeldt dat God de
Alwetende is. Eerder in de tekst kwam ook de liefdevolle aard van God
ter sprake, en werd vermeld hoe de genadevolle liefde van God het
menselijk bevattingsvermogen ver overstijgt. Men kan zich in dit
Koranisch model dan ook in volle vertrouwen overgeven aan God.
"... En wanneer
iemand zijn vertrouwen stelt in God, is God voldoende voor hem." (Koran
65:3)
Dit is een eigen vertaling.
De Arabische versie van het vers heeft een dubbele bodem: het kan
betekenen dat voor wie vertrouwen stelt in God, God voldoende is, in
die zin dat die persoon daar genoeg aan heeft en anders niets nodig
heeft om tevredenheid, rust, harmonie te vinden. Het kan ook betekenen
dat God voldoening geeft aan wie in Hem vertrouwt, dat zo iemand met
andere woorden niets tekort komt. Het is moeilijk deze dubbele
betekenis in het Nederlands te vertalen. Hoe dan ook is het zich
overgeven aan God, een erkenning dat het eigen lijden talrijke kansen
biedt voor het overstijgen van zichzelf en een betekenis heeft in het
grotere geheel waar alleen God zicht op heeft. Voor deze overgave wordt
men gesterkt door Koranverzen die stellen dat God best weet wat goed is
voor de mens, zelfs als het voor de mens een harde noot is om te kraken
"Maar misschien
staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien
hebben jullie iets lief dat slecht voor jullie is. God weet en jullie
weten niet." (Koran 2:216)
Juist hierin ligt een kans
tot overgave aan God. Tot het aanvaarden dat wat men er 'zelf' van
denkt, niet uitmaakt. Dit heeft niets te maken met gelaten ondergaan,
maar een dankbare, rustbrengende tevredenheid. De Profeet zei dat een
gelovige er fantastisch voorstaat: alles wat hem overkomt, is goed voor
hem.
De Profeet zei: Hoe
prachtig is de zaak van de gelovige! Alles wat hem overkomt is goed, en
dat is enkel zo voor de gelovige. Als hem iets goed overkomt, betuigt
hij er dankbaarheid voor, en dat is goed voor hem. En als hem iets
slecht overkomt, draagt hij het met volhardend geduld, en dat is goed
voor hem." (Muslim)
Voor wie zich op God richt,
wordt al de rest van ondergeschikt belang - zij geraken vanuit dit
model als het ware 'bevrijd' van aardse beslommeringen, bevrijd van
de greep die satan via het lagere zelf op hen heeft. In de Islam, is de
ware vrijheid van de ziel te vinden in de overgave aan God. Volgende
woorden van Imam Ali sluiten hier bij aan:
"Er zijn mensen die
God aanbidden om Zijn Gunsten te verwerven
Dit is de verering door handelaars;
Terwijl sommigen Hem aanbidden om zichzelf te vrijwaren van Zijn Wraak;
Dit is de verering door slaven;
Een paar mensen, gehoorzamen Hem vanuit een gevoel van dankbaarheid en
verantwoordelijkheid,
Dit is de verering door vrije, nobele, mensen.
-- Imam Ali --
3.8.
Lijden aanpakken met Jihad
Het woord Jihad komt van de stam {j-h-d}
en betekent streven (om het goede te doen). In de Islam volstaat geloof
niet, het moet samengaan met daden. Jihad is de concrete beleving van
het geloof. Studeren om te slagen in een examen, een plaats op de tram
afstaan aan een bejaarde dame, je buurman begroeten met een glimlach,
werken aan het verbeteren van het eigen karakter, zich via politiek
inzetten om onrecht te bestrijden, het zijn allemaal vormen van Jihad. [20]
Lijden kan dan ook aangegrepen worden als een motivator voor Jihad.
Door naar het goede te streven kan men het kwade afweren, en kan men
een probleem of onrecht ombuigen tot een kans om het huidig leven te
verbeteren en om in het Paradijs te geraken. Is het probleem waar men
mee worstelt het gevolg van onrecht, dan moedigt het model aan dit aan
te grijpen als een kans om dit onrecht ten goede te proberen keren.
"Een Mujahid (hij
die jihad beoefent) is diegene die streeft tegen zijn eigen ik om God
te gehoorzamen." (Sahih Ibn Hibbanm, No. 4862)
Anu Tharr meldde dat de Boodschapper zei: "De
beste jihad die men kan doen is jihad tegen het eigen zelf en tegen de
eigen verlangens." (Abu Nu'aim)
De Heilige Profeet zei: "De grootste jihad is
het spreken van het woord van waarheid tegen een tiran."
(Mishkat, Book of Rulership and Judgment, hoofdstuk 1, sectie 2)
3.9. Aan alles zit
een goede kant
Volgens de Koran heeft elk probleem een positieve kant. De Koran
moedigt muslims aan in elk probleem op zoek te gaan naar dat goede
aspect ervan.
"Hebben Wij bij jou
je hart niet opengesteld en jou je last afgenomen, die zwaar op jouw
rug drukte? En Wij hebben jouw aanzien vergroot. Want met het moeilijke
hangt het gemakkelijke samen. Ja, met het moeilijke hangt het
gemakkelijke samen! (Koran 94:1-6)
De Koran draagt muslims op om
in alles op zoek te gaan naar de goede dingen en daar dankbaar voor te
zijn. Immers, alle goede dingen komen van God. Volgend vers past dit
toe op een situatie waarin een man een afkeer voelt zijn vrouw. De
Koran wijst zo iemand terecht met volgende woorden:
"Als jullie een
afkeer van haar hebben, dan zijn jullie misschien wel afkerig van iets
waar God veel goeds in gelegd heeft." (Koran 4:19)
Besluit
De Westerse psychologie kenmerkt zich door het ontbreken van een
spirituele dimensie. Ze is ook negatief gedefinieerd: gezondheid is er
afwezigheid van ziekte. Daar eindigt het verhaal. De Koranische
psychologie is in de eerste plaats gericht op een streven naar een
ideaal - als daartoe onderweg psychische problemen moeten aangepakt
worden, is dat slechts een etappe van de lange reis waarvan het
einddoel het Paradijs is. De weg naar de paradijselijke Tuin loopt via
het herstel van de innerlijke paradijselijke toestand. Met het oog
daarop wordt muslims voorgeschreven een heel leven lang te sleutelen
aan hun eigen persoonlijkheid om zich in alle omstandigheden op de best
mogelijke manier, waardig, beheerst, vergevingsgezind, vriendelijk,
enz. te kunnen gedragen. Het individu wordt er beter van, vindt rust en
werkt aan zijn weg naar de paradijselijke Tuin, maar ook de samenleving
vaart er wel bij.
Aan de basis van dit model ligt een onontbeerlijk en daarom sterk
gedefinieerd element van individuele godsdienst vrijheid, van
verantwoordelijkheid (op Oordeelsdag zal iedereen geconfronteerd worden
met het eigen gedrag) en van veranderbaarheid. Als er
één ding blijkt uit dit model, is het hoe
essentieel godsdienstvrijheid is in de Islam, hoe het veel meer is dan
een van de mensenrechten, maar de essentie vormt van de Islam zelf.
Zonder godsdienstvrijheid, is er geen test, geen Oordeelsdag, geen God,
en geen Islam.
Islam op zich biedt geen garanties dat men in het Paradijs geraakt, het
is enkel een leidraad. Toch straalt het Koranisch psychospirituele
model een optimisme uit dat in talrijke aspecten tot uiting komt. Zo
leert dit model dat de mens puur, niet belast met zonden, geboren
wordt, gewapend met instrumenten om aan het kwade te weerstaan. Mensen
kunnen innerlijke rust en harmonie vinden en kunnen naar het Paradijs
gaan. Door de manier waarop ze leven, hebben ze dat zelf in handen, en
schrijven ze zelf het scenario van hun Oordeelsdag. Elke mens plaveit
de eigen weg naar de hemel of de hel. Onderweg komen ze zowel voorspoed
als tegenspoed tegen. De Koran leert dat elk probleem een geschenk is,
en talrijke kansen biedt - kans op vergeving van zonden, op
vertrouwensvolle overgave aan een Genadevolle en Barmhartige God, op het
verkrijgen van leiding door God, kans op het aanpakken van onrecht,
kans op het overstijgen van zichzelf. Bovendien verzekert God
zèlf dat geen mens meer te dragen zal krijgen dan hij aankan
- dit wakkert het vertrouwen in eigen kunnen en een positief zelfbeeld
aan. Krijgt men het toch lastig, dan staat een gelovige er nooit alleen
voor: men hoeft maar te vragen en de ene God, wiens barmhartigheid en
genade het menselijk bevattingsvermogen ver overstijgen, zal verhoren.
Het model verenigt in zich een zware individuele verantwoordelijkheid
met een grote mate van geborgenheid en vertrouwen.
____________________________