KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Vrijheid van Meningsuiting - een Koranisch Perspectief

INHOUD

..  Inleiding
1. Vrijheid van denken - godsdienstvrijheid
2. Vrijheid van meningsuiting
3. Rechten ter ondersteuning van recht op vrije meningsuiting

      3.1. Recht op kennisverwerving
      3.2. Recht op correcte informatie
      3.3. Recht op protest tegen onrecht
      3.4. Recht op protest tegen onrechtvaardige, corrupte, tirannieke leiding

    4. Beperkingen van het recht op vrije meningsuiting

      4.1. Wisselwerking van rechten
      4.2. Recht op bescherming van de privacy
      4.3. Recht op bescherming van de eer
      4.4. Recht op bescherming van religieuze gevoelens)
      4.5. Recht op bescherming tegen discriminatie en racisme

    5. Omgaan met iemand die zijn recht op vrije meningsuiting uitoefent, en meer bepaald met kritiek op Islam

      5.1. Respect voor anderen
      5.2. Tolerantie, zelfbeheersing en geduld
      5.3. Minzaamheid, vermijden van confrontaties
      5.4. Als men toch in discussie treedt, dan enkel op de beste manier
      5.5. Rechtvaardigheid, ook tegenover diegenen waarvan men een afkeer heeft

    ..  Conclusie

     



Inleiding

Steeds vaker horen we dat mensen met de dood bedreigd worden. Het gaat daarbij telkens om bedreigingen aan het adres van personen waarmee men van mening verschilt. Politici of activisten die een of andere mening verkondigen worden met de dood bedreigd. Ook een muslimvrouw die een hoofddoek draagt, en haar werkgever, krijgen doodsbedreigingen. Wat zegt de Koran daar eigenlijk over? Hoe moet men volgens de Koran omgaan met mensen die er een andere mening op nahouden? Kent de Koran wel zoiets als vrije meningsuiting? Vragen die een antwoord verdienen.

 



1. Vrijheid van denken - godsdienstvrijheid

Aan de basis van het recht om een mening te uiten, ligt het recht een eigen mening te hebben, het recht op vrijheid van denken en van geweten. Vanuit islamitisch perspectief, komt dit neer op de vrijheid er een eigen mening over God -- en dus over alles wat Hij voorschrijft -- op na te houden, op één of andere manier in God te geloven, of helemaal niet in God te geloven. In de Islam is het de allerhoogste instantie, God zelf, die dit recht op godsdienstvrijheid garandeert.

"In de godsdienst is er geen dwang." (Koran, 2:256)
"Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn." (Koran 18:29)

De Koran stelt dat God iedereen net zo goed had kunnen dwingen om te geloven, maar dat God de mensen vrij gelaten heeft om Hem al dan niet te volgen:

"Als jouw Heer het had gewild, had Hij de mensen tot één gemeenschap gemaakt, maar zij bleven het oneens..." (Koran 11:118)

Godsdienstvrijheid, is in de Koran niet zomaar een recht, het is de essentie van de Islam zelf.[1] Zonder godsdienstvrijheid, kan er van Islam geen sprake zijn. Het hele zingevingsmodel van de Islam is erop gebaseerd.[2] De Koran stelt dat mensen geboren worden in een staat van harmonie, puur en vrij van zonde, met intellect en vrije wil en begiftigd met een onderscheid van goed en kwaad. Eenmaal geboren, ligt niet alleen het goede, maar ook het kwade op de loer. De zin van het leven is erg eenvoudig. Volgens de Koran, is het leven een test, om te zien hoe mensen hun vrije wil zullen aanwenden. Zullen ze het goede kiezen? Of het kwade volgen? Dat zijn keuzes die men steeds weer moet maken, op elk moment van de dag en over allerhande terreinen. Op Oordeelsdag zal men zich voor deze keuzes moeten verantwoorden. Op die manier, plaveit elke mens gedurende het leven zelf de weg naar de hemel of de hel. Dit alles is volslagen onmogelijk, als de mens niet over de vrijheid beschikt om zich bij het inrichten van het leven al dan niet door God te laten leiden. Zonder godsdienstvrijheid, is er geen Oordeelsdag, is er geen God, en is er van Islam geen sprake. Elk beknotten of belemmeren van de godsdienstvrijheid komt neer op een negatie van God en maakt Islam onmogelijk. Godsdienstvrijheid is dan ook veel meer dan een mensenrecht, het behoort tot de diepste essentie van de Islam, zonder hetwelke Islam onmogelijk is.

Het is muslims dan ook formeel verboden anderen te dwingen zich te bekeren tot de Islam of hen te dwingen hun denken in lijn te brengen met de Islam.

"Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen." (Koran 88:22-23)

Trouwens, volgens de Koran kunnen ook niet-muslims tot de hemel toegelaten worden als ze in God geloven en handelen volgens de Openbaringen van de Profeten die in hun midden gestuurd werden.

"Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)

Gelovige Joden, Christenen en muslims aanbidden volgens de Koran immers allemaal dezelfde Ene God. [3]

(...zeg...) "Wij geloven in wat naar ons is neergezonden en in wat naar jullie neergezonden is. Onze God en jullie God, is één. En wij geven ons over aan Hem." (Koran 29:46)

Godsdienstvrijheid houdt niet enkel het recht in te geloven wat men wil. Het houdt ook het recht in dat niemand over dat geloof een oordeel mag vellen. Immers, volgens de Koran kan enkel God in de harten van de mensen kijken, kan enkel Hij hun intenties kennen, en kan daarom enkel Hij oordelen over geloof en ongeloof.

"Het oordeel komt alleen God toe." ( Koran 12:67)
"Hij [God] maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel." (Koran 18:26)

Het is God zelf die de diversiteit onder de mensen ingesteld heeft - en wat God gewild heeft, daar mag men niet tegen ingaan.

"En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er hier op de aarde zijn allen geloofd. Wil jij dan de mensen dwingen gelovigen te worden?" (Koran 10:99)

De Koran en Sunnah erkennen het recht op eigenheid van elke godsdienst. Men moet elkaars godsdienst niet willen veranderen, elkaar niet willen assimileren en elkaar niet willen imiteren. Met moet gewoon erkennen en aanvaarden dat elk zijn eigen godsdienst volgt.

"Jullie hebben jullie godsdienst en ik heb mijn godsdienst." (Koran 109:6)

De Koran stelt dat God de verschillende godsdiensten niet ingesteld heeft opdat ze elkaar zouden bestrijden, maar wel opdat ze met elkaar zouden wedijveren in goede daden. De Koran draagt de mensen op de verschillen tussen de godsdiensten gewoon te aanvaarden en het oordeel over die verschillen aan God over te laten.

"... En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dan met elkaar in goed daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren." (Koran 5:42-47)

Het recht op godsdienstvrijheid bleef geen dode letter in de islamitische geschiedenis. Wanneer Kalief 'Umar Jeruzalem innam, deed hij dat zonder één druppel bloed te vergieten en sloot hij met de Christenen van Jeruzalem (Aelia) een verdrag waarin hij hen als volgt godsdienstvrijheid garandeerde:

"In de Naam van God de Erbarmer de Barmhartige, Dit is wat de dienaar van God, Umar, de Emir van de gelovigen de mensen van Aelia inzake veiligheid heeft toegezegd: hij heeft hen veiligheid verzekerd voor henzelf, hun bezittingen, hun kerken en kruisen, hun zieken en gezonden en al hun mede-gelovigen. Hun kerken zullen niet als woonplaats genomen worden, noch zullen zij afgebroken worden, niets uit de kerken of hun omgeving zal beschadigd worden, noch zullen hun kruisen verwijderd worden van hun eigendom. Zij zullen niet lastig gevallen worden omwille van hun geloof, en geen van hen zal schade berokkend worden (...)"

In weerwil van wat in het Westen zo vaak gedacht wordt, schrijft Islam dus hoegenaamd niet voor anderen onder dwang te bekeren tot de Islam - integendeel, zulke praktijken zijn uitdrukkelijk verboden. Door godsdienstvrijheid te garanderen, verzekert de Islam meteen dat mensen over God - en dus ook over alles wat God voorschrijft - mogen denken wat ze willen.



2. Recht op uiten van de eigen, vrije mening

Mensen hebben volgens de Islam niet enkel het recht op een eigen mening, ze hebben ook het recht deze mening te uiten. Het recht op godsdienstvrijheid, op het hebben van een mening over wat God opdraagt, én het recht om die mening ook te uiten, wordt reeds van in het allerprilste begin, het Scheppingsverhaal, gevestigd. Islam gelooft dat God eerst de Engelen geschapen heeft (uit zuiver licht), vervolgens de Jinns (uit rookloos vuur) en tenslotte de mens, Adam (uit klei, d.i. water en aarde). Op een bepaald moment droeg God Adam op de naam van alle Engelen te leren. Toen Adam die opdracht volbracht had, riep God alle Engelen en Jinns erbij, en begon God Adam te ondervragen. Adam gaf overal het goede antwoord op. Hierop beval God de Engelen en Jinns te buigen voor Adam, als teken van respect. Iblis (Satan) weigerde dit goddelijk bevel op te volgen. Hij achtte zichzelf superieur aan Adam die "slechts uit aarde" geschapen was. God vroeg aan Iblis:

"Wat weerhoudt jou, dat jij je niet eerbiedig neerboog toen Ik je dat beval?... (Koran 7:11)

Iblis antwoordde:

... "Ik ben beter dan hij [Adam]. U hebt mij uit vuur geschapen en hem hebt U uit klei geschapen." (Koran 7:11)

Van in het allerprilste begin kregen mensen en jinns van God de vrijheid tegen een gebod van God in te gaan en dat verzet uit te uiten.

Omgekeerd genieten mensen ook de vrijheid uiting te geven aan hun verlangen God wèl te volgen, ook als de anderen er anders over denken. Dit blijkt uit de in de Koran geschetste omstandigheden waarin Noë zijn boodschap verkondigde:

"... Telkens als ik hen opriep, opdat U hen zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten ze zich met hun kleren en bleven ze stijfkoppig en hoogmoedig Toen riep ik hen in het openbaar op. Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen." (Koran 71:6-9)

Dit vers heeft het over het uiten van een naar de groep toe afwijkende mening. Het vers omschrijft hoe de Profeet Noë zijn mening zowel openlijk als in besloten kring te verkondigde, al was de omgeving het niet met hem eens. Muslims moeten gelijkelijk in alle Profeten van God geloven - dus ook in Noë.

"Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noë en de profeten na hem geopenbaard hebben. En Wij hebben geopenbaard aan Abraham, Ismaël, Isaak, Jacob en de stammen, Jezus, Job, Jonas, Aäron, Solomon - en aan David gaven wij de Psalmen." (Koran 4:163)
"Zeg: "Wij geloven in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Abraham, Ismaël, Isaak, Jacob en de stammen is neergezonden en in wat aan Mozes en Jezus gegeven is en in wat aan de profeten door hun Heer gegeven is. Wij maken geen verschil tussen één van hen en wij hebben ons aan Hem overgegeven." (Koran 2:136)

Profeten zijn rolmodellen waaraan muslims hun gedrag moeten spiegelen. Het vers dat beschrijft hoe Noë zijn mening verkondigde in een omgeving die het niet met hem eens was, geeft daarom aan hoe muslims gestalte moeten geven aan een samenleving waarin mensen vrij moeten zijn hun overtuiging uit te spreken, zowel in het openbaar als privé, ook als het om opvattingen gaat die afwijken van wat anderen denken. Dat is immers juist het kenmerk van vrije meningsuiting.



3. Rechten ter ondersteuning van recht op vrije meningsuiting

De Koran koppelt het recht op vrije meningsuiting aan het recht op het verwerven van en de plicht op het verstrekken van correcte informatie. Zonder recht op correcte informatie op grond waarvan men zich een mening kan vormen, en zonder het recht op kennisverwerving, schiet men met het recht op vrije meningsuiting immers niet veel op.



3.1. Recht op kennisverwerving

Volgens de tradities luidt het eerste aan Mohamed geopenbaard vers:

"Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen" (Koran 96:1)

Dit vers houdt een levenslange opdracht tot studie in, zowel voor mannen als voor vrouwen. Volgens de Islam heeft God de mensen aangesteld als beheerders van de Schepping. Kennis is echter niet enkel nodig voor een goed beheerschap (vandaar dat wetenschapsbeoefening aangemoedigd wordt), kennis wordt ook beschouwd als een vereiste om vorm te kunnen geven aan een rechtvaardige en vreedzame samenleving . Een bekende uitspraak van Profeet Mohamed luidt:

"Het zoeken van kennis is een plicht voor elke muslim" (gemeld door Anas, Ibn Majah)

Er bestaat in de Koran dan ook geen tegenstelling tussen kennisverwerving en geloof. Integendeel, kennis brengt mensen dichter bij God; diegenen met meest kennis, zijn volgens de Koran meest godvrezend.

"God wordt slechts gevreesd door de geleerden onder Zijn dienaren." (Koran 35:28)

Het recht op kennisverwerving ligt mede aan de basis van het recht op vrije meningsuiting. Immers, hoe kan men zich een mening vormen als men geen informatie mag inwinnen?


3.2. Recht op correcte informatie


Mensen hebben niet alleen recht op informatie, maar op correcte informatie. De Koran draagt muslims op niet te liegen.

"Omkleedt de waarheid niet met onzin en verbergt haar niet; jullie weten wel beter." (Koran 2:42)
"Hij die iets gevraagd wordt dat hij weet, en het verbergt, zal op Oordeelsdag een breidel van vuur op hem geplaatst krijgen. (gemeld door Abu Hurayah, in: Abu Dawud)

Deze maatregel slaat ook op overheden. Zij moeten een open politiek voeren en correcte informatie verstrekken. Men kan zelfs stellen dat deze verplichting tot het verstrekken van correcte informatie des te meer geldt voor overheden, omdat zij door de mensen vertrouwd worden. Profeet Mohamed zei:

"De meest ernstige vorm van het schenden van vertrouwen, is het vertellen van een leugen aan een broeder terwijl hij gelooft dat je waarachtig bent in wat je zegt." (Abu Dawud)

Waarachtigheid wordt geassocieerd met geloven en effent de weg naar het Paradijs, terwijl liegen beschouwd wordt als iets dat naar de hel leidt.

De Boodschapper van God zei: "Hou jullie aan waarachtigheid want het leidt naar rechtschapenheid, en dat laatste leidt naar het Paradijs. Dus, wie men waarachtigheid getrouw blijft en men er ijver in toont, wordt door God als een waarlijk waarachtig mens beschouwd. En vermijdt het liegen, want dat leidt tot buitensporigheid, en buitensporigheid leidt naar de hel. Dus, wanneer iemand volhardt in het vertellen van leugens, dan beschouwt God hem als een leugenaar. (Bukhari, Muslim)

De Koran draagt gelovigen dan ook op oprecht te zijn:

"Jullie die geloven ! Vreest God en weest met de oprechten!" (Koran 9:119)

De Koran vestigt er de aandacht op dat voor God niets verborgen blijft, ook datgene wat met verzwijgt:

"Weten zij dan niet dat God weet wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen?" (Koran 2:77)

Mensen die de waarheid achterhouden of verdraaien, worden een ziekte van het hart aangewreven:

"... Jullie moeten het getuigenis niet achterhouden. Wie het achterhoudt diens hart is ziek in het hart..." (Koran 2:283)

Met 'ziekte van het hart' wordt hypocrisie bedoeld. Liegen, wordt beschouwd als een kenmerk van ervan:

"De hypocriet heeft drie kenmerken: hij vertelt leugens, verbreekt zijn belofte en schendt vertrouwen" (Bukhari, Muslim)

De Koran verkiest dat mensen de eerlijke waarheid spreken, ook als die verschillend is van de islamitische opvattingen, boven het bewijzen van lippendienst aan de Islam. Hypocrisie, wordt immers verafschuwd.

"De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden." (Koran 4:145)

Op die manier onderbouwen Koran en de Sunnah het recht op vrije meningsuiting met een recht op correcte informatie en op kennisverwerving.


3.3. Recht op protest tegen onrecht

De Koran staat afwijzend tegenover het praten over het kwade - ook al is het waar - tenzij iemand onrechtvaardig behandeld werd, want omdat hij recht heeft op rechtvaardigheid mag hij wel over het kwade spreken om zijn zaak te bepleiten en recht na te streven.

"God houdt er niet van dat openlijk over het slechte gesproken wordt, behalve als aan iemand onrecht is aangedaan. God is horend en wetend." (Koran 4:148)


3.4. Recht op protest tegen onrechtvaardige, corrupte, tirannieke leiders

Het recht te protesteren tegen onrecht, is ook van toepassing op onrecht dat door leiders veroorzaakt wordt. Mensen hebben volgens de Islam het recht openlijk protest te uiten wanneer zij of de gemeenschap door hun leiders onrechtmatig behandeld worden - zoals het geval is bij een tiran, bij corrupte leiders, bij een staatsgreep, en zo meer. De Koran legt geen staatkundige organisatievorm op, maar sluit wel een aantal bestuursvormen uit:

"En toen Abraham door zijn Heer op de proef gesteld werd met opdrachten die hij uitvoerde, zei Hij: "Ik maak jou tot voorganger voor de mensen." Deze zei: "Sommigen uit mijn nageslacht ook?" Hij zei: "Mijn verbond strekt zich niet uit tot de {Dhalimeen}". (Koran 2:124)

{Dhalimeen}, een meervoudsvorm van {Dhalim}, betekent: tiran, onderdrukker, onrechtpleger. Zulke mensen kunnen in de Islam geen aanspraak maken op leiderschap. Dit sluit een tirannieke, oppressieve en corrupte regering uit. Mocht toch een oppressieve, tirannieke leider aan de macht komen, bijvoorbeeld door een staatsgreep, dan geeft de Koran de burgers het recht daartegen te protesteren. Burgers krijgen tevens het recht hun leiders via de rechtbanken aan te klagen. Ook leiders blijven immers onderworpen aan de wet. Gehoorzaamheid aan een leider is dan ook enkel verschuldigd in het goede. Met andere woorden, als een leider iets onwettig wil doorvoeren, heeft men het recht daar tegen in te gaan en de leider niet te gehoorzamen. In de hadithverzameling van Abu Dawud wordt een voorval vermeld waarin uit de groep een militaire leider aangesteld werd. De Profeet gaf de muslims de instructie mee hun militaire leider te gehoorzamen. Op hun militaire expeditie hadden de soldaten hun militaire bevelhebber om een niet nader genoemde reden op stang gejaagd. De bevelhebber gaf hen daarop de opdracht een groot vuur te bouwen. Van zodra ze daarmee klaar waren, beval hij zijn soldaten in dat vuur te springen. Een andere variant van die hadith specificeert dat de bevelhebber naderhand zei dat hij dit als grap bedoeld had. Hoe dan ook, hij gaf zijn soldaten bevel in het vuur te springen. Zijn soldaten aarzelden, waarop de bevelhebber zei: "Heeft de Profeet jullie niet opgedragen mij te gehoorzamen?" De soldaten antwoordden echter: "We hebben bij de Profeet bescherming gevonden tegen het Hellevuur", en weigerden in het vuur te springen. Wanneer dit voorval later aan de Profeet verteld werd, zei hij:

"Als de soldaten dit bevel gevolgd zouden hebben en in het vuur zouden gestapt zijn, zouden ze er nooit meer uitgekomen zijn (d.w.z. ze zouden in de hel gebleven zijn). Gehoorzaamheid is enkel vereist in het goede en rechtvaardige." [4]

Kalief Abu Bakr raakte dit onderwerp eveneens aan in zijn inaugurale rede waarin hij de mensen nadrukkelijk de opdracht gaf hem te corrigeren als hij een fout beging.

"Werk met mij samen als ik juist ben, maar corrigeer mij als ik een fout bega."

Rechtmatige kritiek wordt dus aangemoedigd, ook als het kritiek op de leiders betreft. Kalief Umar zei:

"Moge God diegene diegene zegenen die mij geschenken van mijn eigen tekortkomingen zendt."

In de Islam kan de grootste armoezaaier de hoogste leider tot de orde roepen. Ibn Majah and Tabrani vermelden dat een boze Bedoeïen bij de Profeet kwam en eiste dat de Profeet een schuld zou aflossen die de Profeet bij hem opgelopen had. Geschokt door zijn ruwe manier van doen, zeiden de gezellen van de Profeet: "Weet je wel tegen wie je het hebt?" De Bedoeïen antwoordde: "Ik vraag toch gewoon waar ik recht op heb!" Tot ieders verbazing, wees de Profeet zijn gezellen onmiddellijk terecht met de woorden: "Waarom kiezen jullie niet de kant van de benadeelde partij?" De Profeet deed het nodige om de schuld af te lossen, vervoegde zijn gezellen, en merkte op:

"Het is inderdaad een gezegende gemeenschap waarin de zwakken en armen hun rechten kunnen opeisen zonder schrik te moeten hebben voor represailles". [5]

Hieruit blijkt meteen dat zelfs de hoogste leiders rekenschap verschuldigd zijn aan de mensen en dat de mensen vrij hun mening mogen uiten tegenover de leiders, zonder vrees voor represailles. Ten tijde van de Kaliefen konden mensen via de rechtbank klacht neerleggen tegen de Kalief, die dan voor de rechter moest verschijnen om zich te verantwoorden voor de klachten.

Iedereen is voor de wet gelijk, ook de leiders. Protesteren tegen een onrechtvaardige leider, maakt integraal deel uit van de fundamentele rechten die de Koran aan de mensen toekent. Het is zelfs een plicht in het kader van het streven naar een rechtvaardige samenleving. Zo draagt Islam muslims op niet alleen een verdrukte helpen, hij moet ook de onderdrukker helpen - door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken.

"Anas meldde dat God's Apostel zei: "Help uw broeder, ongeacht of hij verdrukker of de verdrukte is. De mensen vroegen: "O God's Apostel! Het is goed hem te helpen als hij onderdrukte is, maar hoe moeten we hem helpen als hij een onderdrukker is?" De profeet zei "Door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken" (Bukhari)

In dit verband kan verwezen worden naar Jihad ahlu ath-Thulm (en neen, Jihad is geen heilige oorlog, geen oorlog om ongelovigen te dwingen zich te bereken tot de Islam - zoiets wordt door de Koran en de Sunnah uitdrukkelijk verboden; Jihad betekent: streven om het goede, het rechtvaardige te doen, het is vertaling in woord en daad van het geloof en is in de meeste gevallen geweldloos, behalve wanneer men zich verdedigt tegen een aanval na uitputting van alle andere manieren om de aanval af te slaan). [6] Deze geweldloze vorm van Jihad heeft betrekking op elke inspanning die men levert om sociaal onrecht te lenigen en ten voordele van een rechtvaardige maatschappij. Politiek engagement behoort daar ook toe, en het terechtwijzen van een tiran via het uitoefenen van het recht op vrije meningsuiting wordt zelfs aanzien als de grootste vorm van Jihad, die het woord als instrument hanteert.

"De Heilige Profeet zei: "De grootste jihad is het spreken van het woord van waarheid tegen een tiran." (Mishkat, Book of Rulership and Judgment, hoofdstuk 1, sectie 2)

Wie zich op die manier inzet (Jihad onderneemt) voor een rechtvaardige samenleving, mag op Gods genade hopen.

"Zij die geloven en zij die uitgeweken zijn en zich op Gods weg inspannen [{jahadoo}, jihad beoefenen], zij zijn het die op Gods barmhartigheid hopen. God is vergevend en barmhartig." (Koran 2:218)
 



4. Beperkingen van het recht op vrije meningsuiting


4.1. Wisselwerking van rechten

Rechten interageren voortdurend met elkaar. Terwijl het recht op vrije meningsuiting ondersteund wordt door het recht op correcte informatie en kennisverwerving, en zich uitstrekt tot het recht op protest tegen onrechtvaardige leiders en tegen onrecht, wordt het beperkt door een paar andere rechten. Algemeen gezien, mag vrije meningsuiting enkel gebruikt worden voor het goede, en niet voor het kwade. Zo moet men de privacy en de eer van anderen respecteren, en kan men het recht op vrije meningsuiting niet inroepen om iemand opzettelijk valselijk te beschuldigen of om racistische uitspraken te doen (dat is niet alleen beledigend en tast de persoonlijke eer aan maar staat ook voor het afschaffen van het recht op gelijkheid voor de wet). Ook spreken over het kwaad wordt ontmoedigd, al zijn daar uitzonderingen op, bijvoorbeeld om zichzelf te verdedigen tegen onrecht. Bij vrije meningsuiting, zal ook - zoals bij alles, rekening gehouden worden met de intenties.

"God rekent jullie onnadenkende uitspraken bij jullie eden niet aan, maar Hij rekent jullie wel aan wat jullie harten bedoelen. God is vergevend en zachtmoedig." (Koran 2:225)


 

4.2. recht op bescherming van de privacy

Men kan het recht op vrije meningsuiting niet inroepen om de privacy te schenden. Privacy is een recht in de Islam. Elkaar bespioneren, roddelen - maar ook het gebruiken van aanstootgevende scheldnamen en het belachelijk maken van anderen - wordt door de Koran sterk afgekeurd.

"Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens - sommige vermoedens zijn zonde - en spioneert niet en rodelt niet over elkaar...." (Koran 49:12)
"Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (...) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen.... " (Koran 49:11)
"Wee elke lasteraar en roddelaar..." (Koran 105:1)

Zoals zo vaak, wordt door de Koran en de Sunnah een dubbel spoor bewandeld: het onwenselijke (roddelen) wordt afgekeurd, het wenselijke (discretie) wordt beloond. Profeet Mohamed zei:

"Wanneer iemand de zwakheid van een ander in deze wereld verbergt, zal God zijn zwakheid verbergen in het hiernamaals." (Muslim)

Tot het recht op privacy behoort ook het briefgeheim:

"Wie zonder toestemming in de brief van zijn broeder kijkt, hij kijkt enkel in het Vuur (van de Hel)" (Abu Dawood)

In dit kader instrueert de Koran verder dat men altijd eerst toestemming moet vragen alvorens ergens binnen te gaan - men mag niet zomaar iemands huis binnenlopen.

"Jullie die geloven! Gaat andere huizen dan jullie eigen huizen pas binnen als jullie gevraagd hebben of het gelegen komt en hun bewoners gegroet hebben. Dat is beter voor jullie; misschien zullen jullie je laten vermanen. En als jullie er niemand in vinden gaat er dan pas binnen als men toestemming geeft, maar als men tot jullie zegt: "Ga terug", ga dan terug. Dat is zuiverder voor jullie; God weet wat jullie doen." (Koran 24:27-28)
 

4.3. recht op bescherming van de eer

Islam keurt zowel roddel als laster af. Profeet Mohamed legt het verschil tussen roddel en laster als volgt uit:

"Profeet Mohamed zei: "Weet jij wat achterklap is?". Ze zeiden: "God en Zijn Booschapper weten het best." Vervolgens zei hij: "Achterklap is iets zeggen over je broeder dat hij niet graag zou hebben." Iemand vroeg hem: "Maar wat als het waar is?". De Profeet van God zei: "Als wat je zegt over hem waar is, dan roddel je over hem, maar als het niet waar is, dan heb je hem belasterd." (Muslim)

Men mag anderen niet ten onrechte beschuldigen.

"En wie een fout of een zonde begaat en er dan iemand die onschuldig is van beschuldigt, die heeft een lasterlijke slechtheid en een duidelijke zonde op zich geladen." (Koran 4:112)

In samenhang hiermee wordt toehoorders van beschuldigingen voorgeschreven die niet zomaar voor waar aan te nemen, maar zich eerst goed te informeren over de ware toedracht van de zaak.

"Jullie die geloven! Als een verdorvene met een mededeling tot jullie komt zorgt dan dat jullie duidelijke inlichtingen inwinnen, opdat jullie niet in onwetendheid mensen treffen en wroeging krijgen over wat jullie gedaan hebben." (Koran 49:6)

Diegenen die laster verkondigen, wordt een bestraffing in het vooruitzicht gesteld, zowel hier als in het hiernamaals - dit wil zeggen dat hun gedrag in het huidige leven kan bestraft worden, maar dat ze er ook in het hiernamaals op afgerekend zullen worden. Daaruit blijkt hoe zwaar de Koran er aan tilt.

"Toen jullie dat [de laster] met jullie tongen overnamen, met jullie monden zeiden waarvan jullie geen kennis hebben en dachten dat het iets onbeduidends was, maar bij God was het afschuwelijk. Hadden jullie toen jullie het hoorden maar gezegd: "Het is niet aan ons hierover te spreken. U zij geprezen; dit is geweldige kwaadsprekerij." God spoort jullie aan nooit meer iets dergelijks te doen. (...) Zij die graag zouden willen dat onbetamelijkheid zich onder hen die geloven verspreidt, voor hen is er een pijnlijke bestraffing in het tegenwoordige leven en het hiernamaals." (Koran 24:15-17)

Laster, is immers net als roddel geen kleinigheidje - het is een manier waarop Satan tweedracht zaait onder de mensen:

"En zeg aan Mijn dienaren dat te zeggen wat het beste is, want de satan hitst op tot tweedracht onder hen; de satan is een verklaarde vijand van de mens." (Koran 17:53)

Op die manier wordt laster men Satan in verband gebracht - vandaar dat muslims voorgeschreven wordt te zwijgen tenzij ze iets goed, iets rechtschapen, te zeggen hebben.

Abu Hurayrah vertelde dat de Profeet van God zei: "Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn gast." (Muslim)

Een bekende uitspraak van Profeet Mohamed luidt:

Ik vroeg de Boodschapper van God: Wie is de beste muslim? De Boodschapper van God antwoordde, "Dat is hij voor wie muslims veilig zijn van het kwaad van zijn tong en zijn handen." (Muslim)
 

4.4. Recht op bescherming van de religieuze gevoelens

Islam verzekert niet alleen godsdienstvrijheid, maar erkent ook het recht op respect voor de religieuze gevoelens. Men kan het recht op vrije meningsuiting niet inroepen om een de godsdienstige gevoelens van anderen te kwetsen. Uit een analyse van de manier waarop Koran en Sunnah, blijkt dat muslims op een respectvolle manier moeten interageren met niet-muslims, geduld en verdraagzaamheid aan de dag moeten leggen, en zo meer. [7] Zo mag men niet spotten met het geloof van anderen, of met de goden die zij aanbidden.

"Als God het gewild had waren zij geen veelgodendienaars geworden. En wij hebben jou niet gemaakt tot iemand die over hen waakt en jij bent ook niet voogd over hen. En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid zonder kennis gaan honen." (Koran 6:107-108)

Op een andere plaats schrijft de Koran muslims voor enkel op 'de beste' manier om te gaan met de mensen van het Boek (Joden, Christenen), dit wil zeggen, respectvol, zonder spot, geduldig, verdraagzaam en zodanig dat zij zich niet gekwetst voelen en dat geen vijandigheid, wrevel of bitterheid kan ontstaan.

"En twist niet met de Mensen van het Boek behalve op de beste manier ..." (Koran 29:46)
 

4.5. Recht op bescherming tegen discriminatie en racisme

Men kan het recht op vrijheid van meningsuiting niet inroepen om rassenhaat te prediken. Racisme blaast immers het gelijkheidsbeginsel van alle mensen op want gaat er van uit dat sommige mensen meer rechten hebben dan andere. Tijdens zijn afscheidsrede, herinnerde Mohamed zijn toehoorders aan de essentie van de leer die hij al die jaren verkondigd had. Hij zei onder meer:

"O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke - behalve in termen van vroomheid en goede daden". (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391, al-Silsilat al-Saheeh 2700)

Vermits enkel God kan oordelen over de godvrucht en de goede daden van de mensen, moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen. Daarom ook, vormen zelfs de meest godvruchtigen geen klasse apart. De Islam verwerpt tevens de leer van een 'uitverkoren volk' - God heeft zich niet geopenbaard voor (de redding van) één volk maar voor de hele mensheid.

Het verschil in talen, godsdiensten, enz. is een teken van God zelf.

"En tot Zijn tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de wereldbewoners." (Koran 30:22)

Uit de Sunnah is een mooie traditie bekend over het ontstaan van de verschillende huidskleuren. Naar verluid zou God voor het scheppen van Adam, Engelen over de aarde uitgestuurd hebben, met de opdracht om van de verschillende bodemkleuren, een staal mee te brengen. Dat alles werd vermengd met water tot de klei waaruit Adam gemaakt werd. Dit verklaart de verschillende huidskleur van zijn afstammelingen:

"God schiep Adam van een handvol stof dat Hij van de hele aarde nam: wat rode aarde, wat witte, wat zwarte, en wat mengeling, ook zachte, ruwe, goede en slechte." (Abu Dawud, opgetekend door door Abu Musa al-Ashari)

God heeft volgens de Koran deze verscheidenheid ingesteld, niet opdat de een zich meer zou kunnen achter dan de andere, niet opdat mensen elkaar zouden bestrijden, maar wel opdat ze elkaar zouden leren kennen :

"O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen..." (Koran 49: 13).

Het afwijzen van racisme en discriminatie hangt samen met de fundamentele godsdienstvrijheid. God zal wel over de mensen oordelen. In afwachting van dat Godsoordeel, moeten alle mensen elkaar als gelijke beschouwen ongeacht bezit, functie, afkomst, geloof, nationaliteit, taal, huidskleur of welk criterium dan ook. Elke ontmoeting wordt zo een ontmoeting van gelijken, zonder dat er een strijd kan ontstaan over wie meer waard is dan een ander. Muslims krijgen de opdracht zich in elke ontmoeting werkelijk naast de andere te stellen, niet erboven. Devote muslims spreken elkaar overigens aan met 'broeder' en 'zuster' en bevestigen daarmee niet enkel een geloofsverwantschap, maar vooral dat ze elkaars gelijken zijn voor God, naasten in de ware zin van het woord, de een niet meer dan de ander. Daarmee leggen Koran en Sunnah een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen. Profeet Mohamed zei:

"O Heer! Heer van mijn leven en van alles in het universum! Ik bevestig dat alle mensen broeders zijn van elkaar."

Mohamed legde de gelijkheid van alle mensen uit door alle mensen van alle tijden te vergelijken met de tanden van een kam :

"Waarlijk, mensen van het begin der tijden van Adam tot op vandaag zijn allemaal gelijk als de tanden van een kam, en er is geen superioriteit van een Arabier over een niet-Arabier of van de mensen met rode huidskleur over die met blanke huidskleur, behalve in godvrucht en goede daden." (Bukhari, Mustadrak-ul-Wasa'il )

Volgens de Koran en de Sunnah zijn alle mensen gelijk voor de allerhoogste instantie, voor God. Discriminatie op welke grond dan ook is verboden. De Farao deelde de mensen op in groepen en onderdrukte één ervan - dit wordt door de Koran als verderfelijk omschreven:

"Fir'aun had de overhand in het land en maakte de mensen ervan tot groeperingen, waarvan hij een groep onderdrukte (...); hij behoorde tot de verderfbrengers." (Koran 28:4)

Racisme, discriminatie, hoogmoed, worden door de Koran en Sunnah krachtig afgewezen en in verband gebracht met ongeloof en met Satan. Wie neerkijkt op de anderen, effent zijn weg naar de hel. [8]

Ook discriminatie van vrouwen is in de Islam niet toegestaan. Mannen en vrouwen zijn elkaars gelijken. De historisch-culturele achteruitstelling die kenmerkend is voor de situatie van vrouwen in een aantal landen met een overwegend islamitische bevolking, vindt geen basis in de Koran en de Sunnah, waarin mannen en vrouwen als volledig gelijkwaardig voor God omschreven worden. In verschillende muslimlanden zijn vrouwenbewegingen actief die op grond van de Koran en de Sunnah een emancipatiebeweging voor de vrouwen op gang trekken. [9]




5. Omgaan met iemand die zijn recht op vrije meningsuiting uitoefent en meer bepaald met kritiek op Islam [10]


5.1. Respect voor anderen

Muslims moeten respectvol omgaan met anderen. De Koran verduidelijkt dit principe als volgt. 'Ongelovigen' hadden de muslims aangevallen. Na deze strijd wisten muslims niet goed hoe ze zich tegenover hun voormalige vijand moesten gedragen. Hierop zou volgend vers geopenbaard zijn: de Koran gebiedt muslims respectvol om te gaan met anderen. :

"God verbiedt niet dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met respect en rechtvaardigheid behandelen." (Koran 60:8)

Het daarop volgende vers verduidelijkt:

"Maar God verbiedt dat jullie hun die wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben, die jullie uit jullie huizen verdreven en die bij jullie verdrijving geholpen hebben, bijstand verlenen. En zij die hun bijstand verlenen zijn de onrechtplegers". (Koran 60:9)

De verzen betekenen dat muslims vriendelijk, respectvol en attent moeten omgaan met iedereen - ook met diegenen die voordien vijanden waren van de muslims en tegen hen streden. De uitzondering op deze regel betreft diegenen die muslims vervolgen omwille van hun geloof.


5.2. Tolerantie, zelfbeheersing en geduld


Aan toehoorders van iemand die zijn recht op vrijheid van mening uitoefent, wordt voorgeschreven geduld te beoefenen.

“Verdraag geduldig wat zij zeggen.” (Koran 20:130)

In de Islam is geduld een zeer betrokken gebeuren. Het betekent dat men zich niet laat provoceren, zijn kalmte bewaart, opwellende emoties direct onder controle brengt zodat men zich niet kan te buiten gaan aan wat verboden is - zoals anderen beledigen - en men zich enkel laat leiden door wat goed is.

Bovenstaand vers verbindt vrijheid van meningsuiting ook aan verdraagzaamheid, dit wil zeggen dat toehoorders van vrije meningsuiting aangemoedigd worden niet tot het uiterste te gaan om hun eigen rechten op respect van de eer en zo meer te laten gelden zodat er een open sfeer ontstaat waarin mensen kunnen zeggen wat hen op het hart ligt. De Koran wil immers vermijden dat mensen een 'ziekte van het hart' krijgen, waarin ze het ene zeggen, en het andere doen.


5.3. Minzaamheid, vermijden van confrontaties, niet ingaan op provocaties


Muslims wordt opgedragen de scherts van ongelovigen minzaam te incasseren en het oordeel over de ongelovigen aan God over te laten.

"En verdraag wat zij zeggen geduldig en ga minzaam bij hen weg. En laat Mij maar met de loochenaars ..." (Koran 73:10-11)

In BelgiŽ gaan mensen met elkaar wel eens in frontale discussie. Muslims zullen vanuit hun leer verkiezen de confrontatie juist te vermijden om rust en vrede te bewaren. Wie niet vertrouwd is met de Islam, denkt daarom soms dat muslims een wat gesloten mentaliteit hebben. Dat is echter niet zo. In een niet-confronterende omgeving zullen muslims vrijuit praten. Maar confrontaties gaan ze liever uit de weg. Immers, zelfs als muslims geprovoceerd worden, bijvoorbeeld door kwaadsprekerij of spot over de Islam, wordt hen vanuit de leer opgedragen niet op de provocatie in te gaan en geduldig te wachten tot de conversatie bij een ander onderwerp aanbelandt:

"Wanneer jij hen ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op een ander gesprek overgaan..." (Koran 6:68)

Dit sluit aan bij de Koranische voorschriften tot mildheid, zelfs tegenover de grootste vijand.

"Haat uw vijand op milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden." (Uitspraak door Profeet Mohamed, al-Tirmidhi).
"Misschien dat God tussen jullie en hen die jullie als vijand beschouwen genegenheid zal brengen, God is Almachtig, en God is Vergevend en Barmhartig". (Koran 60:7).


5.4. Als men toch de discussie aangaat, dan enkel op de beste manier

Wanneer men toch een discussie aangaat, dan schrijft de Koran voor dit te doen met respect voor de mening van de ander - ook al is men het er niet mee eens. Verder mag men niet spotten met anderen.

"Als God het gewild had waren zij geen veelgodendienaars geworden. En wij hebben jou niet gemaakt tot iemand die over hen waakt en jij bent ook niet voogd over hen. En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid zonder kennis gaan honen." (Koran 6:107-108)

Zoals reeds eerder ter sprake kwam, roept de Koran muslims op enkel op de beste manier te discussiëren, dit wil zeggen op een manier die geen wrevel, wrok, vijandigheid enz. uitlokt.

"Roep op tot de weg van jouw Heer met wijsheid en goede aansporing en twist met hen op de best mogelijke manier. ..." (Koran 16:25)

Verder roepen Koran en Sunnah muslims op gedrag van anderen te beantwoorden met gedrag dat beter is. Op die manier zal uiteindelijk het goede zegevieren, en zal een vijand een vriend worden:

"Een goede daad en een slechte daad zijn niet gelijk. Beantwoord het slechte met iets dat beter is. Op die manier zal uw vijand uw vriend worden. Maar het wordt slechts aan hen die geduldig volharden aangeboden." (Koran 41:34)


5.5. Rechtvaardigheid

Volgens de Koran moeten muslims rechtvaardig zijn, ook tegenover mensen waarvan men een afkeer heeft. Geloven wordt hierbij omschreven als standvastigheid in het getuigen van die rechtvaardigheid.

"... En laat de afkeer van bepaalde mensen, omdat zij jullie de weg naar de heilige moskee versperren, jullie er niet toe brengen overtredingen te begaan, maar staat elkaar bij in vroomheid en godvrezendheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding, maar vreest God. ..." (Koran 5:2)
"Jullie die geloven! Weest standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen." (Koran 5:8)

 



Conclusie

De Koran en de Sunnah vormen een solide basis waarop vrije meningsuiting kan gedijen. Het recht er een eigen mening op na te houden en die ook te uiten, wordt ruim omschreven en gedefinieerd, verstevigd door andere rechten - zoals het recht op kenniswerving en op correcte informatie - en ingeperkt door het recht op privacy, bescherming tegen racisme, bescherming van de eer, en zo meer. In het algemeen is het zo dat de Koran en de Sunnah het recht op vrije meningsuiting aanmoedigen, wanneer men iets goed te zeggen heeft of rechtvaardigheid verdedigt. Anders, draagt de Koran muslims op te zwijgen. Het is beter te zwijgen, dan te schelden, te liegen, kwaad te spreken, enz.

Het recht op vrije meningsuiting wordt in de Islam tevens en zeer nadrukkelijk gedefinieerd in de relatie tussen burger en overheid. Overheden moeten correcte informatie verschaffen zodat mensen zich een mening kunnen vormen, burgers krijgen het recht te protesteren tegen onrechtvaardige, corrupte, tirannieke leiders en hebben het recht hun leiders tot de orde te roepen zonder represailles te moeten vrezen.

De Koran schrijft ook voor hoe men moet omgaan met mensen die hun vrijheid van meningsuiting uitoefenen: geduld, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en respect voor de mening van anderen staan hierbij centraal.

Er kan dan ook niet de minste twijfel over bestaan dat het lanceren van bedreigingen aan mensen waarmee men van mening verschilt, volstrekt onislamitisch is en daarom vanuit islamitisch oogpunt volledig ontoelaatbaar is. De implicatie hiervan is ook dat wie Islam associeert met het ontbreken van het recht op vrije meningsuiting, dit ten onrechte doet.

_________________________________

Noten

  1. Zie: 'Godsdienstvrijheid in de Islam', op deze site - [Up]

  2. Zie: 'Koranische Psychologie, een reis naar het (inwendige) Paradijs', op deze site - [Up]

  3. Zie: 'Onze God en jullie God is één', op deze site - [Up]

  4. 'Traditions of Obedience in Islamic Law', Khaled Abou El Fadl, http://www.fathom.com/feature/122394/ - [Up]

  5. 'Justice in the Embrace of Wisdom and Compassion', Shaykh Seraj Hendricks, http://mysite.mweb.co.za/residents/mfj1/justice_in_the_embrace_of_wisdom.htm - [Up]

  6. Zie: 'Jihad, geloof in woord en daad', op deze site - [Up

  7. Zie: 'Omgaan met niet-muslims', deze site - [Up]

  8. Zie: 'Racisme, een grendel op de hemelpoort', deze site - [Up]

  9. Zie: 'Staan mannen boven vrouwen?' deze site - [Up]

  10. Zie: 'Omgaan met niet-muslims', deze site - [Up]

© Linda Bogaert, 2005.
PS
De (Nederlandstalige) Korancitaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013