KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

De Koran over de Mensenrechten:

hefboom of hindernis voor integratie?

    0 Inleiding
    1. Mensenrechten volgens Koran en Sunnah

      1.1. Recht op leven
      1.2. Recht op proper milieu en zuivere natuurlijke rijkdommen
      1.3. Recht op bezit
      1.4. Recht op veiligheid en bescherming van leven en bezit
      1.5. Recht op persoonlijke vrijheid (= afschaffen van slavernij)
      1.6. Recht op bescherming tegen arbitraire opsluiting
      1.7. Recht op gelijkheid voor de wet (= bescherming tegen racisme en discriminatie)
      1.8. Recht op adequate rechtspraak
      1.9. Recht op bescherming van de privacy
      1.10. Recht op bescherming van de eer
      1.11. Recht op godsdienstvrijheid
      1.12. Recht op bescherming van religieuze gevoelens
      1.13. Recht op kennisverwerving
      1.14. Recht op correcte informatie
      1.15. Recht op deelname aan het politiek gebeuren
      1.16. Recht op protest tegen onrecht en onderdrukking
      1.17. Recht op asiel
      1.18. Recht op vrijheid van meningsuiting
      1.19. Recht op vereniging
      1.20. Recht op non-coöperatie met het onwettige
      1.21. Recht op vrije handel
      1.22. Recht op werk
      1.23. Recht op minimale levensstandaard

    2. Doel: een goed leven in een rechtvaardige samenleving
    3. Besluit



Inleiding

Een democratie schenkt haar leden geen morele vrijgeleide. Inwoners van een democratie, moeten zich houden aan een aantal elementaire mensenrechten. In België zit deze verzekering verankerd in de grondwet, die het naleven van de mensenrechten garandeert. Racisme bijvoorbeeld (dat neerkomt op het toekennen van minder rechten aan een bepaalde groep en dus het opheffen van de gelijkheid van alle mensen voor de wet), is een schending van de universele mensenrechten en is dus per definitie ondemocratisch - ongeacht of een meerderheid daar anders over denkt of niet. Immers, alles wat in een democratie gebeurt - ook door meerderheidsdenken - blijft onderworpen aan de morele bakens die uitgezet worden door de Universele Rechten van de Mens.

In sommige kringen wordt beweerd dat Muslims zich niet kùnnen inpassen in onze Westerse democratieën "omdat de Islam de mensenrechten niet onderschrijft". Zullen we er dan maar even de Koran en de Sunnah bijnemen? Zonder de bedoeling te hebben een volledige lijst op te stellen, zullen we verkennen welk licht deze primaire bronnen van de Islam - Openbaringen van God, en uitspraken en handelswijzen van Profeet Mohamed - op deze zaak werpen.


1. Mensenrechten volgens Koran en Sunnah [ 1,2,3 ]

1.1. Recht op leven

De Koran stelt:

"... dat jullie niemand mogen doden - wat God verboden heeft - behalve volgens het recht..." (Koran 6:151)

Een mensenleven is heilig en onschendbaar, zonder onderscheid van ras, geloof, afkomst, nationaliteit, of wat dan ook. Net als in België worden op dit recht op leven een aantal wettelijke uitzonderingen gemaakt. Het gedeelte "behalve volgens het recht" betekent dat in sommige door de wet bepaalde gevallen doden niet bestraft wordt. Het sluit tegelijk uit dat mensen zelf het recht in handen nemen.

Eén van de door de wet toegestane afwijkingen, betreft militairen in oorlogssituaties. Surah 47 van de Koran grijpt de slag om Badr aan om een hele reeks principes van oorlogsvoering in te voeren opdat Muslims ook in zulke situaties zich niet naar willekeur zouden kunnen gedragen maar duidelijke richtlijnen zouden hebben waaraan zij zich moeten houden. Zo stelt de Koran dat Muslims nooit als eerste mogen aanvallen, maar enkel geweld mogen gebruiken om zich te verdedigen, en dan nog pas nadat alle andere mogelijkheden, zoals onderhandelingen, uitgeput zijn. Wanneer het toch tot een gevecht komt, mogen vrouwen, kinderen, ouderlingen, geestelijken (van alle godsdiensten), dieren, burgerconstructies, religieuze gebouwen, de oogst enz. geen schade oplopen. Komt het toch tot een gewapend treffen dan mag een Muslimsoldaat zich op grond van volgend vers wel verdedigen tegen een vijandige soldaat die hem wil doden. [4]

"En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, sla hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen los te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. ..." (Koran 47:4)

Dit vers gaat niet over hoe men zich tegenover ongelovigen moet gedragen, maar gaat over wat er moet gebeuren in de strijd tegen een vijand, een vijand die bij de slag om Badr uit ongelovigen bestond - vandaar de verwijzing ernaar in dit vers. Het gaat hier om het vestigen van principes van de krijgswet. Zonder dit vers, zou een Muslimsoldaat zich op grond van vers 6:151, dat doden verbiedt, moeten laten doden. Vers 47:4 voert daarop een uitzondering in voor oorlogssituaties, maar stelt tegelijk dat van zodra de logistieke situatie het mogelijk maakt, men de vijand gevangen moet nemen in plaats van doden. Andere verzen stellen dat zodra de vijand de gevechten staakt en wil onderhandelen, Muslims daarin moeten meegaan.

Dit soort verzen die op de krijgsleer slaan, zeggen uiteraard, net zoals bij ons, niets over hoe Muslims in het burgerleven moeten omgaan met elkaar en met niet-Muslims. Een uitgebreide analyse van de Koran en de Sunnah leert overigens dat Muslims andersdenkenden met respect, verdraagzaamheid, geduld, vriendelijkheid enz. moeten benaderen. [5] Elk leven is immers heilig, zowel dat van een gelovige als dat van een niet-gelovige, zowel dat van een autochtoon als dat van een immigrant. Over het doden van een gelovige stelt de Koran:

"En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding is in de hel, waarin hij altijd blijft. God is vertoornd op hem en vervloekt hem en maakt een geweldige bestraffing voor hem klaar." (Koran 4:93)

Maar ook van niet-Muslims is het leven onschendbaar. Zo stelde Profeet Mohamed over Dhimmis (de niet-Muslim burgers in een Islamitische samenleving):

"Iemand die een Dhimmi doodt, zal zelfs niet de geur van het Paradijs ruiken." (gemeld door At-Tabarani in Al-Awsat)

Bovendien moet er op gewezen worden dat niet alleen het leven van een mens heilig is, ook dat van dieren. Muslims mogen dieren slechts doden om bepaalde redenen zoals het lenigen van honger - dus niet om stocks aan te leggen die achteraf vernietigd worden, niet voor hun pels, niet voor het plezier (jacht, spelen, gevechten) enz. Dieren die men doodt voor voedsel, moeten bovendien een waardig (fysisch, sociaal, emotioneel, ...) leven gehad hebben en moeten pijnloos gedood worden. Het onrechtmatig doden van alle ademende wezens (mens of dier), is zelfs een van de hoofdzonden.

"Vermijdt de zeven afschuwelijke dingen (hoofdzonden): polytheïsme (meergoderij), magie, het doden van ademende wezens! wat God verboden heeft behalve voor rechtmatige redenen" (Gemeld door Abu Huraira. Muslim)

Ook schadelijk geachte dieren, zoals schorpioenen, mag men niet zomaar doden. En als men dan toch een dier moet doden voor het lenigen van honger, dan moet men eerst zeggen 'In de Naam van God', om zichzelf er nogmaals aan te herinneren dat alle leven heilig is en dat het schenden van het leven van een dier zonder dat daarvoor een wettige reden bestaat, een doodzonde is. De Koran en de Sunnah kennen een zeer uitgebreid stelsel van regels voor dierenrechten. [6] Als het leven van dieren al zo belangrijk is, hoe belangrijk is dan niet het leven van mensen?

1.2. Recht op zuivere natuurlijke rijkdommen

Met het recht op leven, hangen andere rechten samen, zoals het recht op zuivere natuurlijke rijkdommen om dat leven in stand te houden. Mohamed zei:

"(Zelfs wanneer de wereld tot een einde komt) op de Dag des Oordeels, als iemand een palmscheut in zijn handen heeft, moet hij hem planten." (Musnad of Ahmad, 5:440 en 3:184).

Het in stand houden van het leven, is volgens de Koran en de Sunnah één van de hoofddoelstellingen van de aan de mensen toevertrouwde beheerstaak. Om het leven in stand te houden, moet men de natuurlijke rijkdommen (lucht, aarde, water, vegetatie) die het leven mogelijk maken, in zuivere staat bewaren voor de toekomstige generaties.

Een juridische regel van de Islam zegt: 'datgene wat leidt tot wat verboden is, is zelf verboden'. Alles wat, ook op de lange termijn die zich uitstrekt tot de volgende generaties, tot vernietiging van het leven leidt (en daar behoort milieuvervuiling toe) is daarom verboden. Omgekeerd, is het behoud van zuivere lucht, zuiver water,... een verplichting.

1.3. Recht op bezit

De Koran leert dat alles eigendom van God is:

"Van God is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is..." (Koran 2:284)

God gaf mensen de toestemming zijn bezit te gebruiken:

"... en geeft hun iets van Gods bezit dat Hij aan jullie gegeven heeft..." (Koran 24:33)

Islam erkent daarmee het menselijk recht op bezit, maar stelt meteen dat dit recht niet absoluut is. Alles blijft uiteindelijk God toebehoren. Het recht op bezit wordt daarom gekoppeld aan de voorwaarde dat met dit bezit omgegaan wordt volgens de richtlijnen van God. Deze kaderen binnen het algemene Koranische principe van het "gebieden van het behoorlijke en verbieden van het verwerpelijke" (Koran 3:110). Meer bepaald, moet het verwerven van het bezit op een wettelijke manier gebeuren (door werken, erven, handeldrijven), en niet op een onwettige manier (zoals door diefstal, frauderen, het incasseren van woekerinteresten of bedrog) :

"En weegt met de juiste weegschaal. En doe de mensen niet te kort in de dingen die van hen zijn ..." (Koran 26:182)

Muslims mogen bezit evenmin aanwenden voor onwettige zaken, zoals het deelnemen aan kansspelen, consumeren van alcohol enz. Volgens de Koran leiden dat soort zaken immers alleen maar tot vijandigheden tussen de mensen.

"Jullie die geloven! De wijn, het kansspel, de offerstenen en de verlotingspijlen zijn een gruwel van satans makelij. Vermijdt die dus; misschien zal het jullie welgaan. De satan wenst slechts vijandschap tussen jullie te veroorzaken door de wijn en het kansspel en door jullie van het gedenken van God en van de slaat af te houden. Zullen jullie dan ophouden?" (Koran 5:90-91)

Met bezit gaat men niet lichtzinnig om: Muslims mogen niet verspilzuchtig zijn, maar mogen evenmin gierig zijn.

"De verspillers zijn broeders van de satan en de satan is jegens zijn Heer ondankbaar." (Koran 17:27)
"... weest niet verkwistend. Hij bemint de verkwisters niet." (Koran 7:31)

"Zij die gierig zijn met wat God hun van Zijn goedgunstigheid gegeven heeft, moeten niet denken dat het goed voor hen is." (Koran 3:180)

Belangrijk is vooral ook dat bezit niet onbeperkt is maar sociaal gecorrigeerd wordt via een systeem van zowel verplichte als sterk aangemoedigde, vrijwillige liefdadigheid zodat de weelde van de rijken ten dele aangewend wordt om al de behoeftigen te steunen.

"Jullie die geloven! Geeft ook bijdragen van de goede dingen die jullie verworven hebben en ook van wat Wij voor jullie uit de aarde hebben voortgebracht...." (Koran 2:267)

"Hun werd slechts bevolen God te dienen en daarbij als aanhangers van het zuivere geloof de godsdienst geheel aan Hem te wijden en de salaat te verrichten en de zakaat te geven." (Koran 98:5)

De Koran en Sunnah stelden daarmee een sociale correctie van het economisch gebeuren in.

Volgens Profeet Mohamed is het uiteindelijke gevolg van het toepassen van deze en andere richtlijnen dat de levensstandaard van iedereen zodanig zal verhogen dat niemand nog bijstand nodig heeft.

"Ik hoorde de Profeet zeggen: "O mensen! Geef in liefdadigheid omdat er een tijd zal komen dat men zal rondlopen met het voorwerp van zijn liefdadigheid, en niemand zal vinden om het aan te nemen, en dat diegene (aan wie men vraagt om het aan te nemen) zal zeggen, "Had je het gisteren gebracht, dan zou ik het aangenomen hebben, maar vandaag heb ik het niet nodig." (Bukhari, gemeld door Haritha bin Wahab)

De Koran en Sunnah erkennen verder zowel het recht op privébezit als op staatsbezit (voor zaken van algemeen belang zoals water), en dit zowel voor mannen als voor vrouwen (een vrouw kan voor eigen rekening handel drijven, kan erven, kan uit werken gaan enz.), als voor Muslims of niet-Muslims.

De kijk op bezit houdt door het geheel aan richtlijnen het midden tussen kapitalisme en socialisme.

Al voorziet de Koran in een recht op bezit, en voorkomt het grote extremen door het herverdelen van de rijkdom, toch wordt er ook aan herinnerd dat het leven niet draait rond het verwerven van materiële rijkdom. Profeet Mohamed zei:

"Rijkdom ligt niet in de overvloed van (wereldlijke) goederen maar rijkdom, is de rijkdom van de ziel (het hart, het zelf). (Muslim, gemeld door Abu Hurayrah)

Het is tevens belangrijk hier even stil te staan bij de houding van de Koran en de Sunnah tegenover rijkdom. Aan rijkdom, heeft men volgens dit model geen enkele persoonlijke verdienste, alle rijkdom komt van God:

"En welke weldaad jullie ook toevalt, het komt van God."(Koran 16:53)

God kan daar evenwel verschillende bedoelingen mee hebben. Het kan een goddelijke genade zijn, het ontbreken van ongeluk kan echter ook een test zijn, of zelfs een teken van Gods ongenoegen:

De Profeet zei: "Wanneer God iets goed wil voor zijn dienaar, spoedt Hij zich om zijn bestraffing teweeg te brengen op deze wereld, en wanneer Hij geen goed voor hem wenst, houdt hij de bestraffing in tot wanneer hij voor zijn zonde aangesproken wordt op Oordeelsdag." (Tirmidhi)

Rijken kunnen dan ook niet beweren dat hun welstellendheid een teken is dat God aan hun kant staat, en kunnen zich niet op hun rijkdom beroepen om zich meer te achten dan een ander of om een leidinggevende plaats af te dwingen. [7]

1.4. Recht op veiligheid en bescherming van leven en bezit

De Koran en Sunnah beschouwen leven en bezit als een recht. Men heeft dan ook het recht op bescherming van beiden. In zijn afscheidsrede zei Profeet Mohamed:

"Jullie levens en bezittingen zijn voor elkaar verboden tot jullie bij de Heer komen op de Dag van de Wederopstanding."

Zoals reeds gemeld bij de behandeling van de rechten van minderheden kent de Koran dit recht niet alleen toe aan Muslims maar ook aan niet-Muslims.

"Op de Dag van het Oordeel zal ik twist leveren met iedereen die een persoon van onder de Mensen van het Convenant onderdrukt, zijn rechten breekt, die hem verantwoordelijkheden geeft die zijn krachten te boven gaan, of die hen iets ontneemt tegen hun wil." (Gemeld door Abu Dawood).

De Koran bespreekt herhaaldelijk het respecteren van elkaars bezittingen:

"Verteert niet onderling door bedrog elkaars bezittingen ..." (Koran 2:188)

"Jullie die geloven! Verteert niet onderling elkaars bezittingen door bedrog, behalve als het om handel met wederzijdse instemming gaat, en doodt elkaar niet. God is voor jullie barmhartig. Wie het in overtreding en onrechtmatigheid toch doet, die zullen Wij in een vuur laten braden, dat is voor God gemakkelijk. En als jullie de ernstige vergrijpen vermijden die voor jullie verboden zijn, dan zullen Wij de slechte van jullie daden kwijtschelden en jullie een voortreffelijke binnenkomst bezorgen. " (Koran 4:29)

"Geeft de wezen hun bezittingen, ruilt het onbetamelijk niet in voor het goede en verteert hun bezittingen niet samen met jullie eigen bezittingen; dat is een grote zonde." (Koran 4:2)

"Zij die de bezittingen van de wezen onrechtmatig verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een vuurgloed braden." (Koran 4:10)

Tenzij het op wettelijke wijze gebeurt (bijvoorbeeld door erfenis of handeldrijven), heeft niemand recht op het bezit van een ander. Het is goed hier even aan te stippen dat volgens de Koran en de Sunnah deze onschendbaarheid van bezit ook binnen een huwelijk geldt, zodat een man op geen enkele manier aanspraak kan maken op het roerend en onroerend bezit van zijn echtgenote. [8]

Het gevolg van het als heilig beschouwen van leven én bezit, betekent dat men zich ook mag verweren tegen schending van beide rechten. Men heeft dus het recht niet alleen het leven maar ook het bezit te verdedigen tegen een aanval erop.

Abu Hurayah meldde: Een man kwam bij de Boodschapper van God en vroeg: "O Boodschapper van God! Wat zal ik doen als iemand naar mij toekomt met de bedoeling mijn bezit weg te nemen?" Hij antwoordde, "Geef het hem niet." De man vroeg, "Wat zal ik doen als hij mij bevecht?" De Boodschapper van God zei, "Verweer je dan". "Wat zal mijn plaats zijn in het Hiernamaals als hij mij gedood heeft?" De Boodschapper van God antwoordde, "In dat geval ben je een martelaar." De man vroeg: "Wat als ik hem doodde?" De Boodschapper van God antwoordde, "Hij zal in het hellevuur zijn." (Muslim)


1.5. Recht op persoonlijke vrijheid (= afschaffen van slavernij)

De Koran schaft slaverij af en voert het recht op persoonlijke vrijheid in. Profeet Mohamed zei:

"Er zijn drie mensen tegenover wie ik zelf aanklager zal zijn op Oordeelsdag. Eén van deze drie, is hij die van een vrije man een slaaf maakt, hem dan verkoopt en dit geld opeet." (Bukhari, Ibn Majjah)

Verschillende van de hierna gedefinieerde rechten houden verband met het fundamentele recht op persoonlijke vrijheid van de mens, zoals zoals het recht op godsdienstvrijheid, op bescherming tegen arbitraire gevangenneming, en zo meer. Uiteraard geldt persoonlijke vrijheid enkel voor zover men zich binnen het wettelijke kader begeeft. Men kan zich niet op het recht op vrijheid beroepen om illegale of criminele daden te stellen.

Omdat de Koran het over slavernij heeft, ontstaat wel eens het misverstand dat Islam het recht op persoonlijke vrijheid niet zou onderschrijven. Daarom is het nodig even stil te staan bij de in de Koran en de Sunnah besproken slavernij.

Ten tijde van de prediking van Mohamed was slavernij een wijdverspreid gebruik, zowel bij Arabische stammen als bij Joden en Christenen. De Koran en de Sunnah hebben het er dan ook over, niet met de bedoeling de slavernij in te voeren, of te bestendigen, maar wel met de bedoeling de slavernij af te schaffen. Omdat het hier een diepgeworteld fenomeen betrof, kon de afschaffing ervan niet van de ene dag op de andere gebeuren, en voerden Koran en Sunnah een soort uitdovingsscenario in. De Koran bewandelde daarvoor verschillende sporen: er mochten geen nieuwe slaven meer bijgemaakt worden, vrijlating van slaven werd sterk aangemoedigd door er vergeving van zonden in het hiernamaals voor in het vooruitzicht te stellen, en in afwachting van het volledig verdwijnen van de slavernij, kregen slaven allerhande rechten en konden ze zelfs leider worden van de gemeenschap.

-- Islam moedigt vrijlating van slaven aan --

Eén van de manieren waarop de Koran de slavernij snel deed verdwijnen, was door allerlei omstandigheden te laten vergezellen van de verplichting slaven vrij te laten. Wanneer men zich niet aan zijn eed hield, moest men een slaaf vrijlaten. Wanneer men per ongeluk een gelovige doodde, moest men een slaaf vrijlaten. Wanneer een man een vrouw waar hij eerder van gescheiden was, opnieuw wilde huwen, moest hij een slaaf vrijlaten.

"... en als iemand per abuis een gelovige doodt, dan geldt de vrijlating van een gelovige slaaf ..." (Koran 4:92)

"God rekent jullie de onnadenkende uitspraken bij jullie eden niet aan, maar Hij rekent jullie aan waartoe jullie je in je eden verbinden. De verzoening ervoor is aan tien behoeftigen voedsel te geven zoals jullie gemiddeld aan je huisgenoten voedsel geven of het leden van hen of de vrijlating van een slaaf... " (Koran 5:89)

"Zie die zich dus van hun vrouwen scheiden (...) en dan terugkomen op wat zij zeggen, zijn verplicht tot vrijlating van een slaaf voordat zij elkaar aanraken." (Koran 58:3)

De Profeet greep ook allerhande omstandigheden aan, zoals een zonsverduistering, om Muslims op te dragen slaven vrij te laten:

"Ongetwijfeld beval de Profeet de mensen slaven vrij te laten ter gelegenheid van een zonsverduistering" (gemeld door Asma, in Bukhari)

Verder werd ook het vrijwillig bevrijden van slaven aangemoedigd. Er is bekend dat de gezellen van de Profeet tienduizenden slaven opkochten om hen vrij te laten.

-- Slaven krijgen rechten --

Tegelijk met maatregelen die de vrijlating van slaven in de hand werkten en die er op een periode van 40 jaar zouden voor zorgen dat slavernij zo goed als volledig verdween, kenden Koran en Sunnah slaven een aantal rechten toe, waaronder het recht op een rechtvaardige behandeling. Voorheen, was de meester van slaven zowat immuun en kon hij met z'n slaven, die geen rechten hadden, doen wat hij wou zonder risico te lopen op vervolging. Mohamed sloeg dat roer radicaal om. Hij zei:

"Hij die een slaaf doodt, zal zelf gedood worden, en hij die een slaaf verminkt, zal zelf verminkt worden." (Tirmidhi)

Slaven kregen het recht op een goede behandeling; ze kregen het recht samen met hun eigenaars te eten, en hadden recht op hun deel van het eten. Als er weinig voedsel voor handen was, moest de eigenaar van zijn part delen met zijn slaven. Mohamed zei:

"Wanneer de slaaf van iemand onder jullie voedsel voor hem bereidt en het opdient na (de last ondergaan te hebben van) dicht bij de hitte en de rook te zitten, moet hij de slaaf samen met hem doen plaatsnemen en hem laten eten (samen met hem), en als er voedsel te weinig lijkt, moet hij een deel (van zijn eigen portie) voor de slaaf voorzien. (Muslim, gemeld door Abu Hurayah)

Of ook:

"Uw slaven zijn uw broeders en God heeft hen onder uw bevel geplaatst. Dus wie een broeder onder zijn bevel heeft moet hem te eten geven van wat hij eet en hem kleden van wat hij draagt. Vraag slaven geen dingen te doen die hun macht te boven gaan, en als je het toch doet, help hen dan" (Bukhari, gemeld door Narrated Al-Ma'rur - deel van langere hadith)

Slaven kregen bovendien het recht deel te nemen aan de shura [overleg] en konden ook leider worden van de gemeenschap.

De Profeet zei: "je moet naar je leider luisteren en hem gehoorzamen, zelfs al is hij een Ethiopische slaaf wiens hoofd de kleur van een rozijn heeft." (Bukhari)

Dit betekent dat wanneer zo'n slaaf politiek leider werd, de 'meesters' de slaaf moesten gehoorzamen.

Slavernij in Koranische zin is dus helemaal niet wat men zich voorstelt bij taferelen van uitbuiting en misbruik van Afrikaanse slaven in Amerika. Maar de drastische verbetering van hun situatie was voor de Koran niet voldoende, want de Koran stuurde tegelijk aan op snelle en volledige afschaffing van de slavernij. Het is trouwens omwille van dit soort leerstellingen dat Mohamed op enorme tegenkantingen botste bij de machtige inwoners van Mekka, die in zijn sociaal-emanciperende leer een bedreiging zagen voor hun machtsposities. Uiteindelijk wilden ze Mohamed er zelfs voor doden, zodat hij met zijn gezellen de stad moest ontvluchten, richting Medina.

-- Islam verbiedt nieuwe slaven te maken --

Als derde luik van de aanpak van slavernij, verbood Mohamed vrije mensen tot slaaf te maken:

"Er zijn drie mensen tegenover wie ik zelf aanklager zal zijn op Oordeelsdag. Eén van deze drie, is hij die van een vrije man een slaaf maakt, hem dan verkoopt en dit geld opeet." (Bukhari, Ibn Majjah)

In samenhang met de combinatie van verplichte en vrijwillige maatregelen om slaven vrij te laten, leidde dit ertoe dat slavernij op een periode van 40 jaar zo goed als volledig verdween en dat een gemeenschap van vrije en voor de wet gelijke mensen ontstond.

Uit dit alles blijkt dat de Koranische benadering van slavernij het recht op persoonlijke vrijheid niet wou beknotten, maar juist de bedoeling had deze vrijheid ten volle in te voeren door de slavernij geleidelijk te laten verdwijnen. In de overgangsperiode kregen de slaven al meteen een hele reeks rechten waardoor hun situatie radicaal verbeterde tegenover hun eerdere behandeling.

1.6. Recht op bescherming tegen arbitraire opsluiting

Het recht op persoonlijke vrijheid wordt ondersteund door het recht op bescherming tegen arbitraire opsluiting. De Koran stelt dat wie een zonde begaat, daar zèlf de gevolgen voor moet dragen, niet iemand anders.

"En wie een zonde begaat, begaat die slechts ten koste van zichzelf. God is wetend en wijs." (Koran 4:111)

De Koran stelt verder:

"Niemand is belast met de last van een ander en als iemand die zwaar beladen is oproept om [mee] te dragen, dan zal toch niets van hem gedragen worden ook al betreft het een verwant. ..." (Koran 35:18)

Dit vers maakt duidelijk dat niemand veroordeeld kan worden voor de misdaden van een ander. Dit betekent ook dat niemand gevangengezet kan worden tenzij zijn of haar schuld bewezen werd voor een open rechtbank. Iedereen heeft daarbij het recht zich te verdedigen tegen beschuldigingen.

Het hele punt in de Islam is dat elke mens met een vrije wil geboren is (Islam kent geen erfzonde) en verantwoordelijk is voor zijn eigen daden. Op Oordeelsdag zal men verantwoording moeten afleggen voor alles wat men deed en naliet te doen. Daarvan zal afhangen hoe men het eeuwig leven zal doorbrengen, in de hemel of in de hel.

1.7. Recht op gelijke rechten (= recht op bescherming tegen racisme en discriminatie)

De Koran en de Sunnah leggen een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, ongeacht ras, taal, huidskleur, geslacht, nationaliteit, rijkdom, of welk criterium ook. Een paar weken voor zijn dood hield Profeet Mohamed een preek die later bekend werd als zijn afscheidsrede. Hij overliep daarin de belangrijkste aspecten van de leer die hij jarenlang verkondigd had. Hij zei onder meer:

"O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke - behalve in termen van vroomheid en goede daden". (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391, al-Silsilat al-Saheeh 2700)

Enkel God kan oordelen over de godvrucht en de goede daden van de mensen. Daarom moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen. Zelfs de meest godsvruchtigen vormen geen klasse apart. Die gelijkheid van de mensen wordt in de Koran verschillende keren beklemtoond. Zo wordt gesteld dat God dezelfde criteria zal gebruiken voor het beoordelen van alle mensen.

Het verschil in talen, godsdiensten, enz. is gewoon een teken van God.

"En tot Zijn tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de wereldbewoners." (Koran 30:22)

Volgens de Koran heeft God met die verscheidenheid willen in de hand werken dat mensen elkaar leren kennen, niet dat ze elkaar zouden bestrijden.

"O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen..." (Koran 49: 13).

Volgens een mooie Islamitische traditie zou God vóór het scheppen van Adam, Engelen over de aarde uitgestuurd hebben, met de opdracht om van de verschillende bodemkleuren, een staal mee te brengen. Al die stalen werden vermengd met water om uit de aldus ontstane klei Adam te scheppen. Dit verklaart de verschillende huidskleur van zijn afstammelingen:

"God schiep Adam van een handvol stof dat Hij van de hele aarde nam: wat rode aarde, wat witte, wat zwarte, en wat mengeling, ook zachte, ruwe, goede en slechte." (Abu Dawud, opgetekend door door Abu Musa al-Ashari)

Profeet Mohamed, stelde dat alle mensen van alle tijden zo gelijk zijn aan elkaar als de tanden van een kam.

"Waarlijk, mensen van het begin der tijden van Adam tot op vandaag zijn allemaal gelijk als de tanden van een kam, en er is geen superioriteit van een Arabier over een niet-Arabier of van de mensen met rode huidskleur over die met blanke huidskleur, behalve in godvrucht en goede daden." (Bukhari, Mustadrak-ul-Wasa'il )

Het is duidelijk dat volgens de Koran en de Sunnah alle mensen gelijk zijn voor de allerhoogste instantie, voor God. Ook mannen en vrouwen zijn elkaars gelijken. De historisch-culturele achteruitstelling die kenmerkend is voor de situatie van vrouwen in een aantal landen met overwegend Islamitische bevolking, vindt geen basis in de Koran en de Sunnah, waarin mannen en vrouwen als volledig gelijkwaardig voor God omschreven worden. In verschillende Muslimlanden zijn overigens vrouwenbewegingen actief die op grond van de Koran en de Sunnah een emancipatiebeweging voor de vrouwen op gang trekken. [9]

Discriminatie op welke grond dan ook,wordt door de Koran verboden. Wie, zoals de Farao, de mensen in groepen opdeelt en één ervan onderdrukt, wordt door de Koran als verderfelijk omschreven:

"Fir'aun had de overhand in het land en maakte de mensen ervan tot groeperingen, waarvan hij een groep onderdrukte (...); hij behoorde tot de verderfbrengers." (Koran 28:4)

Racisme, discriminatie, hoogmoed, worden door de Koran en Sunnah krachtig afgewezen en in verband gebracht met ongeloof en met Satan. Wie neerkijkt op de anderen, effent zijn weg naar de hel. [10]

De Profeet zei: wie trots in zijn hart heeft gelijk aan het gewicht van een kleine atoom, zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of het neerkijken op andere mensen. (Muslim).


1.8. Recht op rechtvaardige rechtspraak

Het Koranisch perspectief op de samenleving legt het accent op het tot stand brengen van een rechtvaardige samenleving. Muslims worden er voortdurend op gewezen dat ze rechtvaardig moeten handelen.

"Zeg: "Mijn Heer heeft bevolen rechtvaardig te zijn..." (Koran 7:29)

"God gebiedt rechtvaardig te handelen, goed te doen, en aan de verwanten giften te geven en Hij verbiedt wat gruwelijk, verwerpelijk en gewelddadig is. .." (Koran 16:90)

Deze bekommernis om rechtvaardigheid wordt doorgetrokken naar de rechtspraak. Muslims worden opgedragen rechtvaardig te zijn in hun oordeel:

"God beveelt jullie in bewaring gegeven goederen aan de rechthebbenden te overhandigen en, wanneer jullie tussen de mensen oordelen, dat jullie rechtvaardig oordelen. Hoe goed is het toch, waarmee God jullie aanspoort. God is horend en doorziend." (Koran 4:58)

Ook wanneer het eigen belang erdoor geschaad wordt, moet men rechtvaardigheid nastreven:

"Jullie die geloven! Weest standvastig in de gerechtigheid als getuigen voor God, al is het tegen jullie zelf of de ouders of de verwanten. Of het nu om een rijke of om een arme gaat, God staat hen beiden zeer na. Volgt dus niet je geneigdheid om niet rechtvaardig te zijn. Maar als jullie verdraaien of jullie afwenden, dan is God welingelicht over wat jullie doen." (Koran 4:135)

De Koran vermeldt uitdrukkelijk hoe men tegenover mensen van wie men een afkeer heeft of tegenover de vijand, rechtvaardig moet zijn. Geloven wordt hierbij omschreven als standvastigheid in het getuigen van rechtvaardigheid.

"... En laat de afkeer van bepaalde mensen, omdat zij jullie de weg naar de heilige moskee versperren, jullie er niet toe brengen overtredingen te begaan, maar staat elkaar bij in vroomheid en godvrezendheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding, maar vreest God. ..." (Koran 5:2)

"Jullie die geloven! Weest standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen." (Koran 5:8)

Klassejustitie wordt door Mohamed nadrukkelijk afgekeurd. Op een dag werd een vrouw die tot een vooraanstaande familie behoorde gearresteerd voor diefstal. Haar zaak werd aan de Profeet voorgelegd, en er werd hem aangeraden de vrouw een bestraffing voor diefstal te besparen. De Profeet wou daar echter niet van horen, en maakte duidelijk dat de vrouw haar straf niet zou ontlopen. Hij zei:

"Gemeenschappen die vóór jullie leefden werden vernietigd door God omdat ze de gewone man straften voor zijn overtredingen en hun dignitarissen ongestraft lieten voor hun misdaden."

Vooraanstaande figuren of leiders staan niet boven de wet. De grootste armoezaaier kan een leider tot de orde roepen.

Rechtvaardigheid, ook in de rechtspraak, wordt in verband gebracht met het recht op correcte informatie. De Koran gebiedt een beschuldiging niet zomaar voor waar aan te nemen, maar zich eerst goed te informeren over de ware toedracht van de zaak.

"Jullie die geloven! Als een verdorvene met een mededeling tot jullie komt, zorgt dan dat jullie duidelijke inlichtingen inwinnen, opdat jullie niet in onwetendheid mensen treffen en wroeging krijgen over wat jullie gedaan hebben." (Koran 49:6)

"En ga niet achter iets aan waarvan jij geen kennis hebt. Het horen, het zien en het hart, over al dat wordt verantwoording afgelegd." (Koran 17:36)

Men mag immers niemand opzettelijk onterecht beschuldigen.

"En wie een fout of een zonde begaat en er dan iemand die onschuldig is van beschuldigt, die heeft een lasterlijke slechtheid en een duidelijke zonde op zich geladen." (Koran 4:112)

Omgekeerd, heeft vanuit de Koran iedereen het recht zich te verdedigen tegen onrecht.

"God houdt er niet van dat openlijk over het slechte gesproken wordt, behalve als aan iemand onrecht is aangedaan. God is horend en wetend."(Koran 4:148)


1.9. Recht op bescherming van de privacy

Ook privacy is een recht in de Islam. De Koran instrueert onder meer dat men altijd eerst toestemming moet vragen alvorens ergens binnen te gaan - men mag niet zomaar iemands huis binnenlopen.

"Jullie die geloven! Gaat andere huizen dan jullie eigen huizen pas binnen als jullie gevraagd hebben of het gelegen komt en hun bewoners gegroet hebben. Dat is beter voor jullie; misschien zullen jullie je laten vermanen. En als jullie er niemand in vinden gaat er dan pas binnen als men toestemming geeft, maar als men tot jullie zegt: "Ga terug", ga dan terug. Dat is zuiverder voor jullie; God weet wat jullie doen." (Koran 24:27-28)

"Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens - sommige vermoedens zijn zonde - en spioneert niet en roddelt niet over elkaar...." (Koran 49:12)

Tot het recht op privacy behoort het briefgeheim:

"Wie zonder toestemming in de brief van zijn broeder kijkt, hij kijkt enkel in het Vuur (van de Hel) " (Abu Dawood)

In samenhang met het recht op bescherming van de privacy, wordt elkaar bespioneren, roddelen, het gebruiken van aanstootgevende scheldnamen en het belachelijk maken van anderen, zwaar afgekeurd:

"Jullie die geloven! Vermijdt vele vermoedens - sommige vermoedens zijn zonde - en spioneert niet en rodelt niet over elkaar...." (Koran 49:12)

"Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (...) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen.... " (Koran 49:11)

"Wee elke lasteraar en roddelaar..." (Koran 105:1)

Zoals zo vaak, wordt door de Koran en de Sunnah een dubbel spoor bewandeld: het onwenselijke (roddelen) wordt afgekeurd, het wenselijke (discretie) wordt beloond. Profeet Mohamed zei:

"Wanneer iemand de zwakheid van een ander in deze wereld verbergt, zal God zijn zwakheid verbergen in het hiernamaals." (Muslim)


1.10. Recht op bescherming van de eer

Profeet Mohamed legt het verschil tussen roddel en laster als volgt uit:

"Profeet Mohamed zei: "Weet jij wat achterklap is?". Ze zeiden: "God en Zijn Boodschapper weten het best." Vervolgens zei hij: "Achterklap is iets zeggen over je broeder dat hij niet graag zou hebben." Iemand vroeg hem: "Maar wat als het waar is?". De Profeet van God zei: "Als wat je zegt over hem waar is, dan roddel je over hem, maar als het niet waar is, dan heb je hem belasterd." (Muslim)

Diegenen die laster verkondigen, wordt een bestraffing (hier en in het hiernamaals) in het vooruitzicht gesteld. Daaruit blijkt hoe zwaar de Koran eraan tilt.

"Toen jullie dat [de laster] met jullie tongen overnamen, met jullie monden zeiden waarvan jullie geen kennis hebben en dachten dat het iets onbeduidends was, maar bij God was het afschuwelijk. Hadden jullie toen jullie het hoorden maar gezegd: "Het is niet aan ons hierover te spreken. U zij geprezen; dit is geweldige kwaadsprekerij." God spoort jullie aan nooit meer iets dergelijks te doen. (...) Zij die graag zouden willen dat onbetamelijkheid zich onder hen die geloven verspreidt, voor hen is er een pijnlijke bestraffing in het tegenwoordige leven en het hiernamaals." (Koran 24:15-17)

De Koran brengt laster in verband met Satan, die op die manier tweedracht onder de mensen wil zaaien.

"En zeg aan Mijn dienaren dat te zeggen wat het beste is, want de satan hitst op tot tweedracht onder hen; de satan is een verklaarde vijand van de mens." (Koran 17:53)

Muslims moeten er uiteraard alles aan doen om uit het vaarwater van Satan te blijven. Vandaar dat iemand belasteren verworpen wordt en dat Muslims voorgeschreven wordt te zwijgen tenzij ze iets goed, iets rechtschapen, te zeggen hebben.

Abu Hurayrah vertelde dat de Profeet van God zei: "Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem zeggen wat rechtschapen is, of zwijgen. Wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vriendelijk zijn voor zijn buur. En wie gelooft in God en de Laatste Dag, laat hem vrijgevig zijn voor zijn gast." (Muslim)


1.11. Recht op godsdienstvrijheid

Godsdienstvrijheid, is in de Koran niet zomaar een recht, het is de essentie van de Islam zelf. [11] Zonder godsdienstvrijheid, kan er van Islam geen sprake zijn. Het hele zingevingsmodel van de Islam is erop gebaseerd. De Koran stelt dat mensen geboren worden in een staat van harmonie, puur en vrij van zonde, met intellect en vrije wil en begiftigd met een onderscheid van goed en kwaad. Eenmaal geboren, ligt niet alleen het goede, maar ook het kwade op de loer. De zin van het leven is erg eenvoudig. Volgens de Koran, is het leven een test, om te zien hoe mensen hun vrije wil zullen aanwenden. Zullen ze het goede kiezen? Of het kwade volgen? Dat zijn keuzes die men steeds weer moet maken, op elk moment van de dag en over allerhande terreinen. Op Oordeelsdag zal men zich voor deze keuzes moeten verantwoorden. Op die manier, plaveit men gedurende het leven zelf de weg naar de hemel of de hel. Dit alles is volslagen onmogelijk, als de mens niet over de vrijheid beschikt om zich bij het inrichten van het leven al dan niet door God te laten leiden. Zonder godsdienstvrijheid, is er geen Oordeelsdag, is er geen God, en is er van Islam geen sprake. Elk beknotten of belemmeren van de godsdienstvrijheid komt neer op een negatie van God en maakt Islam onmogelijk. Godsdienstvrijheid is dan ook veel meer dan een mensenrecht, het behoort tot de diepste essentie van de Islam, zonder dewelke Islam onmogelijk is.

Het is God zelf die in de Koran de godsdienstvrijheid instelt:

"In de godsdienst is er geen dwang." (Koran, 2:256)
"Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn." (Koran 18:29)

Het is Muslims formeel verboden anderen te dwingen zich te bekeren tot de Islam.

"Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen." (Koran 88:22-23)

Trouwens, volgens de Koran kunnen ook niet-Muslims tot de hemel toegelaten worden als ze in God geloven en handelen volgens de Openbaringen van de Profeten die in hun midden gestuurd werden:

"Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)

Godsdienstvrijheid houdt niet enkel het recht in te geloven wat men wil. Het houdt ook het recht in dat niemand over dat geloof een oordeel mag vellen. Immers, volgens de Koran kan enkel God in de harten van de mensen kijken, kan enkel Hij hun intenties kennen, en kan daarom enkel Hij oordelen over geloof en ongeloof.

"Het oordeel komt alleen God toe." ( Koran 12:67)

"Hij [God] maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel." (Koran 18:26)

In afwachting van dat Godsoordeel op de Laatste Dag, moeten alle mensen elkaar als gelijken beschouwen, ongeacht geloof, huidskleur, inkomen, opleiding, functie, of wat dan ook. Het is immers God zelf die de diversiteit onder de mensen ingesteld heeft - en wat God gewild heeft, daar mag men niet tegen ingaan.

"En als jouw Heer het had gewild, hadden wie er hier op de aarde zijn allen geloofd. Wil jij dan de mensen dwingen gelovigen te worden?"

De Koran en Sunnah hechten dan ook veel belang aan het erkennen van de eigenheid van elke godsdienst. Men moet elkaars godsdienst niet willen veranderen, elkaar niet willen assimileren en elkaar niet willen imiteren. Met moet gewoon erkennen en aanvaarden dat elk zijn eigen godsdienst volgt.

"Jullie hebben jullie godsdienst en ik heb mijn godsdienst." (Koran 109:6)

De Koran stelt dat God wel zal oordelen over de verschillen tussen de godsdiensten.

"... En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dan met elkaar in goed daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren." (Koran 5:42-47)

In weerwil van wat in het Westen zo vaak gedacht wordt, schrijft Islam dus hoegenaamd niet voor anderen onder dwang te bekeren tot de Islam - integendeel, zulke praktijken zijn uitdrukkelijk verboden.

1.12. Recht op bescherming van de religieuze gevoelens

Naast het recht op godsdienstvrijheid, heeft men volgens de Koran ook recht op respect voor de religieuze gevoelens. De Koran en Sunnah schrijven Muslims voor op een voorkomende, respectvolle, geduldige, verdraagzame manier met iedereen - Muslims en niet-Muslims - om te gaan. [12] Daarbij wordt uitdrukkelijk voorgeschreven niet de spot te drijven met andere godsdiensten en hun aanhangers:

"En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen." (Koran 6:108)

Men moet de eigenheid van anderen respecteren, het geloof van anderen niet willen veranderen. Immers, God zal op Oordeelsdag de verschillen wel uitklaren:

"God zal op de opstandingsdag tussen jullie over dat waarover jullie het oneens waren oordelen". (Koran 22:69)

In het algemeen geldt dat men enkel op de beste manier met anderen moet omgaan, zodat geen wrevel, geen bitterheid, geen vijandigheid opgewekt wordt:

"En twist niet met de Mensen van het Boek behalve op de beste manier ..." (Koran 29:46)


1.13. Recht op kennisverwerving

De Koran is niet geordend volgens de volgorde van de openbaring ervan. Het volgens de tradities eerste aan Mohamed geopenbaarde vers staat in surah (hoofdstuk) 96 aan Mohamed geopenbaarde vers:

"Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen" (Koran 96:1)

Het eerste wat God Mohamed en de mensen (zowel mannen als vrouwen) in de Koran opdraagt, is levenslange studie. Volgens de Koran heeft God de mens aangesteld als vice-regent, als beheerder van de aarde. Om dat beheerschap goed te kunnen uitoefenen is kennis van de Schepping nodig (vandaar dat wetenschapsbeoefening aangemoedigd wordt). Daarnaast wordt kennis ook aanzien als een vereiste om vorm te kunnen geven aan een rechtvaardige en vreedzame samenleving. Profeet Mohamed zei:

"Het zoeken van kennis is een plicht voor elke Muslim (gemeld door Anas, Ibn Majah)

Geloof en kennisverwerving zijn in de Islam niet elkaars tegenpolen. Integendeel, de Koran leert dat kennis de mensen dichter bij God brengt:

"God wordt slechts gevreesd door de geleerden onder Zijn dienaren." (Koran 35:28)


1.14. Recht op correcte informatie

Kennisverwerving is één zaak, maar wat schiet men ermee op als de informatie die men verwerft niet klopt? De Koran kent mensen dat ook een recht op correcte informatie toe. Om dat recht te schragen, wordt Muslims onder meer opgedragen niet te liegen.

"Omkleedt de waarheid niet met onzin en verbergt haar niet; jullie weten wel beter." (Koran 2:42)

"Hij die iets gevraagd wordt dat hij weet, en het verbergt, zal op Oordeelsdag een breidel van vuur op hem geplaatst krijgen. (gemeld door Abu Hurayah, in: Abu Dawud)

Deze maatregel slaat ook op overheden. Zij moeten een open politiek voeren en correcte informatie verstrekken. Men kan zelfs stellen dat deze verplichting tot het verstrekken van correcte informatie des te meer geldt voor overheden, omdat zij door de mensen vertrouwd worden. Profeet Mohamed zei:

"De meest ernstige vorm van het schenden van vertrouwen, is het vertellen van een leugen aan een broeder terwijl hij gelooft dat je waarachtig bent in wat je zegt." (Abu Dawud)

Waarachtigheid wordt geassocieerd met geloven en effent de weg naar het Paradijs, terwijl liegen beschouwd wordt als iets dat naar de hel leidt.

De Boodschapper van God zei: "Hou jullie aan waarachtigheid want het leidt naar rechtschapenheid, en dat laatste leidt naar het Paradijs. Dus, wie waarachtigheid getrouw blijft en er ijver in toont, wordt door God als een waarlijk waarachtig mens beschouwd. En vermijdt het liegen, want dat leidt tot buitensporigheid, en buitensporigheid leidt naar de hel. Dus, wanneer iemand volhardt in het vertellen van leugens, dan beschouwt God hem als een leugenaar". (Bukhari, Muslim)

Ook oprechtheid wordt voorgeschreven:

"Jullie die geloven ! Vreest God en weest met de oprechten!" (Koran 9:119)

De Koran vestigt er de aandacht op dat voor God niets verborgen blijft, ook datgene wat men verzwijgt:

"weten zij dan niet dat God weet wat zij in het geheim en wat zij openlijk doen?" (Koran 2:77)

Liegen wordt beschouwd als een kenmerk van hypocrisie:

"De hypocriet heeft drie kenmerken: hij vertelt leugens, verbreekt zijn belofte en schendt vertrouwen" (Bukhari, Muslim)

Hypocrisie wordt in de Islam verafschuwd. Hypocrieten wordt de diepste putten van de hel toegezegd:

"De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden." (Koran 4:145)


1.15. Recht op deelname aan het politiek proces

Het beheerschap is een verantwoordelijkheid die op de schouder van elk mens rust. De Koran stelt dat de mensen hun zaken moeten regelen door onderlinge beraadslaging.

"... en die gehoor heven aan hun Heer en de salaat verrichten, wier beleid onderling beraad is en die van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben bijdragen geven ..." (Koran 42:38)

Elkeen heeft recht op deelname aan het politiek proces. De politieke implicaties van de Koran zullen in een aparte analyse verder besproken worden.

1.16. Recht op protest tegen onrecht en onderdrukking

De Koran staat afwijzend tegenover het praten over het kwade - ook al is het waar - tenzij iemand onrechtvaardig behandeld werd, want omdat hij recht heeft op rechtvaardigheid mag hij wel over het kwade spreken om zijn zaak te bepleiten en recht na te streven.

"God houdt er niet van dat openlijk over het slechte gesproken wordt, behalve als aan iemand onrecht is aangedaan. God is horend en wetend." (Koran 4:148)

Mensen hebben het recht openlijk protest te uiten wanneer zij of de gemeenschap door hun leiders onrechtmatig behandeld worden - zoals het geval is bij een tiran, bij corrupte leiders, bij een staatsgreep, en zo meer. Kalief Abu Bakr zei tijdens zijn eerste toespraak:

"Werk met mij samen als ik juist ben, maar corrigeer mij als ik een fout bega".

Een Muslim moet trouwens niet alleen een verdrukte helpen, hij moet ook de onderdrukker helpen - door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken.

"Anas meldde dat Gods Apostel zei: "Help uw broeder, ongeacht of hij verdrukker of de verdrukte is. De mensen vroegen: "O Gods Apostel! Het is goed hem te helpen als hij onderdrukte is, maar hoe moeten we hem helpen als hij een onderdrukker is?" De profeet zei "Door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken" (Bukhari)

Protesteren tegen onrecht en zich inzetten voor een rechtvaardige samenleving zijn een belangrijke vorm van Jihad die bekend staat als Jihad ahlu ath-Thulm (en neen, Jihad is geen heilige oorlog, geen oorlog om ongelovigen te dwingen zich te bekeren tot de Islam - zoiets wordt door de Koran en de Sunnah uitdrukkelijk verboden; Jihad betekent: streven om het goede, het rechtvaardige te doen, het is vertaling in woord en daad van het geloof en is in de meeste gevallen geweldloos, behalve wanneer men zich verdedigt tegen een aanval na uitputting van alle andere manieren om de aanval af te slaan). [13] Deze geweldloze vorm van Jihad heeft betrekking op elke inspanning die men levert om sociaal onrecht te lenigen en ten voordele van een rechtvaardige maatschappij. Politiek engagement behoort daar ook toe, en het terechtwijzen van een tiran wordt zelfs aanzien als de grootste vorm van Jihad, die het woord als instrument hanteert. In de Islam staan leiders niet boven de wet, en kan iedereen een leider ter verantwoording roepen.

"De Heilige Profeet zei: "De grootste jihad is het spreken van het woord van waarheid tegen een tiran." (Mishkat, Book of Rulership and Judgment, hoofdstuk 1, sectie 2)

Wie zich op die manier inzet (Jihad onderneemt) voor een rechtvaardige samenleving, mag op Gods genade hopen.

"Zij die geloven en zij die uitgeweken zijn en zich op Gods weg inspannen [{jahadoo}, jihad beoefenen], zij zijn het die op Gods barmhartigheid hopen. God is vergevend en barmhartig." (Koran 2:218)


1.17. Recht op asiel

Islam kent mensen het recht toe het land te verlaten wanneer ze er verdrukt worden. Het precedent hiervoor werd geleverd door Profeet Mohamed zelf, die Mekka verliet toen de machtigste familie van Mekka, een prijs op zijn hoofd gezet hadden omdat ze zijn sociale leer als een bedreiging ervoeren. Deze migratie van Mekka naar Medina, staat in de Islam bekend als de 'Hijrah'. Het is bij deze Hijrah, en niet bij de geboorte of de dood van Mohamed, dat de Islamitische jaartelling begint, wat het belang ervan nog onderlijnt.

Omgekeerd, heeft de Koran het ook over het opvangen van asielzoekers.

"En als een van de veelgodendienaars bij jou bescherming zoekt, geef hem dan bescherming tot hij het woord van God hoort en laat hem daarna een plaats bereiken waar hij veilig is..." (Koran 9:6)

"Het eerste huis dat voor de mensen werd neergezet is dat in Bakka [dwz. Mekka]; gezegend is het en een leidraad voor de wereldbewoners. Erin zijn duidelijke tekenen; het is de standplaats van Abraham. Wie er binnentreedt is veilig..." (Koran 3:97)

"En toen Wij het huis maakten tot een plaats van samenkomst voor de mensen en een vrijplaats ..." (Koran 2:125)


1.18. Recht op vrijheid van meningsuiting

Vanuit Islamitisch perspectief, komt vrijheid van meningsuiting in essentie neer op de vrijheid er een eigen mening over God -- en dus over alles wat Hij voorschrijft -- op na te houden, op één of andere manier in God te geloven, of helemaal niet in God te geloven. Zoals reeds eerder aan bod kwam, is het de allerhoogste instantie, God zelf, die dit recht op godsdienstvrijheid garandeert. Mensen hebben volgens de Koran en Sunnah niet enkel het recht op een eigen mening, ze hebben ook het recht deze mening te uiten. Dat wordt duidelijk in het allerprilste begin van het bestaan, wanneer Iblis (Satan), een hooghartige jinn, weigerde gevolg te geven aan het door God gegeven bevel om te buigen voor Adam : het vooronderstelt dat Iblis de vrijheid genoot zijn mening over Gods geboden effectief ook te uiten.

Omgekeerd, genieten mensen ook de vrijheid uiting te geven aan hun verlangen God wél te volgen, ook als de anderen er anders over denken. Dit blijkt uit de in de Koran geschetste omstandigheden waarin Noë zijn boodschap verkondigde:

"... Telkens als ik hen opriep, opdat U hen zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten ze zich met hun kleren en bleven ze stijfkoppig en hoogmoedig Toen riep ik hen in het openbaar op. Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen." (Koran 71:6-9)

Dit vers vestigt het recht een naar de groep toe afwijkende mening te uiten - en dat is nu juist de essentie van vrijheid van meningsuiting.

Een reeks andere rechten hangen hier nauw mee samen, zoals het recht op correcte informatie op grond waarvan men zich een mening kan vormen - anders, is men weinig gebaat met het recht op vrije meningsuiting.

Anderzijds perkt de Koran de vrijheid van meningsuiting ook in. Men kan zich bijvoorbeeld niet op dit recht beroepen om de eer of privacy van anderen te schenden, om racistische uitspraken te doen, en zo meer.

De Koran bevat ook richtlijnen voor toehoorders van mensen die zich van hun recht op vrije meningsuiting bedienen:

“Verdraag geduldig wat zij zeggen.” (Koran 20:130)

"Wanneer jij hen ziet die onze tekenen bespotten, wend je dan van hen af totdat zij op een ander gesprek overgaan..." (Koran 6:68)

Door de toehoorders verdraagzaamheid en geduld voor te schrijven, wordt een grote ruimte geschapen voor diegene die zijn mening ventileert. Toehoorders van vrije meningsuiting worden anders gezegd aangemoedigd om niet tot het uiterste te gaan om hun eigen rechten op respect van de eer en zo meer te laten gelden zodat er een open sfeer ontstaat waarin mensen kunnen zeggen wat hen op het hart ligt. De Koran wil vermijden dat mensen hypocrisie - een 'ziekte van het hart' - krijgen, waarin ze het ene zeggen, en het andere doen. Hypocrisie wordt in de Koran immers verafschuwd:

"De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden." (Koran 4:145)

De Koran verkiest dan ook dat mensen de eerlijke waarheid spreken, ook als die verschillend is van de Islamitische opvattingen, boven het bewijzen van lippendienst aan de Islam.

Alles samen leggen Koran en Sunnah een solide basis voor het recht op vrije meningsuiting. [14]

1.19. Recht op vereniging

De Koran kent de mensen het recht toe zich te verenigen, voor zover deze vereniging niet dient om onwettige zaken te doen:

"... maar staat elkaar bij in vroomheid en godvrezendheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding ..." (Koran 5:2)

Iemand die een misdaad beraamt, kan zich daardoor - uiteraard - niet beroepen op het recht om zich te verenigen met medeplichtigen. Men heeft enkel in het wettige en toegestane, het recht om zich te verenigen. Eigenlijk, heeft men op grond van dit vers niet alleen het recht om zich in het goede te verenigen, maar heeft men wanneer men het goede doet, recht op medewerking, steun, hulp van anderen.

1.20. Recht op non-coöperatie met het onwettige

Het vers dat recht op vereniging toestaat voor zover die niet onwettig is, verbiedt niet alleen samenwerking in het kwade, maar kent daarmee ook het recht toe samenwerking in het kwade te weigeren. Als er bijvoorbeeld in een vergadering een meerderheid zou gevonden worden die ingaat tegen alle andere kenmerken van het Koranisch stelsel, stelt de Koran dat de minderheid daarin niet moet meegaan, maar integendeel de principes van rechtvaardigheid en de hele leer in het vaandel moet blijven voeren.

"Laat er uit jullie een gemeenschap voortkomen [van mensen] die oproepen tot het goede, het behoorlijke gebieden en het verwerpelijke verbieden. Zij zijn het die het welgaat." (Koran 3:104)

Ook als een leider iets onwettig beveelt, heeft men het recht hem niet te gehoorzamen. Absolute gehoorzaamheid aan een leider is dus uitgesloten. Immers, ook leiders blijven onderworpen aan de wet. Gehoorzaamheid aan een leider is dan ook enkel verschuldigd in het goede. Met andere woorden, als een leider iets onwettig wil doorvoeren, heeft men het recht niet te gehoorzamen. In de hadithverzameling van Abu Dawud wordt een voorval vermeld waarin uit de groep een militaire leider aangesteld werd. De Profeet gaf de Muslims de instructie mee hun militaire leider te gehoorzamen. Op hun militaire expeditie hadden de soldaten hun militaire bevelhebber om een niet nader genoemde reden op stang gejaagd. De bevelhebber gaf hen daarop de opdracht een groot vuur te bouwen. Van zodra ze daarmee klaar waren, beval hij zijn soldaten in dat vuur te springen. Een andere variant van die hadith specificeert dat de bevelhebber naderhand zei dat hij dit als grap bedoeld had. Hoe dan ook, hij gaf zijn soldaten bevel in het vuur te springen. Zijn soldaten aarzelden, waarop de bevelhebber zei: "Heeft de Profeet jullie niet opgedragen mij te gehoorzamen?". De soldaten antwoordden echter: "We hebben bij de Profeet bescherming gevonden tegen het Hellevuur", en weigerden in het vuur te springen. Wanneer dit voorval later aan de Profeet verteld werd, zei hij:

"Als de soldaten dit bevel gevolgd zouden hebben en in het vuur zouden gestapt zijn, zouden ze er nooit meer uitgekomen zijn (d.w.z. ze zouden in de hel gebleven zijn). Gehoorzaamheid is enkel vereist in het goede en rechtvaardige." [15]

Gehoorzaamheid is enkel in het goede verplicht. Kalief Abu Bakr raakte dit onderwerp eveneens aan in zijn inaugurale rede:

"Werk met mij samen als ik juist ben, maar corrigeer mij als ik een fout bega."

In de Islam kan de grootste armoezaaier de hoogste leider tot de orde roepen. Ibn Majah and Tabrani vermelden dat een boze Bedoeïen bij de Profeet kwam en eiste dat de Profeet een schuld zou aflossen die de Profeet bij hem opgelopen had. Geschokt door zijn ruwe manier van doen, wezen de gezellen van de Profeet de man terecht : "Weet je wel tegen wie je het hebt?" De Bedoeïen antwoordde: "Ik vraag toch gewoon waar ik recht op heb!" Tot ieders verbazing, wees de Profeet zijn gezellen onmiddellijk terecht met de woorden: "Waarom kiezen jullie niet de kant van de benadeelde partij?". De Profeet deed het nodige om de schuld af te lossen, vervoegde zijn gezellen, en merkte op:

"Het is inderdaad een gezegende gemeenschap waarin de zwakken en armen hun rechten kunnen opeisen zonder schrik te moeten hebben voor represailles". [16]

Hieruit blijkt meteen dat zelfs de hoogste leiders rekenschap verschuldigd zijn aan de mensen. Ten tijde van de Kaliefen konden mensen via de rechtbank klacht neerleggen tegen de Kalief, die dan voor de rechter moest verschijnen om zich te verantwoorden voor de klachten.

Iedereen is voor de wet gelijk, ook de leiders. Protesteren tegen een onrechtvaardige leider, en non-coöperatie met een leider die het onwettige beveelt, maakt deel uit van de fundamentele rechten van de mens volgens de Koran.


1.21. Recht op vrije handel

De Koran laat handel met wederzijdse instemming toe (voor zover het gaat om handel in niet-verboden zaken).

"Jullie die geloven! Verteert niet onderling elkaars bezittingen door bedrog, behalve als het om handel met wederzijdse instemming gaat,... (Koran 4:29)

Het aanrekenen van woekerinteresten is evenwel verboden.

"... Maar God heeft de handel toegestaan en de woeker verboden..." (Koran 2:275)

Interessant is hier op te merken dat Khadija , de eerste vrouw van Profeet Mohamed, zelf een zakenvrouw was. Zij zette de handelszaak van haar vader verder na diens dood, en bouwde het bedrijf uit tot de meest succesvolle handelszaak van Mekka. Ze stuurde handelscaravanen naar Syrië en Jemen, en gebruikte haar winst onder meer om armen, wezen en zieken te helpen. Op een gegeven moment werd de toen 20-jarige Mohamed in dienst genomen als verantwoordelijke voor een verre handelsmissie. Zo leerden ze elkaar kennen, wat uiteindelijk tot een huwelijk zou leiden. Ook na haar huwelijk met Mohamed bleef de 25 jaar oudere Khadija nog een paar jaren actief als zakenvrouw.

1.22. Recht op werk

De Koran stelt:

"Jullie die geloven: Wanneer jullie tot de salaat op de vrijdag [als de dag van de samenkomst] worden opgeroepen, haast jullie dan om God te gedenken en laat het zakendoen (...) En wanneer de salaat beëindigd is, gaat dan weer uit elkaar het land in, en gedenk God veel... (Koran 62:9-10)

Muslims krijgen hier de opdracht niet meer tijd dan nodig te spenderen aan de samenkomst en het gebed in de moskee, en daarna hun werkzaamheden verder te zetten om in hun levensonderhoud te voorzien. Iedereen heeft recht op werk

"En Hij is het die de aarde voor jullie handelbaar gemaakt heeft. Wandelt dus over haar rug en eet van het levensonderhoud dat Hij geeft..." (Koran 67:15)

Bovendien heeft iedereen recht op hetzelfde loon voor hetzelfde werk.

"... Aan mannen is toegewezen wat zij verdienen, en aan vrouwen is toegewezen wat zij verdienen..." (Koran 4:32) [17]

Het is niet onbelangrijk hier aan te stippen dat mannen en vrouwen vanuit de Islam voor gelijk werk, recht hebben op gelijk loon. Zoals reeds elders gesteld hebben vrouwen ook het recht in eigen naam handel te drijven, hebben zij recht om te erven, kan binnen het huwelijk de man niet aan het bezit van zijn vrouw, enz.

In verschillende Muslimlanden zijn tal van vrouwenbewegingen actief die op grond van teksten uit de Koran en Sunnah een emancipatiegolf op gang trekken om de nadelige situatie recht te zetten van vrouwen die om historisch-culturele redenen achtergesteld geraakten. Deze vrouwen gebruiken verzen uit de Koran en uitspraken en handelingen van Profeet Mohamed om op te komen voor gelijke rechten voor de vrouw. Dit gaat soms zelfs naar Westerse maatstaven behoorlijk ver. Zo voerden vrouwen in Iran een campagne om ook voor huishoudelijk werk een loon te krijgen. Zij haalden daarvoor argumenten aan uit de Koran en Sunnah. Dit resulteerde in 1991 in een wet, op grond waarvan een man die van zijn vrouw scheidt, haar eerst haar loon moet uitbetalen voor het huishoudelijk werk dat zij deed. [18]

Vrouwen die uit werken gaan, mogen wat zij verdienen volledig voor zichzelf houden en moeten er niets van spenderen voor huishoudelijke kosten, noch voor het onderhoud van henzelf of hun kinderen. In de Islam heeft de man immers de taak van kostwinner - ook als zijn vrouw uit werken gaat en geld verdient, moet hij vrouw en kinderen onderhouden (kledij, woonst, medische kosten, voeding enz.). Al is het een vrouw natuurlijk niet verboden vrijwillig een deel van haar loon bij te dragen tot de gezinskosten, maar zij is dat niet verplicht.

1.23. Recht op minimale levensstandaard

Aan de basis van de Islam ligt de gedachte dat alles God toebehoort - niets is echt eigendom van de mens, mensen krijgen het als het ware enkel in gedelegeerd, tijdelijk bezit. God voorziet levensonderhoud voor alle mensen en dieren.

"En er is geen dier op aarde of God zorgt voor zijn levensonderhoud en Hij kent zijn verblijfplaats en zijn bewaarplaats" (Koran 11:6)

Vermits elk levend wezen één van Gods schepselen is, heeft elk levend wezen - mens én dier - recht op zijn deel van deze goddelijke voorzieningen, van de natuurlijke rijkdommen (gezond voedsel, gezond water, gezonde lucht,...). Mensen moeten de natuurlijke rijkdommen met de dieren en met elkaar delen. [19] De Koran noemt het aandeel van de arme in de rijkdom van de rijke, een "rechtmatig" aandeel.

"en een rechtmatig aandeel in hun bezittingen [van de godvrezenden] was voor de bedelaar en de onbemiddelde." (Koran 51:19)

Elke arme die de rijkeren om hulp vraagt, heeft recht op hulp. Omgekeerd, is elke rijke verplicht te delen met de armen. Zakaat - een soort van verplichte liefdadigheid - is één van de pijlers van de Islam, naast geloof, vasten, gebed, en hajj (bedevaart). Zakaat behoort tot de kern van het Islamitisch denken en handelen. Het wordt beschouwd als een manier waarop de rijken hun bezit kunnen zuiveren, als het ware, een manier om zich eraan te herinnen dat niets de mens zelf toebehoort maar alles van God is zodat men verplicht is de eigen overvloed te delen met diegenen die minder hebben. Islam voert met andere woorden een sociale correctie in op het economisch gebeuren, waarbij een deel van de rijkdom van de rijken verplicht terugvloeit naar de armen. Zakaat wordt, ruw gesteld, berekend als een bepaald percentage op het bezit, en moet jaarlijks betaald worden aan het einde van de vastenmaand Ramadan. Naast de verplichte liefdadigheid, wordt ook vrijwillige liefdadigheid sterk aangemoedigd. Zoals steeds zal op Oordeelsdag de intentie voor het gedrag de doorslag geven. Wanneer men aan vrijwillige liefdadigheid doet om op te scheppen, maakt dit de liefdadigheid in de ogen van God waardeloos. Immers, wanneer men echt de intentie heeft te helpen, hoeft niemand op de hoogte te zijn van de liefdadige werken die men doet:

"Jullie die geloven! Maakt jullie aalmoezen niet waardeloos door gepoch en ergernis zoals hij die zijn bezit weggeeft om door de mensen gezien te worden ..." (Koran 2:264)

Profeet Mohamed zei:

"Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige" (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)

Een welstellende Muslim moet met andere woorden van zijn rijkdom delen met zijn buren (ook als dat niet-Muslims zijn). Doet hij dat niet, dan effent hij zijn eigen pad naar de hel.

Vermits ook dieren recht hebben op water, voedsel, onderdak, enz. strekt verplichte en vrijwillige liefdadigheid, waarmee het bezit herverdeeld wordt zodat iedereen voldoende heeft om van te leven, zich uit tot de dieren.

De Profeet werd gevraagd of liefdadigheid zelfs tot de dieren, beloond werd door God. Hij antwoordde: "ja, er is beloning voor daden van liefdadigheid tegenover elk levend wezen." (Gemeld door Abu Huraira. Bukhari, Muslim)



2. Doel: een goed leven in een rechtvaardige samenleving

Op maatschappelijk vlak heeft de Koran als hoofdbedoeling een rechtvaardige samenleving tot stand te brengen.

"Wij hebben onze gezanten met de duidelijke bewijzen gezonden en Wij hebben het boek en de weegschaal met hen neergezonden, opdat de mensen de rechtvaardigheid in stand zouden houden..." (Koran 57:25)

Rechtvaardigheid wordt nagestreefd door een wisselwerking van aanmoedigen en ontraden, van gebieden en verbieden. Het recht op bescherming van de eer, is het gevolg van het voorschrift dat men niet mag roddelen. Het recht op een minimale levensstandaard is het gevolg van de verplichting van het betalen van zakaat.

"... jullie gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke..." (Koran 3:110)

Het hele stelsel leidt tot de omschrijving van een aantal fundamentele rechten die, zo blijkt uit bovenstaande analyse, zeer nauw aansluiten bij de universele mensenrechten.

Daarenboven, betracht de Koran dit ideaal van een rechtvaardige samenleving waarin mensenrechten gerespecteerd worden, niet enkel langs wettelijke weg tot stand te brengen, maar ook en bovenal door de mensen op een hoger niveau te tillen. Muslims wordt voorgeschreven een leven lang aan een persoonlijk groeiproces te werken dat moet leiden naar een ideaal van een 'Islamitische Persoonlijkheid' die omschreven wordt als rechtvaardig, geduldig, tolerant, betrouwbaar, discreet en dergelijke meer. Dit hangt samen met het Koranisch psycho-spiritueel zingevingsproces. [20] Volgens de Koran legt de ziel voor ze geboren wordt in een lichaam, een gelofte af aan God waarbij ze God als haar Heer erkent. De ziel daalt neer in de foetus en een kind wordt geboren, zuiver, puur, vrij van enige zonde (de Islam kent geen erfzonde), in een toestand van paradijselijke harmonie. Sommige geleerden zeggen dat de gelukzalige blik op oneindig van een pasgeboren kind de herinnering van het paradijs nog in zich draagt. Om aan het leven te beginnen, wordt de mens door God begiftigd met intellect, vrije wil, en een vermogen om goed en kwaad van elkaar te onderscheiden (op grond van het primordiaal erkennen van God).

Het leven zelf wordt beschouwd als een test. Men wordt voortdurend geconfronteerd met allerhande situaties waarin men moet kiezen het goede of het kwade te doen. Naarmate men het kwade doet, dekt men de innerlijke paradijselijke toestand steeds verder toe en geraakt men verstrikt in agressie, hebzucht, en zo meer. De Koran nu, draagt de mensen op zichzelf te bevrijden van de greep van het lagere zelf dat neigt naar het kwade, en de persoonlijkheid zodanig te transformeren dat men die primordiale innerlijke paradijselijke toestand beetje bij beetje opnieuw kan blootleggen. In dat hele proces, moet het tot het kwade aanzettende lagere zelf onderworpen en overwonnen worden, om uiteindelijk te komen tot een volledige overgave aan God via een leven dat zich laat leiden door de Goddelijke leidraad van wat goed en kwaad is en daarbij enkel nog het goede doet. Het gaat dan ook in wezen om het ontwikkelen van een morele, normen- en waardegebonden persoonlijkheid, die zich laat omschrijven in termen van geduld, tolerantie, integriteit, rechtvaardigheid, hulpvaardigheid, en zo meer. Al doende, doet men precies datgene waarmee men de kansen vergroot dat men in het hiernamaals ook in het Paradijs zal terechtkomen. Sommige geleerden stellen dat mensen die tijdens hun leven hun ziel, hun zelf, op orde gekregen hebben, een rustige dood sterven - juist omdat ze innerlijk al zo dicht bij het Paradijs staan, terwijl mensen bij wie dat niet het geval is een harde doodstrijd doormaken. Hoe dan ook, bij de dood sterft alleen het lichaam af. De spirituele kern van het bestaan, de ziel, overleeft de dood. Eenmaal de dood voorbij, beginnen de Engelen al aan de ondervraging van de ziel. Op Oordeelsdag, zal dan geoordeeld worden over hoe men de vrije wil op aarde heeft aangewend en zal men de eeuwigheid van het hiernamaals in het Paradijs of in de hel doorbrengen.

Het werk om de persoonlijkheid om te vormen tot het ideaal, is voor elke Muslim een levenslange opdracht. Die hele transformatiegedachte komt niet alleen het individu ten goede maar heeft ook een belangrijke maatschappelijke implicatie want niet alleen het individu is gebaat bij de persoonlijke transformatie, de samenleving vaart er ook wel bij. Omgekeerd, moet de maatschappij ruimte scheppen die die transformatie ondersteunt. Op die manier wil de Islam een ideale maatschappij tot stand brengen die rechtvaardig is en waarin men een goed leven kan hebben. De rechtvaardige samenleving moet dan ook vooral het resultaat zijn van een transformatieproces van de mensen zelf, eerder dan van opgelegde wetten al zijn die er natuurlijk wel nodig.

In het verlengde hiervan ligt volgend vers:

"Vroomheid is niet dat jullie je gezicht naar het oosten en het westen wendt, maar vroom is wie gelooft in God, in de laatste dag, in de engelen, in het boek en in de profeten en wie zijn bezit, hoe lief hij dat ook heeft, geeft aan de verwanten, de wezen, de behoeftigen, aan hem die onderweg is, aan de bedelaars en voor de (vrijkoop van) de slaven, en wie de salaat [gebed] verricht en de zakaaat [verplichte liefdadigheid] geeft en wie hun verbintenis nakomen en wie volhardend zijn in tegenspoed en rampspoed en ten tijde van strijd. Zij zijn het die oprecht zijn en dat zijn de godvrezenden." (Koran 2:177)

Hieruit blijkt eens te meer het ideaal dat de Koran betracht, erin bestaat een rechtschapen mensen voort te brengen. De klemtoon ligt niet op dogma's maar op goede daden - er wordt zelfs uitdrukkelijk erkend dat er meerdere wegen mogelijk zijn om tot God te komen. Belangrijk is dat men op de eigen weg, oprecht, waarachtig en rechtvaardig handelt.


Besluit

De Koran en de Sunnah - de basisbronnen van de Islam - zijn voor veel mensen in het Westen, onbekend terrein. Het beeld dat men van de Islam heeft, is dan ook niet gebaseerd op waar de Islamitische leer voor staat, maar bijvoorbeeld op berichten in de pers over acties van kleine groepjes extremisten die - juist omwille van hun (ook naar Islamitische maatstaven) extreem gedrag - de pers halen. [21] Over de stille meerderheid, die niets spectaculairs doet, wordt zelden of nooit bericht. Net zoals onze kranten niet berichten over de miljoenen Belgen die bijvoorbeeld geen diefstal plegen maar over de uitzonderingen die dat wel doen. Daarnaast wordt de politieke en wettelijke situatie in landen met een Muslimmeerderheid vaak - en verkeerdelijk - geïnterpreteerd als "typisch voor de Islam". De wetgeving in zulke landen is in werkelijkheid veelal een samenraapsel van elementen uit de koloniale tijd, plaatselijke gebruiken, elementen van het westers burgerlijk recht en eventueel een aantal Islamitische elementen. De praktijksituatie aldaar - ook als het over mensenrechten gaat - leert ons dan ook weinig of niets over de Koranische Boodschap.

Wil men weten wat de Islam zegt over Mensenrechten, dan moet men te rade gaan bij de basisbronnen van de Islamitische leer zelf - bij de Koran en de Sunnah. En uit bovenstaande analyse blijkt dat de rechten die in het Koranisch stelsel ontwikkeld worden, zeer nauw aanleunen bij de Universele Rechten van de Mens. De uitspraak dat Muslims zich in het Westen niet kunnen inpassen omdat hun leer de mensenrechten niet respecteert, is dan ook onterecht en wordt tegengesproken door de Koran en de Sunnah. Integendeel, doordat ze nauw aansluiten bij de door Europese landen onderschreven Universele Mensenrechten, kunnen de mensenrechten die in de Koran aan bod komen, als een hefboom werken voor de integratie van Muslims in Europa.

___________________________

 

NOTEN:

  1. 'Human Rights in Islam', http://www.islam101.com/rights/index.htm - [Up]

  2. 'Fundamental Human Rights in Islam', http://www.storyofpakistan.com/contribute.asp?artid=C047&Pg=1 - [Up]

  3. 'Universal Islamic Declaration of Human Rights', http://www.alhewar.com/ISLAMDECL.html - [Up]

  4. Zie: 'Jihad, geloof in woord en daad', op deze site - [Up]

  5. Zie: 'Omgaan met niet-Muslims' op deze site - [Up]

  6. Zie: 'Dierenrechten in de Islam' op deze site - [Up]

  7. Zie: 'Koranische Psychologie', deze site - [Up]

  8. Zie: 'Staan mannen boven vrouwen?' deze site - [Up]

  9. Zie: 'Staan mannen boven vrouwen?' deze site - [Up]

  10. Zie: 'Racisme, een grendel op de hemelpoort' deze site - [Up]

  11. Zie: 'Godsdienstvrijheid in de Islam' deze site - [Up]

  12. Zie: 'Omgaan met niet-Muslims' deze site - [Up]

  13. Zie: 'Jihad, geloof in woord en daad' deze site - [Up]

  14. Zie: 'Vrijheid van meningsuiting volgens de Koran deze site - [Up]

  15. 'Traditions of Obedience in Islamic Law', Khaled Abou El Fadl, http://www.fathom.com/feature/122394/ - [Up]

  16. 'Justice in the Embrace of Wisdom and Compassion', Shaykh Seraj Hendricks, http://mysite.mweb.co.za/residents/mfj1/justice_in_the_embrace_of_wisdom.htm - [Up]

  17. Voor dit vers werd gekozen voor een Nederlandse vertaling van de Engelse Koraninterpretatie door Yusuf Ali. Andere verzen komen uit de Nederlandse Koraninterpretatie van Fred Leemhuis. - [Up]

  18. 'Women Laws Initiatives In The Muslim World', Dec. 11-15, 1994. Lahore, Pakistan. p. 40., geciteerd in 'Women in Society: Economic Rights', Muslim Women's League, klik hier! - [Up]

  19. Zie: 'Dierenrechten in de Islam' op deze site - [Up]

  20. Zie: 'Koranische Psychologie' op deze site - [Up]

  21. Zie: 'Extremisme en de Gemeenschap van de Middenweg' op deze site - [Up]

© Linda Bogaert, 2005.
PS
De (Nederlandstalige) Koran-citaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013