KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

"Liefde is mijn Fundament"

(Uitspraak van Profeet Mohamed)

"Jullie zullen nooit het Paradijs bereiken tot wanneer jullie gelovigen worden,
en jullie zullen nooit gelovigen worden tot wanneer jullie van elkaar houden.
Zal ik jullie leiden naar iets dat ervoor zal zorgen dat jullie van elkaar houden?
Verspreid groeten van vrede onder elkaar.”

(Uitspraak van Profeet Mohamed)


    .. Inleiding
    1. Liefde van God

      1.1. Schepping geworteld in de liefde
      1.2. Vergelijking met ouderlijke liefde
      1.3. De Erbarmer, de Barmhartige (Al Rahman, Al Rahim) : de Koran als 'boek van liefde'
      1.4. Wudda en hubb: liefde als basis voor moraliteit
      1.5. De Vergever (Al Ghafoor, Al 'Afuww)
      1.6. De Rechtvaardige
      1.7. Geen erfzonde
      1.8. Godsdienstvrijheid
      1.9. Profeetschap en openbaringen als ultieme liefde van God voor de mens

    2. Liefde voor God

      2.1. Houden van God en Zijn Profe(e)t(en)
      2.2. Gehoorzaamheid
      2.3. Overgave
      2.4. Verheerlijken van God
      2.5. Vrijheid
      2.6. Godvrezendheid
      2.7. 'Abd-Allah: geen slaaf van God maar wegenwerker
      2.8. Dhikr: gedenken van God leidt tot vrede

    3. Liefde omwille van God

      3.1. Liefde en onmin omwille van God
      3.2. Naastenliefde
      3.3. Liefdadigheid

    .. Nawoord

    Noten




Inleiding

Goddelijke liefde is in de gedachten van velen iets dat exclusief met het christendom geassocieerd wordt. Islam, daarentegen, gaat dat niet over een meedogenloze, schrikwekkende God aan wie mensen zich slaafs moeten onderwerpen? In deze tekst zal blijken hoe liefde in de islam, net als in alle grote wereldgodsdiensten, een ontzettend belangrijke rol speelt. Profeet Mohamed, laatste profeet van de islam, zei "liefde is mijn fundament". Islam is in essentie een godsdienst van liefde. Een tekst dus over de liefde - liefde van, voor en omwille van God.
 



1. Liefde van God

1.1. Schepping geworteld in de liefde

In de islam is er geen gepersonifieerd godsconcept. God is uniek, niets of niemand is aan Hem gelijkwaardig. Hij is niet mens geworden, heeft geen zoon, geen dochter, geen vader, geen moeder. God is geen man, God is geen vrouw. God is God, volkomen uniek.

« Zeg: "Hij is God, als enige. God de bestendige. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt en niet één is aan Hem gelijkwaardig." » (Koran 112:1-4) [1]

Allah, het Arabisch woord voor God, is het enige Arabisch woord dat noch mannelijk noch vrouwelijk is, het kent ook geen meervoudsvorm. De uniciteit van God zit daarmee in het Arabisch - de taal waarin de Koran geopenbaard werd - ingebouwd.

Dat er in de islam geen 'mensgeworden' God of Zoon van God bestaat (Jezus wordt beschouwd als profeet van God) betekent dat men zich God niet kan voorstellen. Elke poging om over God te praten, zal slechts een weergave in menselijke termen zijn en zal daarom ontoereikend zijn. Dat neemt niet weg dat volgens de islam, God wil dat we over Hem nadenken. Hij reikt verschillende middelen aan om Hem te leren kennen: wie naar de schepping kijkt, zal daarin de tekenen van God zien; wie de openbaringen aan profeten bestudeert, zal God beter leren kennen; wie zijn hart zuivert, zal dichter bij God komen.

De Koran leert ons dat God geen noden heeft:

« O mensen, jullie zijn het die behoefte aan God hebben, maar God, Hij is de behoefteloze, de lofwaardige. » (Koran 35:15)

Toch heeft Hij een schepping gemaakt. Waarom? Volgens de hadithverzameling van Bukhari kwam een tot de Islam bekeerde stam op een dag bij Mohamed om over de schepping te praten. Mohamed vertelde: “In het begin was er God, en Hij schiep de Troon.” Op dat moment, kwam iemand de man die later deze hadith zou melden waarschuwen dat zijn kameel weggelopen was. Dus ging die persoon zijn kameel zoeken. Wanneer hij dit voorval later meldde aan diegenen die de uitspraken van Mohamed optekenden, zei hij dat hij wou dat hij gebleven was om het hele relaas te horen. [2] Moraal van het verhaal: we weten niet waarom God overgegaan is tot het schepping en het heeft ook geen zin zich daarover vragen te stellen want we kunnen het antwoord niet weten. We kunnen Gods motieven niet doorgronden, tenzij Hij ze ons zelf zou meegedeeld hebben. Volgens Sufis heeft God ons wel een aanwijzing gegeven. En hoewel voor de rest van deze tekst niet meer op Sufisme zal ingegaan worden, is het zinvol hier even hun kijk op de zaak aan te halen. Zij verwijzen graag naar een hadith qudsî (een 'gewone' hadith is een uitspraak van Profeet Mohamed, een hadith 'qudsî' wordt beschouwd als een uitspraak van God zelf; het is een hadith met een keten die tot aan God teruggaat) en hoewel het niet helemaal zeker is dat deze hadith authentiek is, wordt door geleerden gesteld dat de betekenis ervan wel correct is. [3] In het Engels luidt de uitspraak als volgt:

« I was a hidden treasure that loved to be known, so I created creation so that I could be known. »

In het Arabisch wordt hier een vervoegde vorm van 'habba' gebruikt (waar ook 'hub' van afgeleid is), wat zoveel betekent als liefhebben, en liefde betonen, alsook liefde in iemand evoceren. Het staat eveneens voor iets dat men graag wil, wenst of verkiest, maar telkens vanuit die liefhebbende grondgedachte. Dat maakt het een moeilijk te vertalen gegeven.

« Ik was een verborgen schat die ---- gekend te worden, dus schiep Ik de schepping zodat Ik gekend kon worden. »

"Verlangde" is geen geschikte vertaling, omdat het aan een behoefte doet denken terwijl God geen behoeften heeft. In een vertaling met "die gaarne gekend wou worden" komt het aspect van de goddelijke wilsbeschikking tot uiting, maar gaat de hele onderliggende liefdesgedachte verloren terwijl dat juist de essentie van de zaak is. Want hoewel we niet weten waarom God overgegaan is tot het scheppen, zou Gods daad van schepping blijkens deze uitdrukking geworteld zijn in Gods liefde die vanuit de taal waarin de uitspraak geopenbaard werd meteen een wederkerigheid impliceert vermits hub ook slaat op het evoceren van liefde in de ander. De uitspraak koppelt die geëvoceerde liefde aan het kennen van God (God wou gekend te worden) en drukt daarmee meteen uit dat godsbewustzijn in de islam een centrale rol speelt in de relatie tussen gelovige en God.

Wat in het bijzonder het scheppen van de mens betreft, verduidelijkt de Koran dat God de mensen schiep om het regentschap van de aarde waar te nemen:

« ...Wij hebben jou aangesteld als vice-regent ... » (Koran 38:26)

Daarbij is het zo dat de islam antropocentrisme verwerpt.

« De schepping van de hemel en van de aarde is groter dan de schepping van de mens, maar de meeste mensen weten het niet. » (Koran 40:57)

De mens is geen soort boven de soorten, maar slechts een soort tussen de soorten. De mens draagt door het vice-regentschap wel verantwoordelijkheid voor de schepping, met inbegrip van de dieren. De islam kent dan ook een uitgebreid stelsel van dierenrechten. [4]. Op Oordeelsdag zal men niet enkel afgerekend worden op hoe men zich gedroeg ten aanzien van andere mensen maar ook op de manier waarop men dieren behandelde en op de manier waarop men omsprong met het milieu: verkwanselde en vervuilde men de natuurlijke rijkdommen of ging men er zorgzaam mee om en bewaarde men ze in puurheid en schoonheid voor de volgende generaties? Diende men God door Zijn schepping in stand te houden of diende men met Satan door ze te vernielen?


1.2. Vergelijking met ouderlijke liefde

Zoals gezegd is er in de islam geen mens-geworden God. God heeft geen vader, Hij heeft geen zoon, geen moeder, geen dochter. Er is enerzijds de unieke God (noch mannelijk, noch vrouwelijk), anderzijds zijn er de mensen die elkaar allemaal als gelijken moeten beschouwen. De relatie tussen God en mens heeft verschillende dimensies. Zo doet de manier waarop God zich tot de mensen verhoudt denken aan ouderlijke liefde en zorgzaamheid. In een poging om aan de mensen uit te leggen dat de liefde van God veel groter is dan de sterkste liefdesband die mensen bekend is, en daarom het menselijk bevattingsvermogen ver overstijgt, zei Profeet Mohamed:

« De liefde van God voor Zijn schepselen is 100 keer en meer groter dan die van een moeder voor haar kind. »

Ook op andere manieren wordt een verband gelegd met ouderlijke liefde. God wordt Al Rabb genoemd – opnieuw een moeilijk te vertalen woord. In een passage die verduidelijkt hoe muslims zich moeten gedragen tegenover hun ouders, wordt het woord rabb gebruikt in de zin van de zorgen die een kind van zijn ouders ontvangt:

« En jouw Heer heeft bepaald dat jullie alleen Hem zullen dienen en dat men goed moet zijn voor de ouders; of nu een van tweeën of allebei bij jou de ouderdom bereiken, zeg dan niet "Foei" tegen hen, bejegen hen niet onheus en spreek op een hoffelijke manier tot hen. En wees uit barmhartigheid voor hen nederig en ontvankelijk en zeg: "Mijn Heer, erbarm U over hen, zoals zij mij grootbrachten toen ik klein was [kama rabbayanee sagheeran]." » (Koran 17:23-24)

God heeft de mensen in het bestaan gebracht, maar laat hen niet aan hun lot over en stelt hen, zoals een ouder dat zou doen maar dan zoveel keer meer, alles ter beschikking om te voldoen aan al hun noden. God wordt daarom ook Al Razzaq, De Voorziener, De Schenker van Onderhoud, genoemd.

« God is de voorziener die sterke kracht heeft. » (Koran 51:58)


1.3. De Erbarmer, de Barmhartige (Al Rahman, Al Rahim): de Koran als 'boek van liefde'

De Voorziener is niet de enige 'mooie naam' van God. De Koran vermeldt er tientallen. Zo begint op één na elk hoofdstuk van de Koran met de woorden "Bismillah al Rahman al Rahim" (In de Naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige). Het is een uitdrukking met erg veel diepgang. Muslims spreken deze woorden uit bij tal van gelegenheden – men zal bijvoorbeeld vaak een spreker zijn toespraak men deze woorden horen beginnen [voor een kalligrafische expressie ervan, zie op deze site]. Wat is de betekenis ervan?

  • Bismillah
    - 'bi' is een voorvoegsel: met, voor, enz. ;
    - 'ism' betekent "naam";
    - 'Allah', is het Arabisch woord voor de unieke God. Het woord is uniek in de Arabische taal. Het is noch mannelijk, noch vrouwelijk, en kent geen meervoudsvorm.
    'Bismillah' houdt met andere woorden op zich reeds een verheerlijking in van de ene, unieke God, de Allerhoogste aan wie niets of niemand gelijkwaardig is.

  • Al Rahman (de Erbarmer, Genadevolle) verwijst naar de eindeloze liefdevolle genade die God voortdurend aan al zijn schepselen schenkt, zonder dat ze er ook maar iets moeten voor doen, geheel onafhankelijk van hun daden, dus ook als ze Zijn genade niet verdienen. Ook als God mensen straft voor hun zonden en misstappen, kunnen ze nog altijd rekenen op deze rahmah, op deze liefdevolle genade van God. De Koran leert:

    « Met Mijn bestraffing tref Ik wie Ik wil en Mijn barmhartigheid omvat alles. » (Koran 7:156).

    « Zij die de troon dragen en eromheen staan prijzen de lof van hun heer en geloven in Hem. En zij vragen om vergeving voor hen die geloven: "Onze Heer, U omvat alles in barmhartigheid en kennis. Vergeef dan hun die berouw tonen en Uw weg volgen en behoed hen voor de bestraffing van het hellevuur". » (Koran 40:7)

  • Al Rahim (de Barmhartige) heeft betrekking op het medelijden dat God schenkt aan de gelovigen die door hun daden Zijn genade verdienen. Al Rahim slaat tevens op de genade die God de gelovigen zal schenken in het hiernamaals. Het heeft ook betrekking op de vergeving die God schenkt aan gelovigen die berouw tonen. Een hadith verduidelijkt dat, wanneer er alles samen 100 eenheden liefdevolle genade bestaan, God 1 eenheid genade over het hele universum verdeeld heeft - dat is de genade en liefde die mensen voor elkaar voelen, de genade tussen mensen en dieren, tussen dieren onderling. De andere 99 eenheden genade zitten bij God, om op Oordeelsdag aan de gelovigen toe te kennen. De genade en liefde van God overstijgen dan ook ver het menselijk bevattingsvermogen:

    « Abu Hurayra meldt dat de Boodschapper van God zei: "God de Allerhoogste heeft honderd porties genade. Hij zond slechts één portie naar het universum en verdeelde het over gans zijn Schepping. Het gevoel van genade en medeleven dat Zijn schepselen voor elkaar voelen, komt uit dat ene deel. De andere 99 delen, heeft Hij bewaard voor op Oordeelsdag wanneer Hij ze zal toebedelen aan de gelovigen." »

De uitdrukking "Bismillah al Rahman Al Rahim" geeft anders gezegd uiting aan de volledige islamitisch levensvisie. Eerst en vooral gedenkt men de uniciteit van God zonder wie niets zou bestaan. Vervolgens, roept men God aan in zijn kenmerk van Al Rahman, een attribuut dat refereert aan Gods veelvuldige goedheid voor alle mensen, altijd en overal. Men eindigt met het gedenken van Gods genade voor diegenen die Hem verheerlijken en om leiding, hulp of vergiffenis vragen. Het is een uitdrukking die in zich een vraag meedraagt tot bescherming tegen het kwade en tot vergiffenis wanneer men er toch aan ten prooi zou vallen. Het is een uitdrukking die daarom warmte, hoop en geborgenheid in zich draagt. Het is met het evoceren van deze hele grondgedachte dat op één na elk hoofdstuk van de Koran begint. Gedragen door een zo krachtige boodschap van liefdevolle genade en barmhartigheid, kan de Koran dan ook moeilijk iets anders dan een boek van liefde genoemd worden. Deze uitdrukking van liefdevolle genade, barmhartigheid en hoop, vormt het kader waarbinnen de hele koranische Boodschap gedefinieerd wordt. Elk vers, wat er ook de individuele betekenis van is, krijgt pas zijn volledige draagkracht binnen dit kader. Wanneer men een Koran openslaat, zijn de woorden "Bismillah Al Rahman Al Rahim" ook de eerste woorden die men ziet. Hiermee wordt meteen de relatie tussen de lezer van het boek, en de Auteur ervan, duidelijk gesteld - het is een relatie die vanaf het eerste vers waarmee men in aanraking komt, gedefinieerd wordt in de liefde. Het is binnen deze relatie, dat de lezer al hetgeen in dit boek vermeld wordt, moet plaatsen, ook de bestraffende verzen. Want wanneer bijvoorbeeld een ouder een kind straft door het een week huisarrest te geven, besluit men daar dan uit dat het om een tirannieke, liefdeloze ouder gaat die wil dat het kind zich slaafs aan de ouder onderwerpt? Neen, want het straffen kadert in een liefde van de ouder voor het kind die met het kind het beste voorheeft. Op gelijkaardige manier, staan de bestraffende verzen in de Koran niet op zich, maar vormen zij onderdeel van het grotere perspectief van de liefde, genade en barmhartigheid van God voor Zijn schepping.


1.4. Wudda en hubb:
liefde als basis voor moraliteit

In de bespreking van "Bismillah Al Rahman Al Rahim" kwam reeds aan bod dat de Koran twee vormen van goddelijke liefde onderscheidt: een vorm voor iedereen, ongeacht of men die liefde waardig is of niet (dit komt tot onder meer tot uiting in het attribuut Al Rahman), en een liefde voor de gelovigen, in het bijzonder in het hiernamaals waar zij met Gods speciale liefde omringd zullen worden (Al Rahim). De Koran omvat nog meer nuances van speciale liefde die niet alleen in het hiernamaals maar ook in het huidige leven gereserveerd worden voor de gelovigen en voor mensen die het goede doen. Zo zijn er onder meer de liefdesnuances 'wudda' en 'hubb'.

  • Wudda

    De variant van goddelijke liefde die men 'wudda' noemt, ontvangt men blijkens onderstaand vers wanneer men gelooft en goede daden doet.

    « Zij die geloven en de deugdelijke daden doen, aan hen zal de Erbarmer [Rahman] liefde [wudda] doen toekomen. » (Koran 19:96)

    Hiermee wordt meteen duidelijk dat geloven niet volstaat. Men moet er ook naar handelen. Het is deze bijzondere liefde die aanleiding geeft voor een andere mooie naam van God, met name Al Wadud. Deze naam is gebouwd rond de Arabische wortel {w-d-d} (liefhebben, met tederheid bejegenen) en wordt vertaald als De Liefhebbende, De Bron van alle liefde, De Liefdevolle.

    « Vraagt jullie Heer om vergeving en wendt jullie dan berouwvol tot Hem; mijn Heer is barmhartig en liefdevol. » (Koran 11:90)

    Merk op dat daar waar het christendom stelt dat God liefde is, de islam stelt dat God de Bron van alle liefde, de Liefdevolle is. Toch wel een belangrijke nuance. Naast liefde, heeft God immers tal van andere kenmerken, zoals barmhartigheid, genade, rechtvaardigheid, enz.

  • Hubb

    Ook 'hubb' is een warme liefde die omschreven wordt in de relatie tussen God en gelovige. Het is een liefdesvorm waarin de wederkerigheid beklemtoond wordt:

    « Zeg: "Als jullie God liefhebben [tuhibboona], volgt mij dan en God zal jullie liefhebben [yuhbibkumu] en jullie zonden vergeven." God is vergevend en barmhartig. » (Koran 3:31)

    Deze bijzondere warme liefde is beschikbaar voor:

    diegenen die berouw hebben (2:222)
    diegenen die goed doen (2:195 – 5:13)
    de rechtvaardigen (5:42; 49:9)
    diegenen die geduldig volharden (3:146)
    diegenen die zich inzetten voor Gods zaak (61:4)
    diegenen die van reinheid houden (2:222)
    diegenen die in God vertrouwen (3:159)
    enz.

    Deze bijzondere warme liefde wordt onthouden van

    de verwaanden en opscheppers , de hooghartigen (16:23)
    de onruststokers die de vrede verstoren, de verderfzaaiers (28:77)
    de onrechtplegers (42:40)
    de verkwisters (6:141)
    de overtreders van de grenzen (de extremisten) (2:190)
    enz. [5]

Hiermee zit de islamitische moraal helemaal verankerd in de liefde die God schenkt aan diegenen die goed doen en die God onthoudt van diegenen die over de schreef gaan. Zodoende wordt het morele stelsel in de islam gebouwd op het fundament van de liefde. Hoewel er ook bestraffingen bestaan, is het in de meest essentiële kern van de zaak dus zelfs geen kwestie van belonen en straffen, maar van een geven en ontzeggen van iets dat als zo belangrijk ervaren wordt door leden van een geloofsgemeenschap, dat het de basis vormt voor de hele ethiek ervan. Elke keer wanneer met het goede niet doet maar het pad van het kwade kiest, straft men zichzelf want ontzegt men zichzelf de geborgenheid in deze bijzondere liefde van God. Maar nog belangrijker - en essentieel - is dat telkens wanneer men het goede niet doet men het gevoel heeft tegenover God tekort geschoten te zijn, God niet de liefde en overgave geschonken te hebben waar Hij recht op heeft. En het is precies datgene dat de moraal stuurt: het streven om God op alle gebied te behagen, te voorkomen dat men Hem misnoegt, of anders gezegd, te voorkomen dat de overgave aan God en de geborgenheid in Zijn liefde, onvolledig blijft. Aldus wordt de moraal helemaal gestuurd door het nastreven van wederkerigheid in de liefdevolle relatie tussen God en mens.


1.5. De Vergever (Al Ghafoor, Al 'Afuww)

Nauw verwant met liefde, is de vergevingsgezindheid waarvan God blijkt geeft. Volgens de Koran overleeft de ziel de dood van het lichaam en zal ze onderworpen worden aan een Laatste Oordeel.

« ... op de dag dat de geheimen worden getoetst. » (Koran 86:9-10)

Elk zal daar staan met zijn eigen boek waarin al zijn goede en slechte daden door engelen opgetekend werden. Op eigen kracht, zou de balans voor de meeste mensen – op de heiligen en profeten na – er niet al te best uit zien. De genade van God maakt het de mensen mogelijk toch het paradijs te bereiken. Zo zullen goede daden dankzij Gods genade 10 keer zwaarder doorwegen dan slechte.

« Als iemand met een goede daad komt dan is er voor hem tien maal zoveel en als iemand met een slechte daad komt dan wordt hem slechts dienovereenkomstig vergolden en hun zal geen onrecht worden aangedaan. » (Koran 6:160)

Elke goede daad wordt door de engel in kwestie onmiddellijk geregistreerd en telt voor 'plus 10' punten, terwijl de engel die de slechte daden registreert, telkens weer aarzelt en de slechte daad pas inschrijft als de mens de bedoeling heeft kwaad aan te richten en daar ook in doorzet. Bovendien wordt de slechte daad maar voor 'min 1 punt' in rekening gebracht, zodat men door het verrichten van goede daden de slechte daden ruimschoots kan compenseren. Het stellen van goede daden wordt dan ook vanuit het model sterk aangemoedigd.

« Stel een goede daad na elke zonde want deze zal de zonde opheffen. » (Ahmad, ad-Darimi, at-Tirmidhi)

Belangrijk is overigens dat bij de beoordeling van de daden de intentie die de daad stuurde van doorslaggevend belang zal zijn:

« Er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u onvrijwillig vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. God is Vergevensgezind, Genadevol. » (Koran 33:5)

Niemand zal op Oordeelsdag ook maar een fractie van zijn verantwoordelijkheid kunnen ontlopen. Oordeelsdag wordt dan ook aanzien als het ogenblik van de ultieme rechtvaardigheid. Wie slachtoffer werd van onrecht, zal daar recht gedaan worden. Wie onrecht beging, zal er daar op afgerekend worden. Nochtans stelt God, luidens een uitspraak van profeet Mohamed, tegelijk dat Zijn genade groter zal zijn dan Zijn toorn en gramschap:

« Nadat God klaar was in het boek te noteren wat zijn zou, was het laatste wat Hij schreef: Waarlijk, mijn Genade zegeviert over mijn toorn. Wanneer God de schepping schiep terwijl Hij op de Troon zat, legde Hij Zijn Boek neer (en zei): Waarlijk, Mijn Genade heeft de overhand op mijn gramschap. » (Muslim, gemeld door Abu Hurairah)

Daarmee wordt de mensen voortdurend hoop geboden - hoe erg men ook in de fout ging, er is altijd hoop. Dat blijkt ook uit volgende hadith die de vraag behandelt of iemand die 99 moorden begaan heeft nog kans maakt op Gods vergiffenis. De hadith legt uit dat oprecht berouw tot vergiffenis door God kan lijden. Als die mogelijkheid niet zou bestaan, zou de moordenaar met het oog op het hiernamaals geen enkele reden hebben om geen 100ste moord te plegen.

« Abu Sa'id al-Khudri meldde dat Gods Boodschapper het volgende zei. Er was een persoon die 99 mensen gedood had en die vervolgens informeerde naar de mensen met kennis (die hem de weg naar verlossing konden tonen). Hij werd naar een pater gestuurd. Aangekomen bij de pater vertelde hij hem dat hij 99 mensen gedood had en vroeg hij hem of er enige mogelijkheid bestond dat zijn berouw aanvaard zou worden. De pater antwoordde: Neen. Hij doodde hem en beging zodoende een 100ste moord. Vervolgens informeerde hij opnieuw naar de mensen met kennis en werd naar een geleerde geleid, aan wie hij vertelde dat hij 100 mensen gedood had. Hij vroeg hem of er enige mogelijkheid bestond dat zijn berouw aanvaard zou worden. De geleerde zei: Ja; wat staat er uw berouw in de weg? Je zou beter naar het land zus en zo gaan; de mensen daar zijn toegewijd aan gebed en verheerlijking [van God], verheerlijkt samen met hen en komt niet meer terug naar uw land omdat dit voor u het land van zonde was. Dus ging hij op pad naar dit land, maar wanneer hij ongeveer halverwege was kwam de dood hem halen. Er greep nu een dispuut plaats tussen de engelen van genade en de engelen van bestraffing. De engelen van genade zeiden: deze man kwam als een boeteling en vol berouw tot God. De engelen van de bestraffing zeiden: hij heeft helemaal geen goed gedaan. Dan kwam er een andere engel in de vorm van een menselijke gedaante om tussen hen te beslissen. Hij zei: meet het land waar hij het dichtst bij was. Ze maten de afstanden en stelden vast dat hij dichter was bij het land waar hij naartoe wou gaan (het land van vroomheid), dus namen de engelen van genade er bezit van. Qatada zei dat Hassan hem vertelde dat hen gezegd was dat hij terwijl de dood hem naderde, op zijn buik verder gekropen was en erin geslaagd was het land van genade te bereiken. » (Muslim)

Er is geen wanhoop in de Islam. Zelfs al zijn de zonden torenhoog, dan nog kan men berouw blijven betonen tot op het allerlaatste moment, en blijft de hoop leven op Gods genade, vergiffenis en leiding. De enige zonde die God niet vergeeft, is wat men noemt 'het aan God toevoegen van partners' (met andere woorden: het doorbreken van het monotheïsme). Dit blijkt ook uit volgende hadith qudsi:

« Anas citeerde de Boodschapper van God die zei: "God, de Almachtige, heeft gezegd: O zoon van Adam, zolang je beroep doet op Mij en vraagt aan Mij, zal ik vergeven wat je gedaan hebt, en ik heb er geen bezwaar tegen. O zoon van Adam, zelfs als jouw zonden de wolken bereikt hebben en je vraagt Mijn vergiffenis, dan zal ik je vergeven. O zoon van Adam, als je bij mij zou komen met zonden die bijna zo groot zijn als de aarde en je kwam mij tegemoet zonder aan mij partners toe te schrijven, dan zal ik je een gelijkaardige hoeveelheid vergiffenis schenken." » (at-Tirmidhi)

Wanneer men God als Allerhoogste erkent, kan men zich op elk ogenblik en voor om het even wat rechtstreeks tot Hem richten, ook om vergiffenis te vragen.

« Abu Mu'sa meldde dat Gods Boodschapper zei dat God, de Verhevene en Glorierijke, Zijn hand uitstrekt gedurende de nacht opdat mensen berouw kunnen betonen voor de fouten die ze begingen van dageraad tot avondschemering en dat Hij Zijn hand uitstrekt gedurende de dag opdat mensen berouw kunnen tonen voor de fouten die zij begingen van avondschemering tot ochtendgloren. (Hij zou hun berouw aanvaarden) voor het opkomen van de zon in het Westen (dwz voor Opstandingsdag). » (Muslim)

Dit komt ook in de Koran aan bod:

« En wanneer zij die in Onze tekenen geloven tot jou komen en zeggen: “Vrede zij met jullie, jullie Heer heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven: als iemand van jullie uit onwetendheid het verkeerde doet en dan later berouw toont en het weer goedmaakt, dan is Hij vergevend en barmhartig. » (Koran 6:54)

« Zeg: "Mijn dienaren! Als jullie tegen jezelf onmatig zijn geweest moeten jullie de hoop op barmhartigheid van God niet opgeven. God vergeeft al de zonden; Hij is de vergevende, de barmhartige. En wendt jullie schuldbewust tot jullie Heer en geeft jullie over aan Hem voordat de bestraffing tot jullie komt. Dan zullen jullie geen hulp krijgen." » (Koran 39:53)

Islam kent geen priesterklasse, geen tussenpersoon bij wie men moet biechten en die in Gods naam kan vergeven. In de islam is er een directe relatie tussen gelovige en God, en is het God, en enkel God, die de zonde vergeeft.

« En jullie Heer zegt: "Roept Mij aan, dan zal Ik jullie verhoren." » (Koran 40:60)

Tawbah (berouw), is het terugkeren naar God nadat men van het rechte pad gesukkeld is. Mensen dwalen regelmatig van het pad af, dus moeten ze er vaak naartoe terugkeren. Wanneer men niet intentioneel afgedwaald is en men oprecht berouw toont van zodra men zich van de dwaling bewust is, en wanneer men het oprechte voornemen heeft niet in herhaling te vallen, kan God de mens vergiffenis schenken. Onder die voorwaarden staat de deur van de genade en vergiffenis altijd open.

« Het is Gods taak om zich genadig tot hen te wenden die het verkeerde uit onwetendheid doen en dan spoedig berouw tonen. Zij zijn het tot wie God zich genadig wendt. God is wetend en wijs. » (Koran 4:17-19)

« Voorts is jouw Heer voor hen die het verkeerde uit onwetendheid doen en dan daarna berouw tonen en het weer goedmaken, jouw Heer is daarna zeker vergevend en barmhartig. » (Koran 16:119)

Uiteraard is het zo dat in het maatschappelijk leven een strafrecht geldt waarbij misdaden bestraft worden maar in de relatie tussen de mens en God, is er altijd een mogelijkheid om berouw te tonen en tot God terug te keren. Het is daarom dat wanneer geleerden zich bijvoorbeeld afkeurend uitlaten over zelfmoordterroristen, zij eraan toevoegen dat wanneer het gaat om mensen die misleid werden, God misschien genadig zal zijn. Deze toevoeging wordt in het Westen vaak volledig verkeerd begrepen als een impliciete goedkeuring van zelfmoordterrorisme, wat het helemaal niet is, wel integendeel. Terrorisme wordt in de islam beschouwd als een misdaad tegen de samenleving, en wordt zwaar afgekeurd en bestraft[7]. De woorden zijn niets anders dan een erkenning van Gods superioriteit. Bij Hem ligt het finale oordeel, en alleen Hij zal beslissen of er al dan niet genade kan toegekend worden aan die persoon vermits alleen Hij in de harten van mensen kijken. Alleen Hij weet of de persoon uit onwetendheid dan wel doelbewust handelde, alleen God weet of de persoon oprecht berouw toonde of niet. Met die woorden drukt men dus uit dat hoewel er in de islamitische regelgeving op aarde zware straffen staan op bepaalde gedragingen, het oordeel over de persoon bij de God ligt. Dusdoende, blijft voor iedereen te allen tijde het pad naar God open. Anders zou bijvoorbeeld iemand die in het kielzog van terrorisme verzeild geraakt is vanuit religieus perspectief geen enkele baat hebben bij het tot inkeer komen. Als er door God geen nieuwe kansen gegeven zouden kunnen worden, en geen vergiffenis mogelijk was, zou met het oog op het hiernamaals niemand een reden hebben om in het aardse leven te stoppen met het begaan van misdaden.


1.6. De Rechtvaardige (Al 'Adl)

Misdaden kan men echter niet ongegeneerd begaan vanuit de gedachte dat God, de vergevende en de bron van alle liefde, wel genadig zal zijn. Gods genade draagt in zich immers ook de kenmerken van Zijn rechtvaardigheid. Goed wetende dat men verkeerd bezig is, toch doorzetten en het pad van het kwade kiezen, zal niet met Gods genade begiftigd worden. God beoordeelt gedrag zoals gezegd op de intenties, en wie doelbewust het kwade kiest, verspeelt zijn kansen op vergiffenis

Hieruit blijkt meteen dat het lidmaatschap van een geloofsgemeenschap in de islam op zich geen garantie biedt om tot het paradijs toegelaten te worden. In het christendom is het in de regel zo dat wie gedoopt is, en dus christen is, zeker is van een plaats in het paradijs. Zich goed gedragen wordt uiteraard wel aangemoedigd, maar tegelijk dekt Gods liefde de erfzonde en alle daarop gebaseerde zonden toe voor de gedoopten, die via de biecht tot een priester en daarbij opgelegde penitentie vergiffenis van de zonden kunnen verkrijgen zodat er geen eeuwigdurende sanctie voor volgt in het hiernamaals (hooguit een verblijf in het vagevuur waarin nog niet gebiechte zonden uitgezeten worden) en men als gedoopte met zekerheid naar de hemel gaat. De klemtoon is de laatste decennia bovendien  sterk komen te liggen op "God is liefde", wat door velen nogal vrijelijk geïnterpreteerd wordt als "God zal wel alles vergeven". De donderpreken van weleer, behoren in veel christelijke kerken dan ook tot het verleden. 

 

In de islam biedt het behoren tot de muslimgemeenschap echter geen zekerheid op toegang tot het paradijs, ook niet wanneer men berouw heeft betoond over zonden. Het is mogelijk dat God genadig is, maar het feit dat men muslim is, houdt daartoe geen garantie in. Een muslim die het pad van het kwade kiest, gaat naar de hel. Bovendien kunnen ook niet-muslims die in God geloven en goed gehandeld hebben, tot het paradijs toegelaten worden.

« Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn. » (Koran 2:62)

Het is immers God zelf die de verschillende godsdiensten ingesteld heeft. Op oordeelsdag zal God wel uitleggen hoe het nu precies zit met de verschillen tussen de godsdiensten. In afwachting krijgen de leden van verschillende geloofsgemeenschappen de opdracht elkaar niet te bestrijden maar daarentegen te wedijveren in goede daden:

« ... En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dan met elkaar in goed daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren. » (Koran 5:48)

Bij Zijn oordeel zal God rekening houden met de levenswijze van de persoon, niet alleen met zijn geloof. Ook daarin schuilt vanuit islamitisch perspectief rechtvaardigheid.

De rechtvaardigheid van God is een complex gegeven. Men hoort wel eens de opmerking: als God rechtvaardig is in Zijn liefde voor Zijn schepping, waarom sterven onschuldige kinderen in sommige landen massaal van de honger? Is dat liefde? Is dat rechtvaardigheid? Als mensen een oorlog ontketenen waarin kinderen een wrede dood sterven, kan men dat natuurlijk niet aan God toeschrijven. Of als kinderen een hongerdood sterven omdat het rijke westen weigert zijn rijkdom te delen, kan men die onrechtvaardigheid niet aan God toeschrijven. Voor al dat soort onrecht zal God op Oordeelsdag de ultieme rechtvaardigheid doen geschieden: wie onrecht aangedaan werd, zal daar recht gedaan worden, en wie onrecht beging, zal er de rekening voor gepresenteerd krijgen. Het geloof in oordeelsdag en de ultieme rechtvaardigheid die zich daar zal voltrekken is een zodanig essentieel punt dat het ontkennen ervan, volgens de islam neerkomt op het ontkennen van het bestaan van God.

Niet alle onrechtvaardig aanvoelende situaties kunnen evenwel zo rechtstreeks aan een door mensen begaan onrecht toegeschreven worden. En over zulke situaties verduidelijkt de Koran dat het principe van rechtvaardigheid vanuit het perspectief van God gedefinieerd wordt, niet vanuit het perspectief van de mens. God heeft kennis van het zichtbare en onzichtbare, en wat een mens wreed lijkt, kan een teken zijn van Gods genade. In Surah 18 (v.66-83) van de Koran komt dit uitvoerig aan bod. Mozes wordt er vergezeld van een zekere Al Khadir. Het is niet duidelijk wie deze figuur is. Volgens sommigen is hij een profeet, andere exegeten beschouwen hem als een engel, nog anderen zien in hem een allegorische figuur die de diepste mystieke inzichten symboliseert. In Surah 18 van de Koran, voert deze figuur opdrachten van God uit. Op een gegeven moment slaat hij een lek in een boot zodat de boot met alle opvarenden vergaat. Dat lijkt onrechtvaardig en Mozes zegt:

« Maak jij er een gat in om de opvarenden te laten verdrinken? Daar heb je echt iets vreselijks begaan » (Koran 18:71),

maar Al Khadir antwoordt:

« Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden? » (Koran 18:72).

Even later legt hij uit dat God deze mensen liet verdrinken omdat hen een koning te wachten stond die elk schip met geweld nam:

« Wat het schip betreft, dat was van arme mensen die op zee werken en ik wenste het te beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met geweld nam.» (Koran 18:79)

Wat met andere woorden een vreselijke dood lijkt, is eigenlijk een genade van God, want anders was hun doodstrijd vele malen erger geweest.

Diezelfde passage verhaalt hoe Al Khadir en Mozes bij een stadje aankwamen waar hen gastvrijheid geweigerd werd. In dat stadje, stond een muur op het punt in te storten. Niettegenstaande het ongastvrije optreden van de mensen, greep Al Khadir in en zette hij de muur stevig recht. Dat voelde niet rechtvaardig aan, en Mozes merkte op:

« Als je wilde, had je daarvoor loon kunnen krijgen. » (Koran 18:77)

Al Khadir verduidelijkt echter:

« En wat de muur betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat onder die hun beiden toebehoorde en hun vader was een rechtschapen man geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat te voorschijn halen; het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon uithouden. » (Koran 18:82)

In dergelijke verzen wordt uitgelegd dat enkel God een ultiem oordeel kan vellen over wat goed en slecht is.

« Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat slecht voor jullie is. God weet en jullie weten niet. » (Koran 2:216)

Hiermee wordt mensen op het hart gedrukt dat het niet is omdat ze zelf iets goed vinden, dat het vanuit ruimer perspectief ook goed is. Het is een les in nederigheid. Daarom zeggen muslims bij alles wat er gebeurt: 'het is de wil van God', en danken ze Hem voor alles, ongeacht of ze het gebeuren aangenaam of betreurenswaardig en pijnlijk vonden. De uitdrukking is een teken van overgave aan God. Enkel Hij is in staat het hele gebeuren te overzien.


1.7. Godsdienstvrijheid

Zich overgeven aan God vooronderstelt dat men vrij is zich tot God te verhouden zoals men wil. Islam is dan ook gebouwd op een sterk in de Koran en Sunnah verankerde godsdienstvrijheid, die uitvoerig besproken werd in andere teksten in de reeks Koran Notities [7]. Men is vrij te geloven en niet te geloven wat men wil. Ook hierin kan men Gods liefde herkennen. God dwingt de mensen niet in Hem te geloven. Het is muslims ten andere uitdrukkelijk verboden dwang te gebruiken om anderen naar God te leiden. Islam - letterlijk: overgave - is iets dat alleen kan ontstaan in een klimaat van vrijheid. Daarom ook wordt muslims voorgeschreven te werken aan een samenleving die onder meer op godsdienstvrijheid gebouwd wordt. Op die manier wordt de liefde van God ook in de (godsdienst-) vrijheid gedefinieerd.


1.8. Geen Erfzonde

De vrijheid tegenover God komt eveneens tot uiting in het gegeven dat de islam geen erfzonde kent. Adam en Eva lieten zich beiden vangen door de listen van Satan (het is dus niet Eva die Adam verleidde), ze werden verbannen naar de aarde, toonden oprecht berouw en werden door God vergeven. Alle mensen – allemaal afstammelingen van Adam en Eva – worden als onbeschreven blad geboren, vrij van zonde.

In het christendom vergaf God Adam en Eva niet zodat elk mens geboren wordt met die erfzonde (in het Engels 'original sin', letterlijk: 'eerste, oorspronkelijke zonde' genoemd). Het christendom leert verder dat God op een gegeven moment Zijn zoon naar de aarde stuurde om door diens dood, de mensen die hem volgen te verlossen van die erfzonde, en van alle andere zonden die daar het gevolg van zijn. Logisch gevolg hiervan is dat volgens het christendom christenen zeker zijn van hun plaats in de hemel, terwijl niet-christenen de toegang ontzegd wordt.

Muslims beschouwen het als een teken van liefde en genade dat God wèl gehoor gaf aan het berouw van Adam en Eva en hen hun misstap vergaf, zodat elk mens als een onbeschreven blad geboren wordt, volledig vrij van zonden, en daarom niet beladen met een zonde van hun stamouders. Islam kent een sterk principe van hoofdelijke verantwoordelijkheid: wie iets misdeed, moet er zelf voor opdraaien. Een persoon kan de zonden van een ander niet erven, een persoon ook kan geen boete doen voor een ander.

« Niemand is belast met de last van een ander en als iemand die zwaar beladen is oproept om [mee] te dragen, dan zal toch niets van hem gedragen worden ook al betreft het een verwant. ...» (Koran 35:18)

Elk mens is verantwoordelijk en aansprakelijk voor eigen daden en de dood van de een kan niet leiden tot kwijtschelding van de zonden van de ander, ook niet de dood van Jezus (die in de islam als profeet beschouwd wordt - God heeft in de islam geen zoon, geen vader, enz., God is uniek). In de islam heeft het concept van een verlossingsdood overigens geen zin vermits er om te beginnen geen erfzonde is waarvan men verlost zou moeten worden. De mens komt als een blanco blad ter wereld, en het is zijn geloof én zijn gedrag tijdens zijn verblijf op aarde dat bepaalt of hij naderhand tot het paradijs zal toegelaten worden.


1.9. Openbaringen en Profeetschap, als ultiem teken van Gods genade en liefde voor de mens

Het aardse leven -- het verblijf van de ziel in de mens -- houdt een test in om na te gaan wie het goede zal doen en wie niet (dat is de zin van het leven), maar God laat de mensen niet stuurloos aan deze onderneming beginnen en geeft hen een kompas, een leidraad onder de vorm van de openbaringen.

« En dit is een gezegend boek dat Wij neergezonden hebben. Volgt het dus en weest godvrezend; misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden. » (Koran 6:155)

Mensen die deze leidraad volgen, zullen door God mogelijks tot het paradijs toegelaten worden. Daarom wordt deze leidraad, deze openbaring, beschouwd als een ultiem geschenk, een ultiem teken van de liefde van God. God heeft het goed voor met de mens - Hij laat hen vrij, maar laat hen niet aan hun lot over. Hij zorgt dat diegenen die voor God kiezen, over voldoende middelen beschikken om hun weg naar Hem te vinden. Naast de theorie, zorgde God ook voor praktische voorbeelden: de profeten. Ook zij, en in het bijzonder Mohamed, zijn een teken van genade van God.

« En Wij hebben jou slechts als [een teken van] barmhartigheid [rahman] voor de wereldbewoners gezonden. » (Koran 21:107)

De profeten passen de goddelijke boodschap van liefde, genade, enz. toe in hun leven en vormen daarmee de levende toepassing van de geopenbaarde boodschap. Profeet Mohamed verwoordde het als volgt:

«Gedenken van God is mijn vriend
Rede is de wortel van mijn geloof
Liefde is mijn fundament
Enthousiasme is mijn paard
Kennis van God is mijn kapitaal
Standvastigheid is mijn schat
Spijt is mijn gezel
Wetenschap is mijn wapen
Geduld is mijn mantel
Tevredenheid is mijn buit
Armoede is mijn trots
Toewijding is mijn kunst
Overtuiging is mijn kracht
Waarheid is mijn redding
Gehoorzaamheid is mijn toereikendheid
Inzet is mijn handelwijze
en mijn genoegen is in mijn gebed. »

Omdat profeten de goddelijke boodschap in de praktijk van hun leven vertalen, fungeren zij als rolmodel voor gelovigen. Ook daarin ziet men een teken van Gods genade en barmhartigheid. Hij heeft aan de mensen voorbeeldfiguren geschonken aan de hand waarvan ze hun eigen handelen vorm kunnen geven.



2. Liefde voor God

2.1. Houden van God en Zijn Profe(e)t(en)

Liefde vormt de basis van de hele manier waarop een muslim zich tot God verhoudt. Men wordt pas gelovig als men van God houdt.

« Naar verluid vroeg iemand aan Profeet Mohamed 'O Apostel van God, wanneer zal ik een echte en overtuigde gelovige ('mu'min') worden?'. De Profeet antwoordde: 'Wanneer je van God zal houden'. Hij vroeg opnieuw: 'Mijn heer, wanneer zal ik van God beginnen houden?' De Profeet zei: 'wanneer je van Zijn Profeet zal houden'. Hij vroeg: 'Wanneer zal ik van Zijn Profeet beginnen houden?' De Profeet merkte uiteindelijk op: 'Dat zal gebeuren wanneer je zijn bevelen opvolgt, in zijn voetsporen treedt en zijn Sunnah naleeft'. » [8]

En als men van God houdt, houdt men van zijn Profe(e)t(en):

« Zeg: "Als jullie God liefhebben, volgt mij dan en God zal jullie liefhebben en jullie zonden vergeven." God is vergevend en barmhartig. » (Koran 3:31)

Muslims houden met hart en ziel van profeet Mohamed en plaatsen hun liefde voor hem boven hun liefde voor andere mensen, zelfs boven de liefde voor hun ouders.

« Niemand van jullie wordt een gelovige tot ik dierbaarder voor hem ben dan zijn kinderen, zijn ouders en de hele mensheid. » (sommige versies voegen hier aan toe: "en zijn leven, zijn rijkdom en zijn familie") (Bukhari, Muslim)

Daar is niets vreemd aan want ook Jezus (die in de Islam als een profeet beschouwd wordt) zei volgens het Evangelie van Lucas over de manier waarop gelovigen zich tot hem dienen te verhouden:

« Wie naar Mij toe komt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven verfoeien; anders kan hij geen leerling van Mij zijn. »" (Lucas, 24:16 - [9]

In de islam geldt een gelijkaardige verhouding tussen gelovigen en profeet Mohamed. Nochtans waarschuwt de Koran ervoor niet te overdrijven en van Mohamed geen "god" of "zoon van God" te maken zoals (vanuit koranisch perspectief) de christenen met profeet Jezus deden.

« Mensen van het boek! Gaat niet te ver in jullie godsdienst en zegt over God alleen maar de waarheid. De messias Jezus, zoon van Maria, is Gods gezant en Zijn Woord dat Hij richtte tot Maria en een geest bij Hem vandaan. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet "Drie". Houdt daarmee op; het is beter voor jullie. Immers, God is één God. Geprezen zij Hij. Dat Hij een kind zou hebben! Van Hem is wat er in de hemelen en op de aarde is. God is goed genoeg als voogd. » (Koran 4:171)

Ook de ahadith waarschuwen hiervoor:

« Umar meldde dat hij de profeet hoorde zeggen: "Overdrijf niet in jullie lofprijzen van mij zoals de christenen de zoon van Maria prezen want ik ben slechts een dienaar. Dus noem me een dienaar van god ['abd Allah] en Zijn Apostel." » (Bukhari)

De Koran wijst erop dat Mohamed "slechts" een profeet is. Dat doet geen afbraak aan zijn belang, integendeel, maar de Koran beklemtoont hiermee dat Mohamed niettegenstaande zijn profeetschap, ook maar een mens is.

« En Mohamed is slechts een gezant; voor zijn tijd reeds waren de [andere] gezanten heengegaan... « (Koran 3:144)

Muslims zijn dan ook geen 'Mohamedanen' - dat is een verkeerd gegeven benaming naar foutief veronderstelde analogie met de term christenen die slaat op de diegenen die Jezus Christus (als God en Zoon van God) vereren en aanbidden. Muslims aanbidden Mohamed niet, muslims zijn mensen die zich aan God overgeven, en Mohamed is een van Gods vele profeten. Volgens een meerderheidsopvatting in de Islam, is Mohamed wel de laatste profeet. Zijn Boodschap is niet bestemd voor een bepaald volk of voor een bepaald tijdperk, maar is een Boodschap voor alle mensen, voor alle tijden. Tegelijk wijst de Koran erop dat in de islam alle profeten en al hun boodschappen belangrijk zijn:

« Zeg: "Wij geloven in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Abraham, Ismaël, Isaak, Jacob en de stammen is neergezonden en in wat aan Mozes en Jezus gegeven is en in wat aan de profeten door hun Heer gegeven is. Wij maken geen verschil tussen één van hen en wij hebben ons aan Hem overgegeven." » (Koran 2:136)

Wie het profeetschap van bijvoorbeeld Jezus of Mozes verwerpt, kan geen muslim zijn.


2.2. Gehoorzaamheid

Men gehoorzaamt een onderwijzer, een officier in het leger, de politieagent die het verkeer regelt. De gehoorzaamheid aan God is van een gans andere orde, en is gebouwd op de liefde voor God. Ibn Sina (beter bekend als Avicenna), een muslimgeleerde uit de 10e-11e eeuw, schreef: 

       « Ik heb de essentie van ware liefde geleerd, liefde die resulteert in volledige gehoorzaamheid.»

Men heeft God lief, daarom wil men God behagen. En om God te behagen, zal men Hem gehoorzamen. Gehoorzaamheid is dus ondergeschikt aan en een gevolg van het houden van God. Hieruit blijkt eens te meer hoe sterk in de islam de verhouding tussen mens en God (en ook de moraliteit) gedefinieerd wordt in de liefde - liefde voor de profe(e)t(en) en liefde voor God. De Koran stelt:

    « Zeg: "Als jullie God liefhebben, volgt mij dan en God zal jullie liefhebben en jullie je zonden vergeven. God is vergevend en barmhartig. » (Koran 3:32)

Met andere woorden: wie God liefheeft, volgt de leidraad van de Koran. Naarmate men God meer gehoorzaamt, zal deze liefde zich verdiepen, wat dan weer zal leiden tot nog meer toewijding in het gehoorzamen aan God, enz.


2.3. Overgave

Overgave aan en liefde voor God gaan hand in hand. Taalkundig staat het woord 'islam' voor twee zaken. Het is de naam van een godsdienst, maar als afgeleide van de stam {s-l-m} die "overgave" betekent, vat het woord meteen ook de essentie van de verhouding tussen gelovige en God samen. Islam of overgave, is het resultaat van een purificatieproces waarin men het (onder invloed van satan staande) lagere zelf dat tot kwaad aanzet en dat gericht is op een snelle inwilliging van eigen verlangens, onderwerpt zodat er alleen nog plaats is voor het hogere zelf dat zich volledig door God laat leiden. Dit proces wordt uitvoerig beschreven in de koranische psychologie. [10].

Een Arabisch woord dat bestaat uit een voorvoegsel 'mu' bij de wortel, slaat op de persoon die de handeling stelt die in de wortel omschreven wordt. Het woord 'mu-slm' of 'muslim' betekent : iemand die zich overgeeft aan God. Zo wordt in de Koran Abraham een 'muslim' genoemd, iemand die zich overgeeft aan God. Ook de apostelen van profeet Jezus worden vermeld als 'muslims', mensen die zich overgegeven hebben aan God.

« Toen Jezus ongeloof bij hen gewaar werd zei hij: "Wie zijn mijn helpers [op de weg ] tot God." De discipelen zeiden: "Wij zijn Gods helpers. Wij geloven in God. Getuig dat wij ons [aan God] hebben onderworpen. [waishhad bi-anna muslimoona]" » (Koran 3:52)

« Abraham was niet jood, noch christen, maar hij was een aanhanger van het zuivere geloof, die zich [aan God] overgaf en [walakin kana haneefan musliman] hij behoorde niet tot de veelgodendienaars. » (Koran 3:67)


2.4. Verheerlijken van God

Zo belanden we bij de essentie van het verheerlijken van God: het dienen van God omdat Hij God is. Volgens de Koran schiep God eerst Adam, vervolgens schiep Hij de zielen van alle afstammelingen van Adam die tot aan het einde van de wereld op aarde in mensen geboren zullen worden. Van al deze zielen, nam Hij stuk voor stuk een eed af. In die eed erkenden de zielen God als hun Heer. De mens wordt dan ook geboren met in zijn ziel een impressie van God, en een daaraan gekoppeld besef van goed en kwaad. God gaf mensen ook intelligentie, een hart en een vrije wil. De zin van het leven – van het geboren worden van de ziel in een mens – is dat het een test is om na te gaan of de mens het goede of het kwade zal doen. [11]

« Wij hebben alles wat er op de aarde is tot een versiering gemaakt om hen op de proef te stellen wie van hen het beste is in wat hij doet. » (Koran 18:7)

Die zingevende test wordt beoordeeld tegenover een doel, met name het verheerlijken van God.

«Ik heb de mensen en de djinn slechts geschapen om Mij te dienen. » (Koran 51:56)

In het Arabisch noemt men dit concept ibadah. Deze moeilijk te vertalen term, overspant verheerlijking in de ruimst mogelijke zin en omvat al hetgeen men intentioneel doet om God te dienen. Naast gebed slaat het dus ook op het doen van goede werken, het maken van de juiste keuze, enz. Ook hier speelt de intentie, de motivatie, een cruciale rol. Wanneer men God verheerlijkt om daardoor in het paradijs te geraken, of om de hel te vermijden, doet men dat strikt genomen nog altijd uit eigenbelang. Deze betrachtingen kunnen wel bestaan maar mogen geen doel op zich worden. Het doel is het verheerlijken van God om wie Hij is, omdat Hij waard is verheerlijkt te worden, kortweg, omdat Hij God is. Rabi'a al-'Adawiyya (ook bekend als Rabi'a van Basra) zei:

« O God! Als ik U verheerlijk uit vrees voor de Hel, doe mij branden in de Hel, en als ik U verheerlijk in de hoop op het Paradijs, sluit mij uit van het Paradijs. Maar als ik U verheerlijk omwille van U, misgun me dan Uw eeuwig durende Schoonheid niet. »

Deze verheerlijking van God is het resultaat van de liefde voor God, die zich kenmerkt door onbaatzuchtigheid. Het ik-gericht streven van het lagere zelf, is er helemaal uit verwijderd. De klemtoon ligt op het behagen van God. Wanneer men liefdadige werken doet om daarmee op te scheppen, wanneer men het pad van het martelaarschap kiest om in de wereld als martelaar geëerd te worden, enz., zal dat beschouwd worden als het zoeken van eer in deze wereld, en dus het dienen van het eigenbelang, niet het dienen van God. Dergelijke mensen wordt zelfs de hel voorgehouden.

« Op de Laatste Dag wanneer God zal zetelen om te oordelen en elke gemeenschap voor Hem zal knielen, zullen de eersten die geoordeeld zullen worden de geleerden van het Heilige Boek zijn, of diegenen die gedood werden in een jihad of diegenen die rijk en welvarend waren op aarde. God zal aan de geleerde vragen: 'Werd jou niet alles geleerd dat geopenbaard werd aan de Profeet? Wat deed je met deze kennis?' Hij zal antwoorden: 'O Heer! Ik placht de Koran dag en nacht te reciteren in mijn gebeden.' God zal zeggen: 'Je bent een leugenaar.' En zodoende zullen de engelen hem als leugenaar beschouwen, en God zal het oordeel vellen dat deze man dit alles enkel deed om geprezen te worden als een zeer groot geleerde. Het lof dat hij ontving op aarde was het doel waar hij op mikte, dus is er voor hem is er hier niets. Vervolgens zal de rijke man aangesproken worden en God zal zeggen: 'Heb ik je niet welvarend gemaakt en onafhankelijk van anderen? Wat deed je met die welvaart?' Hij zal antwoorden: 'O God, ik gaf aan de behoeftigen en was liefdadig.' God zal zeggen: 'Je bent een leugenaar', en de Engelen zullen hem ook een leugenaar noemen. God zal zeggen: 'Je was niet liefdadig in de geest, je reikte liefdadigheid uit met als enige drijfveer geprezen en geëerd te worden. Je werd geprezen en geëerd, dus heb je al de beloning gekregen waarop je mikte. Er is hier niets voor jou'. Dan zal een man gebracht worden die gedood werd in een jihad. Hij verwacht dat God hem zal eren als een martelaar, maar deze aanspraak zal hem ontzegd worden door God die zal zeggen: 'je vocht enkel om geprezen te worden als een dapper man. Je kreeg het lof dat je in de wereld nastreefde. Hier is er niets voor jou'. De Profeet voegde hier aan toe: 'Dit zijn de personen die in hel geworpen zullen worden voor de anderen.' » (Tirmidhi, gemeld door Abu Hurairah)

Men verheerlijkt God, geheel onbaatzuchtig, omdat God het waard is verheerlijkt te worden. Niet om er de aandacht mee te trekken, niet om er roem mee te verwerven, maar gewoon, omdat God God is en hij daarom, gedreven door een unieke liefde, als enige waard is verheerlijkt te worden in alles wat men doet - in de formele gebeden, maar ook in alle andere handelingen die men stelt.

Interessant is hier aan te stippen dat volgens de islam de mensen niet de enigen zijn die God verheerlijken. Ook sommige djinns verheerlijken God. Bovendien openbaarde God zich eveneens aan de dieren. Dieren vormen eigen gemeenschappen, hebben een eigen taal, zijn intelligent, hebben emoties, enz. en verheerlijken en aanbidden ook God. [12]


2.5. Vrijheid

God gaf de mensen volledige godsdienstvrijheid – volledige vrijheid in de manier waarop men zich tot God verhoudt. De mens kan deze vrijheid beantwoorden door van God te houden enkel en alleen omdat Hij God is. De liefde voor God dient onzelfzuchtig te zijn (men streeft op geen enkele manier eigenbelang na) en dient volledig gericht te zijn op het behagen van God omdat God God is. Deze liefde brengt dan ook een gevoel van verantwoordelijkheid met zich mee. Al wat men doet - tegenover anderen, tegenover dieren, tegenover milieu enz. -- doet men uiteindelijk tegenover God. Liefde voor God is onlosmakelijk verbonden met vrijheid en de verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit. Imam Ali vatte de kern van verheerlijken van God als volgt samen en legde volgende verbanden:

« Er zijn mensen die God aanbidden om Zijn Gunsten te verwerven. Dit is de verering door handelaars.
Terwijl sommigen Hem aanbidden om zichzelf te vrijwaren van Zijn Wraak. Dit is de verering door slaven.
Een paar, gehoorzamen Hem vanuit een gevoel van dankbaarheid en verantwoordelijkheid, Dit is de verering door vrije, nobele, mensen. »
(imam Ali)

Vanuit islamitisch perspectief, wordt vrijheid gedefinieerd als het zich volledig ontdoen van de invloeden van satan. Hoe vollediger de overgave aan God, hoe vrijer men is. God, als Heer en Meester van alles, is immers de enige die de mens volledige vrijheid kan geven. Hij en alleen Hij geeft de mens, vanuit zijn oneindige liefde, volle vrijheid van keuze. Hoe verder men zich van God verwijdert, hoe minder men geniet van deze keuzevrijheid want hoe meer men verstrikt geraakt in het kluwen van de netten van satan (egoïsme, hebzucht, agressie, enz).

Een muslim is verplicht het godsgeschenk van vrijheid in de manier waarop een mens zich tot God verhoudt, ook voor anderen te respecteren en te werken aan een samenleving waarin deze godsdienstvrijheid gegarandeerd wordt. Wie godsdienstvrijheid belemmert, gaat tegen God in. [13]


2.6. Godvrezendheid

Ingaan tegen God, wordt voorkomen door godvrezendheid. Maar wat houdt dat in? Moet men godvrezenheid zien als met de daver op het lijf zitten en schrik hebben dat men voorwerp zal worden van de wraak van God? Natuurlijk niet. Er is uiteraard een regulerend aspect van beloning van het goede en bestraffing van het kwade. Het is echter zo dat de bestraffing zich in de eerste plaats uit door een onthouding van liefde, en pas als men helemaal over de schreef gaat, overgaat in straf. Zelfs dan nog, kadert ze in het algemene perspectief van "Bismillah Al Rahman Al Rahim". De essentie van godvrezendheid zit dan ook niet in de angst maar in de liefde. Gehoorzaamheid aan God, vloeit zoals hierboven al bleek, voort uit liefde voor God. En het is in die context dat godvrezendheid gedefinieerd wordt: de vrees de liefde van God te verliezen. Het is niet de bestraffing waar men schrik voor heeft. Men heeft schrik God, de Bron van Alle Liefde, de Barmhartige, de Genadevolle, te misnoegen, tekort te schieten in het verheerlijken van God die mensen overstelpt met een niet-aflatende stroom van zulke prachtige liefde. Dat is de essentie van godvrezendheid.

Het niet willen misnoegen van God maakt weerom duidelijk dat houden van God niet beperkt blijft tot een ongebonden emotie maar dat de liefde voor God vertaald moet worden in de daden die men stelt. In de manier waarop men handelt, brengt men de liefde voor God tot uiting. Godvrucht en goede daden zijn in de islam onlosmakelijk met elkaar verbonden.


2.7. 'Abd-Allah: geen slaaf maar wegenwerker

In het Arabisch wordt de verhouding van gelovige tot God uitgedrukt als "'Abd Allah", vaak verkeerd vertaald als "slaaf van God". Op zichzelf betekent het woord 'abd inderdaad slaaf, maar in de samenstelling "'Abd Allah" ontstaat (zoals dat in samenstellingen wel vaker het geval is) een gans andere betekenis. Uit hetgeen tot dusver besproken werd, blijkt dat God de mens vrijlaat – er is geen sprake van een tirannieke God die mensen dwingt tot gehoorzaamheid. Overgave aan God is dan ook geen passieve slaafse aangelegenheid maar een vrijwillig, en erg actief proces waarbij men het zelf zuivert van al het kwade. Overgave is bijgevolg geen zaak van slaafse gehoorzaamheid, maar van een vrijwillig ondernomen transformatie van het zelf.

We worden hier geconfronteerd met het probleem dat zich voordoet bij het overbrengen van de betekenis in de vertaling van een concept. Want muslims die spreken van een 'Abd Allah zitten met de Arabische koranische betekenis ervan in hun achterhoofd, terwijl men dit in het Westen begrijpt vanuit het concept van 'slaaf' zoals in slavernij. Het gaat echter om twee totaal verschillende zaken. 'Abd, komt van 'abada en betekent naast verheerlijken en onderwerpen (in de zin van 'subjugate') ook: de straat doorgankelijk maken. En dat is nu juist wat de Koran aan boodschap overbrengt. De relatie van de mens tot God, is er een waarbij de mens zich uit liefde van God - omdat God die liefde waard is - inspant om zijn pad te ontdoen van alle obstakels, om zo het pad doorgankelijk en puur te maken, zodat het levenspad enkel nog bestaat uit het volgen van de richtlijnen van God.

Een hadith verduidelijkt dat naarmate men het eigen pad zuivert, men ook meer en meer mooie dingen ziet, en het kwade uit het leven verdwijnt:

« God zei (...) de meest geliefde dingen waarmee mijn dienaar nader tot Mij komt, zijn de dingen die ik hem voorgeschreven heb, en mijn dienaar blijft dichter bij Mij komen door extra, vrijwillige goede daden (benevens het verplichte) tot Ik zo van hem hou dat Ik het gehoor wordt waarmee hij hoort, en het gezichtsvermogen waarmee hij ziet, en de hand waarmee hij iets aanraakt ... » (Bukhari)

Liefde voor en van God behoedt iemand ervoor te kijken, luisteren enz. naar wat verboden is, en te doen wat verboden is. Op die manier, verandert de omgeving waarmee men zichzelf omringt, wordt ze gezuiverd van het kwade, en bestaat ze meer en meer uit het goede zodat men minder en minder in verleiding komt het kwade te doen. Weerom wordt een verband gelegd tussen liefde en moraliteit: het is de liefde, die de mens ervoor behoedt van het rechte pad af te dwalen.


2.8. Dhikr:  gedenken van God leidt tot vrede

Het dienen van God is iets voor elk ogenblik van de dag. Het vertrekt vanuit een voortdurend gedenken van God. Dit gedenken van God leidt tot vrede – innerlijke vrede en vrede in de samenleving. Deze samenhang zit ook in de Arabische taal ingebouwd. Islam (overgave) en salam (vrede) zijn gebouwd rond dezelfde wortel {s-l-m}. De Koran stelt:

« ... in het gedenken van God vinden de harten vrede. » (Koran 13:28)

Het gedenken van God – dhikr – is in tegenstelling tot het meer formele gebed, niet gebonden aan bepaalde formules of tijdstippen, maar kan te allen tijde gebeuren zonder geijkte woorden. Het gedenken van God wordt aangemoedigd en behoort tot het beste wat men kan doen. Profeet Mohamed zei:

« Voor alles is er een poetsmiddel dat roest wegneemt, en het poetsmiddel voor het hart is het gedenken van God. » (Bukhari).

Het enige dat de mensen in het Paradijs volgens een uitspraak van Profeet Mohamed zullen betreuren, zijn de momenten dat ze verspilden zonder aan God te denken:

"De mensen van het paradijs zullen niets betreuren behalve één ding: het uur dat ze verkwistten gedurende het welke zij God niet gedachten." (Tabarabi)



3. Liefde omwille van God

3.1. Liefde en onmin omwille van God

Een muslim wil zijn hele leven op God oriënteren. Wat men ook doet, en wat men ook voelt, het is de bedoeling dat het hele zijn aangestuurd wordt door liefde voor God. In de omgang met geloofsgenoten houdt dit in dat (het Woord van) God het criterium is waartegen men alles toetst. Wanneer iemand iets doet, maakt het niet uit hoe men zich daar zelf bij voelt, maar wel of het gedrag van die persoon in de ogen van God goed is of niet. Deze houding, stuurt de hele manier van omgaan met mede-gelovigen. Liefde en onmin 'omwille van God', is dan ook een van de hoogste vormen van verheerlijking van God. Hoe men zelf staat tegenover iemand anders, wordt van ondergeschikt belang. Het maakt ook niet uit of de ander rijk of arm of geleerd, knap of minder knap of wat dan ook is. Als hij of zij iets doet dat door God aanbevolen wordt, zal men hem liefhebben. Als hij iets doet dat door God afgekeurd wordt, zal men dat gedrag afkeuren. Niet wie de ander is, bepaalt hoe men zich tegenover hem verhoudt, noch hoe men zich daar zelf bij voelt, maar wel of zijn gedrag God behaagt of niet. Liefhebben omwille van God, zorgt bijgevolg voor een zeer sterke sociale cohesie en voor een sterk ethisch-religieus georiënteerde sociale controle.

« De Profeet zei: "De sterkste geloofsband is loyaliteit omwille van God en oppositie omwille van God ; liefde omwille van God en onmin omwille van God. »

En ook:

« De gelovige is de spiegel van zijn broeder. Als hij in hem een fout ziet, verbetert hij ze. » (Bukhari)

Men respecteert hoe dan ook de persoon op zich, maar men reageert bemoedigend of afkeurend al naargelang de manier waarop deze persoon zich gedraagt. Omdat het gedrag van een mens wisselend is, leidt dit tot een zeer dynamische, flexibele omgangsvorm waarbij men niemand als persoon volledig afstoot (en evenmin idoliseert), maar waarbij men daarentegen telkens weer zijn goede daden aanmoedigt en zijn slechte daden afwijst. In dezelfde zin wijst profeet Mohamed erop dat wie vandaag je vriend is, morgen je vijand kan zijn en omgekeerd.

« Haat uw vijand op milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden. » (al-Tirmidhi)

Mensen die elkaar liefhebben omwille van God, moedigen in elkaar aan wat door God als goed omschreven wordt, en helpen elkaar het slechte te vermijden, zoals de Koran als opdracht geeft:

« Maar de gelovige mannen en vrouwen zijn elkaars medestanders, zij gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke (...) »

Dat men gedrag in iemand verafschuwt wil dan ook niet zeggen dat men hem links laat liggen. Profeet Mohamed zei bijvoorbeeld dat men niet enkel het slachtoffer van een onderdrukker moet helpen, maar ook de onderdrukker zelf – die laatste, moet men ertoe brengen dat hij anderen niet meer onderdrukt.

« Anas meldde dat Gods Apostel zei: "Help uw broeder, ongeacht of hij verdrukker of de verdrukte is. De mensen vroegen: "O Gods Apostel! Het is goed hem te helpen als hij onderdrukte is, maar hoe moeten we hem helpen als hij een onderdrukker is?" De profeet zei: "Door hem ervan te weerhouden anderen te onderdrukken." » (Bukhari)

De hele manier van omgaan met elkaar omwille van God, is er dus op gericht elkaar te helpen het beste dat men in zich heeft naar boven te brengen. Dit moet volgens de islam leiden tot een rechtvaardige samenleving. [14] Voor muslims die op die manier hun geloof in hun dagelijks omgaan met geloofsgenoten weten om te zetten, zal er grote beloning zijn bij God:

« Gods Boodschapper zei: "God zei: Mijn liefde komt toe aan diegenen die samenkomen omwille van Mij, elkaar bezoeken omwille van Mij en zich inspannen omwille van Mij." » (gemeld door Malik)

Deze mensen zullen op de opstandingsdag behoren tot diegenen die door God beschermd worden:

« Op oordeelsdag zal God vragen: "Waar zijn diegenen die elkaar beminden omwille van Mijn glorie? Vandaag, op de dag dat er geen schaduw is behalve de Mijne, zal ik hen beschutten met Mijn schaduw." » (Muslim, gemeld door Abu Hurairah)

Opnieuw valt de wederkerigheid op: wie liefheeft omwille van God, zal door God extra geliefd en beschermd worden:

« Een man vertrok op weg om zijn broeder te bezoeken in een ander dorp. God zond een engel die hem onderweg stond op te wachten. Wanneer de man hem tegenkwam, vroeg de engel hem: 'Waar ga jij heen?' Hij antwoordde: 'Ik ga een broeder van mij bezoeken die in dat dorp woont.' De engel vroeg: 'Heb je hem misschien een gunst bewezen (waarvoor je nu een tegenprestatie gaat zoeken)?'. Hij antwoordde: Neen, ik hou gewoon van hem omwille van God.' De engel zei hem: 'Ik ben een boodschapper van God, naar jou toegezonden om je te melden dat God van jou houdt omdat jij van je broeder houdt omwille van Hem. » (Muslim)

Ook in het huidige leven zal men daar de vruchten van dragen:

« De profeet zei: de supplicatie (smeekbede) voor zijn broeder wordt in het geheim beantwoord. Aan zijn hoofd wordt een engel aangesteld, en wanneer hij iets goed vraagt voor zijn broeder, zegt de aangestelde engel: "Amen, en ook voor jou". » (Muslim)

Het principe van liefde en onmin omwille van God wordt tevens toegepast in de manier waarop man en vrouw geacht worden zich in een huwelijk tegenover elkaar te gedragen. Men toetst het gedrag van de partner niet aan de eigen voorkeuren maar wel aan wat God ervan denkt. Men kan zich gekwetst voelen door een opmerking, maar als ze vanuit islamitisch perspectief correct is, zal men de partner ervoor moeten beminnen. Omgekeerd, wanneer de partner iets doet dat vanuit het standpunt van God niet door de beugel kan, zal men het gedrag afkeuren. Man kan zich echter niet op dat ene gedrag fixeren, want telkens weer zal men de goede zaken in de partner moeten gaan zoeken en aanmoedigen. Tegelijk moet men openstaan voor de sturende opmerkingen die de partner maakt over het eigen gedrag. Geschillen tussen partners worden niet beslecht in het voordeel van de een of de ander – er is in de relatie geen onevenwicht, geen onderdrukker en onderdrukte. De islam vertrekt van een sterk verankerd centraal gelijkheidsbeginsel van man en vrouw. [15]. Ontstaan er geschillen, dan worden die uitgepraat op basis van wat God ervan wil. Het is niet de wil van de man of die van de vrouw die telt, het is de gezamenlijke oriëntatie op God die telt. Onoplosbare conflicten, worden naar God verwezen. In een dergelijke relatie, is er bij een conflict geen 'winnaar', geen 'verliezer'. Beide partners houden de blik op God gericht en helpen elkaar op het rechte pad te blijven.

Het hele concept van liefhebben omwille van God zit diep in de Islam verankerd. Het heeft in de eerste plaats te maken met hoe muslims met elkaar omgaan, maar geldt bij uitbreiding ook voor de manier waarop muslims met niet-muslims omgaan. Daarbij geldt dat men dit zal doen op een manier die door God goed bevonden wordt en dat men voor de omgangsregels zal vermijden wat door God afgekeurd wordt. In grote lijnen komt het hier op neer dat men iedereen respectvol, attent, vriendelijk en rechtvaardig zal behandelen. Details kan men vinden in de tekst : "Omgaan met niet-muslims". [16].


3.2. Naastenliefde

Laatst hoorde ik op televisie een aspirant-priester 'naastenliefde' als de 'core-business' van het christendom omschrijven. Dat mag dan wel zo zijn, maar het christendom staat daarin zeker niet alleen: ook in de islam staat naastenliefde centraal. Het islamitisch equivalent voor het christelijke 'bemin uw naaste zoals uzelf' luidt :

« Niemand onder jullie zal geloven tot wanneer hij voor zijn broeder wil wat hij voor zichzelf graag heeft. » (Bukhari)

Islam schrijft zijn leden voor vriendelijk, respectvol om te gaan met iedereen, ook met niet-muslims. In de Koran en de Sunnah vindt men tal van voorschriften die regelen hoe men met 'buren' moet omgaan – dat slaat in islamitische zin op iedereen in de naaste omgeving, ongeacht geloof, nationaliteit, huidskleur, bezit of wat dan ook. Zo moet een muslim wanneer hij het goed stelt, er voor zorgen dat zijn (gelovige of niet-gelovige) buren geen honger hebben. Doet hij dat niet, dan vervalt hij zelfs in ongeloof:

« Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige. » (Uitspraak van Profeet Mohamed, Bukhari)

Een welstellende muslim moet met andere woorden van zijn rijkdom delen met zijn (eventueel niet-islamitische) buren. Doet hij dat niet, dan effent hij zijn eigen pad naar de hel. Muslims mogen niemand schade berokken, dus ook niet hun buren. Een muslim die bidt en vast, maar zijn (gelovige of niet-gelovige) buren zelfs maar beledigt, wordt eveneens de hel toegezegd:

« Een man vroeg: "O Boodschapper van God! Er is een vrouw die bidt, aan liefdadigheid doet en vaak vast, maar ze kwetst haar buur met haar woorden (door hem te beledigen)." De Boodschapper van God zei: "Ze zal naar de Hel gaan". De Man zei: "O Boodschapper van God! Er is een andere vrouw die bekend staat voor hoe weinig zij vast en bidt, maar ze geeft aan goede werken van de gedroogde yoghurt die ze maakt, en ze doet haar buren geen kwaad.". Hij zei: "Zij zal naar het Paradijs gaan". » (Musnad Ahmad, gemeld door Abu Hurayrah)

Er wordt integendeel een beloning in het vooruitzicht gesteld voor een muslim die geduldig een lastige buur verdraagt:

«De Boodschapper van God zei: Er zijn er drie die God liefheeft... (een van hen is) hij die een buur heeft die hem stoort, maar die dat geduldig verdraagt tot ze gescheiden worden door de dood of tot een van hen verhuist. » (Musnad Ahmad, gemeld door Abu Darr)


3.3. Liefdadigheid

Nauw verwant met naastenliefde, is liefdadigheid die in de islam een zo belangrijke plaats inneemt dat het de vijfde pijler vormt naast geloof, gebed, vasten en bedevaart.

De islam erkent het recht op bezit, met dien verstande dat dit recht niet absoluut is. Alles blijft God toebehoren, zodat het recht op bezit gekoppeld wordt aan de voorwaarde dat men ermee omspringt zoals God dat wil. [17]. Dit betekent onder meer dat men bezit op rechtmatige wijze moet verwerven (niet door diefstal, gokken enz). Bovendien wordt bezitsrecht van de een getemperd door het recht op een minimale levensstandaard van de ander. Rijkdom wordt in de islam trouwens niet beschouwd als een speciale zegening van God. Het kan net zo goed een vloek zijn. Rijken kunnen dan ook niet beweren dat hun welstellendheid een teken is dat God aan hun kant staat, en kunnen zich niet op hun rijkdom beroepen om zich meer te achten dan een ander of om een leidinggevende plaats af te dwingen. Er moet integendeel een voortdurende herverdeling plaatsvinden van materiële en immateriële welvaart. Dat gebeurt volgens twee vormen van liefdadigheid.

  1. Zakaat

    Er bestaan twee vormen van zakaat: zakaat al-mal en zakaat al-fitr.

    Zakaat al-mal is de liefdadigheid die elk jaar betaald dient te worden. In principe kan dit bedrag om het even wanneer betaald worden, maar de voorkeur gaat uit naar een betaling zo snel mogelijk na de vastenmaand.

     Het bedrag wordt bepaald als 2,5 percent op alles wat men bezit boven een bepaald minimaal (zowel roerend als onroerend) vermogen (mal). Het woord "zakaat" is afgeleid van het werkwoord "zaka", dat betekent: voorspoedig zijn, gedijen, maar ook: puur zijn in het hart, rechtvaardig zijn. Zodoende worden rechtvaardigheid, integriteit, voorspoed, naastenliefde, enz. aan elkaar verbonden.

    De Koran verleent (vertegenwoordigers van) de gemeenschap het recht om deze bijdragen in te vorderen. Het is dus een formeel georganiseerde vorm van herverdeling van de welvaart op het niveau van de gemeenschap, waarbij de gemeenschappelijke 'pot' aangewend wordt om de meest noodlijdenden te helpen. Aan wie dit bedrag mag besteed worden, wordt onder meer bepaald in volgend vers opgesomd:

    «Vroomheid is niet dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen wendt, maar vroom is wie gelooft in God, in de laatste dag, in de engelen, in het boek en in de profeten en wie zijn bezit, hoe lief hij dat ook heeft, geeft aan de verwanten, de wezen, de behoeftigen, aan hem die onderweg is, aan de bedelaars en voor de [vrijkoop van] de slaven, en wie de salaat verricht en de zakaat geeft en wie hun verbintenis nakomen, als zij een verbintenis zijn aangegaan en wie volhardend zijn in tegenspoed en rampspoed en ten tijde van strijd. Zij zijn het die oprecht zijn en dat zijn de godvrezenden.» (Koran 2:177)

    Dit vers beklemtoont dat vroomheid niet uit formeel gebed (alleen) bestaat, maar vooral ook uit het stellen van goede daden en het bedrijven van liefdadigheid, het trouw zijn aan een gegeven woord, en zo meer. Muslims beschouwen deze liefdadigheidsbijdrage dan ook niet als een 'belasting' maar als een religieuze daad (zoals men bidden ervaart als een een religieuze daad). Het is een religieuze aangelegenheid aan de hand waarvan men het eigen bezit als het ware zuivert, door ervan af te staan aan armen.

    Daarnaast is er nog een zakaat-al-fitr, een vaste liefdadigheid die in hoofde van elk gezinslid aan het einde van de ramadan, voor Eid ul Fitr, dient betaald te worden. Volgens sommige rechtsscholen gaat het om een (bescheiden) geldbedrag (waarvan de hoogte jaarlijks bepaald wordt door de plaatselijke moskeeën - bijvoorbeeld 4 of 5 euro), volgens andere rechtsscholen moet men effectief voedsel geven, zoals ruim 2 kg bonen, rijst, enz.  Ook deze zakaat is een manier om het bezit te zuiveren. Het is tegelijk een dankbetuiging aan God die de persoon in staat stelde zich aan zijn vasten te houden. Daarnaast heeft deze zakaat eveneens een sociale functie: op die manier kunnen ook de armen op waardige wijze Eid ul Fitr vieren
     

  2. Sadaqah

    Sadaqah van de wortel "sadaqa" (de waarheid spreken waarachtig zijn) is de tweede, niet formeel gereguleerde, vorm van liefdadigheid. De Koran maakt deze vorm van liefdadigheid evenzeer tot een verplichting (Koran 9:60) maar omdat deze liefdadigheid niet centraal geïnd en herverdeeld wordt en er geen vast bedrag op staat, noemt met dit wel eens de 'vrijwillige' liefdadigheid. Deze vorm van liefdadigheid wordt immers niet bepaald door de grootte van het eigen vermogen maar wel door de noden van het moment. Als er zich in een gemeenschap armen bevinden, om welke reden dan ook, is het de plicht van de rijken hun nood te lenigen – bovenop de zakaat die ze reeds betaalden. Zo niet, kiest men koers voor de hel. Dit verduidelijkt de betekenis van de eerder geciteerde uitspraak van Mohamed:

    «Hij die eet tot hij gevuld is terwijl zijn buur naast hem honger heeft, is geen gelovige.» (Uitspraak van Profeet Mohamed, in Saheeh Bukhari)

    In de liefdadigheid doet men bij voorkeur afstand van datgene waaraan men meest gehecht is:

    «Jullie zullen de vroomheid niet bereiken totdat jullie van wat jullie liefhebben bijdragen geven. En wat jullie ook aan bijdragen geven, God weet ervan.» (Koran 3:92)

    Dit onderlijnt het 'zuiverende' effect van de liefdadigheid. Het is een gedenken van het geloof dat alles God toebehoort en dat, hoewel er bezitsrecht is, dit bezit geen doel op zich is en men met het bezit moet omgaan volgens de door de Ultieme Bezitter vooropgestelde richtlijnen. Men mag er zich dus niet aan 'hechten', want als er zich in de gemeenschap een nood voordoet, moet men het eigen bezit gebruiken voor het lenigen van die nood.

    De profeet omschreef liefdadigheid als "iets in de palm van Gods hand plaatsen". [18] En wie wil er nu iets waardeloos aan God geven? Wat men aan de naaste doet, doet men aldus voor God. Daarbij gaat het niet enkel om materiële zaken. Profeet Mohamed zei:

    « Rijkdom ligt niet in de overvloed van (wereldlijke) goederen maar rijkdom, is de rijkdom van de ziel (het hart, het zelf). » (Muslim, gemeld door Abu Hurayrah)

    Liefdadigheid heeft dus ook te maken met het lenigen van de emotionele, psychische en spirituele noden van een ander. Daarom kan zelfs een glimlach of een vriendelijke begroetingen van de ander, een vorm van liefdadigheid - en dus van geloof - zijn. Profeet Mohamed zei:

    « Onderschat gelijk welke goede daad niet, zelfs al is het maar het begroeten van je broeder met een blijde blik. » (Muslim)

    « Je glimlach naar je broeder is een daad van liefdadigheid (sadaqah).» (Al Tirmidhi)

    Bovendien wordt liefdadigheid niet beperkt tot mensen, maar strekt het zich uit tot de dieren. Goed doen voor een dier, zelfs al is het een spreeuw, wordt beschouwd als een daad van liefdadigheid. [19]

    « De Profeet werd gevraagd of liefdadigheid zelfs tot de dieren, beloond werd door God. Hij antwoordde: "ja, er is beloning voor daden van liefdadigheid tegenover elk levend wezen." » (Gemeld door Abu Huraira. Bukhari, Muslim)

    « De heilige Profeet Mohamed zei: "Hij die medelijden heeft met (zelfs maar) een spreeuw en zijn leven spaart, voor hem zal God genadig zijn op de Dag des Oordeels."» (Gemeld door Abu Umama. Doorgegeven door Al-Tabarani)

    Zelfs het planten van een boom waar een dier kan in schuilen, of waar een dier kan van eten, is een vorm van liefdadigheid.

    « Een muslim die een boom plant of een veld inzaait waarvan mensen, vogels en dieren kunnen eten, stelt een daad van liefdadigheid. » (Muslim)

    Liefdadigheid wordt in de Islam bedreven om God te behagen – net zoals men bidt, vast of op bedevaart gaat om God te behagen. Daarom gebeurt het ook in stilte. Opscheppen over de liefdadige werken, maakt de liefdadigheid immers waardeloos. Het is de intentie die telt: wil men God behagen (dat hoeft niemand te weten), of wil men aanzien verwerven onder mensen?

    « Jullie die geloven! Maakt jullie aalmoezen niet waardeloos door gepoch en ergernis zoals hij die zijn bezit weggeeft om door de mensen gezien te worden ..." » (Koran 2:264)

    Geven als opschepperij is erger dan niets te geven. Het is in de islam niet de gewoonte grote publieke acties op touw te zetten om geld te vergaren voor een of andere door een ramp getroffen groep mensen. In de muslimgemeenschappen gebeurt dit in alle stilte. Liefdadigheid wordt ervaren als een vanzelfsprekend onderdeel van het geloof, zodat het geen grote campagnes behoeft. De liefdadigheid moet er niet door de media 'op gang getrokken' worden, maar ontstaat spontaan vanuit de basis. Wat men doet aan liefdadigheid, doet men immers (gedreven door liefde) voor God.



Nawoord

De eerste woorden van de Koran, "Bismillah Al Rahman Al Rahim", schetsen meteen het kader waarin de rest van het boek - en dus de hele islam - begrepen moet worden: een onaflatende stroom van genade van een unieke God voor de mensen, ongeacht of ze het verdienen of niet, met een surplus aan bijzondere liefde en vergevingsgezindheid voor mensen die zich aan Gods voorschriften houden. Zo wordt de hele relatie tussen mens en God gestuurd door wederkerigheid. De barmhartigheid van God wordt beantwoord in de manier waarop de gelovige zich tot God verhoudt: de gelovige geeft zich over aan God, niet uit schrik voor Gods wraak, maar uit liefde en dankbaarheid, uit besef van verantwoordelijkheid. Vrijheid staat in deze liefdesband centraal. Maar vrijheid en genade zijn gebonden aan moraliteit en rechtvaardigheid. Men kan er niet zomaar op los leven vanuit de gedachte dat God de bron is van alle liefde. Liefde dekt geen onrecht en immoreel gedrag (tegenover zichzelf, anderen, dieren of milieu) toe. De omgang met anderen is erop gericht elkaar te helpen het beste dat men in zich heeft, naar boven te brengen. Zo leidt de liefde van, voor en omwille van God niet alleen tot innerlijke vrede, maar ook tot vrede in de samenleving.
 

_______________________________



Noten

  1. Koranverzen komen overwegend uit of zijn gebaseerd op de vertaling van Fred Leemhuis, met dien verstande dat de Arabische namen vervangen werden door de Nederlandse equivalenten ervan (Abraham ipv Ibrahim enz.). In een aantal gevallen werd evenwel de voorkeur gegeven aan eigen Nederlandse vertalingen van de Engelse versie van Yusuf Ali.
     
  2. "Lectures by Yusuf Islam, The Purpose of Creation". Talk first given by Yusuf Islam on September 24, 1988 as part of the Islamic Circle Talks presented every Saturday at London's Regent's Park Mosque. - klik hier!
     
  3. Volgens Ibn Taimiyyah, Ibn Hajar en Al Suyuti is er geen bekend isnad voor. Al Qari zegt dat de betekenis ervan evenwel correct is - http://www.usc.edu/dept/MSA/fundamentals/hadithsunnah/scienceofhadith/aape.html#G3
     
  4. "Dierenrechten in de Islam" - op deze site
     
  5. "God and Love",Dr Ahmad Shafaat, with modifications and clarifications by Anjum Jaleel. - http://www.themodernreligion.com/basic/basic_Godlove.htm
     
  6. "Terrorisme, voor of tegen God?" - op deze site
     
  7. Zie teksten in de reeks Koran Notities: Godsdienstvrijheid in de Islam - op deze site; Vrijheid van Meningsuiting - een koranisch Perspectief - op deze site; en De Koran over Mensenrechten: hefboom of hindernis voor integratie? - op deze site
     
  8. "Islam is the Religion of Love", Ahmed Mirza MD - http://www.nfie.com/mirza.html
     
  9. Willibrordvertaling
     
  10. "Koranische Psychologie: een reis naar het (inwendige) paradijs - op deze site
     
  11. zie noot 10.
     
  12. "Dierenrechten in de Islam" - op deze site
     
  13. zie noot 7.
     
  14. Zie: "De Koran over Mensenrechten, hefboom of hindernis voor integratie?" - deze site
     
  15. Zie: "Staan mannen boven vrouwen?" -op deze site
     
  16. Zie: "Omgaan met niet-muslims" - op deze site
     
  17. Zie: "recht op bezit" in: "De Koran over Mensenrechten: hefboom of hinderpaal voor integratie" - op deze site
     
  18. "The Concept of Charity in Islam", Maulana Wahiduddin Khan; J&K Insight - http://www.jammu-kashmir.com/insights/insight20000330a.html
     
  19. zie noot 12.
© Linda Bogaert, 2005.
PS
De (Nederlandstalige) Koran-citaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013