KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Godsdientsvrijheid in de Islam


Sommigen zullen de titel van dit werkstuk als een contradictio in terminis beschouwen. Vaak wordt immers geopperd dat Islam een model zou zijn dat door de leden ervan desnoods met geweld wordt opgelegd aan andersdenkenden. Uit een analyse van de Koran 1 en de Sunnah 2 blijkt evenwel dat godsdienstvrijheid in de Islam een zodanig centrale plaats inneemt dat zonder godsdienstvrijheid Islam zelfs niet kan bestaan. Voor een geslaagde integratie van Muslims in onze Westerse samenlevingen is het belangrijk dergelijke universele waarden in de Islam te (h)erkennen (in plaats van te ontkennen) en deze aan te wenden als bindmiddel.

Zin van het leven.

De centrale rol van vrijheid van godsdienst wordt meteen duidelijk in de manier waarop Islam zin geeft aan het leven. Deze concepten worden van in het allerprilste begin, het Scheppingsverhaal, gevestigd. Islam gelooft dat God eerst de Engelen geschapen heeft (uit zuiver licht), vervolgens de Jinns (uit rookloos vuur) en tenslotte de mens, Adam (uit klei, d.i. water en aarde). Op een gegeven moment droeg God Adam op de naam van alle Engelen te leren. Toen Adam daarmee klaar was, riep God alle Engelen en Jinns erbij, en begon Hij Adam te ondervragen. Adam gaf overal het goede antwoord op. Hierop beval God de Engelen en Jinns te buigen voor Adam, als teken van respect. Iblis (Satan) weigerde dit goddelijk bevel op te volgen. Hij achtte zichzelf superieur aan Adam die "slechts uit aarde" geschapen was. Voor deze ongehoorzaamheid aan God, werd Iblis door God gestraft met verbanning naar de Hel. Iblis vroeg God echter deze straf uit te stellen tot op de Dag van het Laatste Oordeel. Iblis zei dat hij er, met de hulp van de Jinns die hem volgen, tegen dan zou in slagen de meerderheid van de mensen van het pad van God af te halen om hen tot zijn eigen volgelingen te maken. God stond Iblis dit verzoek toe, maar gaf ook aan dat op Oordeelsdag al de mensen die Iblis volgen mee naar de hel zullen worden gestuurd. 3

Hier vallen al meteen een paar zaken op:

  1. Iblis geniet duidelijk de vrijheid om in te gaan tegen een bevel van God. Dit principe wordt al van in het allerprilste begin gevestigd.

  2. Wanneer Iblis geen gevolg geeft aan een goddelijk bevel om respect te betonen aan Adam is het niet Adam (de mens) die Iblis straft, maar wel God.

Het vervolg van het verhaal leert dat Adam zich verveelde en onrustig was, en er daarom een partner bijkreeg, Eva. Ze kregen gans het Paradijs ter hunner beschikking met uitzondering van de vruchten van één enkele boom. Op Goddelijk bevel mochten ze die vruchten niet eten. Iblis, die daar ook rondliep, zag al meteen zijn kans schoon. Hij begon in te praten op Adam en Eva: of ze wel wisten wat voor fruit dat was? En waarom God niet wou dat ze er van aten? Iblis hield hen voor dat ze door het eten van deze vruchten voor eeuwig als Engelen zouden worden, en dat God hen dit niet gunde. 4 Aanvankelijk geloofden Adam en Eva er niets van, maar geleidelijk aan begonnen ze het toch in overweging te nemen. Uiteindelijk besloten ze allebei van het fruit te eten. Terloops merken we hier op dat het niet Eva is die Adam ertoe overhaalt van de vruchten van de verboden boom te eten. Er staat zelfs nergens dat Eva eerst van de vruchten zou gegeten hebben. Ze hebben er beiden van gegeten en ze hebben zich daar beiden toe laten verleiden door Iblis. 5 Eva (de vrouw) is in de Islam niet beladen met het archetype van "verleidster tot zonde".

God wist natuurlijk ogenblikkelijk dat Adam en Eva gezondigd hadden. Hij strafte hen met verbanning uit het Paradijs. Ze beseften hun stommiteit, begonnen te jammeren en smeekten God hen te vergeven. In het Islamitisch Scheppingsverhaal, geeft God blijk van Zijn Barmhartigheid en vergeeft Hij Adam en Eva hun zonde. Hij geeft hen een nieuwe kans: wanneer ze zich op aarde wèl houden aan de goddelijke geboden, kunnen ze na hun dood naar het Paradijs terugkeren.

Vaststellingen:

  1. In Islam is er geen Erfzonde. Elk kind wordt volledig "puur" en vrij van zonden geboren.

  2. De terugkeer naar het Paradijs gebeurt op basis van beoordeling door God van het gedrag van de mens, en vooral ook op basis van de intentie die dit gedrag stuurt. 6

Dit verhaal reikt al meteen de zingeving voor het leven aan. Het leven is met name een test:

"Wij hebben alles wat er op de aarde is tot een versiering gemaakt om hen op de proef te stellen wie van hen het beste is in wat hij doet." (Koran 18:7)

Om een test te kunnen doorlopen, moet men vrijheid van keuze hebben. Anders is er van een test geen sprake. Het hele zingevingsproces is gebouwd op de vrijheid te kunnen kiezen hoe men zich gedraagt en of men daarbij de Goddelijke Bepalingen dan wel het advies van Iblis volgt. Het is op de manier waarop de mens die vrijheid heeft benut, dat hij op Oordeelsdag zal beoordeeld worden om vervolgens een eeuwigheid in Hemel of Hel door te brengen, al is God ook Genadig en kan men ook hopen op Vergeving van zonden.

Toegankelijkheid van de Hemel.

Het criterium voor de beoordeling van het gedrag van de mens op Oordeelsdag, is de Goddelijke Wil zoals deze via de talrijke Profeten geopenbaard werd in de geloofsgemeenschap waartoe men behoort. Dit betekent dus dat volgens de Islam, alle mensen die leven volgens de Goddelijke Openbaringen, naar de Hemel kunnen gaan, ongeacht de naam van hun geloof. Deze regel wordt in de Koran bij herhaling gevestigd, zoals bijvoorbeeld in:

"Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)

Vermits beoordeling gebeurt op het gedrag (en de intentie ervoor 6) , zijn Muslims er zelf niet zeker van dat ze naar de Hemel zullen gaan - wanneer ze zich slecht gedragen hebben kunnen ze in de Hel terechtkomen. Anderzijds kunnen volgens de Islam ook Joden of Christenen naar de Hemel gaan.

Uit dit alles blijkt dat er met het oog op de redding van de ziel in de Islam geen dwingende reden bestaat om zich te bekeren tot de Islam. Vooreest biedt bekering tot de Islam geen garantie dat de ziel gered is, dat ze naar de Hemel zal gaan. En daarnaast kunnen ook niet-Muslims naar de Hemel gaan.

In sommige andere religies is de "redding van de ziel" afhankelijk van het lidmaatschap van de godsdienst, kunnen alleen de leden van het eigen geloof naar de Hemel gaan en worden alle niet-leden als heidenen aanzien die naar de Hel zullen gaan. Dit is niet het geval in de Islam, volgens dewelke dus ook niet-Muslims tot het Paradijs kunnen toegelaten worden.

Vrijheid van godsdienst.

Bovendien stelt Islam dat alleen God kan en zal oordelen over het geloof. Muslims mogen niet oordelen over het geloof van anderen. Dit principe gaat zelfs zo ver dat er een Islamitische uitdrukking is die zegt dat wanneer een Muslim een andere Muslim van ongeloof beschuldigt, er al minstens één ongelovige is, met name diegene die de andere beschuldigt van ongeloof. Immers, oordelen over geloof is iets wat alleen God toekomt. Islam is gebouwd rond het centrale concept dat er geen god is dan God. Zich een goddelijke taak aanmeten, komt neer op het zich gelijkstellen aan God, en is dus de zwaarste zonde die men zich kan inbeelden. Er bestaat in de Islam ook geen instantie die Muslims kan "excommuniceren". Alleen God oordeelt over geloof en ongeloof.

De Koran stelt bij herhaling dat mensen vrij zijn te geloven wat ze willen.

"Zeg: "O ongelovigen. Ik zal niet dienen wat jullie dienen. En jullie dienen niet wat ik dien. En ik dien niet wat jullie dienen. En jullie dienen niet wat ik dien. Jullie hebben jullie godsdienst en ik heb mijn godsdienst." (109:1-6)

Daarbij hoort ook de keuze ongelovig te zijn.

"Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn." (Koran 18:29)

Er is dus niet alleen de vrijheid van om het even welke van de Profeten te volgen, maar er is ook de vrijheid God de rug toe te keren of te geloven dat God helemaal niet bestaat.

Verbod van dwang.

Tot dusver werd de godsdienstvrijheid positief gedefinieerd als een vrijheid op grond waarvan men kan kiezen wat men wil geloven. Om het belang ervan ondubbelzinnig te vestigen wordt door de Koran ook het omgekeerde van godsdienstvrijheid, nl. dwang, verboden.

"In de godsdienst is er geen dwang." (Koran, 2:256)

Muslims zijn immers slechts waarschuwers, overbrengers van de Boodschap. Zij mogen niemand dwingen.

"Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen."(Koran 88:22-23)

Zij mogen mensen wel vriendelijk "uitnodigen" (Da'wah) tot de Islam, maar daar eindigt het.

"en als iemand dwaalt zeg dan: "Ik behoor slechts tot de waarschuwers". (Koran 27:91)

De misvatting dat Islam met dwang en geweld verspreid zou moeten worden, wordt dan ook helemaal tegengesproken door de Koran.

Er dient overigens op gewezen te worden dat Islam - het zich onderwerpen aan God - alleen maar mogelijk is wanneer men vrij is om dat te doen. Vandaar ook dat Muslims er moeten voor zorgen dat dit soort vrijheid gegarandeerd is in hun samenlevingen. Het garanderen van godsdienstvrijheid behoort tot de kern van de Islamitische regelgeving.

Moet men de ongelovigen dan niet doden?

Staat er dan niet in de Koran dat ongelovigen gedood moeten worden?

"En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, slaat hen dan dood..." (Koran, 47:4)

Dit vers handelt niet over geloof of ongeloof, maar vestigt principes van de krijgswet. Uit de Sunnah blijkt dat het vers geopenbaard werd naar aanleiding van de strijd om Badr, en dat dit vers alleen van toepassing is op de vijand in een oorlog ("in de strijd"), een vijand die in de slag om Badr uit ongelovigen bleek te bestaan.

De hoofdregel in de Islam is dat alle leven heilig en onschendbaar is. De Koran stelt dat wie iemand doodt, "het is alsof hij de hele mensheid heeft gedood" (5:32). Het vers 47:4 vormt daarop een uitzondering: in een oorlogssituatie kan het doden van de vijand onder bepaalde omstandigheden in het heetst van de strijd toegestaan zijn als men om logistieke en militaire redenen niet in staat is gevangenen te nemen. Dit is dus ook weer geen algemene oorlogsregel, want in andere oorlogsomstandigheden, als de militaire mogelijkheden het toestaan, beveelt de Koran aan de vijand krijgsgevangen te nemen om hem later weer vrij te laten, zoals blijkt uit het vervolg van hetzelfde vers:

"... maar wanneer jullie dan de overhand over hen gekregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten hetzij om hen lost te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. " (Koran 47:4)

Het is nu duidelijk dat vers 47:4 de krijgswet tot voorwerp heeft, en in se niets te maken heeft met geloof of ongeloof. Het vers spreekt de algemene regel van godsdienstvrijheid dus helemaal niet tegen, en is al zeker geen algemene regel die stelt dat ongelovigen moeten gedood worden. Het vers handelt uitsluitend over respectievelijk doden of krijgsgevangen nemen van de vijand in een oorlogssituatie.

Geldt godsdienstvrijheid ook voor Muslims?

Rest er nog te bekijken of de godsdienstvrijheid ook geldt voor Muslims zelf. Met andere woorden: mogen Muslims Islam de rug toekeren? Want wordt er niet gezegd dat Muslims die de Islam verlaten hebben gedood moeten worden? Voor zover deze mening door sommige Muslims en niet-Muslims verkondigd wordt, is zij in elk geval niet in overeenstemming met wat een aantal Islamitische geleerden ervan zeggen. Zo beklemtoont Maulana Inayatullah Asad Subhani 7 dat de godsdienstvrijheid ook geldt voor Muslims. Er wordt in sommige verzen in de Koran evenwel straf voorzien voor mensen die de Islam verlaten, maar deze straf wordt zonder uitzondering door God opgelegd (en niet door de mens). Het betreffen verzen met een "ontradend effect", die Muslims die de Islam verlaten tegenspoed in het huidige leven of een straf in het hiernamaals in het vooruitzicht stellen. Er is echter nergens in de Koran sprake van dat de "ex" Muslim in het huidige leven door mensen gestraft zouden moeten worden.

Het misverstand dat afvallige Muslims de doodstraf zouden moeten krijgen, berust op een verkeerde interpretatie van een hadith (uitspraak van Mohamed), die zei: Man baddala Dinahu faqtuluh ("dood hem die van godsdienst verandert"). Ook hier hebben we echter te maken met een regel uit de krijgswet en niet met een regel over geloof of ongeloof. Want wat was er gebeurd? Een aantal Joden uit Medinah hadden een plan beraamd om de Muslimgemeenschap te destabiliseren. Er zouden zich telkens een paar Joden in de schijn bekeren tot de Islam, om even later de Islam weer af te zweren. Dit plan zou telkens weer herhaald worden om op die manier twijfel te zaaien en onrust te doen onstaan in de Muslimgemeenschap. Toen de Profeet hiervan lucht kreeg, gaf hij bevel hen te doden. Geleerden beklemtonen dat de doodstraf hier niet uitgesproken werd omdat zij de Islam afgezworen hadden, maar omdat zij in oorlog waren met de Muslims en omdat zij met hun subversieve daden de Islamitische regering en samenleving wilden ondermijnen. De regel van de Profeet had dus betrekking op deze zeer specifieke situatie van met name hoogverraad, en had niets te maken met het geloof van de mensen in kwestie maar wel met hun subversie tegen de staat. Er is geen enkel geval bekend waarin Profeet Mohamed de doodstraf uitgesproken heeft over iemand die Islam de rug toekeerde. In geloofszaken is volgens Islam immers iedereen vrij te geloven wat hij wil, of te kiezen dat hij helemaal niet gelooft. Die vrijheid geldt ook voor Muslims. Deze stelling wordt door een groot aantal geleerden in de Islam uit heden en verleden onderschreven. 8

Hieruit blijkt nog maar eens dat men zeer voorzichtig moet zijn met het citeren uit de Koran en de Sunnah. Het is erg belangrijk het groter kader te kennen om daarbinnen bepaalde verzen of uitspraken van Mohamed te kunnen situeren en interpreteren.


Besluit.


Uit hetgeen vooraf ging blijkt de centrale rol van de godsdienstvrijheid in de Islam. Islam betekent "overgave aan God". Dit vooronderstelt dat mensen vrij zijn om zich over te geven aan God. Zonder deze vrijheid, kan er niet eens sprake zijn van Islam.

De zin van het leven zelf, is zeer innig verbonden met deze godsdienstvrijheid. Het leven is een test - vrijheid van keuze is inherent aan een test. Hoe men de eeuwigheid doorbrengt in het hiernamaals, is gebaseerd op de manier waarop men deze vrijheid aanwendt. Godsdienstvrijheid behoort werkelijk tot de essentie van het gehele Islamitisch model.

De Koran en de Sunnah, en de daarop gebaseerde Islamitische Wet, vestigt niet alleen het principe van godsdienstvrijheid, maar verbiedt ook het omgekeerde ervan, namelijk het gebruik van dwang. Achterliggende gedachte is dat de redding van de ziel niet afhangt van de naam van de geloofsgroep waartoe men behoort, maar wel van het gedrag en de mate waarin dit op grond van de eigen vrije wil in overeenstemming is met de Goddelijke Bepalingen, iets waar uiteindelijk alleen God kan over oordelen omdat alleen Hij in de harten van de mensen kan kijken.

De centrale, cruciale rol van godsdienstvrijheid in de Islam is niet zonder belang voor de integratie van Muslims in de Westerse samenlevingen. Eerder dan het vervagen en zelfs uitwissen van hun godsdienstige identiteit als voorwaarde te stellen voor integratie van Muslims in onze samenlevingen, ware het raadzamer de universele waarden in de Islam te (h)erkennen en te beklemtonen, waarden als godsdienstvrijheid, gelijkheid, broederlijkheid, afwijzen van racisme, enz., waarden waar ook de Europese samenlevingen rond gebouwd zijn. Deze universele waarden kunnen immers dienen als cement voor een succesvolle integratie.

___________________


VOETNOTEN

  1. De Koran is het geheel van Openbaringen van God aan de Profeet Mohamed, overgebracht via de Aartsengel Gabriël. De Arabische Koran is de enige echte Koran. Alle vertalingen zijn slechts "interpretaties door vertalers".

  2. De Sunnah is de verzameling van uitspraken (ahadith) en handelingen van de Profeet Mohamed.

  3. Koran 2:30-396, 7:11-18; 15:31-45; 17:61-65; 18:50, 20:116-127; 34:20-21; ...

  4. "Shaytan's Deceit with Adam and Hawwa' and Their eating from the Forbidden Tree", Tafsir Ibn Kathir - http://www.tafsir.com/default.asp?sid=7&tid=17618

  5. "Women in Islam Versus Women in the Judaeo-Christian Tradition The Myth and The Reality", Sherif Abdel Azim, Ph.D.- Queens University, Kingston, Ontario, Canada - http://www.islamicity.com/mosque/w_islam/eve.htm"

  6. "Er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u onvrijwillig vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. God is Vergevensgezind, Genadevol." (Koran 33:5)

  7. "Apostasy doesn't carry death penalty in Islam", Maulana Inayatullah Asad Subhani, Reviewed by S. Ubaidur Rahman. In: The Milli Gazette, 01/04/2002 - http://www.milligazette.com/Archives/01042002/0104200205.htm

  8. Onder andere Ibrahim al-Nakhai, Sufyan al-Thawri, Ibn al-Walid al-Baji, Ibn Taymiyyah, Mahmud Shaltut (gewezen Sheikh van al-Azhar), Mahmassani, etc. zeggen allemaal dat afvalligheid een ernstige zonde is, maar niet van die aard dat ze de doodstraf vereist (bron: "Punishment In Islamic Law: A Critique Of The Hudud Bill Of Kelantan, Malaysia", Mohammed Hashim Kamali, The Fiqh.org - http://www.thefiqh.org/article.php/18)

© Linda Bogaert, 2004.
PS
De (Nederlandstalige) Koran-citaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013