KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Zet de Koran aan tot geweld ?


Inleiding

We horen het muslims vaak benadrukken: islam is een godsdienst van vrede en keurt geweld krachtig af. Op 17 juni 06 ondertekenden imams die 150 moskeeėn van het Britse Birmingham en omstreken vertegenwoordigen een religieus edict waarin gesteld wordt dat het doden van onschuldige burgers indruist tegen de leerstellingen van de islam. [1]. Islamofoben schuiven ons echter verzen uit de Koran onder de neus waaruit volgens hen moet blijken dat de islam integendeel een model is van agressie tegen en moorddadig geweld op ongelovigen. Wie heeft gelijk? In deze Koran Notitie bekijk ik eerst hoe Koran en Sunnah het belang van vrede en de houding tegenover oorlog definiėren, om vervolgens de schijnbaar tegensprekelijke verzen die door islamofoben geciteerd worden, onder de loep te nemen.
 


1. Vrede is de wenselijke toestand

1.1. Erbarmen en barmhartigheid

De eerste woorden waarmee we geconfronteerd worden wanneer we de Koran openslaan, en die meteen de relatie tussen de lezer en de Auteur vestigen, zijn 'Bismillah al Rahman al Rahim' - in de Naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige. De draagwijdte van deze woorden, kan niet overschat worden. Erbarmer en Barmhartige zijn twee van de 'mooie namen' of 'attributen' van God. Door daarmee de Koran te openen, wordt alles wat in dit boek zal volgen, gekaderd binnen goddelijk erbarmen en barmhartigheid. De diepgang en omvang van de betekenis van deze openingswoorden, werden reeds behandeld in Koran Notitie 'Liefde is Mijn Fundament' [2]. Kort gezegd

  • Bismillah betekent : in de naam van God, aan wie niets of niemand gelijkwaardig is.
  • Al Rahman (de Erbarmer, Genadevolle) verwijst naar de eindeloze liefdevolle genade die God voortdurend aan al zijn schepselen schenkt, zonder dat ze er ook maar iets moeten voor doen, geheel onafhankelijk van hun daden, dus ook als ze Zijn genade niet verdienen. Ook als God mensen straft voor hun zonden en misstappen, kunnen ze nog altijd rekenen op deze rahmah, op deze liefdevolle genade van God.
  • Al Rahim (de Barmhartige) heeft betrekking op het medelijden, dat ietsje meer, dat God schenkt aan de gelovigen die door hun daden Zijn genade verdienen. Al Rahim slaat tevens op de genade die God de gelovigen zal schenken in het hiernamaals. Het heeft ook betrekking op de vergeving die God schenkt aan gelovigen die berouw tonen.

De openingszin van de Koran zet dus al meteen de volledige islamitische levensvisie neer. Eerst en vooral, wordt de uniciteit van God gevestigd, zonder wie niets of niemand zou bestaan. Vervolgens wordt zijn kenmerk Al Rahman geėvoceerd, een kenmerk dat refereert aan Gods veelvuldige goedheid voor alle mensen, altijd en overal, ongeacht hoe ze zich gedragen. Daar wordt Gods genade aan toegevoegd voor diegenen die Hem verheerlijken en om leiding, hulp of vergiffenis vragen. Het is een uitdrukking die daarom warmte, hoop en geborgenheid in zich draagt. Alles wat daarna volgt, wordt binnen dit kader gedefinieerd en moet binnen dit kader begrepen worden. Elk vers, wat er ook de individuele betekenis van is, krijgt pas zijn volledige draagkracht binnen dit kader, ook de bestraffende verzen. Want wanneer bijvoorbeeld een ouder een kind straft door het een week huisarrest te geven, besluit men daar dan uit dat het om een tirannieke, liefdeloze ouder gaat die wil dat het kind zich slaafs aan de ouder onderwerpt? Neen, want het straffen kadert in een liefde van de ouder voor het kind die met het kind het beste voorheeft. Op gelijkaardige manier, staat geen enkel vers van de Koran op zich, maar vormt elk vers onderdeel van het grotere perspectief van de liefde, genade en barmhartigheid van God voor Zijn schepping.

Een eerste gevolg hiervan is dat muslims in hun omgang met anderen – muslims en niet-muslims – zich evenzeer moeten laten kennen door barmhartigheid, genade en vergevingsgezindheid. De islam geeft muslims de levenslange opdracht aan de eigen persoonlijkheid te werken in de richting van een ideaal dat zich kenmerkt door gematigdheid, naastenliefde, discretie, nederigheid, oprechtheid, minzaamheid enz. [3]. Hoe dichter men dat ideaal benadert, hoe groter de innerlijke vrede, hoe groter de kans dat men in het hiernamaals tot het paradijs toegelaten wordt.

1.2. Rechtvaardigheid

Het is geen toeval dat het Arabisch woord islam – in het Nederlands vertaald als 'overgave' – gebouwd is rond dezelfde wortel {s-l-m} als het Arabisch woord salam dat vrede betekent. Volgens de islam, leidt overgave aan God tot vrede – innerlijke vrede, en vrede in de samenleving. Om die toestand te bereiken, speelt naast eerder genoemde barmhartigheid en vergevingsgezindheid, ook rechtvaardigheid een centrale rol. De Koran schrijf voor rechtvaardig te zijn zelfs wanneer het eigen belang daardoor geschaad zou worden:

«Jullie die geloven! Weest standvastig in de gerechtigheid als getuigen voor God, al is het tegen jullie zelf of de ouders of de verwanten. Of het nu om een rijke of om een arme gaat, God staat hen beiden zeer na. Volgt dus niet je geneigdheid om niet rechtvaardig te zijn. Maar als jullie verdraaien of jullie afwenden, dan is God welingelicht over wat jullie doen. » (Koran 4:135)

Ook een afkeer tegenover mensen mag rechtvaardigheid niet in de weg staan:

«Jullie die geloven! Weest standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid. En vreest God. God is welingelicht over wat jullie doen.» (Koran 5:8)

Dergelijke instructies moeten uiteindelijk tot vrede leiden.

1.3. Godsdienstvrijheid

In de Koran nodigt God iedereen uit deelachtig te worden in die vrede:

«En God roept naar het tehuis van Vrede en leidt wie Hij wil naar het rechte pad.» (Koran 10:25)

Dwang wordt evenwel uitgesloten – het staat diegenen die zich niet aangesproken voelen, vrij de uitnodiging in de wind te slaan want:

«In de godsdienst is er geen dwang.» (Koran 2:256)
en
«Waarschuw de mensen, want jij bent slechts een waarschuwer. Je hebt niet de autoriteit om iemand te dwingen.»(Koran 88:22-23)

In weerwil van het in het Westen heersende misverstand, is een islamitische samenleving dus geen samenleving waarin iedereen gedwongen wordt zich tot de islam te bekeren, maar is het integendeel een samenleving die godsdienstvrijheid garandeert. [4]

Men kan hier opmerken dat de vrijheid toch niet volledig is vermits in de Koran de 'ongelovigen' geregeld met straffen door God bedacht worden. Vooreerst is het evenwel zo dat het in dergelijk verzen stuk voor stuk God is die straft; nergens geeft de Koran mensen de toestemming anderen te straffen voor hun ongeloof. Alleen God kan immers oordelen over geloof en kan daar gevolgen aan vastknopen. Bovendien is het zo dat het niet ongeloof zelf is waarom men door God bestraft wordt, maar wel het gedrag dat men uit ongeloof stelt. Het verdrukken van anderen, het 'overtreden van de grenzen' (extremisme) e.d.m. druisen in tegen de bepalingen die door het geloof voorgeschreven worden, en worden dus met ongeloof geassocieerd. [5] Maar zelfs dan is het zo dat in eerste instantie de bestraffing bestaat uit het onthouden van de goddelijke liefde aan mensen die dit onwenselijk gedrag stellen.

Bovendien is in deze verzen gewoonlijk sprake van het bestraffen van 'ongelovigen' (omwille van hun gedrag), niet van het straffen van 'niet-muslims'. Dit belangrijk onderscheid wordt zo meteen duidelijk.

1.4. Pluralisme en verdraagzaamheid

Omgekeerd aan het onthouden van liefde en het bestraffen voor mensen die slecht gedrag stellen, wordt devote mensen die rechtschapen handelen als beloning bijzondere liefde van God en vrede in het vooruitzicht gesteld. Ook hieruit blijkt dat de gewenste toestand vrede is.

«God leidt daarmee wie Zijn welgevallen navolgen op de wegen van de vrede, brengt hen met Zijn toestemming uit de duisternis naar het licht en leidt hen op een juiste weg.» (Koran 5:16)
En:
«Waarlijk, in het gedenken van God vinden de harten rust » (Koran 13:28)

Merk op dat deze 'beloning' met vrede niet alleen muslims toekomt, maar alle mensen die in God geloven en goede werken doen. Vroomheid wordt niet gedefinieerd in termen van de gebedsrichting waarin men bidt (m.a.w. de naam van de godsdienst waartoe men zich bekent), maar in termen van geloven in God en stellen van goede daden voor de medemens:

«Vroomheid is niet dat jullie je gezicht naar het oosten en het westen wendt, maar vroom is wie gelooft in God, in de laatste dag, in de engelen, in het boek en in de profeten en wie zijn bezit, hoe lief hij dat ook heeft, geeft aan de verwanten, de wezen, de behoeftigen, aan hem die onderweg is, aan de bedelaars en voor de (vrijkoop van) de slaven, en wie de salaat [gebed] verricht en de zakaat [verplichte liefdadigheid] geeft en wie hun verbintenis nakomen en wie volhardend zijn in tegenspoed en rampspoed en ten tijde van strijd. Zij zijn het die oprecht zijn en dat zijn de godvrezenden.» (Koran 2:177)

De Koran erkent daarmee uitdrukkelijk dat er verschillende wegen zijn om tot God te komen. Meer nog, net zoals de Koran muslims aanmoedigt om volgens de Koran te leven, moedigt de Koran christenen aan om te leven volgens de Evangeliėn, en worden Joden aangemoedigd om te leven volgens de Thora (dat een boek van 'licht' genoemd wordt) :

« En wij hebben de Thora neergezonden met een leidraad erin en een licht, waarmee de profeten die zich [aan God] overgeven oordeel vellen voor hen die het jodendom aanhangen. (...) Vreest dan de mensen niet maar vreest Mij en verkwanselt Mijn tekenen niet. En wie niet oordeel vellen volgens wat God heeft neergezonden, dat zijn de ongelovigen.» (Koran 5:44)

«En wij hebben Jezus, de zoon van Maria, in hun spoor laten volgen als bevestiger van wat er van de Thora voorzijn tijd al was. Wij gaven hem de Evangeliėn met een leidraad erin en een licht ter bevestiging van wat de Thora voor zijn tijd al was en als een leidraad en een aansporing voor de godvrezenden. En laten de mensen van de Evangeliėn oordeel vellen volgens wat God heeft neergezonden. En wie dat niet doen, dat zijn de verdorvenen. » (Koran 5:46-47)

Islam verwerpt daarmee het assimileren van andersgelovigen, maar schrijft integendeel waarachtigheid binnen het eigen geloof voor. Dat gaat zover dat in een maatschappij die op islamitische leest geschoeid is, andersgelovigen eigen rechtbanken mogen opzetten voor zaken als familierecht, erfenisrecht enz zodat zij werkelijk in staat zijn hun geloof zo getrouw mogelijk te beleven. Islam verfoeit hypocrisie en verkiest dat men niet-muslim is maar binnen het eigen model waarachtig, dan dat men muslim en hypocriet is. Hypocrieten (een term die in de Koran voorbehouden is voor muslims die het ene zeggen en het andere doen) worden de diepste putten van de hel toegezegd, erger nog dan waar de ongelovigen terecht zullen komen:

«De huichelaars komen in de laagste verdieping van het vuur en jij zal voor hen geen helper vinden.» (Koran 4:145)

Net zoals muslims die zich niet houden aan hun geloofsvoorschriften met afkeuring bedacht worden, omschrijft de Koran joden en christenen die zich niet aan hun geloof houden, als ongelovigen en verdorvenen. Maar net zoals er bij muslims mensen zijn die zich wel aan hun geloof houden en die daarvoor beloond zullen worden, erkent de Koran dat er ook hij joden en christenen gelovigen zijn die hun beloning niet zullen mislopen:

«Onder de mensen van het boek zijn er die in God geloven, in wat naar jullie is neergezonden en in wat tot hen is neergezonden, terwijl zij zich deemoedig aan God onderwerpen. Zij verkwanselen Gods tekenen niet. Zij zijn het voor wie hun loon bij hun Heer is. ...» (Koran 3:199)

Op die manier, schrijft de Koran respect voor eenieders eigenheid voor. Het bestaan van de verschillende godsdiensten wordt immers beschouwd als een aspect van de goddelijke wil – het is God zelf die voor de verschillende godsdiensten gezorgd heeft, daarom moet men die verschillende godsdiensten respecteren:

«... En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dan met elkaar in goed daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren.» (Koran 5:42-47)
En:
«"Ieder heeft een richting waarheen hij zich wendt. Wedijvert dan met elkaar in goede daden. Waar jullie ook zijn, God zal jullie te samen brengen."» (Koran 2:148)

Dergelijke verzen schrijven meteen ook voor hoe men met die diversiteit in religies moet omgaan: men zal elkaar niet bestrijden, maar met elkaar wedijveren in goede daden. Muslims wordt dan ook voorgeschreven attent, vriendelijk en voorkomend om te gaan met alle mensen, ook met niet-muslims [6]
 


2. Houding tegenover leven en oorlog

2.1. Recht op leven

In zijn afscheidsrede zei Profeet Mohamed:

«Jullie levens en bezittingen zijn voor elkaar verboden tot jullie bij de Heer komen op de Dag van de Wederopstanding.»

De Koran stelt:

« "... dat jullie niemand mogen doden - wat God verboden heeft - behalve volgens het recht... » (Koran 6:151)
en
« "... dat wie iemand doodt anders dan voor doodslag en verderf zaaien op de aarde, het is alsof hij de mensheid gezamenlijk heeft gedood en dat wie iemand laat leven, het is alsof hij de hele mensheid gezamenlijk heeft laten leven » (Koran 5:32)

Dergelijke verzen bestaan uit twee gedeelten:

  1. een gedeelte dat het recht op leven als heilig en onschendbaar definieert

    Dit slaat op de gedeelten "dat jullie niemand mogen doden, wat God verboden heeft" en "wie iemand anders doodt, ..., het is alsof hij de mensheid gezamenlijk heeft gedood".

    Een mensenleven is heilig en onschendbaar, zonder onderscheid van ras, geloof, afkomst, nationaliteit, of wat dan ook. De islam kent dit recht niet alleen aan muslims maar ook aan niet-muslims toe:

    «"Iemand die een Dhimmi doodt, zal zelfs niet de geur van het Paradijs ruiken."» (gemeld door At-Tabarani in Al-Awsat)

  2. een gedeelte waarin een aantal uitzonderingen ingeschreven worden op het recht op leven

    Dit slaat op de gedeelten "behalve volgens het recht" en "anders dan voor doodslag en verderf zaaien op aarde"

    Er is niets vreemd aan dergelijke bepalingen, ook de Belgische wet omschrijft een aantal omstandigheden waarin doden niet bestraft wordt, zoals bij wettige zelfverdediging en in de krijgswet. In de islam is dat niet anders. Zonder deze bepalingen zou een muslim die oog in oog staat met een moordenaar zich niet mogen verweren, zou een soldaat op een slagveld zich niet mogen verweren. Het is juist middels dergelijke bepalingen dat de Koran er op toe zit dat het recht op leven gerespecteerd wordt en dat mensen het recht niet in eigen handen kunnen nemen om willekeurig, wetteloos, anderen te doden. Want dat is moord en wordt uiteraard wel bestraft.

    « En zij die naast God geen andere god aanroepen en die niemand doden - wat God verboden heeft - behalve volgens het recht (...) ; wie dat doet zal een straf moeten ondergaan.» (Koran 25: 68)

    Hoe zwaar de Koran tilt aan het onwettig doden werd duidelijk uit het hoger geciteerd vers 5:32 waarin het onwettig doden van een mens gelijkgesteld wordt aan het uitroeien van de hele mensheid. Vers 5:32 preciseert met name wat onwettig doden inhoudt: "doodslag en verderf zaaien op de aarde". Met dit laatste wordt onder meer terrorisme bedoeld. Dergelijke verzen maken het dus mogelijk diegenen die verderf zaaien en onschuldige mensen doden, met de doodstraf te bedenken. [7]

Dezelfde logica wordt toegepast in de islamitische dierenrechten: het leven van dieren wordt als heilig omschreven. De algemene regel is dat dieren recht op leven hebben en dat hun leven heilig en onschendbaar is. Daarop worden een aantal uitzonderingen op toegestaan, zoals het doden van dieren voor voedsel om de nood aan voedsel te lenigen (waarbij aan nog een hele reeks andere bepalingen moet voldaan zijn: het dier moet een waardig emotioneel, fysisch en sociaal leven gehad hebben en moet op wettige, dit wil in essentie zeggen 'pijnloze' manier gedood worden, het voedsel dat daaruit resulteert mag niet verspild worden enz.). In die wettige omstandigheden mag het dier niet gedood worden alvorens de woorden "in de naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige" uit te spreken, waarmee de mens nogmaals in herinnering gebracht wordt dat het onwettig doden een zwaar vergrijp is. Het niet-wettig doden van een dier wordt immers gerekend tot de hoofdzonden. [8] Als het leven van een dier al zo sterk beschermd wordt, hoe sterk wordt dan niet het leven van mensen beschermd.

2.2. Kain en Abel : het eerste geval van moord

Om de houding van de Koran tegenover moord te onderzoeken, gaan we terug naar het allereerste beschreven geval van geweldpleging door een mens op een mens: het relaas van Kain (Qabil) en Abel (Habil). De koranische passage gaat als volgt:

« En lees hun de mededeling over de twee zonen van Adam naar waarheid voor. Toen zij een offer brachten en het van een van beiden werd aangenomen. En het werd van de ander niet aangenomen. Die zei: "Ik sla jou dood!". Hij zei: "God neem slechts de godvrezenden aan. Ook al strek jij je hand naar mij uit om mij te doden, ik zal mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden. Ik vrees God, de Heer van de wereldbewoners. Ik wens dat jij de zonde aan mij en jouw zonde over je brengt en dan tot de bewoners van het vuur zult behoren. Dat is de vergelding voor de onrechtplegers." Toen zette hij zich ertoe aan om zijn broer te doden en hij doodde hem en zo ging hij tot de verliezers behoren. God zond toen een raaf die in de aarde scharrelde om hem te tonen hij hij het lijk van zijn broer kon bedekken. Hij zei: "Wee mij! Ben ik niet in staat om zoals deze raaf te zijn en het lijk van mijn broer te bedekken?" Zo ging hij behoren tot hen die wroeging hebben."» (Koran 5:27-31)

In dit relaas valt een merkwaardig verschil met het Bijbelse passage vast te stellen, met name dat Abel die door zijn broer Kain met de dood bedreigd wordt, zegt:

«Ook al strek jij je hand naar mij uit om mij te doden, ik zal mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden. Ik vrees God, de Heer van de wereldbewoners. Ik wens dat jij de zonde aan mij en jouw zonde over je brengt en dan tot de bewoners van het vuur zult behoren.» (Koran 5:28)

Dit is een zeer betekenisvolle passage waarop vooral door de liberale islam de nadruk gelegd wordt. [9] Abel staat op het punt vermoord te worden, en zegt tegen zijn moordenaar: ik zal mij niet verzetten. Meer nog, hij zegt: als je mij toch doodt, zal je mijn zonden meenemen naar het hiernamaals. Let wel dat hier niet gezegd wordt dat Kain met de zonden van Abel belast zal worden en zich daarvoor op Oordeelsdag zal moeten verantwoorden. Dit is immers niet mogelijk vermits de Koran stelt dat een mens slechts verantwoordelijk is voor de eigen daden (Koran 2:286). Wat wordt hier dan wel bedoeld? Kain zal door het vermoorden van zijn broer naar de hel gaan. Door geen weerstand te bieden tegen zijn belager, worden de zonden van Abel door Kain meegenomen naar de hel, en is Abel verlost van zijn zonden. Zijn pacifistische houding wordt met andere woorden beloond met een volledige kwijtschelding van al zijn zonden.

Volgens de liberale strekking van de islam, kan men moeilijk een krachtiger pleidooi bedenken voor geweldloosheid en dus pacifisme. Pacifisme wordt al van in het allereerste in de Koran beschreven geval van geweldpleging - en in afwijking van het Bijbelse verhaal over dit voorval - zeer krachtig beloond met vergeving van alle zonden en dus met een plaats in het paradijs.

Merk verder ook op hoe God hier een raaf stuurt om aan de mens te leren wat hij met een lijk moet doen. Mensen worden in de Koran niet opgevoerd als superieur aan de dieren, maar als soort tussen de soorten. In dit vers is een dier zelfs de leermeester van de mens.

2.3. Koranische oorlogsethiek en krijgswet

2.3.1 Inleidend

Niettegenstaande de pacifistische reactie beloond wordt, hecht de Koran ook ontzettend veel belang aan rechtvaardigheid en aan het beschermen van de rechtvaardige, tolerante maatschappij. Om die maatschappij te beschermen, is in sommige zeer nauwkeurig bepaalde omstandigheden - en alleen dan - toegestaan dat men naar de wapens grijpt. Ook daar is niets uitzonderlijk aan: ook het christendom kent het principe van een 'just war', en ook seculiere landen als Belgiė staan in welbepaalde omstandigheden oorlog toe of nemen er aan deel via logistieke, financiėle, morele of militaire ondersteuning.

2.3.2. Wie beslists over oorlog en vrede?

Uiteraard kunnen individuele muslims of groepen of organisaties extremisten, net als in seculiere landen, niet over oorlog en vrede beslissen. In principe is het zo dat een beslissing om een oorlog te verklaren, alleen kan genomen worden door de leider (i.c. kalief) van een eengemaakte ummah (wereldwijde gemeenschap van alle muslims) die vandaag de dag niet eens bestaat. In afwezigheid daarvan, zou een oorlog in principe kunnen verklaard worden bij consensus van representatieve en legitieme leiders die de steun van de grote meerderheid van de ummah genieten, mensen dus die wettelijk als leiders erkend zijn en op een brede basis kunnen rekenen.

2.3.3. Houding tegenover geweld en terrorisme

Het bovenstaande neemt niet weg dat er - net als in seculiere landen (denk maar bij ons aan de CCC) - soms groepen zijn die geheel onrechtmatig naar de wapens grijpen. Dit kan dan ook als niets anders dan een crimineel feit (i.c. terrorisme) beschouwd worden. Wanneer in Noord-Ierland katholieken naar de wapens grepen, besloot niemand daaruit dat het christendom terrorisme toelaat of propageert of dat alle christenen terroristen zijn. Maar er zijn wel christenen die terroristische daden plegen. Net zoals de islam terrorisme verbiedt maar er wel muslims zijn die terroristische daden plegen. Terrorisme is niet uniek voor de islam. Integendeel zelfs, volgens een door Professor Robert Pape uitgevoerde studie, werd het merendeel van de terroristische zelfmoordaanslagen tussen 1980 en 2001 gepleegd door Tamil Tijgers - een marxistisch geļnspireerde seculiere groep die vooral onder hindoes recruteert. Zij zijn ook de bedenkers van de zelfmoordvest. Van de aanslagen die in die periode door muslims gepleegd werden, werd een derde gepleegd door seculiere groepen, niet door religieuze groepen. Zelfmoordterrorisme is niet geloofsgebonden. Volgens Professor Pape heeft het alles te maken met de aspiraties van een groep die zich verzet tegen een buitenlandse aanwezigheid op grondgebied waar de groep zelf recht meent op te hebben. Wanneer die buitenlandse aanwezigheid een andere religie heeft, is de kans groter dat groepen die zich daar tegen verzetten, de religieuze kaart trekken om leden te ronselen. [10,11] Ze doen dat op hun eigen vertekende manier, want de koranische leer is zeer duidelijk: terrorisme is een misdaad die krachtig veroordeeld wordt. [12] Dit wordt overigens ook keer op keer herhaald door tal van geleerden. [13]

De tragische vergissing bestaat hierin dat de Westerse publieke opinie de criminelen gelijkgesteld heeft aan de meerderheid van de bevolking (alsof de wereld uit de daden van de CCC zou afgeleid hebben dat alle Belgen terroristen zijn). Tragisch, omdat dit precies is wat de terroristen willen. Zij willen een wig drijven tussen het Westen en de Muslimwereld. Zij willen ook dat hun kijk op de zaken erkend wordt als enige juiste - wat door de muslimwereld ondubbelzinnig verworpen wordt.

Ook andere vormen van geweld dan terrorisme worden keer op keer weer door muslims en muslimleiders ondubbelzinnig en scherp afgekeurd en verworpen. Een voorbeeld waren de talloze verklaringen waarin muslimleiders het geweld naar aanleiding van de cartoonprotesten veroordeelden. [14]

2.3.4. Alleen defensieve oorlog toegestaan

Vrede is de gewenste toestand, en geweld wordt afgekeurd. Maar zoals gezegd zijn er een paar zeer specifieke situaties waarin een oorlog toch gewettigd kan zijn. Een oorlog wordt in de regel alleen toegestaan om de vrede, en dus om de rechtvaardige, tolerante gemeenschap van de middenweg (zoals de islam de eigen gemeenschap typeert), te beschermen. [15] Dit wil zeggen dat de islam geen offensieve oorlog toestaat. Enkel wanneer muslims aangevallen of onderdrukt worden, en wanneer alle andere mogelijkheden om de aanval af te slaan zoals het opstarten van vredesonderhandelingen op niets uitdraaien, mag men zich gewapenderwijze verzetten - en dan nog gelden zeer strikte regels. Geweld is steeds de allerlaatste optie.

Volgend vers legt uit wanneer fysische strijd toegestaan is:

«Aan hen die bestreden worden is [de strijd] toegestaan omdat hun onrecht is aangedaan; God heeft de macht hen te helpen, die zonder recht uit hun woningen verdreven zijn, alleen maar omdat zij zeggen: "Onze Heer is God" - en als God de mensen elkaar niet had laten weerhouden dan waren kluizenaarsverblijven, kerken, synagogen en moskeeėn waarin Gods naam vaak genoemd wordt zeker verwoest. Maar God zal hen die Hem helpen zeker helpen; God is krachtig en machtig.» (Koran 22:39-40)

Dit vers geeft aan wanneer gewapend verzet mogelijk is:

  1. De vijandigheden moeten door anderen gestart worden tegen de gelovige muslims. Enkel muslims die "bestreden worden", mogen zich verzetten. Het gaat dus om een defensieve oorlog, niet om een offensief. Wat hierbij betracht wordt is het beschermen van de rechtvaardige gematigde gemeenschap waarvan eerder al sprake was.
  2. Er moet de muslims onrecht aangedaan zijn. Hierbij wordt expliciet het onrechtmatig verdrijven uit woningen vermeld.
  3. Het doel van de agressor moet de destructie van de islam en muslims zijn. Het vers verwijst naar godsdienstvervolging, waarbij muslims vervolgd worden enkel omdat zij zeggen dat ze in God geloven.
  4. Een oorlog is dus enkel toegestaan als verdediging tegen het onrecht dat veroorzaakt is door een aanval of bezetting, verdrukking of godsdienstvervolging. Daarbuiten, is gewapend verzet niet gelegitimeerd.

Gewapende strijd moet daarenboven altijd getemperd worden door het nastreven van vergevingsgezindheid, rechtvaardigheid en zo meer. Dit wordt duidelijk uit een tweede vers dat toelating geeft tot gewapend verzet maar er al onmiddellijk bij zegt dat men niet over de schreef mag gaan:

«En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet.» (Koran 2:190).

Diezelfde toon vind men terug in een vers dat zegt dat men mild moet zijn ten aanzien van de vijand, want op een dag kan hij je vriend worden:

«Misschien dat God tussen jullie en hen die jullie als vijand beschouwen genegenheid zal brengen, God is almachtig, en God is vergevend en barmhartig.» (Koran 60:7)

Dit komt ook tot uiting in de hadith:

«Haat uw vijand op milde wijze, hij kan op een dag uw vriend worden.» (gemeld door al-Tirmidhi).

Het voeren van een oorlog is daarenboven onderworpen aan een hele reeks strikte voorschriften die gebaseerd zijn op de Koran en de Sunnah van Mohamed, alsook op de regels die de eerste Kalief, Abu Bakr, oplegde aan een leger dat hij naar het slagveld stuurde. Abu Bakr legde zijn metgezellen de volgende 10 regels van oorlogsvoering op (Al-Muwatta, Volume 21, Hadith 10) :

  1. Dood geen vrouwen
  2. Dood geen kinderen,
  3. Dood geen bejaarden,
  4. Dood geen zieken.
  5. Hak geen bomen om of verbrand ze niet, vooral als het fruitdragende bomen zijn (ook de oogst mag niet vernield worden).
  6. Verniel geen onbewoonde plaatsen.
  7. Dood geen dieren behalve voor voedsel
  8. Verbrand geen bijen en drijf hen niet uiteen.
  9. Steel niets van de zaken die in beslag genomen werden gedurende de strijd.
  10. En handel niet laf.

Uit andere hadith blijkt dat Abu Bakr ook stelde dat priesters en kloosterlingen met rust gelaten moesten worden, en dat men hun gebedshuizen niet mocht vernielen. Ook burgerconstructies moeten gespaard blijven. Abu Bakr zei ook dat men zelfs de melk van de dieren niet mocht gebruiken tenzij men de toestemming had van de eigenaars van de dieren. Islam kent zoals reeds aangestipt een zeer uitgebreid stelsel van dierenrechten. Tijdens de oorlog mogen dieren niet gedood worden, tenzij voor voedsel, omdat een oorlog een zaak tussen mensen is en dieren daar niet het slachtoffer mogen van zijn.

Sommige muslims wijzen erop dat als er sprake zou kunnen zijn van een 'heilige oorlog', dit enkel is in de zin van een oorlog waarin muslims gebonden zijn aan zulke 'heilige' door de Koran en de Sunnah ingestelde hoogstaande principes. Het is echter helemaal geen heilige oorlog in de zin waarin dit in het Westen begrepen wordt, met name een oorlog om anderen met geweld te bekeren tot het eigen geloof. Zoals reeds in ander Koran Notities gemotiveerd werd, wordt dit soort 'heilige oorlog' door de islam verboden en is het muslims volstrekt verboden er aan deel te nemen. [16]. De Koran garandeert immers godsdienstvrijheid en verbiedt uitdrukkelijk het gebruik van dwang in de godsdienst.

Van zodra de tegenpartij in een strijd vrede zoekt, moet men daarin meegaan:

«En als zij geneigd zijn tot vrede, wees daar dan ook toe geneigd en stel je vertrouwen op God.» (Koran 8:61)

Ook wat er moet gebeuren in geval van een overwinning, wordt door de Koran gereguleerd. De eerder aangehaalde regels van godsdienstvrijheid dienen gerespecteerd te worden en er moet rechtvaardig gehandeld worden zodat een vrije, rechtvaardige samenleving ingesteld wordt waarin mensen vrij zijn zich al dan niet bij de Islam aan te sluiten:

«God beveelt jullie in bewaring gegeven goederen aan de rechthebbenden te overhandigen en, wanneer jullie tussen de mensen oordelen, dat jullie rechtvaardig oordelen...» (Koran 4:58)

«Jullie die geloven! Wees standvastig voor God als getuigen van de rechtvaardigheid. En laat de afkeer van bepaalde mensen jullie er niet toe brengen niet rechtvaardig te zijn. Wees rechtvaardig, dat is dichter bij godvrezendheid." (Koran 5:8) "God gebiedt rechtvaardig te handelen, goed te doen en aan de verwanten giften te geven en Hij verbiedt wat gruwelijk, verwerpelijk en gewelddadig is....» (Koran 16:90)

De Islamitische gemeenschap wordt naar voor geschoven als een modelgemeenschap, een rechtvaardige gemeenschap die extremen schuwt, een gemeenschap van de middenweg. Een oorlog is enkel toegestaan om deze rechtvaardige maatschappij te verdedigen en beschermen.
 


3. En volgende verzen dan?

Nu kunnen we de verzen onder de loep nemen die door islamofoben en 'islam bashers' op tafel geworpen worden als vermeend bewijs van het gewelddadig karakter van de Koran en van de islam.

Ter inleiding echter een paar opmerkingen inzake interpretatie van verzen:

  1. De krijgswet is het burgerrecht niet. Dat zou voor zich moeten spreken. Toch is het iets waar menig islamofoob zich op verkijkt. Men citeert een vers dat betrekking heeft op de krijgswet en doet - uiteraard geheel ten onrechte - alsof dat op het burgerrecht slaat, met alle gevolgen van dien inzake misinterpretaties.
  2. Sommige verzen zijn algemene regels, andere zijn juist uitzonderingen op de algemene regels.
  3. Verzen moeten ook getoetst worden aan het algemeen kader en aan andere verzen die de betekenis ervan verduidelijken
  4. Voor sommige verzen kan het nodig zijn de historische context waarin ze geopenbaard zijn na te gaan om te weten waarover ze precies handelen.

Voor meer informatie verwijs ik naar "Hoe de Koran interpreteren" [17]

Nu dus de verzen in kwestie.

Koran 2:216 : « Aan jullie is voorgeschreven te strijden, hoezeer het jullie ook tegenstaat. Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat toch slecht is voor jullie. God weet en jullie weten niet. »

Zoals hierboven bij de interpretatieregels uiteengezet werd, moet elk vers geplaatst worden in het globale kader dat door de Koran geschetst wordt - en daaruit blijkt dat vrede de voorkeurstoestand is. Pas onder zeer beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden kan gewapende strijd toegestaan zijn, en dit pas na uitputting van alle andere middelen. Een oorlog kan ook nooit door een individu of groep afgekondigd worden maar is pas wettig als de beslissing door de bevoegde organen genomen werd. Burgers moeten te allen tijde gespaard worden.

De inhoud van dit vers bevestigt dit algemeen kader. Oorlog wordt hier immers niet opgehemeld als een goed, integendeel, oorlog voeren wordt hier omschreven als iets waar men tegen opziet. In sommige omstandigheden, die eerder besproken werden (zoals het zich verdedigen bij een aanval op de rechtvaardige, gematigde samenleving en het strijden tegen oppressie) kan een gewapende strijd gewettigd zijn. De Koran zegt hier dat niemand graag oorlog voert, dat oorlog een kwalijke zaak is, maar dat men soms niet anders kan omdat het algemeen belang primeert zodat voor het bewaren en beschermen van de rechtvaardige samenleving, oorlog voeren een noodzakelijk kwaad kan zijn. Dat is wat hier bedoeld wordt door te zeggen dat iets dat men niet graag heeft, toch goed kan zijn.

Koran 2:190 «En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet. »

Dit vers roept niet op tot vechten, maar beperkt integendeel de strijd tot situaties waarin men aangevallen wordt ("bestrijdt hen die jullie bestrijden"). Het vers verleent muslims dus hooguit de toelating zich te verdedigen in een wettige oorlog. Binnen die omstandigheden van gewettigd verweer, legt dit vers onmiddellijk beperkingen op want instrueert het dat ook wanneer men zich verzet tegen een aanval, men de grenzen niet mag overschrijden. Het is niet omdat een agressor alle normen laat varen, dat men dat zelf ook mag doen. Ook het grootste onrecht rechtvaardigt niet dat men zelf in immoreel gedrag vervalt. De toestemming tot strijden wanneer men aangevallen wordt, wordt door nog meer beperkingen omschreven en vernauwd, zoals blijkt uit de context van vers 190:

«En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet. Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben. Verzoeking is erger dan te doden. Strijdt niet tegen hen bij de heilige moskee, zolang zij daarin niet tegen jullie strijden. Als zij tegen jullie strijden, strijdt dan tegen hen; zo is de vergelding voor de ongelovigen. Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig. Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers. »

Er valt al meteen op hoeveel voorwaarden in deze passage ingebouwd worden. Deze verzen zullen in het vervolg van de tekst verder verduidelijkt worden.

Koran 2:191 - «Doodt hen waar jullie hen aantreffen»

Bekijken we eerst even het volledige vers:

«Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben. Verzoeking is erger dan te doden. Strijdt niet tegen hen bij de heilige moskee, zolang zij daarin niet tegen jullie strijden. Als zij tegen jullie strijden, strijdt dan tegen hen; zo is de vergelding voor de ongelovigen. (Koran 2:191)

Dit het vers wordt onmiddellijk gevolgd door:

«Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig.» (Koran 2:192)

Het vers wordt onmiddellijk voorafgegaan door het gebod tot matiging in het hierboven behandeld vers 2:190.

Het vers kadert duidelijk binnen een oorlogssituatie, en heeft niets te maken met de manier waarop muslims in het gewone burgerleven met niet-muslims moeten omgaan. Het vers verduidelijkt enkel de principes van de krijgswet en oorlogsethiek en met name de manier waarop muslim strijdkrachten in een aan de gang zijnde oorlog moeten omgaan met de strijdkrachten van de vijand. Het vers stelt dat dat men diegene mag verdrijven die jou eerst uitgedreven hebben. Daarmee beperkt dit vers de legitimiteit van gewapend verzet alweer tot een situatie van zelfverdediging.

Het gaat hier evenmin om 'de' ongelovigen, maar enkel om diegenen die een aanval ingezet hebben op de muslimgemeenschap (waarvan nota bene naast muslims ook mensen van andere godsdiensten en ongelovigen deel kunnen van uitmaken wiens godsdienstvrijheid en veiligheid door muslims gewaarborgd wordt - daarover straks meer).

We bekijken nog eens de volledige passage:

«En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet. Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben. Verzoeking is erger dan te doden. Strijdt niet tegen hen bij de heilige moskee, zolang zij daarin niet tegen jullie strijden. Als zij tegen jullie strijden, strijdt dan tegen hen; zo is de vergelding voor de ongelovigen. Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig. Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers.» (Koran 2:190-193)

Noteer hoeveel keer hier voorbehoud gemaakt wordt en hoeveel voorwaarden (zolang zij niet, als zij, tot wanneer, alz zij, enz.) er ingebouwd worden waarmee de toestemming tot strijden eng omcirkeld wordt en beperkt wordt tot zeer specifieke situaties. Uit dit kader blijken volgende punten:

  1. Men mag alleen naar de wapens grijpen ter defensie.
  2. Muslims krijgen hier, zoals hierboven gezegd, de opdracht ook dan de grenzen niet te buiten te gaan. Dit betekent dat men ook in verdediging tegen onrecht, zelf de morele 'high ground' moet blijven bewandelen en dat men niet zelf in onrecht mag vervallen. Het verbiedt muslims oorlogsmisdaden te begaan. ("maar overschrijdt de grenzen niet", v 190). God staat dus alleen aan de kant van diegenen die de rechtvaardige zaak verdedigen tegen een aanval, en die dat op een wettige manier doen. Als men ter zelfverdediging in immoraliteit begaat, verspeelt men de steun van God en zal men integendeel op een straf mogen rekenen.
  3. Van zodra de tegenpartij (die dus als eerste de aanval ingezet heeft) de gevechten staakt, moet men dat ook doen en moet men meegaan in de vrede (v. 192). Dit betekent dat men alleen de aanval mag afslaan, en dat het daar moet eindigen. Ook wanneer men op een bepaald ogenblik het overwicht behaalt en dus gemakkelijk de vijand zou kunnen decimeren en uitroeien, is dat niet toegestaan - zelfs als die vijand van plan was de muslimgemeenschap uit te roeien. Het is alleen toegestaan het gedane onrecht (de aanval) af te slaan. Merk ook op dat gesteld wordt: «Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig", waaruit steeds weer het streven naar vrede en verdraagzaamheid blijkt.
  4. De vrede herstellen betekent niet dat de spons geveegd wordt over oorlogsmisdaden van de vijand (of van mensen uit eigen rangen) v 193 stelt dat de oorlogsmisdadigers aangeklaagd moeten worden. Een oorlogsmisdadiger gaat niet vrijuit, ook niet als de vrede teruggekeerd is. Hij zal voor een rechtbank moeten verschijnen en zijn gepaste straf krijgen.
  5. De strijd duurt tot er geen godsdienstvervolging meer is (dit komt later nog aan bod), dwz tot iedereen (muslim en niet-muslim) weer vrij zijn geloof mag beleven. Dit vers sluit aan bij de krachtige vestiging van het principe van godsdienstvrijheid en drukt muslims nog eens op het hart dat overwinnen betekent dat men godsdienstvrijheid invoert, niet dat men anderen dwingt tot de islam. Het vers stipuleert verder dat men moet strijden tot er geen onderdrukking meer is. Muslims krijgen hiermee de opdracht niet alleen eigen verdrukking maar ook verdrukking van niet-muslim minderheden te bestrijden. Muslims moeten met andere woorden de aanval afslaan in die mate dat de rechtvaardige samenleving hersteld wordt waarin niet alleen de rechten van de muslims maar ook die van de minderheden, beschermd zijn.
  6. Strijden tot er geen verzoeking (fitna) meer is en de godsdienst alleen God toebehoort, betekent niet dat muslims moeten strijden tot iedereen zich bekeerd heeft tot de islam. Ook dit aspect komt straks nog ter sprake. Het heeft eigenlijk niets met de anderen te maken, maar wel met de muslimgemeenschap zelf, die de aanval moet afslaan tot op het moment dat ze zelf hun islam zuiver kunnen belijden. Dit versdeel betekent dat muslims geen vredesakkoord mogen aanvaarden waarin ze bv. akkoord moeten gaan met het aanbidden van een of andere afgod maar dat ze moeten strijden tot ze werkelijk volledige godsdienstvrijheid genieten en dus hun islam kunnen beleven. Het staat anderen echter wel vrij dat beeld te blijven aanbidden.

Deze passage kan dus niet beschouwd worden als een opdracht om alle ongelovigen die men tegenkomt te vermoorden. Het vers betekent integendeel dat men alleen een aanval op de rechtvaardige, tolerante samenleving mag afslaan. Het vers dient juist ter bescherming van de rechten (waaronder godsdienstvrijheid) van de mensen in een muslimsamenleving, en dient dus ook ter bescherming van de rechten van niet-muslim minderheden in zo een samenleving. Immers:

«"Wanneer een Dhimmi bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand over dragen zou verraad van de garantie betekenen." (Maratib Alijma', door Ibn Hazm.) »

Noteer ook dat hier geen voorbehoud gemaakt wordt over wie de agressor of aanvallende macht is. Muslims krijgen (mits een hele reeks beperkende voorwaarden) het recht zich tegen een aanval op de rechtvaardige, tolerante samenleving te verzetten, ongeacht of die aanval door muslims of niet-muslims ingezet wordt. Wanneer het muslims zijn die een aanval lanceren, zijn het de muslims die zich daartegen verzetten die voor de rechtvaardige zaak, voor de zaak van God, strijden. De aanvallende muslims overtreden hun geloofsregels en vervallen op dat moment in ongeloof.


Koran 2:244 : « Strijd op Gods weg en weet dat God wetend en horend is.»

Dit vers sluit aan bij de inhoud van hetgeen hierboven besproken werd. Er staat hier dat God alles hoort, alles weet. Dit wil zeggen dat wanneer men strijd op het pad van God (en strijden op het pad van God betekent strijden ter verdediging tegen een aanval, en dus ter bescherming van de eigen rechtvaardige, gematigde, tolerante samenleving), dat men ook dan geen vrijgeleide krijgt van God en dat men zich ook dan binnen het toelaatbare moet begeven, dus geen (oorlogs-) misdaden mag begaan want God hoort alles en ziet alles, ook wanneer men wettige een oorlog voert.


Koran 8:39 : «En strijd tegen hen tot er geen fitnah meer is en de gehele godsdienst God toebehoort.»
Koran: 2:193: «Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers. »

Deze verzen werden uitvoerig besproken in eerdere Koran Notities [18,19]. De geļnteresseerde lezer kan daar een meer gedetailleerde bespreking van de verzen raadplegen.

Het volstaat hier de aandacht te vestigen dat deze verzen verduidelijken hoe lang muslims in een aan de gang zijnde oorlog mogen strijden. Het feit dat de oorlog al aan de gang is, betekent dat hij reeds aan een paar voorwaarden voldoet (zoals dat het muslims niet toegestaan is een aanval te lanceren maar dat ze zich enkel mogen verweren tegen een aanval en verdrukking mogen bestrijden). Dit vers bespreekt hoe lang ze moeten doorgaan met strijden. Moeten ze strijden tot iedereen zich tot de islam bekeerd heeft? Het moet gezegd dat deze verzen op het eerste gezicht in die richting wijzen, en dat er ongetwijfeld ook wel extreme groepen muslims (en islamofoben) zijn die de verzen uit hun context lichten en ze zo interpreteren. Kan zo'n interpretatie echter correct zijn? Om het antwoord daarop te weten, moeten we het vers relateren aan de rest van de koranische boodschap. En daarin wordt met name godsdienstvrijheid centraal gesteld. Dat sluit een interpretatie in de zin van strijden tot iedereen zich bekeerd heeft tot de islam uit. Maar wat is dan wel de correcte interpretatie?

Er moet aan herinnerd worden dat muslims een godsdienstoorlog, een aanval op hun godsdienst, mogen afslaan. Het vers "en strijd tot godsdienst alleen God toebehoort" betekent dat muslims in zulke omstandigheden de opdracht krijgen te strijden tot wanneer hun godsdienstvrijheid gegarandeerd wordt. Stel dat de tegenpartij zou voorstellen een einde te maken aan de oorlog door een verdrag waarin de muslims verplicht zouden worden een aantal rites van het polytheļsme in stand te houden. Dit vers sluit een dergelijke vredesovereenkomst uit. Er moet gestreden worden tot de godsdienstvrijheid gegarandeerd is en dus ook de eigen islam beleving veilig gesteld is en de (eigen) godsdienst God en alleen God toebehoort.

Een aantal islamitische bronnen verduidelijken dit:

Ad-Dahhak meldde dat Ibn `Abbas over God's woorden (en de gehele godsdienst God toebehoort) zei: "Zodat Tawhid beoefend wordt in oprechtheid met God. "

Al-Hasan, Qatadah en Ibn Jurayj zeiden (zodat de gehele godsdienst alleen voor God zal zijn) "zodat La ilaha illa-llah verkondigd wordt".

Muhammad bin Ishaq gaf ook commentaar bij dit vers, "Zodat Tawhid beoefend wordt in oprechtheid met God, zonder Shirk, onderwijl alle rivalen schuwend (die) naast God (aanbeden worden)".

`Abdur-Rahman bin Zayd bin Aslam zei over (en dat de gehele godsdienst God toebehoort) "Zodat er geen Kufr (ongeloof) meer in uw godsdienst overblijft".

Deze interpretatie wordt ook ondersteund vanuit het perspectief van de koranische psycholologie. De mens wordt volgens de Koran geheel zonder zonden geboren (de Koran kent geen erfzonde). De gelukzalige blik van een kind zou nog de sporen in zich dragen van het paradijselijk verblijf, waarin de ziel voor ze in het lichaam neerdaalde, aan God een gelofte heeft afgelegd en God als haar Heer erkend heeft. Gedurende het leven wordt men met goed en kwaad geconfronteerd. Telkens men het kwade volgt, dekt men de oorspronkelijke toestand van puurheid wat verder toe. De Koran nu, schrijft mensen toe hun harten te zuiveren. Het is een levenslange opdracht om aan de eigen persoonlijkheid te schaven in de richting van verdraagzaamheid, geduld, barmhartigheid, vreedzaamheid, enz. Naarmate men daarin slaagt verhoogt men de kans om na de dood in het Paradijs te komen. Het vers: "en strijd tot er geen fitnah meer is", houdt ook hiermee verband. Volgens de islam heeft men een lager zelf waarin een satan de mens aanspoort tot het kwade, en een hoger zelf waarin een Engel uitnodigt tot het goede. "En strijd tot er geen fitnah meer is" betekent dat men een strijd tegen het lagere zelf moet voeren en wel zodanig tot de eigen satan zich overgeeft aan God en er in het gehele zelf geen spoor van het kwade meer is, met andere woorden, tot er in het zelf alleen nog plaats is voor overgave aan God. [20]
De verzen 8:39 en 2:193 hebben dus niets te maken met het "onderwerpen" van de hele wereld aan de islam, maar zijn wel een opdracht om in een oorlogssituatie te strijden tot op het moment dat de godsdienstvrijheid gegarandeerd wordt.


Koran 8:12: «Ik zal de harten van de ongelovigen schrik aanjagen...»

Het volledige vers stelt:

«Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met jullie, sterkt dus hen die geloven. Ik zal de harten van de ongelovigen schrik aanjagen. Houwt dan in op de nekken en houwt hen op al hun vingers".» (Koran 8:12)

Dit vers handelt over de slag om Badr waarin de muslims in de minderheid zijn. God stuurt engelen uit om aan de zijde van de muslims te strijden. Het gedeelte "Houwt dan in op de nekken en houwt hen op al hun vingers" is een opdracht aan de engelen, het is geen opdracht die aan de muslims gegeven wordt. Het is ook God die zegt: "Ik zal de harten schrik aanjagen". Hij zal er met andere woorden voor zorgen dat de vijand, niettegenstaande hij een numerieke overmacht heeft, schrik krijgt voor de kleine aantallen muslimstrijders. Voor informatie over de hele context rond de slag om Badr, verwijs ik naar eerdere Koran Notities [21]



Koran 8:60 «"En maak tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen..."» (Koran 8:60)

Dit vers schrijft muslims voor hoe ze een op handen zijnde oorlog alsnog kunnen proberen afslaan door de tegenstander te imponeren. Het is, wat men in moderne oorlogsvoering het uitpakken met een 'deterrent' of een 'afschrikkingsmiddel' zou noemen. Onze eigen West-Europese politiek maakt van precies dezelfde techniek gebruik: uitbouwen van een arsenaal, niet met de bedoeling aan te vallen maar met de bedoeling een mogelijke vijand af te schrikken. Het gaat hier dus om een regel die de vrede probeert te bewaren en oorlog probeert te voorkomen.


Koran 4:76 - «Zij die geloven strijden op Gods weg en zij die ongelovig zijn strijden op de weg van de Taghoet. Bestrijdt de aanhangers van de satan. De list van de satan is maar zwak!»

Noteer eerst en vooral dat hier niet staat dat muslims de niet-muslims moeten bestrijden. Wat hier met elkaar gecontrasteerd wordt is voor de zaak van God of voor de zaak van de duivel te strijden. Wat de zaak van God inhoudt wordt uiteengezet in het vers dat er onmiddellijk aan voorafgaat:

«Wat hebben jullie dat jullie niet op Gods weg strijden en ook niet voor die onderdrukte mannen, vrouwen en kinderen die zeggen: "Onze Heer, breng ons uit deze stad waarvan de inwoners onrecht plegen en breng ons van Uw kant een beschermer en breng ons van Uw kant een helper". »

Strijden voor de zaak van God, betekent dus - alweer - de rechtvaardige samenleving beschermen, strijden tegen verdrukking en onrecht. Het tegendeel daarvan, is strijden voor tirannie, hebzucht, hoogmoed, repressie, macht, apartheid, enz. De Taghoet slaat op alles en iedereen dat in de weg staat van het zuivere geloof in de Ene God. Dat hoeft helemaal geen beeld of persoon te zijn, ook hoogmoed (zichzelf boven God stellen), racisme (zichzelf meer achten dan een ander terwijl volgens God alle mensen gelijk zijn), repressie (wat door God verboden is) enz. staan het zuivere geloof in de Ene God in de weg. Ze worden daarom geassocieerd met de zaak van satan. De Koran zegt hierover: vreest niet want de zaak van satan is maar zwak. De zaak van God, de strijd voor rechtvaardigheid, voor bescherming van de zwakken en onderdrukten, tegen onrecht, tegen racisme, dat is de goede zaak, dat is de sterke zaak. Diegenen die aan de kant van de tirannie en repressie staan, die staan maar zwak, zegt dit vers, rechtschapenheid is een veel sterkere zaak. Het is immers de zaak van God.

Vers 4:76 stelt de zaak van de gelovigen - dwz diegenen die voor de zaak van rechtschapenheid staan - tegenover de zaak van satan - dwz diegenen die voor tirannie en repressie staan - zonder daarbij namen van godsdiensten te noemen. Zoals hoger reeds besproken, erkent de islam dat er bij muslims gelovigen zijn maar ook mensen die in ongeloof vervallen, terwijl de Koran uitdrukkelijk vermeldt dat er ook andere wegen naar God mogelijk zijn, en dat er ook bij joden en christenen gelovigen - maar ook ongelovigen - zijn. Het oordeel over geloof en ongeloof komt alleen God toe. En het is niet de naam van het geloof dat men aanhangt op grond waarvan God over geloof en ongeloof zal oordelen, maar we de godvrucht en de goede daden. Naar analogie daarvan is het niet de naam van het geloof dat bepaalt of men aan de kant van God of aan de kant van satan staat, het is de godvrucht en de manier waarop men zich gedraagt. Vervalt men, vanuit om het even welk geloof in God, in racisme, hoogmoed, oppressie enz., dan staat men aan de kant van satan. Ijvert men, vanuit om het even welk geloof in God, voor de rechten van de onderdrukten, voor gelijkheid van de mensen, voor de armen, enz. dan staat men aan de kant van de rechtvaardige zaak en dus aan de kant van God. Dit is een belangrijk koranisch inzicht, waardoor er geen "wij tegen zij" kan zijn op grond van kenmerken zoals huidskleur, geloof, nationaliteit, afkomst, vermogen, of wat dan ook - het is altijd de rechtvaardige kant tegen het onrecht, over alle grenzen van ras, geloof, nationaliteit, afkomst, vermogen enz. heen.

Koran 9:5 « Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen en belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag....»

Het volledige vers luidt:

« Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen en belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven, legt hun dan niets in de weg. God is vergevend en barmhartig»

Het vers handelt over een oorlogssituatie waarin "heilige maanden" in acht genomen worden, dit wil zeggen, een oorlogssituatie waarin een periode van staakt-het-vuren van kracht is. Dit vers verleent muslims dus geen toestemming om een oorlog te starten of een aanval te lanceren, maar handelt over een oorlog die al aan de gang is. Dit betekent dat deze oorlog al voldoet aan de door andere verzen opgelegde voorwaarden (geen offensief toegestaan, maar enkel verweer tegen aanval en oppressie enz.). Muslims krijgen hier de opdracht zich aan een overeengekomen staakt-het-vuren te houden. Na deze periode mogen ze, bij ontstentenis van vredesverdrag, verder strijden. Opnieuw legt de context van het vers beperkingen op:

« Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen en belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven, legt hun dan niets in de weg. God is vergevend en barmhartig. En als een van de veelgodendienaars bij jou bescherming zoekt, geef hem dan bescherming totdat hij het woord van God hoort en laat hem daarna een plaats bereiken waar hij veilig is. Dat is omdat zij mensen zijn die niet weten. Hoe kan er jegens de veelgodendienaars een verbondsverpliching bij God en bij Zijn gezant zijn, behalve jegens hen met wie jullie een verbintenis aangegaan zijn bij de heilige moskee. Zolang zij jegens jullie correct handelen, handelt jullie dan ook correct. God bemint de godvrezenden.» (Koran 9:5-7)

De context verduidelijkt dat alleen mag gestreden worden tegen diegenen met wie geen vredesovereenkomst kon bereikt worden gedurende het staakt-het-vuren. Wie correct handelt, moet ook correct behandeld worden. Bovendien moeten muslims ook na het hervatten van de vijandigheden, asiel verlenen aan al diegenen die daarom vragen (strijders of burgers). Muslims krijgen de opdracht aan deze persoon het woord van God kenbaar te maken, maar hij of zij heeft geen enkele verplichting zich tot de islam te bekeren. Ook als hij zich niet bekeert, moeten muslims de persoon in veiligheid brengen.

De passage vermeldt verder dat er niet mag gestreden worden tegen diegenen die berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven. Het is misschien voor sommigen verleidelijk dit versdeel te interpreteren als een opdracht om te strijden tot iedereen zich bekeerd heeft tot de islam. Dit is echter in tegenspraak met het eerder besproken koranisch kader over oorlogsethiek. Het druist bovendien in tegen het centrale koranische beginsel van godsdienstvrijheid. En het is in tegenspraak met eerder besproken verzen die omschrijven dat men slechts mag strijden tot wanneer er godsdienstvrijheid heerst. In dezelfde omringende verzen staat trouwens dat diegenen met wie men een vredesverdrag heeft ook niet bestreden mogen worden - ook als dat polytheļsten zijn. Dat sluit zelfs zonder dat men het brede koranische kader in overweging neemt, al binnen deze passage zelf uit dat men het vers zou interpreteren als een opdracht op te strijden tot iedereen zich tot de islam bekent. Een dergelijke interpretatie kan dus niet correct zijn. Wat in dit versdeel wel tot uitdrukking gebracht wordt is het principe dat wanneer een vijandig soldaat zich bekeert tot de islam, men hem niet langer als vijand mag beschouwen.

Koran 9:12 «En als zij hun eden breken nadat jullie met hen een verbond gesloten hebben en jullie godsdienst belasteren, bestrijdt dan de leiders van het ongeloof. Voor hen bestaan er geen eden. Misschien zullen zij ophouden.»"

Dit vers spreekt na al het bovenstaande hopelijk al voldoende voor zichzelf: het is opnieuw geen vers dat aanzet tot geweld maar dat geweld juist beperkt tot defensieve situaties. Het onmiddellijk hier op volgende vers verduidelijkt:

«Zullen jullie dan niet strijden tegen mensen die hun eden gebroken hebben en die van plan waren de gezant te verdrijven, terwijl zij het eerst tegen jullie begonnen? Vrezen jullie hen? God komt het met meer recht toe dat jullie Hem vrezen als jullie gelovig zijn.»

Deze verzen handelen dus weer over het krijgsrecht en stellen dat wanneer een vijandige groep een vredesakkoord verbreekt en de muslims aanvalt ("terwijl zij eerst tegen jullie begonnen") muslims zich (als alle andere mogelijkheden zoals onderhandelingen gefaald hebben) mogen of zelfs moeten verzetten als het voortbestaan van de gemeenschap op het spel staat. De vraag wordt gesteld: waarom zouden jullie je niet verzetten tegen een aanval of tegen oppressie? Omdat je een oppermachtige vijand vreest? De Koran zegt hier: je kan maar beter God vrezen in plaats van de vijand, en je kan dus maar beter de kant van de rechtvaardigheid kiezen.

Koran 9:29 «Strijdt tegen hen die niet in God geloven en niet in de laatste dag en die niet verbieden wat God en Zijn gezant verboden hebbenen en die niet de godsdienst van de waarheid aanvaarden uit het midden van hen aan wie het boek gegeven is totdat zij naar vermogen onderdanig de schatting betalen."»

Dit vers sluit aan bij de situatie die in de zopas behandelde verzen 9:5 en 9:12 geschetst werd. Het gaat om wat muslims te doen staat wanneer de vijand een akkoord verbreekt en de muslimgemeenschap aanvalt. De Koran stelt hier dat gewapend verweer mogelijk is - echter, alweer onmiddellijk een beperking want men mag niet strijden tot wanneer elke tegenstander uitgeroeid is (ook als de vijand zoiets wel van plan zou geweest zijn) , maar wel tot de tegenstander bereid is een taks te betalen.

Vanwaar die taks? Wel, muslims zelf zijn gehouden de zakaat te betalen. De zakaat is echter een islamitisch religieuze aangelegenheid, zodat - gezien de godsdienstvrijheid - niet-muslims ervan vrijgesteld zijn. Niet-muslims moeten uiteraard wel mee betalen voor een aantal openbare diensten waarvan zij genieten, zoals onderhoud van het muslimleger dat ook hen beschermt in geval van een aanval. Want ja, muslims zijn verplicht alle inwoners van hun samenleving, muslim en niet-muslim, te beschermen en te verdedigen tegen een aanval. Zij mogen deze mensen ook niet uitleveren aan de vijand.

« Wanneer een Dhimmi bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand overdragen zou verraad van de garantie betekenen» (Maratib Alijma', door Ibn Hazm.)

De Koran draagt muslims hier ook op erover te waken dat deze takst billijk ingesteld wordt en de draagkracht van de mensen niet te boven gaat. Muslims moeten de zakaat betalen, niet-muslims moeten deze taks betalen.

Koran 4:89 - «... Als zij zich afkeren, grijpt hen dan en doodt hen waar jullie hen vinden...»"

Bekijken we eerst de hele passage v.4:88-91 waaruit deze woorden geciteerd worden:

« Hoe komt het dan dat er bij jullie met betrekking tot de huichelaars twee groepen zijn, terwijl God hen toch heeft laten terugvallen voor wat zij begaan hebben. Willen jullie dan hen die God tot dwaling gebracht heeft op het goede pad brengen? Wie door God tot dwaling gebracht wordt, voor hem vind je geen weg. Wij zouden graag willen dat jullie ongelovig werden, zoals zij dat zijn, dan zouden jullie gelijk zijn. Neemt van hen dus niemand als medestander zolang zij niet uitwijken op Gods weg. Als zij zich afkeren, grijpt hen dan en doodt hen waar jullie hen vinden. Neemt van hen niemand als medestander of als helper. Behalve hen die zich aansluiten bij mensen met wie jullie een verdrag hebben of die met een beklemd gemoed tot jullie komen omdat zij tegen jullie zouden moeten strijden of tegen hun eigen mensen strijden. Als God gewild had, dan had Hij hun macht over jullie gegeven en dan hadden zij zeker tegen jullie gestreden. Als zij zich van jullie afzijdig houden, niet tegen jullie strijden en jullie vrede aanbieden dan verschaft God geen weg om tegen hen op te treden. Jullie zullen anderen vinden die voor jullie veilig wensen te zijn en evenzo voor hun eigen mensen. Telkens als zij aan de beproeving worden blootgesteld worden zij daardoor misleid. Als zij zich dan niet van jullie afzijdig houden, jullie geen vrede aanbieden, noch hun handen in bedwang houden, doodt hen dan waar jullie hen aantreffen. Zij zijn het over wie Wij een duidelijk gezag hebben verleend." » (Koran 4:88-91)

Ook dit vers kan niet geļnterpreteerd worden als toestemming om zomaar eender wie te doden. Wel integendeel. Alweer wordt de toelating tot verzet tegen een aanval onmiddellijk door een indrukwekkende reeks voorwaarden en bepalingen ingeperkt. De passage zegt: Dus, als zij zich van u op een afstand houden en u niet bestrijden en u vrede aanbieden - heeft God u niet toegestaan iets tegen hen te ondernemen". Dus als de tegenpartij vrede wil, moet men daar in meegaan. Het is pas als de agressoren "zich derhalve niet op een afstand van u houden, noch u vrede aanbieden, noch hun handen terughouden", dat muslims hier toestemming krijgen om zich te verdedigen tegen een agressor. Als dit soort verzen niet zou bestaan, zouden muslimstrijdkrachten zich in oorlogstijd door iedereen moeten laten afslachten zonder enig weerwerk te mogen bieden.

Koran 47:4 - «En wanneer jullie hen die ongelovig zijn [in de strijd] ontmoeten, slaat hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen lost te kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. ...»."

Ook dit vers handelt niet over burgerrecht, maar over oorlogsethiek en krijgsrecht. Het vers verduidelijkt meer bepaald wat er in een aan de gang zijnde defensieve oorlog moet gebeuren met een soldaat van de vijand. Het algemeen principe is dat het leven altijd heilig en onschendbaar is, behalve in bij wet voorziene omstandigheden (net zoals in Belgiė dus). Dit vers maakt een uitzondering voor soldaten in een oorlogssituatie, op het slagveld. In een dergelijke situatie kan het doden van de vijand in het heetst van de strijd toegestaan zijn als men om logistieke en militaire redenen niet in staat is gevangenen te nemen. Echter, van zodra de militaire en logistieke mogelijkheden het toestaan, schrijft de Koran voor de vijand krijgsgevangen te nemen om hem later 1) weer vrij te laten (dat is de eerste en meest geprefereerde optie), of 2) hen uit te wisselen, zoals blijkt uit het vervolg van hetzelfde vers:

«... maar wanneer jullie dan de overhand over hen gekregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten hetzij om hen lost te laten kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd.» (Koran 47:4)

Uit eerder besproken verzen bleek bovendien dat men zo snel mogelijk tot de vrede moet proberen terugkeren, en dat men maar mag strijden tot wanneer er een situatie van godsdienstvrijheid heerst.
 


4. Besluit

Uit de hier gemaakte analyse kan niets anders besloten worden dan dat de Koran inderdaad een boodschap van vrede brengt. Vrede is de wenselijke toestand - iets wat vanuit de leer voortdurend en op diverse wijzen gestuurd wordt, o.a. door het verkondigen van het belang van barmhartigheid, rechtvaardigheid, verdraagzaamheid en pluralisme. De islam staat een maatschappij-ideaal voor waarin niet-muslims verregaande rechten krijgen om hun eigen godsdienst daadwerkelijk te beleven, en waarin niet-muslims ook beschermd worden tegen aanvallen. De omgang tussen verschillende godsdiensten wordt gereguleerd door het principe : "wedijver met elkaar in goede daden". Geen naijver, geen afgunst, geen dwang om anderen te bekeren, maar verdraagzaam samenleven met respect voor eenieders eigenheid, waarbij elk vanuit het eigen model aangemoedigd wordt het beste van zichzelf te geven en op de best mogelijke manier met anderen om te gaan.

Daarnaast is het zo dat de weinige uitzonderingen waarin oorlog toegestaan wordt, zodanig strikt omschreven zijn en telkens ingeperkt worden door zulk danige beperkingen, dat de oorlog alleen toegestaan is om een aanval op de vrede af te slaan en gericht is op een zo spoedig mogelijke terugkeer naar de vrede. In oorlogstijd krijgen soldaten dusdanige instructies dat ze voortdurend verplicht zijn zich aan een hoogstaande morele gedragscode te houden. Niet alleen mogen geen burgers, burgerconstructies, gebedshuizen, religieuze leiders, dieren, enz. het slachtoffer worden van de oorlog, bovendien moet zelfs de houding tegenover de vijandige soldaten telkens getemperd worden en mag men ook in oorlogstijd alleen een vijandig soldaat doden als er geen logistieke mogelijkheid is om hem gevangen te nemen en dus zijn leven te beschermen. Wanneer iemand van de vijand asiel vraagt (soldaat of burger) moeten muslims dit asiel schenken de persoon in veiligheid brengen. De manier waarop het oorlogrecht in de Koran omschreven staat, wordt gekenmerkt door uitermate grote voorzichtigheid. Elke keer als een toestemming verleend wordt tot strijden - om zich te verdedigen tegen een aanval of oppressie - wordt er op verschillende manieren aan herinnerd dat dit geen carte blanche is en dat alle beperkende bepalingen blijven gelden. Ook in oorlogsomstandigheden blijven de morele principes gelden. [22].

De algemene koranische regel dat men gedrag moet beantwoorden met gedrag dat beter is, blijft ook dan behouden. Men mag ook nooit in de immoraliteit van de ander vervallen. Wanneer bijvoorbeeld een vijand de muslimgemeenschap aanvalt met als doel de muslimgemeenschap uit te roeien, krijgen muslims (na eerst geprobeerd te hebben via onderhandelingen de vrede te bewaren) toestemming om de aanval af te slaan tot op het moment dat de tegenpartij vrede aanvaardt en godsdienstvrijheid erkent, maar wordt het muslims verboden de tegenpartij op haar beurt uit te roeien. Vrede is het hoogste goed, en dat wordt nagestreefd door rechtvaardigheid en een hoogstaande morele gedragscode, ook in de weinige omstandigheden dat oorlog gewettigd kan worden.

Een ander belangrijk aspect dat bij de bespreking van vers 4:76 opgetekend werd maar dat ook voor alle andere verzen van toepassing is, is dat in de Koran muslims niet tegenover niet-muslims gesteld worden, maar dat rechtvaardigheid tegenover onrecht geplaatst wordt. Diegenen die in God geloven (ongeacht via welke weg) en rechtvaardig en goed handelen, worden geplaatst tegenover diegenen die mensen verdrukken en onrecht aandoen. Dit is een punt dat niet genoeg beklemtoond kan worden. De Koran erkent immers dat er verschillende wegen zijn om tot God te komen. Er is geen 'wij versus zij' mogelijk op grond van natie, ras, huidskleur, taal, e.d.m., zelfs niet op grond van religie. Er is alleen: rechtvaardigheid tegen onrecht. De muslimgemeenschap bestaat overigens typisch ook uit niet-muslimminderheden wier godsdienstvrijheid door de Koran gegarandeerd wordt en over wiens veiligheid het muslimleger moet waken.

Uit de bespreking van de verzen die door islamofoben en 'islam bashers' aangehaald worden om het tegendeel te bewijzen, blijkt dat de islamofoben op zijn minst onwetendheid en mogelijks intellectuele oneerlijkheid aan de dag leggen en de verzen geheel uit hun context lichten. Dat zou overeenkomen met uit het Belgisch strafwetboek de zinsnede dat doden niet bestraft wordt te lichten, er niet bij te vermelden dat het om een uitzonderingsregel gaat die enkel van toepassing is op gevallen van wettelijke zelfverdediging, om daaruit vervolgens te besluiten dat de Belgische wetgeving aanzet tot geweld en doodslag want dat het "zwart of wit" zo in de wet staat.

Ja, er zijn natuurlijk gevallen van geweldpleging door muslims. Er zijn ook gevallen van geweldpleging door niet-muslims - daar wordt de godsdienst echter niet bijgesleurd. Waarom sleurt men er de islam dan wel bij? Het is duidelijk dat niets, maar dan ook niets in de hele Koran, geweldpleging tegen en doden van onschuldige burgers toestaat.
 

________________________


NOTEN:

  1. "Religious Edict by Muslim Scholars in Birmingham", Birmingham Central Mosque, 17 juni 2006 - origineel: http://www.centralmosque.org.uk/?page=news&news_id=mosque_2006-06-21_0001
  2. Zie Koran Notitie "Liefde is Mijn Fundament" - op deze website
  3. Zie Koran Notitie "koranische Psychologie, een reis naar het (inwendige) Paradijs" - op deze website
  4. Zie Koran Notitie "Godsdienstvrijheid in de Islam" - op deze website
  5. Zie Koran Notitie "Extremisme en de Gemeenschap van de Middenweg" - op deze website
  6. Zie Koran Notitie "Omgaan met niet-Muslims" - op deze website
  7. Zie Koran Notitie "Terrorisme voor of tegen God" - op deze website
  8. Zie Koran Notitie "Dierenrechten in de Islam" - op deze website
  9. "A Muslim Ideal of Non-Violence" Zeeshan Hasan, Star Magazine, Febr. 2003, Bangladesh - http://www.liberalislam.net/nonviolence
  10. "The Strategic Logic of Suicide Terrorism", Robert Pape (University of Chicago), Am. Pol. Sc. Review 2003 Vol. 97 No 3 - http://www.danieldrezner.com/research/guest/Pape1.pdf
  11. "The Logic of Suicide Terrorism - it's the occupation, not terrorism", The American Conservative, 18 June 2005 - http://www.amconmag.com/2005_07_18/article.html
  12. Zie Noot 7.
  13. Islamic statements against terrorism", verzameld door Charles Kurzman, Dept. of Sociology, University of North Carolina - http://www.unc.edu/~kurzman/terror.htm
  14. "Muslims veroordelen geweld n.a.v. cartoonprotest" - op deze site
  15. Zie noot 5.
  16. Zie Koran Notitie "Jihad, geloof in woord en daad" - op deze website
  17. Zie "Hoe de Koran interpreteren" - op deze website.
  18. Zie noot 6.
  19. Zie noot 3.
  20. Zie noot 3.
  21. Zie noot 7.
  22. Zie Koran Notitie: "Koranische Normen en Waarden" - op deze website
© Linda Bogaert, 2006.
PS
De (Nederlandstalige) Koran-citaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013