KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Sura Al Fatiha, het Onze Vader van de Islam
In de naam van God, de erbarmer, de barmhartige
Lof zij God, de Heer van de wereldbewoners,
de erbarmer, de barmhartige,
de heerser op oordeelsdag
U dienen wij en U vragen wij om hulp
Leid ons op de juiste weg,
de weg van hen aan wie U genade geschonken hebt, op wie geen toorn rust en die niet dwalen.
- Sura Al Fatiha -


Inhoud :

... Inleiding
1. Namen voor deze sura
2. Inhoudelijke bespreking van de verzen
    2.1. De verzen van God
    2.2. De verzen van de mensen
3. Al Fatiha, niet de inleiding maar de ontsluiting van de Koran
4. Nawoord
... Bronnen




Inleiding

De Fatiha is het eerste hoofdstuk van de Koran. Het neemt een centrale plaats in in de islam, zowel in de leer als in de gebeden. Hoewel deze sura slechts 7 verzen telt, bevat het de koranische essentie van God en van de verhouding tussen God en de mensen. Het is het 'Onze Vader' van de islam. Juist omdat het een zo centrale plaats inneemt in de islam, is het goed daar even bij stil te staan in deze Koran Notities. De Fatiha is immers de opening van de Koran. Deze sura ontsluit de Koranische Boodschap en schept het hele kader waarin het boek moet begrepen worden.

In de 5 dagelijkse gebedscycli samen, wordt het maar liefst minstens 17 keer herhaald. Dat betekent dat een praktiserende muslim dit gebed gedurende zijn leven minstens een half miljoen keer reciteert. Bij elk van de de 5 dagelijkse gebedscycli, neemt een muslim afstand van wat het ook is waar hij mee bezig is, om zijn hart en gedachten te focussen op God, middels gebeden die de essentie van zijn geloof weergeven. Geen gebed is volledig of volwaardig zonder de Fatiha. Het weerspiegelt hoe een muslim naar de wereld kijkt. Willen we de islam begrijpen, dan moeten we dus ook proberen de Fatiha, die ook het hele mens- en wereldbeeld van de islam weerspiegelt, begrijpen.



1. Namen voor deze sura

Deze sura staat onder verschillende benamingen bekend, zoals onder meer:
  • Sura al Fatiha (de opening, ontsluiting)
    Fatiha is het Arabisch woord voor opening, begin, aanvang. Het is afgeleid van de wortel {f-t-h} dat openen, ontsluiten, bekend maken betekent. Het is niet alleen de opening in de zin van opening van het boek. In koranische context symboliseert het dat God in zijn onmetelijke genade, de deur geopend heeft waarlangs mensen toegang kunnen krijgen tot Hem. Het is de ontsluiting van het boek, het bevat de sleutel tot het hele boek.

  • Umm Al Qur'an (essentie van de Koran ), Umm Al Kitab (essentie van het Boek)
    De Fatiha bevat de essentie van de Koran. Het is een zeer kernachtige bundeling van al de in de Koran meegegeven kennis die volgens de islam een weerslag heeft op het morele en spirituele welzijn van de mens. Het hoofdstuk bevat tevens de grote structurele componenten van de Koran (tawheed of zuiver geloof in de Ene God, oordeelsdag en profeetschap – daarop wordt straks in detail ingegaan).

  • Al Hamd (lofbetuiging, dankbaarheid)
    De relatie tussen de mensen en God is er ene van lof en dankbaarheid voor de eindeloze genade waarmee God de mensen onophoudelijk overspoelt.

  • Al Salat (het gebed)
    De Fatiha is op zich een perfect gebed. Bovendien is geen enkel gebed van een muslim volledig zonder de Fatiha. Zonder de Fatiha is een gebed zelfs geen gebed.
    « De Boodschapper van God zei: "Hij die de Umm al-Quran niet reciteert wordt niet beschouwd als zijn gebeden nagekomen te hebben."» (gemeld door Ubada bin as-Samit in Sahih Muslim)
    «De Boodschapper van God zei: "Als iemand een gebed doet waarin hij de Umm al-Qur'an niet reiciteert, dan is het deficient (hij zei dit drie keer) en niet volledig." » (gemeld door Abu Huraira, in Sahih Muslim)
    De Fatiha wordt, gespreid over de 5 dagelijkse gebedstijden, minstens 17 keer per dag gebeden. Als men rekent aan 17 keer per dag, aan 365 dagen per westers kalenderjaar, is dit goed voor +/- 6.200 recitaties op jaarbasis aan verplichte dagelijkse gebeden alleen al. Een praktiserend Muslim zal de Fatiha in zijn leven een half miljoen keer reciteren.
    Het gebed is niet zomaar een verzameling woorden. De Koran wordt door muslims beschouwd als het letterlijke woord van God, zoals het letter per letter, woord per woord, leesteken per leesteken, in het Arabisch geopenbaard werd door God en via de Aartsengel Gabriël aan profeet Mohamed werd overgebracht. In dit gebed, reciteert men dus de woorden van God zelf. En middels het reciteren van de woorden van God zelf, richt men zich rechtstreeks, zonder enige bemiddeling, tot God.

  • Sabaan Al Mathani (de zeven vaak herhaalde verzen)
    Deze zeven "vaak herhaalde" korte verzen, bevatten volgens de Islam het antwoord op alle morele en spirituele noden van de mens. En ze worden, zoals gezegd, vaak herhaald in de dagelijkse gebeden.



2. Inhoudelijke bespreking van de de verzen

2.1. De verzen van God - die de essentie van God weergeven

vers 1: In de naam van God, de erbarmer, de barmhartige (Bismillah Al Rahman Al Rahim)

De allerleerste woorden waarmee men geconfronteerd wordt wanneer men de Koran openslaat, zijn Bismillah Al Rahman Al Rahim (In de Naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige).
  • Bismillah (in de naam van God)
    'bi' is een voorvoegsel en betekent met, voor ; 'ism' betekent "naam"; 'Allah', is het Arabisch woord voor de unieke God. Het woord is uniek in de Arabische taal. Het is noch mannelijk, noch vrouwelijk, en kent geen meervoudsvorm. 'Bismillah' houdt met andere woorden op zich reeds een erkenning en verheerlijking in van de ene, unieke God, de Allerhoogste aan wie volgens de islam niets of niemand gelijkwaardig is.
    Deze korte zinsnede kent in de muslimwereld een zeer wijdverspreid gebruik. Het is zowat het eerste dat men een kind aanleert, het is een uitdrukking die voortdurend gebruikt wordt – als korte invocatie van God voor men gaat eten, voor men een vergadering toespreekt, bovenaan aan brief, enz.

  • Al Rahman (de Erbarmer, Genadevolle)
    Verwijst naar de eindeloze, onophoudende stroom van liefdevolle genade die God voortdurend aan al zijn schepselen schenkt, zonder dat ze er ook maar iets hoeven voor te doen, geheel onafhankelijk van hun daden, dus ook als ze Zijn genade niet verdienen. Ook als God mensen straft voor hun zonden en misstappen, kunnen ze nog altijd rekenen op deze rahmah, op deze liefdevolle genade van God. De Koran leert hierover:
    «Met Mijn bestraffing tref Ik wie Ik wil en Mijn rahmah omvat alles.» (Koran 7:156).
  • Al Rahim (de Barmhartige)
    Heeft betrekking op het medelijden dat God schenkt aan de gelovigen die door hun daden Zijn genade verdienen. Al Rahim slaat tevens op de genade die God de gelovigen zal schenken in het hiernamaals. Het heeft eveneens betrekking op de vergeving die God schenkt aan gelovigen die berouw tonen. Een hadith verduidelijkt dat, wanneer er alles samen 100 eenheden liefdevolle genade bestaan, God 1 eenheid genade over het hele universum verdeeld heeft - dat is de genade en liefde die mensen voor elkaar voelen, de genade tussen mensen en dieren, tussen dieren onderling. De andere 99 eenheden genade zijn bij God gebleven, om op Oordeelsdag aan de gelovigen toe te kennen. De genade en liefde van God overstijgen dan ook ver het menselijk bevattingsvermogen:
    « Abu Hurayra meldt dat de Boodschapper van God zei: "God de Allerhoogste heeft honderd porties genade. Hij zond slechts één portie naar het universum en verdeelde het over gans zijn Schepping. Het gevoel van genade en medeleven dat Zijn schepselen voor elkaar voelen, komt uit dat ene deel. De andere 99 delen, heeft Hij bewaard voor op Oordeelsdag wanneer Hij ze zal toebedelen aan de gelovigen." »
In de uitdrukking Bismillah al Rahman Al Rahim gedenkt men de uniciteit van God zonder wie niets zou bestaan. Vervolgens refereert men in het attribuut Al Rahman aan Gods veelvuldige goedheid voor al zijn schepselen, altijd en overal. Men eindigt met het gedenken van Gods genade voor diegenen die Hem verheerlijken en om leiding, hulp of vergiffenis vragen. Het is een uitdrukking die in zich een vraag meedraagt tot bescherming tegen het kwade en tot vergiffenis wanneer men er toch aan ten prooi zou vallen. Het is een uitdrukking die daarom warmte, hoop en geborgenheid in zich draagt.

Met deze woorden, opent de Koran. Het is binnen het kader van deze liefdevolle genade, barmhartigheid en hoop, dat de hele Koranische Boodschap gedefinieerd wordt. Elk vers, wat er ook de individuele betekenis van is, krijgt pas zijn volledige draagkracht binnen dit kader. Het vers definieert de essentie van de relatie tussen de lezer, en de Auteur van het boek, een relatie die van in het eerste vers waarmee men in aanraking komt, gedefinieerd is in de liefde. Het is binnen deze relatie, dat de lezer al hetgeen in dit boek vermeld wordt, moet plaatsen, ook de bestraffende verzen. Want wanneer bijvoorbeeld een ouder een kind straft door het een week huisarrest te geven, besluit men daar dan uit dat het om een tirannieke, liefdeloze ouder gaat die wil dat het kind zich slaafs aan de ouder onderwerpt? Neen, want het straffen kadert in een liefde van de ouder voor het kind die met het kind het beste voorheeft, in een kader van een brede rechtvaardigheid. Op gelijkaardige manier, staan de bestraffende verzen in de Koran niet op zich, maar vormen zij onderdeel van het grotere perspectief van de liefde, genade en barmhartigheid van God voor Zijn schepping.

Op één na, opent elk hoofdstuk van de Koran met Bismillah Al Rahman Al Rahim. Wat de andere hoofdstukken betreft, is er geen eensgezindheid onder geleerden over de vraag of dit vers telkens deel uitmaakt van de sura (en dus als eerste vers gerekend moet worden) of enkel een invocatie is van God (en dus niet meegeteld mag worden als vers). Wat de Fatiha betreft, heerst er evenwel grote eensgezindheid onder de geleerden dat in dit geval dit vers wel degelijk als vers van het hoofdstuk zelf geteld moet worden en er integraal deel van uitmaakt.

vers 2: Lof zij God, de Heer van de Wereldbewoners, de Erbarmer, de Barmhartige

- Lof zij God (Alhamdulillah)

Het Arabisch woord dat hier gebruikt wordt is 'hamd'. Hamd is veel meer dan een lofprijzing, het is een lofprijzing die het gevolg is van een dankbetuiging, van een diep geworteld besef dat het leven zelf en al het goede dat dit leven toebehoort, alles wat het leven aan schoonheid verschaft, ongeacht welke vorm het aanneemt, een genade is van God. Aan dit besef van begenadiging door de onmetelijke Rahmah van God, ontspruit een diep gevoel van dankbaarheid aan de Verschaffer van dit alles. God heeft de mensen voor niets nodig, Hij hangt voor niets van de mensen af, toch overspoelt God de mensen met deze onophoudelijke stroom van liefdevolle genade. Hij schenkt de mensen ook alles wat het leven mooi maakt - de bloemen, de sterren, het leven zelf, de kracht, de leiding, het inzicht om er iets moois van te maken en de middelen om dat te doen. Al deze goede, mooie zaken, die grootse genade die God de mens schenkt, maakt dat volgens de islam elk mens persoonlijk in het krijt staat bij God. Het is dit diep besef van de genade van God, en de dankbaarheid daarvoor, dat uiteindelijk het verlangen en streven van een muslim aanstuurt om God te behagen, om God niet te misnoegen, en om zich aan Zijn richtlijnen te houden. De overgave aan God, is ingebed in een discours van zich geborgen weten in zijn onmetelijke genade, en van dankbaarheid daarvoor.

- de Heer (Rab)

Het Arabische woord 'Rab' betekent Heer en Meester, in dit geval van het universum, waardoor Hij ook de enige is die er de controle over heeft. De betekenis van het woord 'Rab' impliceert ook dat de Heer tevens instaat voor het (levens-) onderhoud van alles, van bij de conceptie tot aan het einde van het leven, in elke fase van het leven, alle momenten van de dag, het hele aardse bestaan door, en ook in het hiernamaals.

- van de wereldbewonders (al-Alamin)

Al Alamin slaat op alle soorten, mensen en dieren, alle schepselen die God geschapen heeft, in alle bestaanscategorieën, zowel in de lichamelijke als in de spirituele wereld (de jinns en engelen horen daar dus ook bij). In de islam behoort God niet exclusief de mensen toe. Hij heeft zich bijvoorbeeld ook aan de dieren geopenbaard, en ook de dieren aanbidden en verheerlijken God. Mensen zijn dus niet zo speciaal – ze zijn gewoon een soort tussen de soorten. In deze brede uitspraak wordt het antropocentrisme kordaat afgewezen, en wordt de mens voor zijn verantwoordelijkheid geplaatst – als onderdeel van de grote broederschap van alle schepselen van God, wordt hij verderop in de Koran aangesteld als beheerder. Meteen wordt ook op de ecologische verantwoordelijkheid van de mens gealludeerd. Hij is slechts soort tussen de soorten, en al die soorten hebben bestaanrecht, hebben een geboorterecht op hun rechtmatig deel in zuivere lucht, zuiver water, onvervuilde aarde, voedsel enz. Het is de verantwoordelijkheid van de mens, de rechten van de hele schepping in stand te houden en te vrijwaren, nu en voor de toekomst.

'De Heer van de Wereldbewoners' is dan ook een universele verklaring die alle schepselen uit het hele universum als één grote broederschap beschouwt. Enerzijds is er de Unieke God, anderzijds is er alles dat Hij geschapen heeft waarbinnen niets of niemand aan God gelijkwaardig is. Het is de perfecte uiting van tawheed, van puur geloof in de Ene God. God is uniek. Hij is de oorspong van alles, Hij zorgt voor alles, en er is bijgevolg niemand anders die de essentie van de dankbaarheid en de liefde van de mensen verdient zoals Hij.

vers 3: de erbarmer, de barmhartige

Dit vers herhaalt en benadrukt nog eens deze essentiële attributen van God en refereert nogmaals naar het kader van liefdevolle genade en barmhartigheid van God, om er echter meteen te laten op volgen dat God niet enkel liefde is, maar ook rechtvaardigheid. Door het vers waarin de liefde van God aan bod komt nogmaals te herhalen alvorens het vers van Zijn rechtvaardigheid aan bod komt, wordt duidelijk gemaakt dat de twee innig en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

vers 4: de heerser op oordeelsdag

- De heerser, is vertaald van het Arabische 'Malik'. God is de soeverein van alles dat er is. Hij is de enige die op oordeelsdag (net zoals in het aardse bestaan trouwens) alle macht heeft.

- oordeelsdag (yawm id-deen) is de periode, de dag, het tijdstip waarop er zal geoordeeld worden. Deen staat ook voor geloof.

Dat God niet alleen liefde is maar ook rechtvaardigheid, werd reeds geïmpliceerd in het attribuut Al Rahim – God zal aan diegenen die zich tijdens hun leven godvruchtig en vol goede daden gedragen, in het hiernamaals een bijzondere genade toekennen. Liefde is geen blinde kaart, het is geen joker die toestaat dat men zich alles kan permitteren vanuit de stelling tot God toch liefde is. Want God is ook rechtvaardigheid. Dat wordt geculmineerd in een oordeelsdag, de ultieme uiting van rechtvaardigheid. Op die dag zal God, de enige Heerser, het ultieme oordeel vellen. Voor al diegenen die tijdens hun leven onrecht aangedaan werd, maar ook voor al diegenen die onrecht pleegden, zal dan ultiem recht geschieden. Het geloof in een oordeelsdag is zo fundamenteel dat het niet geloven erin, neerkomt op een negatie van de islam.

Tegelijk wordt de weg voor vergiffenis geopend – diegenen die een misstap begaan en die berouw tonen, kunnen mogelijks op de genade van God rekenen. God kan de mensen opnieuw puur maken, er is nooit wanhoop in de relatie tussen de mens en God. Maar zijn bijzondere liefde (Rahim) is geen blanco cheque. Om op die genade te kunnen hopen, moet men zich houden aan de regels van het spel. En diegenen die opzettelijk de geboden met de voeten treden, en daarin volharden, zullen daarvan de gevolgen moeten dragen.

Het vers duidt aan dat niettegenstaande men zich enerzijds geborgen weet in de eindeloze Rahmah van God, men tegelijk ook een zware individuele verantwoordelijkheid draagt voor de genade die men krijgt. Er zal een dag komen waarop men zich zal moeten verantwoorden voor wat men met al die geschenken aangevangen heeft. Uit de volgorde van de verzen en de opbouw van de inhoud wordt er hier evenwel al op gealludeerd dat het zich houden aan de regels niet zal ingegeven worden door een dogmatisme, maar vooral zal ingegeven worden door een bewustwording van de onvoorstelbare genade en goedheid, de eindeloze liefdevolle genade (Rahmah) waarmee God zijn schepping overspoelt. Het is dan ook uit dankbaarheid dat men zich aan God overgeeft, en hem niet wil misnoegen, niet uit dogmatisme. Buiten de lijnen lopen, zou neerkomen op het in het gelaat spuwen van diegene die de mens alles geeft; vanuit religieus oogmerk is dit te wreed om zelfs maar in overweging te nemen. De gelovige zal die goddelijke genade willen beantwoorden met een poging om die genade waardig te zijn – door zich rechtvaardig, integer enz. te gedragen en het kwade te vermijden, door God niet te willen misnoegen.

2.2. De verzen van de mensen - die de essentie weergeven van de relatie tussen mens en God

vers 5 : U dienen wij en U vragen wij om hulp

- U dienen wij

Ibida is een woord dat gereserveerd wordt voor de buitengewone nederigheid en liefde die een gelovige koestert voor God. In dit vers wordt gesteld dat deze nederigheid, deze aan een besef van de genade van God ontsproten dankbaarheid en liefde, uitmondt in een dienstbaarheid die men voor niemand anders dan voor God koestert. God, en enkel God, is de bron van alle genade. Er staat "u dienen wij", en niet "wij dienen u". De zinsconstructie benadrukt dat men alleen God dient, verheerlijkt, dank betuigt. Niemand anders is dit soort dankbaarheid, liefde en dienstbaarheid waardig. Het is een uiting van puur monotheïsme, een afwijzing van polytheïsme. Het leven staat niet ten dienste van geld, van eer, van idolen, hebzucht, aanzien, enz. Het leven is gericht op en staat ten dienste van God, en enkel van God.

- U vragen wij om hulp

Nadat men uitdrukking gegeven heeft aan zuiver monotheïsme, aan zuiver geloof in de Ene God, aan God als Schepper, als Malik (Heerser), als Heer van het leven, als enige bron van Genade, is het logische vervolg dat men alleen God om hulp vraagt. Hij alleen heeft macht over alle dingen, Hij alleen kan helpen, aan Hem alleen geeft men zich over. Het doel van het leven is God te dienen. Alleen God kan hulp bieden om dat doel te verwezenlijken.

vers 6 : Leid ons op de juiste weg

In dit vers wordt verwezen naar het profeetschap. Islam gaat er van uit dat mensen geboren worden met een inherent besef van goed en kwaad, met gevoel, met intelligentie enz. Dit vers suggereert dat volgens de islam mensen op eigen kracht en al redenerend tot de ontdekking kunnen komen tot God bestaat. Als en naarmate mensen zich bewust worden van de onmetelijke genade waarmee God de schepping voortdurend overspoelt, kunnen ze ook tot het besef komen dat het ondenkbaar is dat mensen zich niet zullen moeten verantwoorden voor de manier waarop ze omgesprongen zijn met al wat ze krijgen. Ze kunnen tot het besef komen dat ze verantwoordelijkheid dragen voor wat ze doen, voor hoe ze met deze vele geschenken omspringen, ze kunnen dus zelf bedenken dat er een Oordeelsdag zal zijn. Ze kunnen op eigen kracht tot het inzicht komen dat het leven een test is, om te zien of men het goede of het kwade zal doen, en dat het de bedoeling is het goede te doen en dus God te dienen. Maar via redeneren op dat punt aanbeland, hebben gelovigen hulp nodig. Want om te weten hoe ze God kunnen dienen, moet God zich 'kenbaar' maken en moet hij een pad uitstippelen dat leidt tot succes in dit leven en in het hiernamaals, een leidraad aan de hand waarvan men de test van het leven goed kan doorstaan. En dat is de essentie van de genade die God via het profeetschap aan de mensheid schonk.

Met "de juiste weg" wordt verwezen naar de weg die middels duizenden profeten, in alle uithoeken van de wereld, aan de mensen kenbaar gemaakt werd. Het is een bijzondere weg, een weg die door God zelf geopend en open gesteld werd om de mensheid de kans te bieden de test van het leven met succes te doorstaan. God heeft de mensen niet aan hun lot overgelaten, hij heeft de mensen een pad geopenbaard, een maatstaf, een leidraad geboden, een weg uitgetekend naar succes in dit leven en in het hiernamaals. Daarmee is meteen duidelijk dat het profeetschap een bijzondere genade is van God. God heeft het goed voor met de mensen, Hij is de Schepper, Hij biedt alles aan dat nodig is voor het levensonderhoud van de mensen, maar Hij biedt ook alles aan wat nodig is voor het morele en spirituele welzijn van de mensen. Het staat de mensen vrij daar al dan niet gebruik van te maken. In dit vers maken gelovigen een engagement, ze vragen God hen te helpen om op dit pad door het leven te gaan.

Noteer dat de vraag om leiding naar en op het juiste pad, volgt op de verklaring van zuiver geloof in de Ene God, waarvan eerst de essentiële kenmerken opgenoemd werden: oneindige liefdevolle genade en rechtvaardigheid. De vraag naar leiding, ontspruit aan een besef van dankbaarheid voor alles wat men krijgt, en aan het besef dat men verantwoordelijkheid draagt voor hoe men daarmee omspringt. Men vraagt geen leiding omwille van zuivere dogmatiek, men vraagt leiding omdat men zodanig doordrongen is van de barmhartigheid van God dat elk afwijken van Zijn pad, zou neerkomen op het in de hand spuwen van diegene die zo gul geeft, omdat men, gedreven door liefde en dankbaarheid, niets wil doen om de gulle schenker te misnoegen. Men vraagt daar hulp bij. Men zegt eigenlijk: dank u voor alles wat u me geeft, leer me hoe ik hetgeen u mij geeft, waardig kan zijn, en help me op dat pad te blijven.

vers 7 : de weg van hen aan wie U genade geschonken hebt, op wie geen toorn rust en die niet dwalen.

In dit vers wordt het juiste pad verder verduidelijkt:

- de weg van hen aan wie U genade geschonken hebt

Noteer dat "de weg" hier in generische, continuerende zin gebruikt wordt. Het is een brede weg waarop al diegenen die zich aan de aan hun profeten geopenbaarde Boodschap van God hielden, mee stappen. Aan hen, schenkt God zijn genade. Miljoenen en miljoenen mensen hebben dit pad reeds bewandeld.

- op wie geen toorn rust en die niet dwalen

Genade wordt door God geschonken aan diegenen die goed proberen leven, maar de toorn van God doen de mensen zichzelf aan, roepen ze over zichzelf af door van dit pad af te stappen. Toorn rust dus op mensen die wel leiding kregen en aanvaardden maar die er, gedreven door arrogantie, door hebzucht, hoogmoed, allerhande misdaden enz. van afgestapt zijn. De dwalenden zijn in essentie diegenen die niet geïnteresseerd zijn in het pad, of die er naar op zoek zijn maar het nog niet bereikt hebben. Niets sluit uit dat zij alsnog het pad vinden.

Het vers is niet bedoeld als waarde-oordeel van andere mensen, vermits alleen God in de harten van de mens kan kijken en alleen Hij kan oordelen over geloof en ongeloof. Dit vers beoogt daarentegen wel in de eerste plaats een waarschuwing te zijn voor de gelovige dit die gebed bidt, een zich herinneren dat wanneer men met opzet - gedreven door hebzucht, arrogantie, onverdraagzaamheid e.d.m. van het rechte pad van broederlijkheid, rechtvaardigheid, integriteit enz afdwaalt, een pad waartoe men zich eerst uit vrije wil geëngageerd heeft, dat men daarvan de gevolgen zal moeten dragen. Zoals in de hele Koran, komt hierin ook de dubbele aanpak aan bod: belonen van het wenselijke, van het goede (door het schenken van genade), afkeuren of bestraffen van het onwenselijke, het kwade (door het zich op de hals halen van toorn). De bestraffing van het kwade komt er echter pas in tweede orde aan bod - de beloning van het goede is de drijvende factor. En zelfs de bestraffing kadert in de onmetelijke Rahmah van God. Bovendien is er altijd hoop op vergeving.




3. Fatiha is geen inleiding tot de Koran, wel de ontsluiting ervan

Abu Huraira meldde dat Profeet Mohamed zei:
"God de Verhevene zei: "Ik heb het gebed in twee helften verdeeld tussen Mij en Mijn dienaar, en Mijn dienaar zal krijgen waar hij naar vraagt.
Wanneer de dienaar zegt: Lof zij God de Heer der wereldbewoners, zegt God de Allerhoogste: Mijn dienaar heeft Mij geprezen.
En wanneer hij (de dienaar) zegt: de Erbarmer, de Barmhartige, zegt God de Allerhoogste: Mijn dienaar heeft Mij verheerlijkt.
Wanneer hij (de dienaar) zegt: Heerser op Oordeelsdag, merkt God op: Mijn dienaar heeft Mij vereerd, en soms zal Hij zeggen: Mijn dienaar heeft (zijn zaken) aan Mij toevertrouwd.
Wanneer hij (de dienaar) zegt: U diene wij U vragen wij om hulp, zegt God: Dit is tussen Mij en Mijn dienaar, en Mijn dienaar zal krijgen waar hij om vraagt.
Vervolgens, wanneer hij (de dienaar) zegt: Leid ons op de juiste weg, de weg van hen aan wie U genade geschonken hebt, op wie geen toorn rust en die niet dwalen, zegt God: Dit is voor Mijn dienaar, en Mijn dienaar zal krijgen waar hij om vraagt.
(Sahih Muslim)
Uit bovenstaande hadith is duidelijk dat de Fatiha geen inleidend hoofdstuk is van de Koran. Het is een gebed, een samenspraak tussen God en de mens, waarin de mens God om leiding vraagt. In antwoord op die vraag, volgt de rest van de Koran, volgt de leidraad waar de mens in zijn gebed tot God om vraagt. Het gebed is dus de ontsluiting van de Koran. Het is het pad tot leiding dat God zelf opent - een kans, een geschenk, een genade die door de gelovige in gebedsvorm dankbaar aanvaard wordt.

Het is met die ingesteldheid dat men deze sura leest en bidt. Uit dankbaarheid voor de oneindige genade van God, vraagt de mens leiding om goed met deze genade te kunnen omgaan vanuit het besef dat er een dag komt dat men rekenschap zal moeten afleggen over wat men ermee aangevangen heeft. Vanuit een diepdoorvoelde dankbaarheid maar ook een zin van verantwoordelijkheid, vraagt de mens leiding. En God antwoordt meteen – Hij verschaft deze leiding in de rest van de Koran.




4. Epiloog

De Fatiha is het Onze Vader van de islam. Het gebed geeft de essentie weer van de relatie tussen mens en God, en deze relatie is er duidelijk gene van dogmatiek. Geloof, is een kwestie van dankbaarheid. En op de vraag om die dankbaarheid te kunnen uiten, wordt door God als antwoord een leidraad voorzien. Het aanvaarden van de leidraad, komt er na het besef van de onmetelijke genade van God.

Minstens zeventien keer per dag herhalen praktiserende muslims dit gebed, telkens opnieuw is het een vraag om ontsluiting van een pad, een vraag om leiding op dat pad, een vraag om vergiffenis als men er al eens afsukkelt. Telkens weer is de vraag ingegeven door een bewustzijn van de genade waarmee God de mensen overstelpt, een bewustzijn dat muslims ertoe aanzet God telkens opnieuw te vragen hen te leren die genade waardig te zijn.


_____________________________


Bronnen

  1. Tafsir Ibn Kathir - http://www.tafsir.com/
  2. 'Tafsir of Surah al-Fateha based on Tadabbur-i Qur'an (overview & verse 1)', 'Tafsir of Surah al-Fateha based on Tadabbur-i Qur'an (verse 2-6)', 'Tafsir of Surah al-Fateha based on Tadabbur-i Qur'an (verse 6-7)', Salaam.co.uk Soundbites - http://www.salaam.co.uk/download/index2.php?cat_name=Tafsir
  3. 'Understanding the first sura: al-fatiha, the key to the Qur'an' - http://members.aol.com/MAmalek1/contents.htm
  4. 'The First Surah, Al-Fatihah (The Opening), Mecca Period', in: 'The Message of the Quran by Muhammad Asad', Translation of the Holy Quran, Translated and Explained by M. Asad - klik hier
  5. 'Al Fâtiha – The Opening', Wahiduddin's Web - http://wahiduddin.net/quran/fatiha.htm
© Linda Bogaert, 2007.

PS
De (Nederlandstalige) Korancitaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013