KORAN-NOTITIES

door

Linda Bogaert

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Racisme: een grendel op de hemelpoort

"O mensen! Waarlijk jullie Heer is Eén en jullie vader (Adam) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier, en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; een blanke is niet beter dan een zwarte en een zwarte is niet beter dan een blanke - behalve in termen van vroomheid en goede daden". (Uitspraak van de Profeet Mohamed, gemeld door Imaam Ahmad, 22391, al-Silsilat al-Saheeh 2700)


Uit deze inleidende uitspraak van de Profeet Mohamed blijkt al meteen hoe krachtig de Islam zich afzet tegen elke vorm van racisme en elitisme. De Koran schrijft een wereldbroederschap van mensen voor, één natie van broeders en zusters die allemaal elkaars gelijken zijn voor God. De Koran bevestigt het bestaan van diversiteit in geloof, taal, huidskleur en zo meer, maar beschouwt deze verschillen als tekenen van de Almacht van God, niet als redenen op grond waarvan men zich superieur zou kunnen voelen. Om deze aanpak duidelijk te maken, bewandelt de Koran zoals zo vaak twee paden: in de eerste plaats wordt het wenselijke - een wereldbroederschap van alle mensen - aangemoedigd. Tegelijk wordt elitisme en racisme sterk afgekeurd en verboden. Voor wie racist is, worden de poorten van de hemel gesloten.

1. Een Wereldbroederschap van alle mensen


De mensheid als één enkele natie van broeders en zusters

De Koran stelt dat de mensheid voortkomt uit één echtpaar, Adam en Eva:

"O mensen, vreest jullie Heer die jullie uit één wezen geschapen heeft, die uit hem zijn echtgenote schiep en die uit hen beiden vele mannen en vrouwen heeft voortgebracht en [over de aarde] heeft verspreid..." (Koran 4:1)

De hele mensheid vormt samen één natie:

"De mensen waren oorspronkelijk één gemeenschap..." (Koran 2:213)

De betekenis hiervan is dat alle mensen gelijk zijn en dat iedereen de broeder en zuster is van elke ander: alle mensen hebben immers dezelfde voorouders. Hiermee wordt in essentie de basis gelegd voor een echte wereldbroederschap van mensen. Devote Muslims spreken elkaar overigens aan met "zuster" en "broeder" - hiermee bevestigen zij niet enkel een geloofsverwantschap maar ook en vooral een volledige gelijkheid voor God: geen mens kan zich superieur achten aan een ander. Profeet Mohamed zei:

"O Heer! Heer van mijn leven en van alles in het universum! Ik bevestig dat alle mensen broeders zijn van elkaar."

Het gaat hier dus niet om een broederschap van Muslims, maar veel ruimer, over een wereldbroederschap van alle mensen die voor God allemaal elkaars gelijken zijn, ongeacht hun huidskleur, geloof, bezit, taal e.d.m.


Diversiteit tussen mensen is teken van Gods Almacht


Oorspronkelijk was de mensheid één gemeenschap. Die werd gaandeweg gediversifieerd. Al zijn alle mensen gelijk voor God, de Koran erkent uitdrukkelijk dat er verschillen bestaan tussen mensen: ze spreken andere talen, behoren tot andere volkeren enz. Maar opdat niemand deze verschillen als grond zou kunnen gebruiken om zichzelf meer waard te achten dan een ander, stelt de Koran dat die verschillen zo door God gewild zijn, en dat het tekenen zijn van Zijn Almacht:

"En tot Zijn tekenen behoren de schepping van de hemelen, en de aarde en het verschil in jullie talen en kleuren. Daarin zijn tekenen voor de wereldbewoners." (Koran 30:22)

Volgens de Koran zijn er ook in het geloof verschillende wegen naar God mogelijk: er zijn verschillende godsdiensten, en in elke godsdienst (met inbegrip van de Islam) zijn er gelovigen die naar de hemel zullen gaan, en ongelovigen die naar de hel zullen gaan. 1 Het is God zelf die de diversiteit, ook in de godsdiensten, heeft ingesteld:

"Als jouw Heer het had gewild, had Hij de mensen tot één gemeenschap gemaakt, maar zij bleven het oneens..." (Koran 11:118).

En enkel God kan over deze verschillen oordelen:

"... en Ik zal oordelen over dat waarover jullie het oneens waren.” (Koran 3:55).

De diversiteit impliceert dus tegelijk een aanvaarden van religieuze vrijheid.

"In de godsdienst (van de Islam) is er geen dwang." (Koran 2:256)

Dwang is in de godsdienst van de Islam verboden. 2. 't Is trouwens voor niets nodig vermits volgens de Koran eenieder die in God gelooft en deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan, of dat nu een Jood, een Christene of een Muslim is:

"Zij die geloven, zij die het Jodendom aanhangen, de Christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdelijk handelen, voor hen is hun loon bij de Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn." (Koran 2:62)


Reden van de diversiteit: elkaar leren kennen


De Koran geeft de reden aan voor deze door God ingestelde diversiteit:

"O mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen... (Koran 49: 13).

Hiermee wordt aangegeven dat God de diversiteit geschapen heeft opdat mensen elkaar zouden leren kennen, niet om elkaar te bestrijden of te pogen elkaar te overheersen. Dit vers houdt de opdracht in, het anders-zijn van anderen te aanvaarden, en met hen een dialoog aan te gaan, op voet van gelijkheid.


Individueel gedrag (en niet ras, afkomst, enz) als basis voor succes (hier en later)


Het voorgaande vers, dat mensen ertoe aanzet de door God ingestelde diversiteit aan te wenden om elkaar te leren kennen, heeft nog een tweede deel:

"... De voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste. God is wetend en welingelicht." (Koran 49: 13).

De Koran vestigt hiermee meteen ook het individuele gedrag als bron voor een geslaagd leven - en niet het behoren tot een of andere groep, natie enz. Wie godvruchtig is en volgens de goddelijke geboden leeft gaat naar de hemel, anderen gaan naar de hel. Het maakt daarbij niet uit tot welke ras of volk men behoort, of men rijk of arm is, man of vrouw, blank of zwart, het maakt zelfs niet uit tot welk geloof men behoort, vermits eenieder die in God gelooft en deugdelijk handelt naar de hemel kan gaan. 'Taqwa' (rechtvaardigheid, godsbewustzijn) is volgens de Koran waar het allemaal om draait, en daar zal God alle mensen op beoordelen. Een Muslim wordt bijgevolg aangemoedigd om zich in alle aspecten van zijn leven, op elk moment, bewust te zijn van God, zodat zijn handelen in alles gestuurd zou worden door Gods Geboden. Maar enkel God kan over deze piëteit oordelen. De 'muttaqûn' - dat zijn mensen met meest 'taqwa' - vormen dus geen klasse apart in de samenleving. In afwachting van de Oordeelsdag, moeten mensen elkaar allemaal als gelijkwaardig beschouwen en het oordeel over de 'taqwa' van de mensen overlaten aan God. Gelijk welke prestatie, gelijk welk bezit, scholingsgraad, jobtitel, huidskleur, nationaliteit, of wat dan ook, volgens de Koran kan niets daarvan een mens meer waard maken dan een ander.


2. Ontraden en verbieden van elitisme en racisme


Mohamed veroordeelde raciale trots

Voor de komst van de Profeet Mohamed, hadden nogal wat Arabieren de neiging neer te kijken op anderen, voornamelijk op Afrikanen. Racisme en bewustzijn van de eigen huidskleur waren prominent aanwezig. De Profeet keurde dit herhaaldelijk krachtig af.

De Profeet zei: "je moet naar je leider luisteren en hem gehoorzamen, zelfs al is hij een Ethiopische slaaf wiens hoofd de kleur van een rozijn heeft." (Bukhari)

Voor de elitair ingestelde Arabieren waren zulke uitspraken shockerend. Zij waren gewend een leider aan te stellen uit de meest vooraanstaande families, maar Mohamed viel hun elitisme herhaaldelijk aan. Hij schreef hen voor op te houden met op te scheppen over hun afkomst.

De Profeet zei: "laat de mensen ophouden met op te scheppen over hun afkomst. Men is slechts een devote gelovige of een miserabele zondaar. Alle mensen zijn zonen van Adam, en Adam kwam van stof." (Abu Dawud, Tirmidhi)

Hij omschreef hun elitaire houding ook als een een teken van hun 'onwetendheid':

Er wordt gemeld dat op een keer een gezel van de Profeet een andere gezel, Bilal genaamd, op een negatieve toon "zoon van een zwarte vrouw!" noemde. Toen de Profeet dit hoorde werd hij kwaad en antwoordde hij: "Veroordeel jij deze man omwille van de zwartheid van zijn moeder? Jij bent met zekerheid een onwetende (al-jahiliyyah)."

De term 'al-jahiliyyah' slaat hier op onwetendheid inzake geloof, en wordt ook gebruikt om iemand die nog volgens de heidense patronen denkt te omschrijven. Opscheppen over je afkomst werd dus gedefinieerd als iets ongelovigs, iets dat in strijd is met de Islam.


Neerkijken op mensen leidt naar de hel


Het vroegst gerapporteerde geval van arrogantie, is dat van Iblis (Satan). De Koran vertelt hoe nadat Adam (geschapen uit klei) de naam van alle dingen geleerd had, God alle Engelen (geschapen uit licht) en alle Jins (geschapen uit rookloos vuur) samenriep om getuige te zijn van Zijn ondervraging van Adam. Toen die overal een juist antwoord op gaf, beval God alle aanwezigen voor Adam te buigen als teken van respect. Eén Jin, Iblis genaamd, weigerde. Op hooghartige toon antwoordde hij dat God toch niet van hem kon verwachten dat hij, die uit rookloos vuur geschapen was, zou buigen voor een wezen dat uit een hoopje vuil (klei) gemaakt was.

"Hij zei: "Ik ben beter dan hij, U hebt mij uit vuur geschapen en hem hebt U uit klei geschapen." (Koran 7:12)

Als straf voor deze hooghartige impertinentie, werd Iblis naar de hel verbannen. Maar Iblis vroeg God om uitstel van zijn straf tot op Oordeelsdag, met de belofte dat hij er tegen dan zou in slagen de meeste mensen te doen afdwalen van het pad van God om zijn pad van arrogantie te volgen. God stond Iblis dit verzoek toe.

Dit verhaal is meteen de grootste waarschuwing tegen arrogantie: ze wordt geassocieerd met de Duivel. Het pad van de zelfingenomen verwaandheid, van het neerbuigend doen tegenover anderen, wordt aanzien als het pad van Iblis dat recht naar de hel leidt. Wie in de hemel wil geraken, mag dus niet verwaand zijn en mag geen racist of elitist zijn:

De Profeet zei: wie trots in zijn hart heeft gelijk aan het gewicht van een kleine atoom, zal nooit het Paradijs binnengaan. Iemand vroeg hoe het dan zit met een man die graag mooie kleren en fijne schoenen draagt, en de Profeet antwoordde: God is mooi en houdt van schoonheid. Dan legde hij uit dat trots betekent: het verwerpen van de waarheid omwille van eigendunk of het neerkijken op andere mensen. (Muslim).


Epiloog


Het wereldbeeld van een muslim is er een waarin God centraal staat. Alles wordt vanuit dit perspectief bekeken. Wanneer men de vraag stelt wie meer waard is dan een ander, dan wordt in werkelijkheid gevraagd: wie is voor God meer waard dan een andere. Het antwoord is duidelijk: voor God zijn alle mensen gelijk, ongeacht taal, geloof, etniciteit, enz. Het enige wat voor God telt, is vroomheid en het verrichten van goede daden, en daarover kan enkel God zelf oordelen. De Koran legt dan ook een stevige basis voor een wereldbroederschap van alle mensen, op voet van gelijkheid, ongeacht geloof, nationaliteit, taal, ras, rijkdom of wat dan ook. De Koran verklaart deze diversiteit van mensen immers als zo gewild door God: God heeft de mensen verschillend gemaakt, niet opdat ze elkaar zouden bestrijden, maar opdat ze elkaar zouden leren kennen. Dit is een opdracht tot aanvaarding, toenadering en dialoog op basis van gelijkheid. In de Islam is racisme dan ook ontoelaatbaar. Het wordt omschreven als onwetendheid, in de zin van ongeloof, en als pad dat recht naar de hel leidt.

______________________________

Noten

  1. Zie ook 'Onze God en jullie God is één', op deze site.

  2. Zie ook 'Godsdienstvrijheid in de Islam', op deze site.

© Linda Bogaert, 2005.
PS
De (Nederlandstalige) Korancitaten in alle bijdragen van deze reeks zijn afkomstig uit: "De Koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands", door Fred Leemhuis, isbn 90 269 40785, uitgeverij: Unieboek in Houten, 1989 (regelmatig herdrukt) - met dien verstande dat Arabische namen (vb Ibrahim) omwille van de herkenbaarheid vervangen werden door de Nederlandse naam (vb Abraham).

Contact: < L.Bogaert@telenet.be

• bogaert-index • cie-index • Islamitische Kwesties •

Webmaster            Update: 1/4/2013