LEIDRAAD OVER DE ISLAM

LEIDRAAD VOOR DE VOORSTELLING ERVAN IN DE SCHOOLBOEKEN. 
BIJDRAGE TOT DE INTERCULTURELE OPVOEDING IN EUROPA

door

Abdoldjavad Falaturi & Udo Tworuschka

• INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •

Overzicht van de belangrijkste leerstellingen in de islam

1. Islam

Volgende uitspraken zijn juist :

  • Het woord ‘islâm’ is afgeleid van de vierde stam van de wortel s-l-m, wat betekent : "heel zijn, ongeschonden zijn, niet gekwetst zijn" . Het concept ‘vrede’ (Arabisch : salâm ; Hebreeuws : shalom) behoort eveneens tot het grondwoord (of : afgeleid van dezelfde radicalen). Het idee van ‘onderwerping aan de wil van God’ is hierin niet begrepen.

  • In de Koranieke betekenis, bevat het woord ‘islam’ zowel een exclusief, als een inclusief aspect. Het exclusieve aspect, als de fundamentele basis van Muhammads boodschap tegenover het polytheďsme, bepaalt de essentiële aard van het concept : geen ander wezen tenzij de Ene God mag vereerd worden als een goddelijkheid. Dat komt zowel tot uitdrukking in de geloofsverklaring: ‘er is geen godheid tenzij de Ene God, en Muhammad is de boodschapper van God’, als in verschillende Koranverzen.

  • Het inclusieve, positieve aspect wordt gekenmerkt door het groot ontzag voor God. Gebed en verering behoren hem alleen, als schepper en behoeder van hemel en aarde. Dat wordt vooral  duidelijk gemaakt in het ‘troonvers’, soera 2, 255.

  • Deze vrijwillige  oriëntatie op God (= islâm) manifesteert zich in geloof en gedrag. In deze betekenis, is de islamitische leer zeker niet beperkt tot louter rituele handelingen aan God gericht, maar omvat ze het geheel van het menselijk leven.

  • Islam betekent dus de directe relatie tussen de mens en de Ene God, wat als strikt monotheďsme wordt aangeduid.

  • Deze overtuiging vormt de basis voor een positieve en respectvolle houding binnen de islam tegenover  de zgn. 'mensen van het Boek’. Abraham, Mozes en Jezus - zij verkondigden allen het geloof in één God - en hun volgelingen zijn in deze Koranieke uitdrukking inbegrepen.

  • Een erfzonde voor de mens wordt afgewezen; de mens, aldus de overtuiging, wordt geboren met een van nature goede dispositie van gerichtheid op God (dîn al-fitra); en uit een strikt monotheďsme wordt geconcludeerd dat geen tussenpersoon nodig is tussen God en de mens, maar dat zulk een tussenpersoon de wederzijdse relatie tussen God en mens veeleer geweld zou aandoen.  Dat alles laat de facto geen ruimte voor enig verlossingsdenken in de christelijke betekenis. De islamitische mens-God relatie is niet bepaald door zonde en verlossing, maar door berouw en vergiffenis.

  • Het is de taak van de mens in dit huidige leven de nabijheid van God op te zoeken (qurbat ila Allâh). Elke rituele handeling en elke goede daad moeten door dat streven vorm krijgen. Nochtans wordt uit handelingen en werken van de mens geen ‘recht op beloning’ afgeleid; iemands relatie tot God is veel meer bepaald door hoop en vertrouwen in de goddelijke goedheid en barmhartigheid.

  • De islam ziet zichzelf niet als de onderwerping van een machteloze mens aan de almacht van God, of ondergeschiktheid aan diens onvoorspelbare wil of wispelturigheid. De opgave van de mens bestaat er veeleer in recht te doen aan zijn oorspronkelijke en natuurlijke bestemming: bij het zoeken van de  nabijheid van God de geest van God tot ontwikkeling te brengen, die in elke mens sinds de schepping van Adam aanwezig is. De Koran zet dat als volgt uiteen :

En als Ik hem [Adam] gevormd heb en hem iets van Mijn geest heb ingeblazen, valt dan in eerbiedige buiging voor hem neer.” (soera 15, 29, gericht tot de engelen)

  • De islam is geen godsdienst van de Wet of van de werken; hij is geen godsdienst ‘vanonderen’ waarbij de mens moet marchanderen voor Gods beloning. (Dat wordt vaak naar voor geschoven in contrast met het christendom, waar de mens, als ‘kind van God’, mag vertrouwen op de goedheid van God de Vader). De islam is eveneens een godsdienst van barmhartigheid ; in de ogen van de islam, leidt de barmhartige God de mens bij middel van Zijn barmhartig woord van leiding, (Koran : hudan wa rahma = juiste leiding en barmhartigheid).

“En Wij hebben jou [Muhammad] slechts gezonden als een zegen voor de wereldbewoners” (soera 21, 107).

De handelingen die van moslims worden geëist zijn enkel de realisatie metterdaad van het  monotheďstisch geloof; de regels neergelegd in de Koran zijn te begrijpen als hulpmiddelen voor de vervulling van deze taak van de mens.

Volgende zijn fout :

  • De relatie tussen mens en God te definiëren als een relatie tussen slaaf en onderdrukker, waarbij zulk een verkeerde voorstelling van de waarheid direct of indirect verwerkt wordt in een foutieve definitie van islam (onderwerping aan de wil van God);

  • vanuit het islamitisch beeld van God eenzijdig het aspect van de goddelijke wil (of zelfs: willekeur) op de voorgrond te plaatsen en staande te houden dat de mens zich als een knecht blind moet onderwerpen aan zijn Heer;

  • fatalisme af te leiden uit de definitie van islam;

  • uit een kenmerk dat ook gemeenschappelijk is aan jodendom en christendom, bij de islam een blinde, machteloze en rechteloze slavenmentaliteit af te leiden;

  • te beweren dat het christendom een persoonlijke, gevoelvolle relatie van mens tot God biedt, gebaseerd op dialoog, en in contrast daarmee voor de islam  een zakelijke, gevoelloos-mechanische mens-God relatie te veronderstellen.
     



2. God

Volgende uitspraken zijn juist :

  • De term Allah (gevormd door het Arabische lidwoord al- en ilâh = God) betekent DE God, en is gewoonweg het Arabische woord voor God. Arabische Bijbelvertalingen maken eveneens gebruik van het woord ‘Allah’ voor ‘God’.

  • Allah als de ene en enige God (= monotheďsme) is het middelpunt en fundament van  het islamitische geloof.

  • De Koran verkondigt het geloof dat alle boodschappers en profeten één en dezelfde God verkondigen. Volgens de Koran, is Allah/God identisch met de God uit de Thora en het Evangelie.

“Zegt : Wij geloven in wat aan ons is geopenbaard en in wat aan jullie is geopenbaard. Onze God en jullie God (ilâh) is één. En aan Hem geven wij onszelf over (moslim).” (soera 29, 46).

Gelijkaardig ziet de Koran Allah als de ene God van alle godsdiensten die het geloof in één God verkondigen. Dit wordt gedefinieerd als ‘inclusief absolutisme’ (G.Mensching).

  • Karakteristiek voor het islamitische begrip van God zijn de namen en attributen die aan Allah worden toegeschreven, overeenkomstig zijn natuur en zijn handelingen. Men spreekt over de ‘honderd mooiste namen van Allah’, die voorkomen in de Koran en Soenna. Daarnaast zijn er nog andere namen en attributen afgeleid van de veelvuldige aard van Zijn manifestaties.

  • De volgende namen worden bijzonder benadrukt als aanwijzingen voor zijn natuur, en ze zijn belangrijk voor het islamitische begrip van God : ‘de Levende’, ‘de Blijvende’, ‘de Verhevene’, ‘de Wijze’, ‘de Alwetende’.

  • Voor Zijn handelingen, wordt Allah beschreven in volgende termen : ‘Schepper en Ondersteuner’, ‘de Vormer’, ‘Hij die leven geeft / en wegneemt’.

  • Volgens de islam, worden Gods relaties met zijn schepselen bepaald door twee van zijn attributen in het bijzonder : Barmhartigheid, tot dewelke Hij Zichzelf, als de Almachtige, heeft geëngageerd, volgens de Koran (cf. de soera’s 6, 12 en 6, 54) ; en Rechtvaardigheid, die daaruit voortvloeit. Gods barmhartigheid is kenbaar gemaakt door de volgende namen, - tussen andere namen - genomen uit de volledige reeks namen van God : ar-rahmân ar-rahîm (de Barmhartige, de Genadevolle) ; ‘de Altijd-Vergevende’ ; ‘Hij die berouw / spijt aanvaardt’ ; ‘de Liefdevolle’ ; ‘de Genadevolle’ (al-karim) ; ‘de voorzorgdragende’.

De volgende namen van God verwijzen naar rechtvaardigheid : ‘de Rechtvaardige’ ; ‘Hij die rechtvaardig handelt’ ; ‘de Rechter die bemiddelt’ (= hakam, niet enkel de "rechter" zonder meer); ‘de Vertrouwenswaardige’ ; ‘de Getuige’,  de "Rekenaar", "Hij die de onrechtvaardige aan de rechtvaardigheid onderwerpt".

  • De God die in overeenstemming handelt met de hierboven vermelde attributen reveleert zijn Woord (niet zijn ‘Wil’!) aan de mens, maar niet Zichzelf. De hele Schepping - dat wil zeggen de mens en de omgeving die deze mens omringt - is een teken van God. Volgens de Koran is “niets zoals Hem” (soera 42, 11). Hiervan worden een aantal negatieve analogieën afgeleid : “Hij is noch lichaam noch geest ; Hij bestaat noch in tijd, noch in ruimte ; Hij is niet zichtbaar en kan niet weergegeven worden in beelden. Toch is Hij overal aanwezig. Hij is dichter bij “hem [de gelovige] dan 's mensen halsslagader ” (soera 50, 16). God kan men vinden in het hart van de gelovige (hadîth qudsî)

Volgende zijn fout :

  • uit Gods almacht af te leiden dat deze God "gewelddadig" is, "hardvochtig", een "meedogenloze heerser", "een Rechter zonder erbarmen in het veroordelen";

  • het afleiden van een ‘onvoorspelbare willekeur’ uit Zijn wil, die gecontroleerd wordt door Zijn wijsheid;

  • het feit te verbergen dat Allah en de God van de Thora en het Evangelie identiek zijn, volgens de Koran;

  • het afleiden van een Godmensrelatie, enkel gebaseerd op rechtvaardigheid en de formele wetten, daarbij de genade van God verbergend of overkijkend, en Zijn bereidheid tot vergeving;

  • uit de islamitische opvatting dat God niet Zichzelf openbaart, maar Zijn Woord, de minderwaardigheid af te leiden van de Koranieke openbaring;

  • God voor te stellen als een gevoelloos, abstract principe van normering, als iemand die zijn almacht misbruikt om de mens Zijn wil op te dringen; die onvoorstelbaar en willekeurig handelt en voor de mens niet te benaderen ver weg blijft;

  • de relatie van de mens tot God te definiëren als uitsluitend of op zijn minst overwegend bepaald door de menselijke prestaties (‘rechtvaardiging door werken’).




3. De Mens

Volgende uitspraken zijn juist :

  • Zoals in andere godsdiensten, neemt het vraagstuk over de mens een vooraanstaande plaats in in de islam.

  • De islam beschouwt de mens - zoals zovele (mono)theďstische godsdiensten, in het bijzonder het jodendom en het christendom - als ‘Gods Schepping’ en Gods vice-bestuurder op aarde.

  • Volgens de Koran, gaat aan de schepping van de mens het protest van de engelen vooraf: zij zien in de mens een schepsel dat onrust veroorzaakt en bloed vergiet. God reageert op deze tegenspraak doordat hij aan de mens/Adam kennis geeft over de hele schepping en hem daarmee boven de engelen plaatst:

“Toen jullie Heer tot de engelen zei : ‘Ik ga op aarde een plaatsvervanger aanstellen’, zeiden zij: ‘Gaat U  daar iemand aanstellen die er verderf brengt en bloed vergiet, terwijl wij U lofprijzen en uw heiligheid eren?’ Hij zei: ‘Ik weet wat jullie niet weten.’ En Hij onderwees Adam de namen van alle dingen. Toen legde Hij hen aan de engelen voor, en zei: ‘Deelt mij hun namen maar mee, als wat jullie zeggen waar is.’ Zij zeiden: ‘U zij geprezen! Wij hebben geen kennis tenzij dat wat U ons hebt onderwezen. U bent de al-Wetende en de Wijze.’ Hij zei: ‘Adam, deel hun hun namen mee.’ Toen hij hun dan hun namen meedeelde, zei Hij: ‘Heb ik jullie niet gezegd dat Ik de geheimen van de hemelen en de aarde ken en alles weet, wat jullie openlijk en in het verborgene doen?’ ” (soera 2, 30-33)

  • Als een teken van hun ondergeschiktheid, vroeg God aan de engelen neer te knielen voor Adam. Allen gehoorzaamden aan dit bevel, uitgezonderd de aartsengel Iblis, die zichzelf een hogere positie toekende dan de mens. Daaruit ontstond een vijandschap tussen Iblis en de mens, die elke mens zijn leven lang bedreigt.

  • De Koran vermeldt, als één van de eerste verleidingen door Iblis/de Duivel, het verleiden van de Moeder en Vader van de mens Gods verbod in het Paradijs te overtreden, door een bepaalde boom te benaderen. De ongehoorzaamheid van Adam leidde ertoe dat de mens en Satan uit het Paradijs verdreven werden. Adam had berouw over zijn zonden en God vergaf hem. Deze band tussen berouw en vergiffenis is fundamenteel voor de Koranieke verhouding tussen de mens en God.

  • De aard van de mens als Gods schepping wordt aldus gekarakteriseerd door een directe, niet-bemiddelde relatie met God.

  • De mens neemt de verantwoordelijkheid op zich voor de rest van de Schepping. Hij moet zijn schepselgenoot  (het milieu, waartoe ook de hemelse wezens behoren) behoeden en mag het niet vernietigen.

  • In deze betekenis, wordt de mens omschreven als kalief (Arabische khalîfa) of stedehouder Gods.

  • In zijn beschrijving van scheppingsact, toont de Koran met de grootst mogelijke duidelijkheid dat de wilsvrijheid van de mens als de essentiële voorwaarde voor de relatie tussen God en mens (cf. soera 2, 30 ff; 20, 116 ff; 7, 11 ff.).

  • Volgens de Koran, is de mens wegens zijn onvolmaaktheid steeds bloot gesteld aan Satans verleidingen. Om die reden is hij te allen tijde aangewezen op Gods rahma (barmhartigheid) en Zijn bereidheid tot vergeving.

  • De grootheid van de mens ligt in het feit dat hij, door de wilsvrijheid die hem verleend is, kan kiezen voor God of Satan; met andere woorden, dat hij met behulp van Gods rahma, de aanleg kan ontwikkelen van gerichtheid op God, die hem bij zijn schepping op zijn weg meegegeven is  (din al-fitra – cf. soera 30, 29).

  • Gods barmhartigheid is zichtbaar in Zijn bezorgdheid voor de mens in alle domeinen van het leven. Die voorzienigheid wordt omschreven met de term rabb ("Heer"), en determineert de actuele relatie van God tot de mens, die getypeerd wordt als ‘abd ("dienaar").

  • De uitdrukking rabb impliceert eveneens het idee van het onderwijzen en juist-leiden (cf. het Hebreeuwse woord ‘rabbi’). Het woord ‘abd kan enkel goed begrepen worden in zijn verhouding tot het woord rabb. ‘Abd betekent niet ‘ondergeschikte’ of ‘dienaar’, die handelt in opdracht van zijn meester, maar staat voor iemand die, om zijn door God gegeven aanleg te ontwikkelen, diens alomvattende voorzienigheid voor zijn rekening neemt.

  • Het vertrouwen in de door wijsheid gedragen, voorzienige wil van God helpt de moslim zich te beschermen tegen de angsten ten aanzien van alle andere ‘machten’.

  • Eén van de voornaamste misvattingen over islam is gebaseerd op een onjuiste, niet-gefundeerde oppositie tussen de goddelijke en de menselijke wil. In werkelijkheid refereert de goddelijke almacht en wil naar Zijn altijddurende en voorzienige scheppingskracht, terwijl de menselijke vrije wil de onmisbare voorwaarde is voor de vervulling van de verantwoordelijkheid die hem opgedragen is tegenover God, zijn medemensen en het milieu.

  • Nauw samenhangend met een appreciatie van de verhouding tussen Gods autonome wil en de menselijke vrije wil, is een ander problemencomplex dat aanleiding geeft tot misverstanden ten aanzien van het Koranieke mensbeeld: het islamitische idee van al-qadâ’ wa l-qadar (beslissing en uitvoering). Islamitisch begrepen betekent het een constante aanwezigheid van God, die beslissingen van de mens vergezeld. Het wordt dikwijls negatief geďnterpreteerd als voorbestemdheid die de vrijheid wegneemt, en gelijk gesteld met fatalisme en geloof in het lot. Muhammad daarentegen predikte nooit een onpersoonlijk lot, maar een persoonlijke scheppende God, die Zich voorzienig toewendt tot Zijn schepselen.

  • Een vers uit de Koran (soera 17, 13), dat dikwijls geciteerd wordt als bewijs van een islamitische predestinatie, gaat als volgt in zijn volledige context:

“En bij iedere mens hebben Wij zijn lotsbestemming aan zijn nek vastgemaakt. Op de Dag van de Heropstanding zullen We hem confronteren met een wijd openliggend Boek, zeggende: ‘Lees jouw boek, jouw eigen ziel is vandaag goed genoeg om de rekening te vereffenen.’ Wie zich de goede richting laat wijzen, die volgt het goede pad slechts in zijn eigen voordeel en wie dwaalt, dwaalt slechts tot zijn eigen nadeel en niemand zal de last van een ander dragen, noch straffen voordat We er een boodschapper hebben heengezonden (die hen waarschuwt).” (soera 17, 13-15).

Zonder enige mogelijkheid dit vers verkeerd te verstaan, toont het dat er geen sprake is van enige voorbestemdheid of ‘noodlot’ (kismet) dat God de mens heeft opgelegd, maar van een lot dat de mens zich door zijn eigen gedrag, in volle verantwoordelijkheid verworven heeft. Uit het Koranvers komt ook duidelijk naar voren dat elke individuele mens, als enig schepsel, de verantwoordelijkheid draagt voor zijn of haar eigen vrije keuze tussen geloof (rechte leiding) en ongeloof (dwaalweg). Het vers ontkent dus de verwachting van een verlosser, en eveneens het bestaan van een speciale priesterklasse.

  • Het woord ‘kismet (noodlot)’, dat geworteld is in het volksgeloof, kan zijn theologische basis en erevaringsachtergrond enkel hebben in gebeurtenissen waarover de mens geen macht bezit : leven, dood, natuurrampen enz., dat wil zeggen gebeurtenissen die vanuit seculier oogpunt geďnterpreteerd worden als ‘dwang’, ‘toevalligheid’, en andere. Bij gebeurtenissen waarbij het niet in zijn macht ligt ze te beďnvloeden, ziet de moslims zich in Gods handen; in vertrouwen daarop kan hij/zij zijn/haar evenwicht bewaren en leven zonder angst.

Volgende zijn fout :

  • in islam is de verhouding tussen mens en God zoals de verhouding tussen meester en dienaar, via dewelke de meester zijn dienaars taken toevertrouwt voor Zijn eigen doeleinden, die niet altijd duidelijk zijn voor de laatste;

  • uit een meester-dienaar relatie af te leiden dat een machtig meester de mens onderwerpt, dat Hij hem voortdurend herinnert aan zijn onbetekenendheid, en hem in Zijn macht houdt als een marionet;

  • in de islam draait alles rond de dominerende kracht van God in contrast tot de onbetekenende mens ; in werkelijkheid refereert de veelvuldige nadruk op goddelijke macht in de Koran hoofdzakelijk naar Gods macht in het licht van vijandelijke krachten zoals die van Satan, die moet uitgesloten worden van het menselijk leven;

  • uit de verhouding tussen rabb - ‘abd af te leiden dat de mens aanspraak kan maken op een goddelijke beloning (het Paradijs of de Hel) door zijn eigen inspanningen;

  • islam is een godsdienst van ‘rechtvaardiging door werken’ - (Het tegenovergestelde heeft betrekking op : islam is een godsdienst van barmhartigheid / rahma).

  • de mens, als onvrij schepsel, is onderworpen aan de dominerende kracht van een willekeurige God;

  • te argumenteren dat het vertrouwen van de mens in een liefhebbende God tot passiviteit leidt en de verantwoordelijkheid voor de wereld van de kant van de moslims reduceert;

  • de verantwoordelijkheid te ontkennen van de mens tegenover de rest van de Schepping, op basis van een veronderstelde meester-slaaf verhouding;

  • islam een gebrek aan bezorgdheid toe te schrijven ten aanzien van het verschijnsel van zonde/kwaad en  te beweren dat de mens redding kan winnen door eigen inspanningen en zonder goddelijke hulp. In werkelijkheid is elke overtuigde moslim zich altijd bewust van zijn / haar tekortkomingen in het aanschijn Gods.




4. De Koran

Volgende uitspraken zijn juist:

  • De Koran (Arabisch: al-qur’ân = lezen, voordracht, het voorgedragene) is de heilige schrift van de islam.

  • De Koran wordt beschouwd als het authentieke Woord van God, dat aan de profeet Muhammad woord voor woord is geopenbaard in het Arabisch (woord-voor-woord inspiratie).

  • Over zijn verbinding met een gepostuleerd hemels oerschrift ('Moeder van het Boek") luidt het in Soera 85, 21-22:

“Ja zeker, het is een glorierijke Koran, op een goedbewaard paneel.”

En in soera 43, 3-4 vinden we:

“Wij hebben het tot een Arabische Koran gemaakt; misschien zullen jullie verstandig worden. En het is in het oorspronkelijke boek bij Ons, verheven en wijs".

  • Moslims zijn ervan overtuigd dat, voor zover het zijn taal en inhoud betreft, de Koran een mirakel is, niet te evenaren door Gods schepselen, zelfs niet door de jinns:

“ Zeg : Als de mensen en de djinn zich zouden verenigen om met net zo iets als deze Koran te komen dan zouden ze toch niet met iets overeenkomstigs komen, ook al zouden zij elkaar helpen.” (soera 17, 88; vgl. ook s. 2,23 en 10,37-38)

Het Koranieke zelfbegrip wordt duidelijk in soera 3, 7 :

“Hij (God) is het die tot jou het Boek heeft neergezonden. Een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen - zij zijn de grondslag van het boek (umm al-kitâb) - en andere zijn op verschillende manieren te duiden.”

De verzen die "op velerlei manieren te duiden zijn", vormen naar de mening van de islamitische geleerden de grondslag voor de verdere ontwikkeling van de islam doorheen de loop van de geschiedenis, via de mogelijkheden van verschillende interpretaties.

  • De Koran is niet eenmalig  geopenbaard, maar beginnend in 610 nK  over een periode van 23 jaar (tot 632 nK), eerst in Mekka (ongeveer 12,5 jaar) en dan in Medina (ongeveer 10,5 jaar). De openbaring was steeds in overeenstemming met de omstandigheden, dat wil zeggen de telkenmalige noodwendigheden en aanleidingen van de openbaring (asbâb an-nuzul).

  • De tekst van de Koran bestaat uit 114 hoofdstukken. Zij worden soera’s genoemd (Arabisch: sura, mv. suwar = ‘deel’). De afzonderlijke soera’s bestaan uit verzen (Arabisch: âya, mv. âyât = ‘tekens’). De soera’s variëren aanzienlijk in lengte. De langste is soera 2, met 286 verzen; de kortste is soera 108 met 3 verzen. De kortere soera’s stammen hoofdzakelijk uit de Mekkaanse openbaringsperiode, de langere uit Medina. Volgens de meest verbreide telling, bestaat de Koran uit een totaal van 6236 verzen ( 4613 uit Mekka; 1623 uit Medina). In wat vandaag de onveranderlijke eindredactie is (zie verder) zijn de soera's niet gerangschikt in chronologische volgorde, maar voornamelijk volgens lengte – de langste eerstkomend (er zijn weliswaar vele uitzonderingen, de best gekende is soera 1 met slechts 7 verzen). De Koran is ongeveer één derde langer dan het Nieuwe Testament.

  • De verkondigde verzen werden, zoals ze werden geopenbaard en op dictaat van Muhammad, neergeschreven door verschillende scribenten op de meest verscheidene materialen (perkament, schors, enz.). Nog tijdens Muhammads leven kwamen komplete kopieën tot stand. Volgens de islamitische traditie, zou het exemplaar van Zaid ibn Tâbit het meest betrouwbare zijn. De vandaag kanonieke Koranuitgave gaat terug op de derde kalief ‘Uthman (644-656 nK). Hij was verantwoordelijk voor de finale versie en baseerde zich daarbij op het akkoord van de andere moslims (velen onder hen kenden de Koran uit het hoofd), als garantie voor de authenticiteit van zijn werk. Hijzelf maakte heel mooie afschriften van de Koran.

  • Het bestaan van verschillende geschreven teksten van de Koran, die nog tijdens Muhammads leven en op zijn uitdrukkelijke aanwijzingen tot stand kwamen, het van-buiten-leren van de tekst door Muhammads metgezellen, ten einde aldus zeker te zijn van een woord-voor-woord  exacte mondelinge overlevering, evenals de duidelijke scheiding tussen de tekst van de openbaring en andere uitspraken van Muhammad hebben belet dat zich tekstkritische problemen stelden zoals men ze o.m. kent bij de exegese van het Oude  en Nieuwe Testament. Ook de lichte variaties in de nummering van de verzen zijn niet gebaseerd op verschillende tekstvarianten, maar berusten enkel op de verschillende manieren van tellen van de delen. “Wij hebben geen reden om aan te nemen dat ook maar één vers uit de hele Koran niet van Muhammad zelf zou komen”, aldus Rudi Paret, de vermaarde Duitse islamoloog en auteur van een gewaardeerde vertaling van de Koran.

  • Inhoudelijk behandelt het grootste deel van de Koran (meer dan 90% van de verzen): de uitbouw en regels van de gemeenschap (ethische waarden), God en Zijn attributen, Profeten en historische figuren (uit de Semitische traditie), vroegere heilige geschriften en openbaringen, evenals het geheel van de Schepping: wereld, hemel en aarde, medeschepselen, natuurfenomenen, metafysische wezens zoals engelen, djinns, enz., volkeren uit het verleden en hun geschiedenis. Slechts in veel geringere mate (ongeveer 6%) bevat de Koran voorschriften voor het leven.

  • De Koran beschrijft de relatie van verschillende voorafgaande heilige schriften (in het bijzonder de Thora en de Evangeliën) tot elkaar, en zijn eigen relatie ermee als volgt:

“ En Wij hebben Jezus, de zoon van Maria, in hun voetspoor laten volgen als bevestiger van de reeds geopenbaarde Thora. Wij gaven hem het Evangelie, in dewelke leiding en licht is, ter bevestiging van de reeds geopenbaarde Thora, als een gids en aanmaning voor de godvrezenden. En laat de mensen van het Evangelie oordeel vellen volgens wat God daarin heeft geopenbaard. En wie geen oordeel velt volgens wat God heeft geopenbaard, dat zijn de verdorvenen. En Wij hebben het Boek met de Waarheid naar jou neergezonden dat bevestigt van wat er  voordien van het boek al was en dat erover waakt. Geef daarom oordeel over hen volgens Gods openbaringen en geef niet toe aan grillen of wijk niet af van de waarheid die jullie is bekendgemaakt. Wedijvert dus in goede daden. Tot God is jullie terugkeer, gezamenlijk. Hij zal jullie dan dat meedelen waarover jullie het oneens waren.” (soera 5, 46-48)

  • De Koran beschouwt zijn historische banden met de Bijbel als zijnde binnen de traditie van openbaring uit één goddelijke openbaringsbron.

  • Als Heilig Schrift en authentiek Woord van God wordt de Koran door moslims ook in het leven van alledag in ere gehouden. Elke moslim is ertoe gehouden zoveel mogelijk ervan uit het hoofd te leren. De hâfiz (Arab.: iemand die de Koran uit het hoofd kent) die zich de Koran eigen maakt, door hem in zijn hart, zijn gemoed en zijn verstand op te nemen, in feite iedere moslim, komt door hem van buiten te leren (Engels: to learn by heart) en te reciteren God zeer nabij.

  • De opmerkelijke betekenis van de Koran wordt zichtbaar in de kalligrafie, de door de islam zo intens beoefende kunst van het schoonschrift. Kalligrafie is een religieuze kunstvorm, die een numineuze fascinatie uitoefent op moslims. “Het schrift bezit een ‘heilige’ aura, dewelke de moslim omwikkelt bij het gebed, wanneer hij haar leest.” (L. Librande)

Volgende zijn fout:

  • uit de Koranieke mededeling, dat de openbaring bekend werd gemaakt door de aartsengel Gabriël, af te leiden dat Muhammad alles slechts gefantaseerd of gedroomd heeft, en aldus het door de islam aangenomen openbaringskarakter af te wijzen als louter vergissing of bedrog;

  • de Koran als een 'geschrift van Muhammad' te presenteren, als een verzameling van uitspraken, of zelfs als een doelbewuste poging tot misleiding met het oog op het verwerven van macht, respectievelijk

  • als een ‘biografie van Muhammad’, dewelke de persoonlijkheid en het optreden van de Profeet beschrijft, analoog aan de Evangelies;

  • de voor waar gehouden openbaring van de goddelijke wil in de Koran te interpreteren als de uitdrukking van goddelijke tirannie over de mens die geen eigen wil bezit;

  • de Koran te interpreteren als wetboek van de moslims, dat 'middeleeuwse' straffen goedkeurt;

  • te beweren dat kalief Uthman naar eigen goeddunken delen van de Koran samenvoegde, en daarbij vele originele onderdelen van de Koran wegliet, respectievelijk enkele passages nadien toevoegde;

  • uit de onbestrijdbaar aanwezige overeenkomsten tussen Koranieke en Bijbelse teksten een totale historische afhankelijkheid en nabootsing af te leiden en die nabootsing te verklaren als resultaat van de ontmoeting van Muhammad met joden en christenen op zijn reizen, respectievelijk in Mekka of Medina. De Koran bevestigt weliswaar de overeenkomst met de leer van de Bijbelse gezanten; volgens zijn eigen zelfbegrip resulteert die uit de gemeenschappelijke openbaringsbron. Principiële afwijkingen en zelfs tegenspraken met de Bijbelse tekst laten meer gecompliceerde receptieprocessen veronderstellen;

  • de Koran te beschouwen als een programma- en strijdschrift van de tacticus Muhammad ten aanzien van joden, christenen en Arabieren (zie ook onder ‘Muhammad); respectievelijk als een fanatiek, bedreigend boek te zien, dat tot oorlog oproept tegen de 'ongelovigen'.




5. Muhammad

5.1. Kindsheid en jeugd 

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Muhammad werd geboren rond 570-571 nK. Hij was het jongste lid van een familie van de Hashim-clan uit de stam van de Quraysh. Deze stam genoot aanzien en invloed boven het regionale niveau; in het bijzonder de Hashim-clan had o.m. belangrijke religieuze en sociale functies, zoals het voorzien van de pelgrims van de grote hajj in Mekka van water en voedsel. Op het tijdstip van Muhammads geboorte, was dat ambt in handen van zijn grootvader ‘Abd al-Muttalib (geboren rond 497 nK).

  • Op het ogenblik van de grote pelgrimstocht (hajj), die in de tijd samenviel met de grootmarkt, kwamen vertegenwoordigers van verschillende godsdiensten (joden, christenen, Sabiërs, Zoroastriërs enz.) samen onder de bescherming van de 'Godsvrede'.

  • Muhammads vader, ‘Abdullah, die al op 25 jarige leeftijd, een paar maanden vóór Muhammads geboorte, in Medina stierf, was de zoon van de kinderrijke ‘Abd al-Muttalib.

  • Muhammads moeder Amina stierf in 576 nK, waarschijnlijk tussen 20 en 30 jaar oud, toen Muhammad 6 jaar oud was.

  • Na de dood van Muhammads grootvader in 587 nK, nam diens zoon, Abu Talib, Muhammads oom, het hoogste ambt in Mekka waar, en tevens de hoede over zijn neefje. Tot aan de dood van zijn oom in 619 nK bleef Muhammad onder diens bescherming.

  • Muhammad was dus op zeer jonge leeftijd wees, maar groeide zeker niet op zonder bescherming of in armoede. Als stamlid genoot hij de bescherming van zijn clan. Zoals elk kind, nam hij deel aan het dagelijkse leven van zijn familie. Als jongen, hoedde hij de schapen en kamelen van zijn uitgebreide familie, net als andere kinderen. Later leerde hij bij zijn oom het beroep van koopman. Soera 53, 8, die dikwijls geciteerd wordt als bewijs voor Muhammads armoede, handelt niet over de verschillen tussen armoede en rijkdom, maar over de geesteshouding van hulpbehoeftigheid en vertrouwen in God. Muhammad bezat niets en heeft ook niets nagelaten. Dit benadrukken van het onafhankelijk zijn van wereldlijke goederen is bijzonder belangrijk als een teken van het profeet-zijn. We denken hier o.a. aan Mozes en Jezus.

Volgende uitspraken zijn fout:

  • dat Muhammad opgroeide in armoedige omstandigheden, en dat zijn hoofdbezigheid bestond in het hoeden van schapen en geiten. Hij leerde noch lezen noch schrijven. Als jongeman nam hij af en toe deel aan kameelkaravanen als kamelendrijver;

  • zijn rol binnen de clan te minimaliseren, met de bedoeling de latere ontwikkeling te zien als product van zijn behoefte aan carričre en macht. Daartoe behoren beweringen zoals:

- hij kwam van een gerespecteerde, maar verarmde familie;
- Muhammad groeide op tussen liefdeloze verwanten; - omdat zijn ouders vroeg stierven, was hij gedwongen een armzalig leven te leiden als herdersjongen en kamelendrijver;
- in zijn jeugd moest hij zich uit de slag trekken als herdersjongen en kamelendrijver;
- Muhammad, de kamelendrijver en loonarbeider, behoorde tot een verarmde tak van de Quraysh, enz.
 

5.2. Beroepsopleiding en stichting van een gezin 

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Op de leeftijd van 12 jaar, werd Muhammad door zijn oom geďntroduceerd in het vak van koopman. Onder diens hoede kwam hij in contact met de vele soorten religieuze stromingen en gebruiken van de pelgrims in Mekka, en nam hij deel aan het toezicht hierop.

  • Als goed opgeleide zakenman en koopman verwierf Muhammad zulk een goede reputatie dat hij gekend was als al-amîn (= de eerlijke, degene die men vertrouwt).

  • De (naar verluidt) veertig jaar oude zakenvrouw Khadija vertrouwde Muhammad, als haar zakenpartner, haar kapitaal toe op uitgebreide zakentrips naar Syrië, waarschijnlijk onder de voorwaarde dat de winsten proportioneel moesten verdeeld worden, op basis van haar kapitaal en Muhammads inzet. Deze vorm van zakelijke associatie (mudâraba) was heel gebruikelijk in de Arabische maatschappij.

  • Muhammads talenten, zijn eerlijkheid en maatschappelijk aanzien deden hem het respect van Khadija verdienen, die de 25-jarige een huwelijksaanzoek deed.

  • Dat huwelijk bracht twee zonen voort, die stierven tijdens hun kinderjaren, en vier dochters. Alle nakomelingen van Muhammad stammen af van zijn jongste dochter Fatima (geb. 605 nK)

Volgende uitspraken zijn fout:

  • dat Muhammad als kamelendrijver op karavanen de rijke weduwe Khadija leerde kennen, die hem in dienst nam;

  • dat het huwelijk met de rijke weduwe Khadija hem een leven vrij van werk en zorgen gaf en de kans zich te bezinnen hoe macht en rijkdom te verwerven;

  • dat Muhammad pas na zijn huwelijk met Khadija de gelegenheid kreeg als koopman door Arabië en de naburige landen te reizen;

  • dat Muhammad door zijn huwelijk met een rijke koopmansweduwe een aanzienlijk vermogen had gewonnen, wat het hem mogelijk had gemaakt een zorgeloos leven te leiden, maar dat hij erover begon na te denken hoe de mens het er kon vanaf brengen voor het eindgericht van God.

5.3. Muhammads roeping: de tijd in Mekka

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Muhammad stond erg kritisch tegenover de religieuze tradities van zijn volk en de maatschappelijke condities die er golden. Reeds vóór zijn geroepen-zijn als profeet (in 610 nK), neigde hij naar het monotheďsme, net zoals andere maatschappijcritici van vóór hem.

  • Naast zijn activiteiten als groothandelaar, trok hij zich steeds weer terug in afzondering. Deze meditatietijd, begrepen als religieuze handeling, als toewending naar een enige god, was vóór hem reeds door vele critici van het polytheďsme beoefend. Als plaats voor zijn meditatieve eenzaamheid koos Muhammad een grot in de berg al-Hira, 12 km ten noorden van Mekka. Het was ook daar dat hij in 610, in de maand ramadân, zijn eerste roeping beleefde.

  • Muhammad was een menselijk wezen, geen God of halfgod. Enkel zijn functie van Boodschapper verheft hem boven andere mensen. Hij wordt echter niet aanzien als een ‘bemiddelaar’ tussen de overige mensen en God (dus niet zoals Jezus Christus bijvoorbeeld), en evenmin wordt hij door moslims begrepen als ‘godsdienststichter’. Enkel God wordt op deze wijze beschouwd.

  • Muhammad plaatst zichzelf in een reeks van profeten en boodschappers die van bij de aanvang der tijden het geloof in de Ene God verkondigd hebben (bijv. Abraham, Mozes, Jezus, enz.). Hij begrijpt zichzelf als iemand die de oorspronkelijke goddelijke openbaring, die in de loop van de geschiedenis vervalst was en vermengd met vreemde elementen, in ere herstelt. Volgens de Koran, geldt Muhammad als de laatste rasűl ( = gezant) van Allah, het ‘Zegel der Profeten’, (soera 33, 40), die de door de goddelijke openbaring  gerealiseerde historische link met zijn voorgangers verder zet en afsluit.

  • Om de geloofwaardigheid te beoordelen van Muhammads gevoelen verkozen te zijn als gezant, mogen we hier de islamkenner Albrecht Noth citeren: “Over Muhammads karakter als ‘Boodschapper van God’ (rasűl Allah), is het enige dat moet gezegd worden dat er geen enkele twijfel bestaat over de persoonlijke oprechtheid van Muhammads zelfbegrip; het bewustzijn van zijn missie – dat is nog heel duidelijk waarneembaar in de bronnen – veroorzaakten bij hem te veel innerlijke verscheurdheid en uiterlijke moeilijkheden.” (Albrecht Noth, ‘Früher Islam, in: Geschichte der arabischen Welt’ ;Ed. by Ulrich Haarmann, Munich, 1987, p.18)

  • Muhammad voelde zich door God opgedragen als een mundir (= degene die waarschuwt) de door hem  bekritiseerde geloofs- en levenswijze van zijn milieu te veranderen.

  • Zijn waarschuwingen waren bovenal geconcentreerd op drie hoofdpunten, die als ‘uitdagingen’ dienen beschouwd te worden:

  - aan het polytheďsme
  - aan de maatschappelijke onrechtvaardigheid
  - aan de onwetendheid, met al haar nadelige gevolgen.
  • Toen Muhammad zijn boodschap in eerste instantie aan zijn eigen clan richtte en daarna aan de Quraysh-stam in Mekka, ervoer hij heftige afwijzing. Men voelde zich door de nieuwe leer in zijn bestaan bedreigd. Intriges, laster,  pesterijen van de aanhangers van de nieuwe leer waren aan de orde van de dag. In het bijzonder de moslimslaven werden bedreigd met wrede folteringen. Niettemin won de islam meer en meer overtuigde volgelingen. Sommige moslims zochten de bedreigingen te ontvluchten door twee emigraties naar Ethiopië (in 615 en 617 nK), waar ze vriendschappelijk werden ontvangen door de christelijke heerser. Pas in 625, 626 en 629 keerden zij in kleine groepen terug naar Medina.

Volgende uitspraken zijn fout:

  • dat Muhammad niet eerlijk was maar een bedrieger, een machtshongerige politicus (om niet te spreken van vroegere beschuldigingen dat hij aan epilepsie leed), met de daaruit afgeleiden conclusie van berekende strijd om de macht, en de negatieve beoordeling van zijn gedrag;

  • dat, toen hij op de leeftijd van veertig jaar op de voorgrond trad als religieus en sociaal hervormer, Muhammad een religieuze ideeënwereld had ontwikkeld die oud-Arabische, joodse, christelijke en gnostische ideeën bevatte en vermengde;

  • dat Muhammad geen universele doelstelling had, maar dat hij - analoog aan de Thora - een voor het Arabische volk bestemd boek wou brengen;

  • uit de Koranieke uitspraak, dat Muhammad slechts een mens was, te concluderen dat zijn leer minderwaardig zou zijn in vergelijking met het christendom;

  • Muhammad eenzijdig enkel te beschrijven als ‘Gods mondstuk’ (hoewel dat vanuit het auteurschap van de Koran juist is) en te ontkennen dat hij zichzelf met de hele openbaring identificeerde en haar realiseerde door wat hij zei, dacht en deed (wat volgens de Koran een resultaat is van Gods leiding);

  • uit Muhammads uitsluitend mens-zijn te concluderen dat hij schuldig was aan het schenden en overtreden van de goddelijke geboden.

 

 

WEBMASTER • INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •  Update: 19 februari 2007