LEIDRAAD OVER DE ISLAM

LEIDRAAD VOOR DE VOORSTELLING ERVAN IN DE SCHOOLBOEKEN. 
BIJDRAGE TOT DE INTERCULTURELE OPVOEDING IN EUROPA

door

Abdoldjavad Falaturi & Udo Tworuschka

• INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •


[5. Muhammad: vervolg]

5.4. Muhammads hijrah (emigratie) en de tijd in Medina

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Niettegenstaande de druk op Muhammad en de moslims die in Mekka waren gebleven (hoofdzakelijk leden van de Quraysh en andere grotere stammen) geleidelijk aan toenam, was een directe aanval niet te verwachten. Muhammad immers stond onder de clanbescherming van zijn oom en pleegvader Abu Talib (die groot aanzien genoot onder de Quraysh en andere Arabische stammen), en zijn vrouw Khadija. Pas met diens dood en, korte tijd later, die van Khadija ging het bergafwaarts met de verplichtingen van de clanbescherming vanwege de Quraysh, die in de nieuwe leer een gevaar zagen voor hun invloed en handel.

  • Twee factoren leidden op 16 juli 622 tot de emigratie (hijrah) van de moslims uit Mekka: ten eerste was er de onhoudbare situatie in Mekka; ten tweede was er de aan Muhammad overgemaakte wens van de Medinensers, een onpartijdige en stamvreemde scheidsrechter te vinden voor de ogenschijnlijk onoplosbare conflicten onder Arabieren, onder joden, en tussen Arabieren en joden, die reeds tientallen jaren duurden. De beslissing werd voorafgegaan door twee geheime ontmoetingen in Mekka tussen vertegenwoordigers van Medina en Muhammad.

  • De Medinensische tijd werd overwegend bepaald door twee hoofdfenomenen:

  1. de verder durende vervolging van Muhammad en zijn volgelingen door de polytheïsten van Mekka;

  2. de oprichting van de umma, d.w.z. van een strak gestructureerde gemeenschap.

  • Tot 630 (twee jaar vóór Muhammads overlijden) bleef het hoofdprobleem voor de moslims in Medina de aanvallen van de machtige polytheïstische Mekkanen (vooral de Quraysh), die kosten noch moeite spaarden om van Muhammad en de moslims af te raken.

  • De vijandelijkheden leidden tot militaire confrontaties, waarover ook de Koran een aantal aanwijzingen levert. Wanneer de Koran spreekt van qitâl (strijd) en harb (oorlog), dan is er sprake van deze gevechten met de Mekkanen.

  • Muhammads aanzien bij de Medinensers was gebaseerd op twee factoren: allen, zelfs de joden, beschouwden hem als een autoriteit. Door de moslims werd hij daarenboven beschouwd als een profeet.

  • Als een door iedereen erkende autoriteit sloot Muhammad in 623 nK het Convenant van Medina af, dat joden en moslims als gelijke partners erkende. Van doorslaggevend belang is de vaststelling dat het voor joden en moslims het recht vastlegde het eigen geloof te behouden. Door de overeenkomst werd daarmee een eengemaakte gemeenschap in het leven geroepen, waarin - zonder de eenheid te schaden - twee geestelijke stromingen met gelijke rechten zij  aan zij samenleefden. De eenmakende factor was de umma (= gemeenschap), die als enige de nieuwe maatschappij ondersteunde. In het Verdrag vinden we: “De joden van de Banu Aws vormen een umma met de gelovigen. De joden hebben hun geloof  (dînahum) en de moslims hebben hun geloof.”

  • Alle Arabische en joodse stammen die deelnamen aan het sluiten van dat Verdrag, maakten deel uit van die umma en waren ertoe gebonden haar te behouden en te beschermen (die verplichting tot bescherming vormde de enige inhoud van de overeenkomst). De gemeenschappelijke plicht tot handhaving van dat verdrag betekende eveneens dat het schenden ervan de opheffing van het hele akkoord voor gevolg had, met alle consequenties die voor de inbreuk op verdragen binnen tribale structuren golden (zie hiervoor ook het deel 5.5: Muhammad en de joden.)

  • De structuur van de umma, gebaseerd op die overeenkomst, werd het ideale model voor de structuur van latere staten die een islamitische basis hadden. Zij lag ten grondslag aan de islamitische voorstelling van de eenheid van staat/politiek en religie; politiek in de betekenis van maatschappijordening met een islamitische inhoud en niet – dat is een veelvoorkomend misverstand – van de heerschappijaanspraken van specifieke groepen of instellingen.

  • Daartoe droeg het feit bij dat de tendens in Medina – in tegenstelling tot Muhammads periode in Mekka – gekenmerkt werd door een progressieve islamisering van de tribale groepen die daar leefden, en zulks zonder enige vorm van geweld te gebruiken.

  • Kenmerkend voor de umma was een paritair gevormde leiding van de gemeenschap. Alle leden van de gemeenschap droegen verantwoordelijkheid voor de umma. Organisatorisch namen na Muhammads dood bestuurders (kaliefen) in opdracht van de gemeente de hoofdverantwoordelijkheid over.

Volgende uitspraken zijn fout:

  • De emigratie (hijrah) van Mekka naar Medina in 622 nK, die in feite lang op voorhand was voorbereid en geregeld met de Medinensers, als een vlucht te bestempelen;

  • Muhammad (en niet zijn vijanden in Mekka) als de aanstoker te bestempelen van talrijke oorlogszuchtige gevechten, in een poging de islam met geweld te verspreiden;

  • te beweren dat Muhammad en de moslims geweld en oorlog ten dienste stelden van hun heilige zaak;

  • Muhammads vroege gevechten tegen de Mekkanen voor te stellen als verraderlijke roofovervallen;

  • te beweren dat Muhammad vanuit Medina de oorlog heeft verklaard aan de niet tot de islam behorende clans en stammen;

  • te beweren dat Muhammad zich in de loop van de jaren van een eerlijk profeet in Mekka ontwikkeld heeft tot een berekenend staatsman en organisator in Medina, die de heerschappij nastreefde over heel Arabië en door klare normen en wetten de grondslagen van islam legde;

  • te beweren: toen hij in 632 stierf, had Muhammad alle Arabische stammen gewonnen voor het nieuwe geloof, en was hij hun koning en profeet;

  • te beweren: Muhammad gebruikte passages uit de Koran (in het bijzonder deze die verwijzen naar de beloning voor de gelovigen in de toekomstige wereld; de hellestraffen; jihâd) als middel om de absolute heerschappij en macht te bereiken.




5.5. Muhammad en zijn relatie tot de polytheïsten, joden en christenen. u

Volgende uitspraken zijn juist:

  • In de Mekkaanse Koransoera’s worden naast de meerderheid van polytheïsten ook joden en christenen vermeld. Aangezien Mekka een regionaal en bovenregionaal cultuur- en handelscentrum was, mogen we de aanwezigheid vermoeden van vertegenwoordigers van beide religies, ten minste ten tijde van de pre-islamitische pelgrimstocht en marktenu

  • Over het algemeen kan Muhammads houding tegenover joden en christenen enerzijds, en tegenover polytheïsten anderzijds, als volgt samengevat worden:

- Tegenover de polytheïsten benadrukte hij systematisch het belang van Abraham, Mozes en Jezus, zowel als van andere profeten en van hun leer - op de wijze waarop hij ze voor waar aanzag. Nadat hij in 630 vK zonder grote weerstand naar Mekka was teruggekeerd, liet hij de afgodsbeelden vernietigen, maar dwong hun aanhangers niet zich te bekeren, noch liet hij hen vervolgen of ter dood brengen;

- Tegenover de joden verdedigde hij de zuiverheid van Maria en het gezantschap resp. profeetdom van Jezus. De Koran geeft een eigen ‘christologie’ weer, die enerzijds een speciale relatie van Jezus tot God benadrukt (zijn verwekking door de Geest, zijn natuur als ‘Woord’ en ‘Geest’ van God), anderzijds de bewering afwijst dat Jezus door de joden gekruisigd en gedood werd.

- Tegenover de christenen en in het kader van discussies tussen christenen en joden, erkent hij de verdiensten van Mozes en de andere profeten van Israël.

- Hij legt in het bijzonder de nadruk op het geloof in de Ene God als eenmakende factor die alle godsdiensten van het Boek verbindt  (die hij begreep als staande in een openbaringstraditie).

  • Niettegenstaande alle confrontaties met joden en christenen, pleit één van de laatste verzen uit de Koran (soera 5, 5), kort voor Muhammads dood geopenbaard, ten voordele van de coëxistentie met alle Mensen van het Boek. De tafel- en huwelijksgemeenschap, die nauwe familiale verbanden voor gevolg had, wordt hier aanbevolen, wat grote betekenis had voor het menselijk samenleven. Deze feiten, die getuigen van een vriendschappelijke relatie en wederzijds respect, bewijzen dat het geen geloofsvragen waren die aan de basis lagen van onderlinge twisten, maar dat telkens andere factoren – op sociaal, economische en machtspolitiek vlak - daartoe aanleiding waren.

  • De Koranplaatsen waar sprake is van gewelddadige conflicten tussen de aanhangers van de verschillende religies moeten begrepen worden als historische verslagen, die naar concrete, historisch aanwijsbare, punctuele gebeurtenissen verwijzen. Zij presenteren geen algemeen principe voor de toekomst. Dat  is het duidelijkst merkbaar in het feit dat, na zijn vredevolle intocht in Mekka, Muhammad een onbeperkte amnestie afkondigde voor de polytheïsten; let wel: voor de polytheïsten áls polytheïsten. Dat toont aan dat volgens de Koran vrede, en niet oorlog, als principe geldt voor een coëxistentie met andere godsdiensten.

  • Muhammads relatie met de joden laat zich voor het eerst aflezen uit het Convenant van Medina. Eén van de bedoelingen van het verdrag was alle economische, sociale, tribale en machtspolitieke disputen die zich decennia lang hadden opgestapeld, te overwinnen door de nadruk te leggen op het gemeenschappelijke geloof in één enkele God, en een blijvende vrede te bewerkstelligen. Historisch zeker is dat het tot inbreuken op het verdrag is gekomen, die ernstige gevolgen had volgens de toenmalige tribale normen die door Arabieren en joden op gelijke wijze geaccepteerd werden. De aanleiding voor de latere conflicten in Medina moet daarom niet gezocht worden in het profeetschap van Muhammad of in de geloofsovertuigingen van de betrokken groepen. De Koranpassages die oproepen tot samenleven en wederzijds respect zijn daarvoor te eenduidig. De oorzaak moet eerder gezocht worden in de complexe geschiedenis van Arabieren, joden en christenen op het Arabisch schiereiland, in de vijandschap van iedereen tegen iedereen (ook joden tegen joden, en Arabieren tegen Arabieren), en in ieders vrees voor verlies aan economische macht en culturele identiteit. Het lijkt logisch dat met verhoudingen die traditioneel zo gespannen waren, kleine disputen konden escaleren tot een groot conflict.

  • De Koran toont dat verschillen in geloof tussen moslims, joden en christenen geen reden tot vijandige conflicten moesten zijn. Integendeel: de Koran prijst de vromen onder al deze groepen als vertegenwoordigers van een echte band met God; de enige mensen die bekritiseerd worden zijn deze die, tegen hun eigen geloofsovertuiging ingaand, disputen veroorzaken:

“Wanneer zij de Thora en het Evangelie zouden naleven en wat hen geopenbaard is door hun Heer, zouden zij kunnen eten van wat boven hen is en van wat onder hun voeten is. Onder hen is er een gematigde gemeenschap ;  maar velen van hen doen niets anders dan kwaad aanrichten.” (soera 5, 66)

Het volgende vers is duidelijk in zijn lof:

“Zij zijn niet [allen] gelijk. Onder de Mensen van het Boek is er speciaal onder de vrome joden een gemeenschap die (aandachtig in het gebed) staat, die Gods verzen gedurende de nacht voorleest, terwijl zij zich eerbiedig neerwerpen ; zij geloven in God en de Laatste Dag ; zij gebieden het behoorlijke, verbieden het verwerpelijke en wedijveren in goede daden. Zij zijn het die tot de rechtschapenen behoren. Voor het goede dat zij doen, zal hun geen ondankbaarheid betoond worden. God kent de godvrezenden.” (soera 3, 113-115; tekst Falaturi.) 

Volgende uitspraken zijn fout :

  • Muhammads relatie met joden en christenen te interpreteren als een tactiek: in het begin zou hij erop gerekend hebben beide groepen voor zich te winnen door in de gunst te komen, doordat hij zich uitgaf als verkondiger van dezelfde leer. Toen die poging mislukt was, zou hij gepoogd hebben zijn boodschap als de ware voor te stellen in tegenstelling tot de joodse en christelijke. Feit is: Muhammads verwijzingen naar Abraham en Mozes behoren tot de vroege fases van de Mekkaanse prediking.

  • Bij Muhammad anti-joods ressentiment te veronderstellen.

  • Bij Muhammad te veronderstellen dat hij geëmigreerd zou zijn in de verwachting door de joden van Medina aanvaard te worden als een profeet, en later, uit ergernis over hun houding, de gebedsrichting zou hebben veranderd van Jeruzalem naar Mekka. In werkelijkheid is de wijziging van gebedsrichting de uitdrukking van de bezinning over de volgens zijn overtuiging in de vergetelheid geraakte abrahamitische traditie. Het resultaat hiervan was alvast dat de Medinensers van de bevrijding van hun heilige plaats (de Ka‘aba) van de goden van de afgodendienaars hun hoofddoel maakten. Mocht de verandering van gebedsrichting er zijn gekomen door wrevel met de joden, zouden Muhammad en de moslims consequent ook de heiligheid van Jeruzalem hebben moeten afwijzen - wat in tegenspraak zou zijn geweest met de duidelijke uitspraken in de Koran.

  • uit beschrijvingen van de klaarblijkelijk gewelddadige uitbreiding van de islam in Arabië, en Muhammads verondersteld machtsstreven een ‘bedreiging voor het westese christendom door de islam’ af te leiden. In het bijzonder het samenleven vandaag van christenen en moslims in Europa wordt aanzienlijk bemoeilijkt (door die foute conclusie).




5.6. Muhammads levenswijze u

Volgende uitspraken zijn juist :

Over Muhammads levenswijze, in het bijzonder over zijn polygamie, kan het volgende gezegd worden:

  • Muhammad is dikwijls bekritiseerd voor zijn huwelijk met negen vrouwen (volgens andere bronnen dertien), terwijl de Koran andere mannen slechts toestaat met vier vrouwen tegelijk gehuwd te zijn, en slechts onder welbepaalde, streng beperkende voorwaarden. De moslimse verklaring daarvoor neemt de volgende feiten in beschouwing:

  • in 595 nK, op 25-jarige leeftijd, trouwde Muhammad met Khadija, die (vermoedelijk) 15 jaar ouder was. Tot aan haar dood in 619 nK leefde hij 25 jaar gelukkig met haar in een monogaam huwelijk – wat op dat ogenblik ongewoon was voor een man met zijn status in de Arabische maatschappij. Hij waardeerde en respecteerde Khadija tot op het laatst, en ook alle moslims voelen zich zeer verplicht aan haar ;

  • Na de dood van Khadija, die vijf kinderen achterliet, trouwde Muhammad in 620 nK met de weduwe van een Quraysh moslim die gestorven was tijdens de emigratie naar Ethiopië. In 623, dat is na de hijra, huwde hij Aisha, de jonge dochter van de man die later de eerste kalief werd, Abu Bakr. Zij was zijn enige vrouw die geen weduwe was. De latere huwelijken (die niet alle tegelijk plaatsvonden) werden allemaal gesloten binnen vijf jaar (625-629), in de jaren van crisissen van de umma – crisissen omwille van de munâfiqûn (hypocrieten) binnen de umma en de dreigingen door de Mekkanen van buitenaf. Zij worden, vanuit historisch oogpunt, verklaard als stappen die nodig waren om de umma te handhaven (in overeenstemming met de tribale gewoonten van verbintenissen tussen clans) en de betrokken en nog te winnen stammen en clans tezamen te houden.

  • Muhammad voelde zich verplicht strikt in overeenstemming te leven met Koranieke maatstaven en voorschriften. Volgens de Koran, moest hij voor alle moslims een voorbeeld ter navolging zijn van toewijding aan God en de daarmee overeenkomstige levenswijze: dit wil zeggen bescherming van het leven, de eer en het bezit van zijn medemensen, onafhankelijk van hun geloof.

Volgende uitspraken zijn fout:

  • Muhammad te beschouwen als een vrouwenloper, overweldigd door zinnelijkheid;

  • bij hem roofovervallen of andere inbreuken te veronderstellen tegen de geboden die hij predikte. Daarmee zou hij - op maatschappelijk vlak - alle geloofwaardigheid hebben verspeeld.

  • Muhammad te karakteriseren als een ‘zondig man’ (in de zin van persoonlijke schuld door het bewust overtreden van de goddelijke geboden). De uitdrukking dhanab / schuld in de soera’s 47,19 en 48, 2 refereert veeleer naar het proces van opvoeding doorheen de goddelijke openbaring en beoogt het algemene menselijke onvermogen de oneindige goedheid van God waardig te zijn.


 

WEBMASTER • INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •  Update: 19 februari 2007