LEIDRAAD OVER DE ISLAM

LEIDRAAD VOOR DE VOORSTELLING ERVAN IN DE SCHOOLBOEKEN. 
BIJDRAGE TOT DE INTERCULTURELE OPVOEDING IN EUROPA

door

Abdoldjavad Falaturi & Udo Tworuschka

• INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •


6. Umma  (gemeenschap)

6.1.Algemeen

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Volgens de Koran, is de term umma gecorreleerd aan milla (doctrine, leer). De umma is een gemeenschap toegewijd aan een bepaalde leer. Het is dus geoorloofd te spreken van een joodse umma, een christelijke umma, een islamitische umma of een abrahamitische umma (dat is een gemeenschap van de volgelingen van een monotheďstische doctrine).

  • De umma van Medina, die – zoals reeds uitgelegd – tot stand kwam door het Verdrag van Medina in 622 nK, omvatte naast moslims tevens de joden die er leefden; volgens dit verdrag werden zij eveneens aangeduid als ‘umma’. Het Verdrag van Medina werd gekenmerkt door het feit dat joodse en islamitische religie als gelijkwaardig werden aanvaard.

  • De meest belangrijke constitutieve factor was het geloof in een enige God (tawhîd).

  • Elk lid van deze gemeenschap was verplicht haar te beschermen, en droeg de volle verantwoordelijkheid voor de hele umma. In overeenstemming met de vrije wil van de leden van de gemeente werd de algemene verantwoordelijkheid voor de organisatie ervan aan Muhammad overgedragen, zonder dat daardoor de persoonlijke verantwoordelijkheid van de individuele leden werd opgeheven.

  • Praktische problemen bij het in de praktijk omzetten van dit ideale model leidden in de loop van de tijd tot herstructureringen die ook de christenen in de umma brachten. De basis van dit samenleven bleef weliswaar het geloof in de ene God; het openbare leven echter werd bepaald door islamitische principes: in het islamitische economische leven, in sociale en wettelijke richtlijnen. Uitzonderingen hierop waren het privaatrechterlijke en het  religieuze domein.

  • De oriëntatie op de basisnorm van de godgerichtheid van het gehele leven betekende dat niet enkel rituele handelingen, maar het gehele particuliere en publieke leven, met inbegrip van het leiderschap van de gemeenschap, beschouwd werden als een vorm van op God betrokken, godsdienstige handeling. In deze basisnorm was geen ruimte voor het onderscheid tussen een sacraal en een profaan domein van het leven.

  • De leiding van gemeente en samenleving moet niet worden begrepen als een opsplitsing in leiders en onderdanen, maar in de zin van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van alle umma-leden (zie hieronder).

  • De groeiende islamisering van de umma en van haar leiding leidde er in de loop der tijd toe dat joden en christenen ontlast werden van verantwoordelijkheid voor de gemeenschap en de bescherming ervan. Als ‘beschermden' echter stonden zij in het vervolg onder de bescherming van de islamitische leiding van de gemeenschap. Zij waren verplicht tot een beschermingsbelasting (jizya), gelijkaardig aan de armenbelasting (zakât) van de moslims.

  • Van bij haar eerste ontstaan in Medina (622-632), werd een aldus gegrondveste gemeenschap gedragen door elementen en verbonden met fenomenen die aanleiding hebben gegeven tot vragen, bezwaren en tevens zeer veel vooroordelen. Vergelijkbare bezwaren hebben in de loop van de geschiedenis ook andere op religieuze grondslagen gevestigde gemeenschappen opgeroepen - bv. Quaker-nederzettingen, enz.

  • De vragen, bezwaren en vooroordelen jegens de islamitische umma raken vooral de interne domeinen van het islamitische recht (de sharî‘a), de leiding van de gemeenschap, de verhouding tussen godsdienst en staat, de status van de minderheden en de positie van de vrouw. Wat de verhouding betreft tot niet-islamitische gemeenschappen, betreffen de tegenspraken en vragen vooral de domeinen van de verbreiding van de islam, jihâd, missionering en diaspora (voor details hierover zie volgende hoofdstukken).

Volgende zijn fout:

  • de islamitische gemeenschap te karakteriseren als een voortzetting van de tribale levenswijze zonder eigen oorspronkelijkheid, die vervlochten werd met joodse en christelijke elementen;

  • de specifiek islamitische bijzonderheden te interpreteren naar de eigen christelijke maatstaven die schematisch overgedragen worden op de islam.

 Voor meer details, zie de volgende hoofdstukken.





6.2. De islamitische staat

Volgende uitspraken zijn juist:

  • De umma is opgebouwd met haar focus op God gericht. Haar belangrijkste functie is een kader te creëren binnen het welke ieder individu "islamitisch" kan leven, d.w.z. "op God gericht". Daartoe behoort ook het leven en de bezittingen van de leden van de umma te beschermen.

  • Alle leden van de umma zijn gelijkelijk verantwoordelijk voor de verwerkelijking van de islamitische orde. De gemeenschap moet door iedereen gedragen worden. In die zin is ook het handhaven van de orde een religieuze opgave.

  • Enkel in deze zin kan gesproken worden van een eenheid tussen religie en staat; daarmee bedoelt men niet het grijpen van de macht door een specifieke groep mensen. Parallellen uit de westerse geschiedenis (vb pauselijke staat, prinsbisdommen) zijn misleidend.

  • Organisatorisch werd naar het voorbeeld van de manier waarop de gemeenschap van Medina was gevormd, de hoofdverantwoordelijkheid voor de maatschappelijke orde gedelegeerd aan bepaalde personen (kaliefen), die ook in hun persoonlijke levenswandel tot voorbeeld moesten strekken. Deze verdeling van de verantwoordelijkheid mocht niet leiden naar een opsplitsing tussen heersers en onderdanen. Daarom bleef de algemene verantwoordelijkheid verder in de handen van alle leden van de umma.

Volgende zijn fout:

  • de eenheid van religie en staat in de islam op te vatten als een machtsconcentratie bij de ambtsdragers, in plaats van als een eenheid van het ambt;

  • als maatstaf het staatsbegrip te nemen van een seculiere maatschappijvorm die de gegeven maatschappelijke orde beschouwt als zuiver wereldlijke aangelegenheid zonder nood aan religieuze legitimatie en de religie als privé-zaak van de leden ervan. Daarmee wordt de islamitische visie miskent, namelijk alle handelingen voor de gemeenschap te beschouwen als uitdrukking van de religieuze verantwoordelijkheid van elk individueel lid;

  • de islamitische umma, voor dewelke de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van alle leden maatgevend is, gelijk te stellen aan een theocratie, afgeleid uit de westerse, christelijke traditie. De islam kent met name geen aparte priesterklasse; alle gelovigen hebben een gelijke rang.




6.3. Sharia (sharî‘a)

6.3.1. Verklaring van de termen

Volgende uitspraken zijn juist:

  • sharî‘a (letterlijk: weg) betekent de weg naar de verwerkelijking van de eenheid van geloof en handeling, weg die in detail wordt uiteengezet in de islamitische geloofs- en plichtenleer.

  • Vaak wordt onder dit begrip de totaliteit begrepen van de voorschriften die de menselijke handelingen betreffen in het privé- en het openbare leven.  De sharî‘a gelijkstellen met "islamitische recht/wet" kan tot misvattingen aanleiding geven, wanneer de begrippen "recht" en "wet" begrepen worden in seculiere zin.

  • In het islamitisch begrip vormen de voorschriften voor de gelovigen geen doel op zich, maar een stuk geloofspraxis, d.w.z. hulpmiddelen ter verwezenlijking van de gerichtheid op God. Sharî‘a is de alle levensdomeinen omvattende weg van het pratikeren van het geloof, zoals anderzijds het geloof geldt als de bepalende geest en inhoud van de sharia.

  • In deze betekenis, regelt de sharî‘a alle domeinen van het leven: rituele handelingen, die samengevat worden in het begrip van de ‘vijf pijlers’, als handelingen van het hart (zie het volgende kapittel); familie-, erfenis-, handels-, burgerlijk- en strafrecht, evenals regels voor schadevergoedingen, de rechtsbedeling, enz. (in totaal meer dan 50 verschillende gebieden).

  • De Koran en de Hadîth, (overleveringen van de Sunna, d.w.z. authentieke aanwijzingen en handelingen van de profeet Muhammad) leveren de fundamenten voor dit veelzijdige en en omvangrijke rechtssysteem dat in de loop van de tijd ontstond. Het was de prestatie van islamitische rechtsgeleerden die (hoofdzakelijk tussen 700 en 900 nK) daaruit algemeen geldende rechtsprincipes hebben ontwikkeld.

  • De elaboratie van dat rechtssysteem leidde tot de vorming van verschillende rechtsscholen binnen de islam. Zij hebben hun ontstaan en ontwikkeling te danken aan een immanente dynamiek gebaseerd op:

    - een diepgaande kennis van de sociale, politieke, economische en culturele relaties van elke periode en context;
    - een open houding naar de problemen die daaruit ontstonden;
    - de bekwaamheid wetenschappelijke principes te postuleren, die het mogelijk maakten steeds nieuwe oplossingen te ontwikkelen uit de primaire bronnen – de Koran en de Sunna –; telkens antwoorden te vinden op nieuw gerezen vragen.

  • De vandaag nog belangrijkste rechtsscholen, op grond van het aantal aanhangers, zijn:
    1) de school van de Hanafieten (genoemd naar Abu Hanifa, 699-767);
    2) de school van de Malikieten (Malik ibn Anas, 715-795);
    3) de school van de Shafi‘ieten (ash-Shafi‘i, 767-820);
    4) de school van de Hanbalieten (Ahmad ibn Hanbal, 780-855);
    5) de school van de Imamieten, de belangrijkste sji'ietische rechtsschool; hoofdautoriteit ervan was Muhammads achterkleinzoon, Imam Jafar as-Sadiq (gest. 765); men noemt deze school daarom ook wel de school van de Jafarieten (er zijn nog drie andere, in aantal aanhangers kleinere sji'ietische rechtsscholen.)

  • We kunnen in de islamitische wereld een ontwikkeling waarnemen die, gebaseerd op de wetenschappelijke traditie van rechtsgeleerden, de crisis van de laatste 200 jaar probeert te overwinnen; op vele gebieden van het private en maatschappelijke leven kon reeds vooruitgang worden geboekt in het ontwikkelen van nieuwe rechtsnormen, vooral met betrekking tot de positie van de vrouw en het respect voor de mensenrechten.

Volgende zijn fout:

  • bij het beoordelen van de sharî‘a uit te gaan van een eng begrip ervan en de sharia gelijkstellen met een "islamitisch wetboek", en dat dan weer uitsluitend te herleiden tot het strafrecht; de sharî‘a op negatieve wijze en als middeleeuws te beschrijven en zelfs de afschaffing ervan te eisen;

  • de veelzijdigheid van de sharî‘a te ontkennen, evenals de complexiteit en ook grote speelruimte die de sharia aan de mensen toebedeelt om zijn eigen leven vrij en eigentijds vorm te geven.

  • de bestendige zorg te ontkennen van de islamitische geleerden die de innerlijke kracht mobiliseren van de islamitische jurisprudentie ten einde volgens islamitische principes recht te doen aan de maatschappelijke veranderingen in de islamitische wereld, of zelfs de eenzijdige adoptie te eisen van westerse rechtsnormen te eisen. Dat geldt in het bijzonder voor de domeinen van het familierecht, het strafrecht, het handelsrecht en het publiek recht.

 



6.3.2. Sharî‘a – de Vijf Pijlers (arkân)

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Alle menselijke handelingen moeten vorm krijgen in de geest van de ‘ibâda (= de dienst van God), en moeten uitgevoerd worden in die zin.

  • In de praktijk echter, is in de islamitische rechtsleer ‘ibâda tot het begrip geworden voor rituele handelingen. Degene die in wat volgt nader vermeld worden, hebben een bijzondere betekenis, omdat ze de alledaagse verhouding van de mens tot God bepalen, als individu en als lid van de gemeenschap.

  • De zes geloofsartikelen garanderen de eenheid van geloof van alle moslims. Zij vormen tevens de basis van een islamitische manier van leven.

  • 1) het geloof in de Ene God;
    2) het geloof in Gods boodschappers en in Muhammad als zijn laatste boodschapper;
    3) het geloof in de door God geopenbaarde boeken en in de Koran;
    4) het geloof in Gods engelen;
    5) het geloof in het leven na de dood;
    6) het geloof in de goddelijke Voorzienigheid.

  • De vijf pijlers zijn:

    1) de shahâda (= geloofsbelijdenis; beantwoordt aan de eerste twee geloofsartikelen);
    2) het vijfmaal daags te verrichten plichtgebed (salât), voorafgegaan door de verplichte rituele reiniging (wudű‘), die een toestand van wijding opent;
    3) de verplichte armenbelasting (zakât);
    4) het vasten (sawm) in de maand ramadan;
    5) de pelgrimstocht naar Mekka (hajj).

  • Alle pijlers hebben een horizontale sociale dimensie gemeen, die de umma samenbindt. Tegelijk hebben de vijf pijlers ook een verticale goddelijke dimensie. Dientengevolge staat ook de umma in een directe relatie tot God, wat verklaart waarom de "rechten van de umma" de "rechten van God" worden genoemd.

  • Om te voorkomen dat de rituele handelingen zouden vervallen tot een louter formele handeling, is elke moslim verplicht, vooraleer hij aan elk van deze handelingen begint, zacht of in zichzelve zijn gezindheid en intentie (niyya) uit te spreken,  namelijk dat deze bepaalde handeling, bijvoorbeeld het betalen van een zakât geldsom, uitsluitend geschiedt om dichter bij God te komen (qurbatan ila Alla). Deze niyya is de uitdrukking van de innerlijke dimensie van de handeling.

Volgende zijn fout:
 

  • de veronderstelling dat het bij de vijf pijlers gaat om louter uiterlijke, mechanisch uit te voeren voorschriften, waarvoor een correct uit te voeren, genormeerd verloop beslissend is en niet een op God georďenteerde gezindheid;

  • de rituele handelingen te interpreteren als teken van een blinde onderwerping aan God;

  • de vijf pijlers te beoordelen als uitdrukking van een "wettische" religiositeit die georiënteerd is op het prestatie-verloning-denken ("rechtvaardiging-door-de-werken"). De arkân maken van de islam geen ‘godsdienst’ van wetten, maar zijn uitdrukking van de goddelijke barmhartigheid (rahma), die mensen oproept tot goed gedrag, en aan dewelke de mens zich bereidwillig overgeeft;

  • de islam te diskwalificeren als een "religie van de openbaarheid, niet van de innerlijkheid" (J.van Ess). Het publieke aspect krijgt weliswaar een grote nadruk door het belang van de verantwoordelijkheid van moslims voor de umma. Maar ook die openbaarheid is op haar beurt als religieuze gemeenschap immanent verbonden met God. Ontkennen dat de islamitische religieuze handelingen een "innerlijkheid" bezitten, die de uitdrukking is van een diepgewortelde relatie met God, is het wezen van de islam totaal miskennen.

 


6.3.3. Sharî‘a – Strafrecht

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Over de verplichting het leven te beschermen, zegt de Koran:

    “Wanneer iemand een mens doodt, zonder dat deze laatste een moord heeft begaan of zonder dat er een onheil op aarde heeft plaats gevonden, dan zal dat aanzien worden alsof hij de gehele mensheid heeft gedood, en wanneer iemand een mens het leven heeft gered, dan zal dat aanzien worden alsof hij de gehele mensheid heeft gered.”  (soera 5, 32, A.F.)

    Deze verplichting om het leven te behoeden, die in volledig contrast staat met de vroeg-Arabische geringschatting voor het leven, omvat ook degenen die voor de rechtbank gedaagd worden.

  • Ter vrijwaring van de islamitische orde en niet uit wraaklust of vergeldingsdrang legt de Koran ook straffen vast. Alleszins beslaat het strafrecht in de sharî‘a slechts ongeveer drie procent van het totaal. Vele van die straffen worden vandaag vaak beschouwd als te hard en onmenselijk. We moeten er echter rekening mee houden dat de toepassing ervan ofwel gebonden is aan voorwaarden van bewijs van misdrijf die in feite zo goed als onmogelijk te vervullen zijn (bv. moet geslachtsgemeenschap bij overspel moet door vier (!) ooggetuigen met eigen ogen (!) geconstateerd zijn), ofwel gekoppeld is aan de dwingende vraag aan de toepassing van de straf te verzaken. Ook God immers schenkt de schuldige vergiffenis en vergeeft aan degene die lijdt een gevoelen van schuld. Bovendien moet men zich onthouden van straf, indien de schuldige berouw toont.

  • Tegenwoordig bestaat in de gehele islamitische wereld, maar in het bijzonder onder Egyptische geleerden, de tendens de formuleringen eigentijds te duiden en de uitvoering van harde straffen te voorkomen. Dat is zelfs het geval voor landen die ze, minder uit islamitische overtuiging dan om politieke redenen, nog recent toepasten.

Volgende zijn fout:

  • de ‘innerlijke logica’ buiten beschouwing te laten van het islamitische strafrecht bij het beoordelen van spectaculaire details;

  • bij het beoordelen van het islamitische strafrecht met zijn straffen (handen afhakken, geselen enz.) te zwijgen over gelijkaardige straffen voor halsmisdrijven in andere religieuze tradities, alsook de toepassing van de doodstraf, bv. in de VS;

  • te loochenen dat de Koran erop gericht is de toepassing van harde straffen in verregaande mate te voorkomen door het gebod om te vergeven, of door quasi onrealiseerbare voorwaarden voor het bewijs van het misdrijf.


 

WEBMASTER • INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •  Update: 19 februari 2007