LEIDRAAD OVER DE ISLAM

LEIDRAAD VOOR DE VOORSTELLING ERVAN IN DE SCHOOLBOEKEN. 
BIJDRAGE TOT DE INTERCULTURELE OPVOEDING IN EUROPA

door

Abdoldjavad Falaturi & Udo Tworuschka

• INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •


6.4. De positie van de vrouw

Volgende uitspraken zijn juist:

  • De vraag naar de positie van de vrouw is een op de familie en de maatschappij betrokken vraag. Zij impliceert tegelijkertijd de vraag naar de positie van de man,  en tevens naar de waarde, rechten en plichten die beide geslachten bezitten in de maatschappij en tegenover elkaar.

  • Het westerse idee van het islamitische vrouwenbeeld is er één van islamitische vrouwvijandigheid. Deze negatieve voorstelling in het Westen wordt gevoed door de wijdverbreide realiteit binnen islamitische maatschappijen en de gangbare rechtspraktijk: fenomenen zoals de voorrang van de man in de familie, polygamie, eenzijdig recht op echtscheiding, uitsluiting van de vrouw uit het sociale leven, het alleenrecht van de man op de hoede over de kinderen na de scheiding, evenals de onjuiste vertaling van soera 4, 34, dat “mannen boven de vrouwen staan” in plaats van dat “mannen verantwoordelijk zijn voor de vrouwen”.

  • Zover terug als de negentiende eeuw, en onder invloed van de vrouwenbeweging in het Westen, hebben in de islamitische landen controversiële discussies plaatsgevonden over deze fenomenen. Zij hebben tot een beter begrip geleid over de vraag wat aan de hoger genoemde verschijnselen cultuurafhankelijk was en wat oorspronkelijk islamitisch. Vele verbeteringen in het voordeel van de vrouw, of van de inperking van de mannelijke willekeur konden al bereikt worden.

  • De eigenlijke basis voor het verbeteren van de positie van vrouwen bevindt zich in de Koran, vooropgesteld dat traditionele interpretaties in vraag gesteld worden en dat de Koran zelf gevraagd wordt naar zijn concept daarvoor.

  • De belangrijkste bekommernis van de Koran bestaat erin voor de vrouw een gelijkwaardige plaats te verzekeren in een tijdperk waarin niet alleen op het Arabische schiereiland maar in omzeggens alle culturen de ontkenning van vrouwenrechten de overheersende maatschappelijke tendens was. Betekenisvol daarvoor is het Koranieke verbod op het doden van vrouwelijke baby’s. Het welslagen ervan echter is beperkt gebleven doordat de traditionele maatschappelijke structuren, die door de Koran bestreden werden, zich opnieuw konden versterken. Ook gedeeltelijke successen werden herhaaldelijk - niet overal - met de voeten getreden.

  • Koranieke aanzetten voor de verbetering van de positie van de vrouw behelzen : er is geen waardeonderscheid tussen man en vrouw. Beiden werden op gelijke wijze geschapen uit één wezen:

    “En het behoort tot Zijn tekenen dat Hij jullie echtgenotes schiep uit jullie, opdat jullie vrede bij hen mochten vinden; en Hij heeft genegenheid en barmhartigheid tussen jullie geplaatst.” (soera 30, 21, A.F.)

    In dezelfde zin lezen we in algemene bewoordingen in soera  4, 1:

    “ O mensen, vreest jullie Heer, die jullie uit één enkele ziel heeft geschapen; daaruit schiep Hij hem een partner, en uit hen beiden heeft Hij vele mannen en vrouwen laten [voortkomen en] zich [over de aarde] laten verspreiden.” (A.F.)

  • De Koran spreekt ook niet van Eva die Adam verleidt. Integendeel, volgens soera 20, 120 fluisterde Satan tot Adam:

    “Zal ik jou de Boom van het Eeuwige Leven tonen en een heerschappij die niet vergaat ?”

  • De islam bepaalt de positie van het individu eerder door zijn of haar inbedding in de gemeenschap. Als kleinste eenheid in deze gemeenschap neemt de familie een speciale plaats in: niet in de westerse betekenis van het kerngezin, maar als verband van de door verwantschap verbonden grotere familie of clan.

  • Hiervan zijn de taken van beide geslachten afgeleid: terwijl de man de familie vertegenwoordigt naar buiten uit, in de omvattende gemeenschap, en alleen híj (en niet de vrouw, zelfs als ze welstellend is) de verantwoordelijkheid heeft voor zorg en bescherming van de uitgebreide familie, heeft de vrouw de opdracht het familieverband te verstevigen en versterken. Hieruit leidt zich ook de bijzondere plicht af van trouw vanwege de vrouw zowel als van de man.

  • In overeenstemming daarmee geldt in het huwelijk een wederzijdse plicht om de persoonlijkheid van de ander te beschermen:

    “Zij zijn [als] een bekleding (troost) voor jullie zoals jullie een bekleding zijn voor hen.” (soera 2, 187)

  • In de islam is de financiële en maatschappelijke plicht van de man heel groot. Het is zijn opdracht, in elk opzicht te zorgen voor een leven voor zijn vrouw dat passend is bij haar status (volgens de status die zij gewend was in het ouderlijke huis – met inbegrip van het aanstellen van dienstpersoneel); daarnaast op gelijke wijze voor de kinderen, ouders en nauwe verwanten (broers en zussen) van de vrouw, mochten zij hulp nodig hebben. De vrouw daarentegen, die onbeperkt en zelfstandig over haar eigendom kan beschikken, is niet verplicht een bijdrage te leveren.

  • Soera 4, 34 somt de verantwoordelijkheden van de man op als volgt:

    “Mannen zijn de beschermers en kostwinners van vrouwen, omdat God de enen meer (kracht) heeft gegeven dan de anderen, en omdat zij hen onderhouden met hun middelen.”

    Zij zijn verantwoordelijk voor alle noodzakelijkheden van het leven (een geschikte kledingsstandaard, huisvesting enz…)

  • Wanneer er in de Koran sprake is van een prioriteit van de man op de vrouw (waarbij aan beiden gelijkelijk telkens bijzondere talenten worden gegeven, cf. soera 4, 32), dan wordt dat gebaseerd op de zo net vermelde grote verantwoordelijkheid. Een man verliest die voorrangspositie op het ogenblik dat hij niet langer in staat is zijn sociale verantwoordelijkheid na te komen. De voorrang is dus uitsluitend functioneel gefundeerd. Op dezelfde wijze heeft de vrouw binnen haar domein van verantwoordelijkheden een functionele prioriteit over de man.

  • Volgens Koraniek begrip heeft de man niet het recht aan de vrouw bevelen te geven, uitgezonderd in religieuze zaken; anderzijds heeft ook de vrouw de plicht haar echtgenoot terecht te wijzen in het geval van religieuze overtredingen:

    “De ware gelovigen, zowel mannen als vrouwen, zijn elkaars medestanders. (ba‘duhum anliya’ ba‘d). Zij gebieden het behoorlijke en verbieden het verwerpelijke.” (soera 9, 71)

    Uitgezonderd voor het recht op geslachtsgemeenschap (dat recht geldt voor beiden), kan een echtgenoot wettelijk gezien niets van zijn vrouw vragen, zelfs geen diensten. Daarentegen kan de vrouw geld vragen van haar man voor elke geleverde dienst, zelfs voor de borstvoeding van haar eigen kinderen. De pregnante uitspraak van een hedendaags Saoedisch geleerde - "Het werk van een vrouw in huis is een sadaqa (het geven van een aalmoes) voor haar man en kinderen" (wat staat voor een vrijwillige gift) – toont hoe weinig eisen de echtgenoot kan stellen aan zijn vrouw.

  • Op het uit de Koran afgeleid recht een vrouw te slaan (het gaat om de tweede helft van het hoger geciteerde Koranvers, soera 4, 34), moet het volgende gezegd worden: de mishandeling van vrouwen door hun mannen was wijdverbreid ten tijde Muhammad. Deze praktijk werd door Muhammad krachtig bestreden. De betekenis van zijn verbod vrouwen te slaan wordt door hem steeds weer benadrukt, in het bijzonder bij zijn laatste openbare redevoering voor zijn dood, na zijn laatste pelgrimstocht.

  • Als een echtgenoot zijn verantwoordelijkheden niet nakomt voor de zorg en bescherming van zijn familie (nushûz = tegen iemand opstaan), heeft zijn vrouw het recht publiekelijk een klacht tegen haar man in te dienen bij het gerecht. In het geval van opstandigheid van de echtgenote jegens haar man (wat bedoeld is, is enkel ontrouw en misbruik van zijn eigendom), eist de Koran (soera 4, 34) in de eerste plaats een verzoeningspoging binnen de familie, met de bedoeling de goede naam van de vrouw te beschermen. Zelfs in dit geval, van iets wat in de ogen van de Koran het familieleven stukmaakt, moet het probleem in de eerste plaats worden opgelost door "werkzame gesprekken" (wa‘z = sermoenen / preken), wat in de meeste gevallen succesvol zou moeten zijn. Als dat niet het geval zou zijn, stelt de Koran de toepassing voor van een verdere psychologisch drukkingsmiddel: door zich te onthouden van vrijen ("vermijdt haar in het echtelijk bed"), moet de man aan zijn vrouw duidelijk maken dat hij de inbreuk op zijn rechten (ontrouw en slordigheid bij het omgaan met zijn eigendom) niet zal aanvaarden. Als ook deze weg faalt (wat enige tijd in beslag neemt), wijst dat op een verlies van de familiale gevoelens van de kant van de vrouw. Ook in dat geval is het verboden de vrouw te mishandelen. Het uiteindelijke resultaat kan dan de scheiding zijn. En omdat ze vanuit Koraniek opzicht geldt als een ontoelaatbare handeling, legt de Koran een laatste reddingspoging op. Zij wordt uitgedrukt in termen die het verbod op mishandeling schijnbaar op zijn kop zetten: “Slaat haar” (fadribuhûnna)

    … En zij van wie jullie de ongehoorzaamheid vrezen, waarschuwt haar, mijdt haar in het echtelijk bed en slaat haar. Als zij jullie dan gehoorzaam zijn (verzaken aan ontrouw en verspilling), onderneemt dan geen verdere actie tegen haar.” (soera 4, 34, A.F.)

  • Reeds kort na Muhammads dood, heeft deze tegenspraak moslims kopbrekens gekost. Zij losten dat op door de interpretatie dat hier een niet-pijnlijke klap (darban ghayra mubârihin) bedoeld was, die op symbolische wijze ontevredenheid moest uitdrukken. Ibn ‘Abbas, de neef van de Profeet, die door alle moslims aanvaard wordt als de beste Korankenner, demonstreerde deze slag, die in realiteit enkel een gebaar mag zijn, op de volgende wijze; hij sloeg zichzelf met zijn kleine houten tandenborstel op de rug van zijn hand. “Dat is wat bedoeld wordt”, was zijn commentaar op dit Koranvers. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat de Koran mishandeling van de vrouw verwerpt, zelfs in het geval van wat – in diens eigen ogen – ernstige tekortkomingen zijn. De ook onder moslims wijdverspreide rechtvaardiging voor handtastelijkheden tegenover de vrouw op basis van de Koran is volledig in tegenspraak met de bedoelingen van de Koran.

Volgende zijn fout:

  • de wijdverspreide praktijk van onderdrukking van de vrouw, tot en met fysieke mishandeling te rechtvaardigen uit de Koran, evenals de maatschappelijke verhoudingen die men in verschillende islamitische landen aantreft, af te leiden uit de leer van de islam;

  • de sociale, geografische, etnische, historische en economische achtergronden buiten beschouwing te laten, die de verhouding tussen de geslachten mede bepalen en particuliere fenomenen te veralgemenen (dé islamitische vrouw bestaat net zomin als dé christelijke vrouw, dé joodse vrouw, enz.);

  • bepaalde fenomenen die men veelvuldig onder moslims kan waarnemen (zoals de strikte scheiding tussen de geslachten, de nadruk op de vrouwelijke eer, het uitsluiten van vrouwen uit het sociale leven), monocausaal af te leiden uit de islam. Gelijkaardige attitudes kunnen ook aangetoond worden in de zuidelijke agrarische regio’s van de mediterrane Europese landen die onder invloed van het christendom hebben gestaan;

  • te ontkennen dat vele foute ontwikkelingen in islamitische landen, die veroorzaakt werden door de patriarchale maatschappelijke structuren, in tegenspraak zijn met de Koran;

  • als maatstaf voor de beoordeling van de islam het geïndividualiseerde vrouwbeeld te gebruiken dat onder het emancipatiebegrip ontwikkeld is in het Westen (en ook daar niet eens overal), en dus doende voorbij te gaan aan zowel de eigen - niet altijd roemvolle - geschiedenis van de christelijke traditie en het vrouwbeeld ervan, als aan de algehele realiteit;

  • bij het beoordelen van de relaties tussen de geslachten onderling voorbij te gaan aan de grote verplichting van de man (in het bijzonder op financieel vlak) ten gunste van de vrouw;

  • de elementen te verwaarlozen van de economische onafhankelijkheid van de moslimvrouwen (het alleenrecht op de beschikking van haar vermogen), die zij genoten vanaf het begin – dus veel vroeger dan hun Europese seksegenoten;

  • staande te houden dat de moslimvrouw geen recht heeft op opleiding of het op zich nemen van maatschappelijke functies;

  • uit het feit dat in het islamitische erfenisrecht de vrouw slechts op de helft van een erfenis aanspraak kan maken - wat gebaseerd is op de exclusieve financiële belasting van de man -, tot de maatschappelijke inferioriteit van de vrouw te besluiten;

  • voorbij te gaan aan de innovaties die sedert de 19de eeuw in de islam zijn geïntroduceerd door vele vrouwelijke hervormers, in het bijzonder betreffende polygamie en echtscheiding;

  • de verplichting van de vrouw tot het dragen van de sluier te interpreteren als een Koraniek gebod. Het Koraniek kledingsvoorschrift, dat het bedekken aanbeveelt van lichaam en hoofd, is bedoeld om de vrouw te beschermen tegen vernedering en verlies van haar eer, maar niet om haar te vernederen of uit te sluiten uit de maatschappij.


 

WEBMASTER • INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •  Update: 19 februari 2007