LEIDRAAD OVER DE ISLAM

LEIDRAAD VOOR DE VOORSTELLING ERVAN IN DE SCHOOLBOEKEN. 
BIJDRAGE TOT DE INTERCULTURELE OPVOEDING IN EUROPA

door

Abdoldjavad Falaturi & Udo Tworuschka

• INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •


6.5.  Jihâd – de "heilige" Oorlog

Volgende uitspraken zijn juist:

  • Het begrip ‘jihâd’ (betekent letterlijk: inspanning, inzet, engagement) vindt men reeds in de eerste Mekkaanse openbaringen, waar nog geen sprake was van oorlog.

  • “Gehoorzaam dan de ongelovigen niet (de polytheïsten), maar bevecht hen daarmee (= de Koran), met de grootst mogelijke inzet ( = grote jihâd).” (soera 25, 52 - A.F.)

  • De stam van het woord j-h-d verwijst in zijn nominale en verbale vorm naar een spiritueel, sociaal engagement. Het woord jihâd betekent in de eerste plaats een resolute spirituele attitude. Uitgaand van deze basisbetekenis, betekende jihâd in de Medinensische periode (vermoedelijk vanaf het tweede jaar van de hijra) inzet voor de islam zonder meer, met de klemtoon op het inzetten van eigen vermogen en leven (zie ook soera 8, 72).

  • Het essentiële punt is dat jihâd vanuit zijn woordstam noch ‘oorlog voeren’, noch ‘doden’, en in deze zin dus niet 'agressie' impliceert, zoals dat wel het geval is met de stam q-t-l (oorlog voeren, doden ; qitâl = strijd). Het insluiten van de concepten ‘eigen leven’ en ‘vermogen’ in de connotatie van het woord laat er geen twijfel over bestaan dat jihâd de betekenis heeft van de zelfopoffering en het opofferen van het eigen bezit voor God, wat tegelijkertijd zijn religieuze componenten uitmaakt. Daarmee overeenkomstig wordt dat begrip in de Koran nooit betrokken op concrete veldslagen, zoals dat wel het geval is met qitâl.

  • Hoewel qitâl geenszins als een algemene regel gold, maar beperkt was tot de verplichting de umma te beschermen, golden daarvoor heel strenge beperkende regels:

    - oorlog mag enkel gevoerd worden tegen agressoren, dus uitsluitend ter verdediging en bescherming;
    - er mag daarbij niet overdreven worden, bv. mensen mogen niet uit wraak gedood worden;
    - hij mag enkel gevoerd worden voor de belangen van God, dus niet om redenen van materiële aard;
    - hij moet onmiddellijk beëindigd worden bij overgave van de agressor. (zie soera 2, 190-193)

  • Jihâd op te vatten als ‘heilige oorlog’ is in tegenspraak met het Koranieke wezenskarakter ervan. Ook qitâl, de oorlog ter verdediging van de islamitische umma, is geen ‘heilige oorlog’. Oorlog is vanuit islamitisch oogpunt nooit ‘heilig’; zelfs de verdedigingsoorlog is een noodzakelijk kwaad.

  • In tegengestelling tot de Koranieke bedoeling, kreeg jihâd in de periode na Muhammads dood een andere gebruikswijze. Wereldlijke geschillen en oorlogen om politieke en economische macht kregen een ‘religieuze wijding’, en werden verheven tot jihâd, vergelijkbaar met de "christelijke" kruistochten.

  • Daartegenover heeft volgens een overlevering Muhammad in de geest van de Koran een onderscheid gemaakt tussen een  ‘kleine’ en een ‘grote’ jihâd: terwijl het opofferen van eigendom en leven voor verdedigingsdoeleinden beschreven staat als ‘kleine jihâd’, geldt de 'grote jihâd’' de strijd tegen je eigen fouten en kwalijke eigenschappen.

  • Overeenkomstig het begripsveld van jihâd, dat in zijn alomvattende vorm elke grote inspanning omvat voor een God welgevallig doel, met een spectrum gelijkaardig aan het Nederlandse woord 'strijd' ('strijd tegen het analfabetisme'= een moreel hoogstaande handeling; anderzijds - niet God welgevallig -: 'strijd voor de alleenheerschappij'), onderscheiden islamitische auteurs vandaag drie vormen van jihâd:

    • 1. het persoonlijke offer in de strijd tegen een externe vijand;
    • 2. de strijd tegen iemands eigen kwaadwillige neigingen;
    • 3. de strijd om hogere waarden te bereiken.
  • In de moderne islamitische discussie kent het woord jihâd (in zijn religieuze en morele betekenis) een nieuwe heropleving, evenals een nieuwe interpretatie:

    • 1. de vrijheidsstrijd tegen de koloniale machten;
    • 2. de strijd tegen onrechtvaardige heersers en systemen die een afhankelijkheid van vreemde machten en onderdrukking voor gevolg hebben;
    • 3. de inzet voor de vernieuwing op economisch, sociaal en cultureel gebied.
  • Als ‘inzet voor een God welgevallige daad' wordt het woord jihâd ook gebruikt om islamitische massa's te motiveren voor uiteenlopende vernieuwingen. 

Volgende zijn fout:

  • Jihâd te vertalen met ‘heilige oorlog’. Die woordverbinding is weliswaar courant in de christelijke kerkgeschiedenis, maar niet in de islam. Islam gebruikt nergens in samenhang met oorlog (noch met betrekking tot jihâd, noch bij harb of qitâl) een analoog begrip dat linguïstisch correct vertaald kan worden met ‘heilig’;

  • te veronderstellen dat volgens het Koranieke begrip de jihâd begrepen wordt als een middel voor de gewelddadige verspreiding van de islam, of voor de bekering van de 'ongelovigen'.

  • de Koran gelijk te stellen aan een ‘oorlogshandboek’, dat de verspreiding van de islam zou vereisen ‘te vuur en te zwaard’.

  • wanneer tegenwoordig politiek gemotiveerde oorlogen gevoerd worden onder de dekmantel van de jihâd, of zulke oorlogen bestempeld worden als religieus bepaalde oorlogen. Het heeft ook niets van doen met het Koranieke begrip van jihâd, wanneer precies terroristische organisaties zichzelf deze naam geven. Het is fout zulke handelingen te beschrijven als islamitisch legitimeerbare acties.




7. Islam en Minderheden

Volgende uitspraken zijn juist:

  • In de eerste Medinensische  umma (Convenant van Medina) werden niet-moslimminderheden - bovenal joodse stammen - als gelijkgerechtigde leden geïntegreerd. Het behoorde tot hun vanzelfsprekend recht hun godsdienst ongehinderd verder uit te oefenen.

  • Ook na de breuk  van het Convenant, behielden de niet-moslimminderheden verder het recht op vrijheid van godsdienst; als inwoners van de umma werden de niet-moslims weliswaar onder de beschermingsverantwoordelijkheid geplaatst van de moslimleden (alleen moslims waren verantwoordelijk voor het beschermen van de umma), en ze moesten daarvoor een speciale ‘beschermingsbelasting’ betalen.

  • Het is vermeldenswaard dat in de Koran (soera 9, 60) leden van christelijke stammen in Najran genoemd worden als ontvangers van zakât, die voor de rest voorbehouden was aan moslims:

    “De aalmoezen zijn voor de armen zijn en de behoeftigen; voor hen die ermee belast zijn en voor hen wier harten tot elkaar gebracht zijn [bedoeld zijn christelijke stammen van Najran, A.F.], voor de vrijkoop van slaven en schuldenaren, om in te zetten op Gods weg en voor hem die onderweg is”.

  • Eveneens vermeldenswaard en maatgevend voor de latere tijd is het feit dat de Koran, in de allerlaatste fase van de openbaring ervan, aan de moslims - ondanks alle geloofsverschillen - het vreedzaam samenleven met de Mensen van het Boek voorschrijft:

    “Heden zijn aan jullie de goede dingen toegestaan. Het voedsel van hen aan wie het Boek gegeven is, is aan jullie toegestaan, en jullie voedsel is aan hen toegestaan; en de eerbare vrouwen onder de gelovigen en de eerbare vrouwen van hen aan wie voor jullie tijd het boek gegeven is...” (soera 5, 5)

  • Het verdrag dat de tweede kalief ‘Umar afsloot met de christenen in Jeruzalem was opgemaakt naar deze Koranieke geest:

    “In de naam van God, de Erbarmer, de Barmhartige! Dit verdrag is van toepassing op alle christelijke onderdanen, priesters, monniken en nonnen. Het garandeert hun bescherming, waar ze zich ook bevinden… Dezelfde bescherming wordt verzekerd aan de christelijke Kerk, haar leiders, haar bedevaartsoorden, evenals aan hen die deze plaatsen bezoeken... en aan allen die de Profeet Jezus erkennen. Zij allen verdienen achting, omdat zij voordien geëerd werden door een oorkonde van de profeet Muhammad. Hij zette er zijn zegel op en gaf ons strikte orders grootmoedig voor hen te zijn.”

  • De creatieve samenwerking in het islamitische Westen (Spanje) en Oosten tussen joden, christenen en moslims op wetenschappelijk en filosofisch gebied is een bewijs voor de realisatie van de Koranieke geboden en de door ‘Umar gerealiseerde coëxistentie.

  • In de geschiedenis van de islam werd het gebod om religieuze verdraagzaamheid aan de dag te leggen dikwijls overschaduwd door militaire confrontaties en andere problemen.

  • Vooral onder de Umayyaden-dynastie bekleedden joden en christenen belangrijke ambten in de staat en genoten hoog aanzien. Eeuwenlang hadden de Kopten het monopolie van de Egyptische financiële administratie in handen, en Egyptische joden waren invloedrijke bankiers aan het eind van de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw. Tijdens de heerschappij van de ‘Abbasieden, waren er, in contrast met de tijd van de Umayyaden, een groeiend aantal bekeringen. Dat werd deels veroorzaakt door sociale en financiële restricties die men aan de niet-moslims oplegde.

Volgende zijn fout:

  • De historische verscheidenheid te ontkennen bij het contact tussen moslims en niet-moslims, en de verschillende behandeling van niet-moslimse minderheden in verschillende periodes niet in beschouwing nemen;

  • de sociale en religieuze niveau’s te verwarren. In geloofszaken genoten de zogenaamde ‘Mensen van het Boek’ volledige vrijheid. Op het sociale niveau lag de verantwoordelijkheid voor de umma uitsluitend bij de moslims, wat gedeeltelijk leidde tot een verschillende waardering van de niet-moslimse bevolkingsgroepen. In deze context, is de uitdrukking ‘tweederangsburgers’ op haar plaats.

    de politiek geïnspireerde onderdrukking van christenen, zoals men die in sommige periodes en in sommige landen kan constateren, te veralgemenen en te karakteriseren als islamitisch bepaald. Men moet hier verwijzen naar de aanzienlijke sociale en economische status die christenen – bv. in Egypte – hebben genoten, en nog genieten.




8. Missionering, Verbreiding van de Islam en Fundamentalisme

Volgende uitspraken zijn juist:

  • "God brengt wie Hij wil op het goede pad" (soera 28, 56). In overeenstemming daarmee, is het enkel Gods zaak mensen naar de islam over te halen; zelfs Muhammad kon zich niet aanmatigen de andere mensen te bekeren.

  • Missionering, in de betekenis van bekeren, bestaat niet in de islam; in de islamitische theologiestudie is daarvoor geen vak voorzien. Muhammad en daarmee de moslims waren enkel gehouden mensen uit te nodigen tot het goede pad, dat is naar het strikte monotheïsme. Die taak wordt da‘wa genoemd, wat kan vertaald worden als ‘met aandrang uitnodigen’. Daartoe beveelt de Koran de volgende werkwijze aan:

    “Roep op tot de weg van jullie Heer met wijsheid en vriendelijke aansporing, en argumenteer met hen op de beste manier.” (soera 16, 125)

  • Pas in de tegenwoordige tijd hebben enkele theologische universiteiten de da‘wa tot een vak gemaakt binnen de theologische opleiding; dat moet men zeker ook bekijken tegen de achtergrond van de wereldwijde missioneringsijver van de christelijke missionarissen.

  • De verbreiding van de islam begon er na de dood van Muhammad mee dat de Arabieren zich verzet hebben tegen de hernieuwde Byzantijnse en Iraanse kolonialisering. Wanneer deze oorlogen de bedoeling hadden moeten hebben van een missionering om andere volkeren te bekeren, waren ze in tegenspraak geweest met de bedoelingen van de Koran.

  • Geen enkele inspanning om de islam met geweld te verspreiden, het zij in het verleden het zij in het heden, kan gelegitimeerd worden vanuit de Koran. Als er een ‘fundamentalisme’ in deze betekenis zou bestaan, dan is het tegengesteld aan het wezen van de islam.

  • Dergelijke nationale bewegingen – vooral in de Derde Wereld, en niet enkel in islamitische landen – al dan niet gerechtvaardigd, moeten begrepen worden binnen de politieke context van de geschiedenis van het specifieke land, ook al heeft men ernaar gestreefd aanspraak te maken op religieuze legitimatie – of het nu ging om de joodse, christelijke, islamitische, of zelfs hindoeïstische religie.

 

Volgende zijn fout:

  • de voorbije en hedendaagse oorlogen, die veroorzaakt werden door historisch-politieke of machtspolitieke factoren, te interpreteren als opdracht van de Koran ter verbreiding van de islam. Gelijkaardige oorlogen vonden ook plaats tussen moslims onderling, zelfs vaker dan tussen moslims en niet-moslims;

  • algemene conclusies te trekken uit de radicale bewegingen van verscheidene groeperingen in enkele islamitische landen, en ze voor te stellen als een gevaarlijke islamitische dreiging;

  • oproer en burgeroorlogen, die zowel in islamitische als in christelijke landen plaats vinden, te scheiden van hun politieke context, en de aanleidingen ertoe (ongeacht of men ze gerechtvaardigd vindt of niet), die moeten gezocht worden in velerlei internationale en nationale sociale onrechtvaardigheden, te ignoreren.

_____________________________

WEBMASTER • INHOUDSTAFEL • A.FALATURI • CIE-INDEX •  Update: 19 februari 2007