CIE-INDEX

 

GODSDIENST EN ZEDENLEER IN KATHOLIEKE LAGERE SCHOLEN

Geschiedenis van de staatkundige regelgeving

door
Arseen De Kesel*

Probleemstelling

In een aantal katholieke lagere scholen worden naast lessen katholieke godsdienst ook lessen islamitische godsdienst gegeven. Volgens sommigen zou dit onwettelijk zijn. Zij verwijzen naar de Franse gemeenschap waar katholieke scholen slechts lessen katholieke godsdienst mogen aanbieden. Een voldoende reden om de Vlaamse als de Franse regelgeving in dit verband na te gaan.

1. De schoolpactwet (29 mei 1959)1

Een belangrijk moment voor de regelgeving van het godsdienstonderricht en het onderricht in de zedenleer is het Schoolpact en de Schoolpactwet.

Artikels 8-11 regelen het godsdienstonderricht en het onderricht in de zedenleer in de officiële scholen. We citeren deze artikels.

‘ART. 8. In de officiële inrichtingen voor lager en secundair onderwijs met volledig leerplan, omvat de lesrooster per week ten minste twee uren godsdienst en twee uren zedenleer.

Onder godsdienstonderricht wordt verstaan het onderricht in de katholieke, protestantse of israelitische godsdiensten in de op die godsdienst berustende zedenleer. Onder onderricht in de zedenleer wordt verstaan het onderricht in de niet-confessionele zedenleer.

Bij de eerste inschrijving van het kind is het gezinshoofd, de voogd of degene aan wiens hoede het kind is toevertrouwd, gehouden bij ondertekende verklaring voor het kind de cursus in de godsdienst of de cursus in de zedenleer te kiezen.

Zo de keuze op de cursus in godsdienst valt, wordt de gekozen godsdienst uitdrukkelijk in die verklaring vermeld.

  • Het model van de verklaring betreffende de keuze tussen godsdienst of zedenleer wordt door de Koning vastgesteld. Deze verklaring vermeldt uitdrukkelijk:dat het gezinshoofd door de wet geheel vrij wordt gelaten;
  • dat het streng verboden is in dit opzicht enige drukking op hem uit te oefenen en welke tuchtmaatregelen met dat verbod gepaard gaan;
  • dat het gezinshoofd over een termijn van drie vrije dagen beschikt om de behoorlijk ondertekende verklaring terug te geven.
  • Degene die de verklaring aflegt kan bij het begin van elk schooljaar zijn keuze wijzigen.

    ART.9. In de onderwijsinrichtingen van de Staat wordt het godsdienstonderricht verstrekt door bedienaars van de erediensten of hun afgevaardigde, die door de Minister van Openbaar Onderwijs op voordracht van de hoofden van de betrokken erediensten worden benoemd.

    In de andere officiële inrichtingen voor secundair onderwijs wordt het verstrekt door de bedienaars van de erediensten of hun afgevaardigde, die door de inrichtende macht op voordracht van de hoofden van de betrokken eredienst worden benoemd.

    In de officiële lagere scholen die niet door de Staat tot stand zijn gebracht, worden de bedienaars van de onderscheiden erediensten verzocht het godsdienstonderricht te verstrekken of het onder hun toezicht te laten verstrekken, hetzij door een onderwijzer van de inrichting, indien hij daarin toestemt, hetzij door een persoon die door de inrichtende macht daartoe wordt aanvaard.

    De inspectie van de godsdienstcursussen in de onderwijsinrichtingen van de Staat wordt verricht door de afgevaardigden van de hoofden der erediensten, die door de Minister van Openbaar Onderwijs op voordracht van de hoofden van de betrokken erediensten worden benoemd.

    In de andere officiële onderwijsinrichtingen wordt de inspectie van het godsdienstonderricht verricht door de afgevaardigden van de hoofden der erediensten. Die afgevaardigden vervullen hun opdracht onder de bij koninklijk besluit te bepalen voorwaarden.

    De hoofden van de erediensten geven kennis van de benoeming van hun afgevaardigden aan de Minster van Openbaar Onderwijs, die, na daarvan akte te hebben verleend, de nodige inlichtingen aan de betrokken besturen en aan de bevoegde inspecteurs van het Rijksonderwijs doet toekomen.

    Ieder jaar zendt het hoofd van elke eredienst in de maand oktober aan de Minister van Openbaar Onderwijs een omstandig verslag over de wijze waarop het godsdienstonderricht in deze inrichtingen gegeven wordt.

    ART.10. §1. In het officieel lager onderwijs wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang toevertrouwd aan een houder van een diploma dat door een officiële onderwijsinrichting werd uitgereikt en die zelf, zo mogelijk, een dergelijke cursus in de zedenleer heeft gevolgd.

    In het officieel secundair onderwijs wordt hij bij voorrang toevertrouwd aan een houder van een diploma van geaggregeerde, afgeleverd door een niet-confessionele inrichting.

    §2. Het aantal inspecteurs over de zedenleer wordt volgens de noodwendigheid van de dienst door de Koning vastgesteld.

    Deze inspecteurs worden bij voorrang aangeduid onder de houders van de diploma’s, bepaald in §1 van het onderhavig artikel.

    Voor de inspectie in het lager onderwijs moeten zij geslaagd zijn in het examen van kantonnaal inspecteur, indien ze geen houder zijn van een diploma van geaggregeerde.

    ART.11. In het officieel lager onderwijs wordt bij het vaststellen van de algemene uitslag rekening gehouden met het cijfer, dat de leerling behaald heeft voor godsdienst of voor niet-confessionele zedenleer.

    In het officieel secundair onderwijs wordt dit cijfer niet opgenomen in het algemeen resultaat; op het diploma wordt evenwel een speciale melding aangebracht en er wordt een afzonderlijke prijs toegekend voor deze cursussen.

    De leerling die niet ten minste de helft van de punten behaald heeft voor de cursus in de godsdienst of in de niet-confessionele zedenleer mag slechts naar een hogere klas overgaan, nadat hij vooraf bij een herexamen voldaan heeft.’ 

    Tot zover het citaat.

    Onder hoofdstuk VII van de schoolpactwet van 29 mei 1959 worden de wijzigingen aan de gecoördineerde wetten van 20 augustus 1957 op het lager onderwijs gegeven.

    Art.39 luidt als volgt:

    ‘ART.39. §1. Het opschrift van afdeling II, titel IV, wordt door het volgende opschrift vervangen: "Bepalingen gemeen aan de gesubsidieerde lagere scholen."

    §2. 1° In het artikel 50. §1, worden de woorden: "in godsdienst en de zedenleer" geschrapt.

    2° Dezelfde paragraaf wordt met een tweede en een derde lid aangevuld, luidende als volgt:

    "In de officiële scholen omvat het bovendien het onderricht in de godsdienst en in de op die godsdienst berustende zedenleer, en in de niet-confessionele zedenleer.

    In de gesubsidieerde vrije inrichtingen omvat het, hetzij het onderricht in de godsdienst en in de op die godsdienst berustende zedenleer, hetzij het onderricht in de niet-confessionele zedenleer, hetzij deze twee leervakken."

    Besluit

    Art. 39 van de schoolpactwet van 29 mei 1959 zegt: "In de gesubsidieerde vrije inrichtingen omvat het, hetzij het onderricht in de godsdienst en in de op die godsdienst berustende zedenleer, hetzij het onderricht in de niet-confessionele zedenleer, hetzij deze twee leervakken."


    2. Decreet basisonderwijs (25 februari 1997) van de Vlaamse Gemeenschap2

    Wat het decreet basisonderwijs zegt over het godsdienstonderwijs en het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer verschilt niet van wat de schoolpactwet zegt. Ik citeer.

    ‘Art. 41. §1. In de officiële lagere scholen omvat het onderwijsaanbod bovendien wekelijks ten minste twee lestijden onderwijs in de erkende godsdiensten en in de op die godsdiensten berustende zedenleer en ten minste twee lestijden onderwijs in de niet-confessionele zedenleer.

    §2. In de scholen van het gemeenschapsonderwijs wordt het godsdienstonderwijs verstrekt door bedienaars van de betrokken godsdienst of door hun afgevaardigde; in de scholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs door bedienaars van de betrokken godsdienst of door hun afgevaardigde of onder hun toezicht door een leerkracht van de school, indien hij daarin toestemt, of door een andere persoon.

    In de scholen van het gemeenschapsonderwijs en van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt de cursus in de niet-confessionele zedenleer bij voorrang gegeven door een personeelslid dat daartoe een initiële of voortgezette opleiding heeft gevolgd.

    Art. 42. In de vrije lagere scholen wordt hetzij onderwijs in één of meer erkende godsdiensten en in de op deze godsdiensten berustende zedenleer, hetzij het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, hetzij beide, hetzij onderwijs in de cultuurbeschouwing verstrekt.’

    Deze artikels van het decreet maken deel uit van afdeling 1 ‘Onderwijsaanbod’ van hoofdstuk V. ‘Opdracht van het basisonderwijs.’ Het eerste artikel van de afdeling ‘onderwijsaanbod’ luidt: ‘Ieder schoolbestuur bepaalt de inhoud van het basisonderwijs in zijn scholen en bepaalt vrij zijn eigen pedagogische en onderwijskundige methodes.’3

    Het vrij onderwijs kan zelf bepalen of het onderwijs verstrekt in één of meer godsdiensten, in niet-confessionele zedenleer of in cultuurbeschouwing. Zo te zien sluit de wetgever geen enkele mogelijkheid uit. Het verschil in officieel en vrij onderwijs ligt in de eerste plaats in de inrichter van het onderwijs. Officieel onderwijs is onderwijs georganiseerd door een openbaar bestuur; vrij onderwijs is onderwijs georganiseerd door een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon. Waarom zou een natuurlijk persoon of een private rechtspersoon geen onderwijs kunnen organiseren waarin zowel onderricht in de verschillende erkende godsdiensten als in de niet-confessionele zedenleer worden aangeboden. De concurrentie tussen officieel en vrij onderwijs ligt in de wijze van onderwijs verstrekken, niet in het aanbod van levensbeschouwelijke vakken (zie Schoolpact).

    Appendix: "Gids voor 0uders" van de Vlaamse Gemeenschap4

    ‘De grondwet zegt dat alle leerplichtige kinderen recht hebben op een morele of godsdienstige opvoeding op kosten van de gemeenschap. Officiële scholen bieden tot het einde van de leerplicht de keuze aan tussen onderricht in één van de erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer. ‘Niet-confessioneel’ betekent: niet op een godsdienst gebaseerd. De in België erkende godsdiensten zijn: de katholieke, de orthodoxe, de protestantse, de anglicaanse, de israëlitische (= joodse) en de islamitische godsdienst.

    Wanneer u uw leerplichtig kind voor het eerst in het officieel lager onderwijs inschrijft, moet u schriftelijk meedelen of het een cursus in één van deze godsdiensten of een cursus niet-confessionele zedenleer zal volgen. De school geeft u daarvoor een formulier. Bij het begin van elk schooljaar kan u uw keuze wijzigen.

    Het zou kunnen dat u, op basis van uw eigen godsdienstige of morele overtuiging, niet wil dat uw kind één van de aangeboden cursussen godsdienst of niet-confessionele zedenleer volgt. Op aanvraag kan u dan een vrijstelling krijgen.

    In vrije lagere scholen wordt ofwel onderwijs in één of meer erkende godsdiensten gegeven, ofwel onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, ofwel beide, ofwel onderwijs in cultuurbeschouwing. Wat effectief gegeven wordt, hangt af van het soort school. Zo zal een katholieke school uiteraard katholieke godsdienst aanbieden. In vrije scholen kan u voor uw kind geen vrijstelling krijgen voor het volgen van deze lessen.’

    Besluit

    Op basis van art. 39 van de schoolpactwet van 29 mei 1959 zegt art. 42 van het Decreet basisonderwijs (25 februari 1997) van de Vlaamse Gemeenschap:"In de vrije lagere scholen wordt hetzij onderwijs in één of meer erkende godsdiensten en in de op deze godsdiensten berustende zedenleer, hetzij het onderwijs in de niet-confessionele zedenleer, hetzij beide, hetzij onderwijs in de cultuurbeschouwing verstrekt."

    De Vlaamse Gemeenschap blijft dus de schoolpactwet volgen.


    2. Decreet van de Franse Gemeenschap (13 juli 1998)5

    Chapitre VII. Dispositions modificatives

    Section 2. Modifications à la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l’enseignement

    Art. 55 Dans l’article 8 de la même loi sont apportées les modifications suivantes:

    1° dans le premier alinéa, modifié par la loi du 14 juillet 1978, les mots "au moins" sont supprimés;

    2° il est inséré un deuxième alinéa rédigé comme suit:

    "Dans les établissements libres subventionnés se réclamant d’un caractère confessionel, l’horaire hebdomadaire comprend deux heures de la religion correspondant au caractère de l’enseignement."

    Onder chapitre IX ‘Dispositions transitoires’ vinden we het volgende artikel dat ons aanbelangt.
    Art. 98. Par dérogation à l’article 8 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l’enseignement, modifié par le décret du 13 juillet 1998, dans les établissements libres subventionnés se réclamant d’un caratère confessionel qui organisaient à la fois le cours de religion correspondant à leur caractère et un autre cours de religion, celui-ci reste organisable pour les élèves qui y étaient inscrits jusqu’à l’issue de leurs études au sein de l’établissement ou de celui en lequel cet établissement s’est transformé par restructuration. Dans les mêmes établissements, sur demande du pouvoir organisateur et après avoir pris l’avis de l’organe de représentation et de coördination visé à l’article 74 du décret du 24 juillet 1997 précite, le Gouvernement peut autoriser la prolongation de cette dérogation, selon les modalités qu’il détermine.’


    Nederlandse tekst van het decreet van de Franse Gemeenschap

    HOOFDSTUK VII. - Wijzigingsbepalingen
    Afdeling 2. - Wijzigingen in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
    Art. 55. In artikel 8 van diezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
    1° in het eerste lid, gewijzigd bij wet van 14 juli 1975 worden de woorden « ten minste » geschrapt;
    2° er wordt een tweede lid ingevoegd dat als volgt is opgesteld :
    « In de gesubsidieerde vrije inrichtingen die zichzelf van het confessionele type noemen, omvat het wekelijks lesrooster twee uur godsdienst die met het type van de inrichting overeenstemt. »

    HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen
    Art. 98. In de gesubsidieerde vrije inrichtingen die zichzelf een confessionele strekking toe-eigenen en zowel de betrokken godsdienstles als een andere godsdienstles geven, blijft deze laatste in afwijking van artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 ter wijziging van bepaalde bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1998, organiseerbaar voor de leerlingen die er waren ingeschreven tot de afloop van hun studies binnen de inrichting of deze waarin de inrichting door herstructurering wordt omgevormd. Op verzoek van de inrichtende macht en na het inwinnen van het advies van het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan bedoeld in artikel 74 van voornoemd decreet van 24 juli 1997, kan de Regering de verlenging van deze afwijking in diezelfde inrichtingen toelaten en dit volgens de modaliteiten die ze zelf bepaalt.

    (Ter verduidelijking van het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan Artikel 74 van het decreet van 24 juli 1997
    HOOFDSTUK VIII. - De vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten
    Art. 74. De Regering erkent als vertegenwoordigings- en coördinatieorganen :
    1° een orgaan dat de gesubsidieerde openbare machten vertegenwoordigt die gewone of buitengewone basis-, lagere en kleuterscholen inrichten en buitengewone secundaire scholen;
    2° een orgaan dat de gesubsidieerde openbare machten vertegenwoordigt dat secundaire scholen inricht;
    3° een orgaan dat de inrichtende machten vertegenwoordigt van het vrij gesubsidieerd onderwijs met een confessioneel karakter;
    4° een orgaan dat de inrichtende machten vertegenwoordigt van het vrij gesubsidieerd onderwijs met een niet confessioneel karakter.
    )
    Besluit

    Vooreerst hebben we artikel 58 van het decreet van 13 juli 1998 waarin uitdrukkelijk gezegd wordt dat er wijzigingen aan de wetgeving van het schoolpact worden aangebracht " Dans l’article 8 de la même loi sont apportées les modifications suivantes."Onder dezelfde paragraaf vinden we de tweede alinea (die dus ook betrekking heeft op de wijzigingen van de schoolpactwetgeving): 2° il est inséré un deuxième alinéa rédigé comme suit:

    "Dans les établissements libres subventionnés se réclamant d’un caractère confessionel, l’horaire hebdomadaire comprend deux heures de la religion correspondant au caractère de l’enseignement."

    In art.98 van hetzelfde decreet vinden we opnieuw de vermelding van de wijziging van de schoolpactwet: "l’article 8 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l’enseignement, modifié par le décret du 13 juillet 1998".

    Art.98 hoort onder de overgangsmaatregelen. Vrije scholen die zowel lessen katholieke godsdienst als lessen islamitische godsdienst organiseren zijn natuurlijk niet in overeenstemming met art. 58 van het decreet van 13 juli 1998, vandaar zijn er overgangsmaatregelen nodig. De Nederlandse vertaling van art.98 zou de indruk kunnen wekken dat het organiseren van lessen katholieke godsdienst en lessen islamitische godsdienst in tegenstrijd was met de schoolpactwet: 'en zowel de betrokken godsdienstles als een andere godsdienstles geven, blijft deze laatste in afwijking van artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 ter wijziging van bepaalde bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij decreet van 13 juli 1998'. Indien dit het geval was geweest, had men in art.58 de schoolpactwet niet moeten wijzigen.
     

    Algemeen besluit

    De Vlaamse en de Franse Gemeenschap hebben een verschillende regelgeving wat het organiseren van levensbeschouwelijke vakken in het vrije onderwijs betreft. De Vlaamse Gemeenschap volgt de schoolpactwet, de Franse Gemeenschap heeft de schoolpactwet gewijzigd. Op die wijziging van de schoolpactwet voorziet art.98 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 juli 1998 nog uitzonderingen (die voordien wel in overeenstemming waren met de schoolpactwet art.39).

    Volgens de Vlaamse regelgeving kan islamonderricht in iedere vrije katholieke school van Vlaanderen ingericht worden. Volgens de Franse regelgeving kan het in die scholen van de Franse Gemeenschap waar reeds islamonderricht gegeven wordt totdat de leerlingen afgestudeerd zijn. De toelating om islamonderricht nog langer te organiseren kan aangevraagd worden. Het advies van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten is vereist.

      4 augustus 2000, 

    VOETNOTEN:

    1. Belgisch Staatsblad, 19 juni 1959. Het hernieuwde schoolpact van 11 juli 1973 verscheen in het B.S. op 30 augustus 1973.

    2. Het decreet Basisonderwijs van de Vlaamse Gemeenschap werd gestemd op 25 feb 1997 en verscheen in het B.S. op 17 april 1997.

    3. Idem, artikel 25.

    4. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, Administratie Basisonderwijs, 1998.

    5. B.S., 28 augustus 1998.

    Arseen De Kesel, lid van de Werkgroep Onderwijs, Kerkwerkwerk Multicultureel Samenleven, Bisdom Hasselt. - <arseen.de.kesel@pandora.be>

    TERUG NAAR INLEIDING DOSSIER