ISLAM-NOTITIES

door

Mohamed AJOUAOU [*]

CIE-Index • Index

De grenzen van gastvrijheid  

'Doe alsof u thuis bent maar vergeet niet dat ík de gastheer ben’, en ‘een gast heeft recht op drie gastvrije dagen’ (daarna moet hij/zij of weg of is geen ‘gast meer’, d.w.z. heeft geen speciale rechten meer). Deze twee Arabische spreuken gingen door mijn hoofd heen toen ik het boek van Jacques Derrida Over gast~vrijheid’ in de boekhandel zag liggen. Terwijl ik het werk doorbladerde, kwamen meer gedachten in mij op, zoals het machteloze geschreeuw van een autochtone oude vrouw tegen een in Nederland geboren allochtone jonge buur: ‘gedraag je! jullie zijn hier toch te gast!’ Ook vroeg ik me af, als allochtoon, of ik eigenlijk nog gastvrij was, of dat ik dat in Nederland had afgeleerd? In Marokko kon je ieder moment blijk geven van je gastvrijheid. De poort is altijd open en er kan op ieder moment bezoek komen. In Nederland stel ik een onaangekondigd bezoek niet altijd op prijs. Hier moet je vaak afspreken wanneer je gastvrij wilt en kunt zijn en wel tot de kleinste details: ‘Eet je bij mij’? ‘Hoeveel kopjes koffie wil je’? ‘Gebruik je een kleine of een grote beker’? zijn geen denkbeeldige vragen die aan een gast worden gesteld. Kunnen wij in Nederland nog van gastvrijheid spreken, vroeg ik me af.

Afijn, ik hoopte dat het boek van Derrida mij hier wat inzichten over zou verschaffen. Maar het ging over een grotere problematiek, namelijk gastvrijheid met betrekking tot vluchtelingen en immigranten. ‘Deze tekst is geschreven voor het eerste congres van vluchtsteden, gehouden op 21 en 22 maart 1996 in Straatsburg op initiatief van het Internationale Parlement van Schrijvers’. Zo begint Derrida. Vervolgens gaat hij in op de vraag of het mogelijk is dat steden een eigen gastvrijheidsreglement opstellen buiten de nationale soevereiniteit, en zo ja hoe. Ik kon het niet laten om me de hele commotie rondom de bekende Turkse klerenmaker Gümüs terug voor de geest te roepen. De stad Amsterdam, met haar bestuur en burgers, wilde deze goed ingeburgerde illegaal gastvrijheid bieden. Hij was naar plaatselijke maatstaffen een welkome gast maar de Staat wilde dat niet en dus werden hij en zijn gezin het land uitgezet. Als het aan Derrida ligt, zou dat anders kunnen. Steden moeten de kans krijgen om naar eigen inzicht de poort der gastvrijheid open te houden.

Het boek is verder een filosofische doorgronding van wat we het asielrecht noemen. ‘Asiel’ moet hier in de brede zin begrepen worden. Het gaat om opvang en onderdak bieden aan staatlozen, vluchtelingen, gedeporteerden, ontheemden, buitenlanders, immigranten, al maakt Derrida in de loop van zijn uiteenzetting een zorgvuldig onderscheid tussen deze categorieën.

Derrida: ‘er bestaat altijd een aanzienlijk verschil tussen aan de ene kant de edelmoedigheid van de grote beginselen van het asielrecht, erfenis van de Verlichting of de Franse revolutie, en aan de andere kant de historische werkelijkheid, oftewel de daadwerkelijke toepassing van die beginselen’. Als Fransman legt hij vertrekkende van de situatie in Frankrijk uit hoe het asielrecht steeds restrictiever wordt en steeds vaker onderworpen wordt aan de demografisch-economische belangen van de natie-staat die asiel biedt. Is asielrecht oftewel gastvrijheidsrecht een opportunistische aangelegenheid geworden vraag ik me met Derrida af?

Eén van de restrictieve aspecten van de asielrecht die Derrida noemt is het strakke onderscheid tussen politieke en economische vluchtelingen. Zo vinden politici dat asiel voorbehouden moet zijn aan immigranten die geen enkel economische voordeel van hun nieuwe omgeving verwachten. Derrida vindt dit absurd en hypocriet en pleit er juist voor dat vooral vluchtsteden zich moeten inspannen om hun gasten ‘door werk of creatieve activiteiten op die nieuwe plekken en in die soms nieuwe taal, een stevige en duurzame structuur in hun leven aan te brengen’. De auteur wordt geïnspireerd door een middeleeuwse traditie, toen de stad ‘zelf de wetten van haar gastvrijheid kon bepalen’. De Wet van gastvrijheid, ‘op grond waarvan de poorten geopend zouden moeten worden voor iedereen, voor elk ander, elke nieuwkomer, zonder vragen, zelfs zonder identificatie, waar hij of zij ook vandaan komt en wie hij of zij ook is’ .

Dat laatste zal in de praktijk echter moeilijk gaan. Die houding is gebaseerd op wat de bekende filosoof Kant de universele gastvrijheid en het gemeenschappelijk bezit van het aardoppervlak noemt. Niemand heeft het recht om iemand anders de toegang te ontzeggen tot een bepaalde stuk oppervlakte. Maar Kant wil wat op het aardeoppervlak 'wordt opgetrokken, opgebouwd op opgericht' uitsluiten van de onvoorwaardelijke toegang voor nieuwkomers. En daar zit weer een andere dilemma. Een nieuwkomer mag echter wel verwachten dat hij op z’n minst niet vijandig wordt behandeld vanwege zijn komst op dat gebied. Hij mag worden uitgewezen 'wanneer dat zonder levensgevaar voor hem kan geschieden, maar hij mag niet vijandig worden behandeld zolang hij zich ter plekke vreedzaam gedraagt'. Als hij geen aanspraak kan maken op gastrecht dat kan hij zich beroepen op het ‘bezoekrecht'.

Derrida eindigt het eerste hoofdstuk met een aantal open vragen. Hoe kunnen we omgaan me de tegenstelling tussen de restrictieve staatsgastvrijheid en de gastvrijheid van een particulier initiatief (burgers, kerken enz.)? Is het terecht deze laatste te beschuldigen van 'gastvrijheidsdelict' als ze bijvoorbeeld uitgeprocedeerden opvangen? Hoe kunnen we evenwicht brengen tussen de Wet van de onvoorwaardelijke gastvrijheid en de voorwaardelijke wetten van de staatsgastvrijheid?

In het tweede hoofdstuk behandelt Derrida het ‘vraagstuk van de vreemdeling’. De vreemdeling is van oudsher een vraagstuk. De dialogen van Plato geven hier een duidelijk beeld over. De Sofisten: het waren allemaal vreemdelingen die voortdurend werden bevraagd en ondervraagd door de gastheer of het gastland. Een herkenbare situatie. 'Waar kom je vandaan'? 'Waar heb je Nederlands geleerd'? ‘Waarom ben je geïmmigreerd’? ‘Hoe kom je erbij om die studie te volgen? ‘Denk je er niet aan om terug te keren’? ‘Waarom gaan jullie naar Mekka? ‘Waarom is je geloof gewelddadig?’ En nog meer van zulke vragen zijn een allochtoon niet vreemd. Derrida moraliseert echter niet, maar legt ons dilemma's voor. Want z’n onderdrukkende bevraging kan ook een uiting van liefde zijn. We vragen ook liefdevol aan een kind: hoe heet jij? Vertel je me hoe ik je moet noemen als ik je roep? Hoe zal ik je noemen? Hoe oud ben jij?

Bevraging van de vreemdeling betekent dat hij zich voortdurend moet verantwoorden. Erger nog, in een taal die hij of zij niet eigen of machtig is. Hiermee loopt hij gevaar niet overeind te blijven, zich niet te kunnen ‘verdedigen’ tegenover de gastheer. De vreemdeling is verplicht om alles te verwoorden (gastvrijheid te vragen) in een taal ‘die hem is opgedrongen’. Derrida vraagt zich af hoe we nog kunnen spreken van ‘gastvrijheid’ als de vreemdeling precies begrijpt, denkt, spreekt en is zoals de gastheer. Impliceert gastvrijheid niet dat de gastheer aan de verleiding weerstaat om de vreemdeling om een identificatie te vragen; dat de vreemdeling anders en raar mag spreken en zijn?

In NRC Handelsblad van 31 mei 2001 wordt in een ingezonden brief gereageerd op de publicist Paul Scheffer: ‘Het is nog steeds niet volledig tot de autochtone Nederlanders doorgedrongen dat het niet om gaat om gasten, maar om Nederlanders’ (P.8). Derrida zou zeggen: ‘laat ze maar lekker gast blijven, als ze maar rechtvaardig worden behandeld’. In het derde en laatste hoofdstuk, 'Stappen over de drempel van de gastvrijheid', vindt de lezer meer van zulke paradoxen.

‘Over gast~vrijheid’ is ook een uitstekend boek voor iedereen die zich wil bezinnen over de grenzen en mogelijkheden van gastvrijheid in een postmoderne samenleving. Het is voor ambtenaren en beleidsmedewerkers, sociale werken, kerken, moskeeën en voor particulieren die bij de opvang van vreemdelingen, asielzoekers, migranten enz. betrokken zijn.

Over gast~vrijheid’, Jacques Derrida, ISBN 90 5352 3995,

Nederlandse vertaling Boom 1998

oorspronkelijk titel: "Cosmopolites de tous les pays, encore un effort". Galilée 1997

Mohamed Ajouaou

CIE-Index • Index
[* C.V., 16 nov 2012: Dr. Mohamed Ajouaou is theoloog en doctor in de Religiewetenschappen (Univ. Tilburg). Sinds 2007 werkt  hij aan de institutionalisering van de islamitische geestelijke verzorging in de Justitiële Inrichtingen (hij is hoofd imams in gevangenissen); sinds 2011 doceert hij islamitische klassieke theologie (scholastiek) en islamitische filosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en sinds september 2012 coördineert hij het Centrum voor Islamitische Theologie aan dezelfde universiteit.
Recente publicatie: Mohamed AJOUAOU, Erik BORGMAN & Pim VALKENBERG (red.): "Islam in Nederland. Theologische bijdragen in tijden van secularisering". Uitg. Boom 2012, € 22,50.
Website: http://www.mohamed-ajouaou.nl/ ].